Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Diederik van Dijk en Stoffer over de aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media
Vragen van de leden Diederik van Dijk en Stoffer (beiden SGP) aan de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media (ingezonden 11 februari 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid), mede namens de Staatssecretaris
van Economische Zaken en Klimaat (ontvangen 1 april 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 1216.
Vraag 1
Bent u bekend met de berichtgeving over de aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media, waaronder ook minderjarigen?
Wat is uw appreciatie van de ernst en omvang van deze zaak?1
Antwoord 1
Ja.
Zoals onderstreept in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN)
blijven de zorgen over het jihadistische online milieu onverminderd groot.2 Met name de snelle online radicalisering van een nieuwe generatie jongeren wordt
daarin als zorgwekkend aangemerkt.
Het onderzoek van het Openbaar Ministerie loopt en over lopende onderzoeken kan ik
geen nadere uitspraken doen.
Vraag 2
Hoe duidt u deze aanhoudingen in het licht van het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme
Nederland van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV),
met name waar het gaat om online radicalisering van jongeren en de rol van sociale
media?
Antwoord 2
De aanhoudingen kunnen passen in het beeld zoals onder meer geschetst in het meest
recente DTN. Op openbare sociale media, in besloten chatgroepen en op gaming-platformen
komen individuen buiten het zicht van ouders, leerkrachten of leeftijdsgenoten gemakkelijker
en op jongere leeftijd dan voorheen in aanraking met extremistisch gedachtegoed. Door
sociale media hoeven gebruikers niet altijd naar extremistische content te zoeken,
maar kunnen zij ook onbedoeld en zonder ideologische motivatie met deze content in
aanraking komen. Daarnaast kunnen zij onderdeel worden van online netwerken van gelijkgestemden,
waar zij soms zelf extremistische content produceren en verspreiden, hetgeen weer
bijdraagt aan de radicalisering van anderen.
De jonge leeftijd van een aantal verdachten past in het bredere beeld dat steeds meer
terrorismeverdachten minderjarig zijn en (online) geïnspireerd raken door onder andere
de Islamitische staat (ISIS). De geografische spreiding van de verdachten laat verder
zien dat fysieke nabijheid geen vereiste is voor samenwerking. Online platformen maken
het mogelijk dat terroristische netwerken ontstaan die gemeente- en regiogrenzen overstijgen.
Vraag 3
Deelt u de opvatting dat online jihadistische propaganda en rekrutering via sociale
media een structurele dreiging vormen voor de nationale veiligheid?
Antwoord 3
Het gedachtegoed van ISIS is online eenvoudig toegankelijk en wijdverspreid. Jihadistische
propaganda, jihadistische groepen en netwerken bevinden zich op verscheidene online
platformen. Deze online aanwezigheid zorgt ervoor dat het jihadistische gedachtegoed
in stand blijft, hetgeen leidt tot nieuwe aanwas van jihadisten en het mogelijk vergroten
van de actiebereidheid bij hen. Bovendien is de omvang van jihadistische online propaganda
de laatste jaren sterk toegenomen. Het is lastig om zicht krijgen op de totale omvang
van deze propaganda, omdat zij soms verstopt is op minder toegankelijke kanalen zoals
besloten chatgroepen.
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AVID) heeft in de open publicatie
«Een web van haat» uit 2025 eerder benoemd dat de brede online beschikbaarheid en
toegankelijkheid van extremistische en terroristische propaganda zeer waarschijnlijk
bijdraagt aan een blijvende jihadistische dreiging.3 Daarnaast onderschrijft de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid
(NCTV) dat online radicalisering onder jihadistische jongeren een groeiend probleem
is in Nederland en in Europa.4 In de afgelopen jaren heeft deze radicalisering van jonge jihadisten in Nederland
echter nog niet geleid tot een daadwerkelijke geweldsdaad in Nederland: aanslagplannen
kwamen niet tot uitvoer of autoriteiten wisten voornemens tot een aanslag tijdig te
onderkennen. Desondanks kunnen uit online contacten op termijn ook jihadistische netwerken
ontstaan die een terroristische dreiging kunnen vormen.
Vraag 4
Klopt het dat extremistische netwerken in toenemende mate gebruikmaken van codetaal,
symboliek en andere verhullende communicatie om detectie door platforms en opsporingsdiensten
te omzeilen, en hoe beoordeelt u de weerbaarheid van de huidige aanpak hiertegen?
Antwoord 4
Terroristische en extremistische groepen en netwerken maken in hun online propaganda
vaak gebruik van verhullende communicatie om detectie door opsporingsdiensten en online
platformen te omzeilen. Ze gebruiken daarbij codetaal, symboliek, zogenoemde «hondenfluitjes»
of humor, verwerkt in memes, afbeeldingen, video’s en games. Op deze manier kunnen
extremistische boodschappen op grote platformen worden verspreid en een breder publiek
bereiken. Naarmate contentmoderatie strenger wordt, neemt ook de mate van verhulling
toe.
Er wordt continu gewerkt aan het verbeteren van detectiemechanismen en het in kaart
brengen van nieuwe uitingsvormen van terroristische online content.
Daarnaast zijn hostingbedrijven en online platformen verplicht zorgvuldig om te gaan
met de content die zij aanbieden. Zo legt de Digital Services Act (DSA) voor zeer
grote online platformen (VLOPs) zorgvuldigheidsverplichtingen op met betrekking tot
de inrichting van hun platform en de content die daarop wordt gehost of verspreid.
De DSA verplicht platformen om transparantie te bieden over de moderatie die zij verrichten,
en de wijze waarop. Zo moeten zij onder meer rapporteren over de moderatie die zij
hebben verricht en de geautomatiseerde middelen die daarbij eventueel zijn toegepast.
Het kabinet zal zich ervoor blijven inzetten dat platformen hun verplichtingen nakomen,
onder meer door samenwerking met Europese partners te intensiveren en door in de structurele
dialoog met de online platformen hiervoor aandacht te vragen.
Vraag 5
In hoeverre zijn sociale-mediaplatforms naar uw oordeel momenteel daadwerkelijk in
staat om terroristische propaganda tijdig te detecteren en te verwijderen, ook wanneer
gebruik wordt gemaakt van omzeilingstechnieken?
Antwoord 5
Sociale mediaplatformen kunnen problemen ondervinden bij het tijdig detecteren en
verwijderen van terroristische propaganda wanneer omzeilingstechnieken worden gebruikt.
Zoals aangegeven in antwoord 4 maken terroristische en extremistische groepen en netwerken
vaak gebruik van verhullende communicatie om moderatie-inspanningen te omzeilen. Het
blijft dan ook van belang dat sociale mediaplatformen oog houden voor nieuwe omzeilingstechnieken
en investeren in moderatie kwaliteit en in kennis. Hoewel platformen zoals TikTok
en de Meta-diensten (Instagram) geavanceerde AI inzetten voor de detectie van ernstige
schendingen, blijkt de handhaving in de praktijk vaak inconsistent en traag. Dit is
omdat deze geautomatiseerde systemen nog steeds moeite hebben met de contextuele en
culturele nuances van de steeds veranderende codetaal. Bovendien belemmert de architectuur
van gepersonaliseerde-algoritmen de moderatie, omdat gebruikers content te zien krijgen
die aansluit bij hun interesses, waardoor zij minder snel geneigd zijn om propaganda
te rapporteren.
In Nederland geeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal
(ATKM) uitvoering aan de Verordening Terroristische Online-Inhoud (TOI-verordening)
en is bevoegd om terroristische content te detecteren en deze te laten verwijderen
of ontoegankelijk te laten maken. De ATKM streeft ernaar om in samenwerking met de
platformen moderatie van terroristische online content verder te verbeteren en spreekt
hen aan wanneer zij naar haar oordeel meer kunnen doen. Waar nodig zet zij hierbij
verwijderingsbevelen en haar handhavingsinstrumentarium in.
Vraag 6
Welke concrete verplichtingen hebben platforms onder Nederlandse en Europese regelgeving
om terroristische content actief op te sporen en te verwijderen, hoe wordt toezicht
gehouden op de naleving daarvan en welke sancties volgen bij nalatigheid?
Antwoord 6
Bij de bestrijding van illegale content ligt de nadruk in de huidige wet- en regelgeving
vooral op het verwijderen of tegengaan van de content zelf. Zo bevat het huidige wettelijke
instrumentarium, zoals de TOI-verordening en de DSA, duidelijke verplichtingen voor
de bestrijding van terroristische en andere illegale content op online platformen.
De ATKM heeft op grond van de TOI-verordening primair tot taak terroristische online-inhoud
te identificeren en het ontoegankelijk maken van online terroristische online-inhoud
af te dwingen.
Indien terroristische online-inhoud is geïdentificeerd, vaardigt de ATKM een verwijderingsbevel
uit aan de aanbieder van hostingdiensten waar de terroristische online-inhoud wordt
gehost. De ATKM kan een verwijderingsbevel uitvaardigen aan alle aanbieders van hostingdiensten
die hun diensten aanbieden in de Europese Unie. Hierop heeft de aanbieder van hostingdiensten
één uur de tijd om deze inhoud te verwijderen óf de toegang daartoe in alle EU-lidstaten
te blokkeren. De ATKM houdt scherp toezicht op deze 1-uurs termijn. In vrijwel alle
gevallen hebben internetbedrijven hieraan opvolging gegeven.5
Wanneer een verwijderingsbevel niet (tijdig) door een aanbieder van hostingdiensten
wordt nageleefd, kan de ATKM een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen.
Indien een aanbieder systematisch of aanhoudend de verwijderingsbevelen niet naleeft,
is het wettelijk maximum boetebedrag € 1.100.000 of, indien dat meer is, ten hoogste
4% van de mondiale omzet van de onderneming.
Wanneer een in Nederland gevestigde aanbieder van hostingdiensten twee of meer definitieve
verwijderingsbevelen heeft ontvangen kan de ATKM besluiten dat deze aanbieder is blootgesteld
aan terroristisch online inhoud. De aanbieder dient dan onder andere aanvullende specifieke
maatregelen te nemen om zijn diensten te beschermen tegen de verspreiding van terroristisch
online inhoud. De aanbieder kiest zelf welke specifieke maatregelen hij hiervoor treft
en rapporteert hierover aan de ATKM.6
De verplichtingen onder de DSA zijn gelaagd en afhankelijk van de omvang van de dienst.
Online platformen moeten op grond van artikel 16 beschikken over een gebruiksvriendelijk
meldsysteem voor illegale inhoud. Bij een vermoeden van een strafbaar feit dat het
leven of de veiligheid van een persoon bedreigt, moeten zij volgens artikel 18 de
opsporingsdiensten informeren. Daarnaast moeten meldingen van trusted flaggers op
basis van artikel 22 met voorrang worden behandeld.
Voor VLOPs gelden strengere eisen. Zij moeten volgens artikel 34 systemische risico’s
rond de verspreiding van illegale content analyseren en op grond van artikel 35 passende
maatregelen nemen. Bij ernstige nalatigheid kunnen op grond van artikel 52 boetes
tot 6% van de wereldwijde jaaromzet worden opgelegd. Ook moeten VLOPs de mogelijke
risico’s voor bijvoorbeeld de openbare veiligheid analyseren en beperken, bijvoorbeeld
door algoritmische versterking te verminderen of gebruikers naar hulpinstanties te
verwijzen. De Europese Commissie houdt toezicht op deze verplichtingen.
Vraag 7
Erkent u de noodzaak om het instrumentarium voor bindende verwijderbevelen, blokkades
of andere interventies te versterken wanneer platforms er niet in slagen om terroristische
propaganda effectief tegen te gaan?
Antwoord 7
Het wettelijk instrumentarium, zoals de DSA en de TOI-verordening, biedt mogelijkheden
om op te treden tegen onveilige online omgevingen. Zo is in het kader van voorgenoemde
wetten een opbouw van handhavingsmogelijkheden voorzien.
Wat betreft de manier waarop er gehandhaafd kan worden onder de TOI-verordening door
de ATKM verwijs ik u graag naar het uitgebreide antwoord op vraag 6. Om de doeltreffendheid
en praktische effecten van de Uitvoeringswet TOI en de bevoegdheden van de ATKM te
beoordelen, is in 2025 de evaluatie van deze wet gestart. Daarin wordt de juridische
reikwijdte van verwijderbevelen onderzocht, waaronder de juridische mogelijkheid en
wenselijkheid van bevoegdheden ten aanzien van «legal yet harmful» materiaal. In het
najaar van dit jaar zal ik uw Kamer informeren over de resultaten hiervan.
Daarnaast heeft Nederland in december 2025, samen met Duitsland en Frankrijk, de Europese
Commissie opgeroepen om in samenspraak met onder andere online platformen een vrijwillige
gedragscode op te stellen ter bestrijding van online radicalisering, gewelddadig extremisme
en terrorisme.7 De voorstellen voor de gedragscode richten zich op de bescherming van gebruikers
van online platformen, het delen van signalen van online radicalisering, en het tegengaan
van zogeheten «platform migratie» waarbij (geblokkeerde) gebruikers (telkens) naar
andere platformen uitwijken (en accounts op nieuwe platformen openen).
De DSA biedt ruimte voor de Autoriteit Consument & Markt (ACM), de Nederlandse toezichthouder,
en de Europese Commissie om handhavend op te treden bij niet-naleving van de verplichtingen
uit de verordening. De verordening laat in een uiterst geval en onder voorwaarden
ruimte voor de toezichthouder om de rechter te verzoeken de toegang tot een dienst
tijdelijk te beperken wanneer sprake is van een voortdurende inbreuk die neerkomt
op een strafbaar feit waarbij het leven of de veiligheid van personen wordt bedreigd.
De Europese Commissie kan VLOPs dwingende maatregelen opleggen en boetes uitdelen
wanneer zij systemische risico's onvoldoende mitigeren.
In 2027 vindt de evaluatie van het effect en doeltreffendheid van de DSA plaats. Om
dit instrumentarium verder te versterken, zal Nederland een actieve rol spelen in
deze evaluatie en ons inzetten voor verdere aanscherping van regels waar dat wenselijk
en mogelijk is. Daarbij richten wij ons niet alleen op de aanpak van illegale en schadelijke
content, maar nadrukkelijk ook op het gebrek aan transparantie en de werking van schadelijke
algoritmen. Deze inzet sluit aan bij de doelstellingen uit het coalitieakkoord. Zo
zal het kabinet zich inzetten om sociale media veiliger te maken door middel van strenger
toezicht op platformen en transparantie over algoritmen, en effectieve handhaving
tegen illegale content. In de komende periode zal worden bezien op welke wijze hier
nadere invulling aan kan worden gegeven.
Vraag 8
Kunt u, voor zover het onderzoek dat toelaat, inzicht geven in de nationaliteiten
en verblijfsstatussen van de verdachten, en aangeven in hoeverre er sprake is van
banden met jihadistische conflictgebieden zoals Syrië?
Antwoord 8
Zoals het Openbaar Ministerie naar buiten heeft gebracht, zijn er verspreid over negen
politie-eenheden in totaal zestien verdachten aangehouden. Volgens het Openbaar Ministerie
hebben dertien verdachten de Syrische nationaliteit en drie verdachten de Nederlandse
nationaliteit. Het kabinet doet geen uitspraken over individuele verblijfsstatussen
of andere persoonsgegevens van de verdachten.
Vraag 9
Indien verdachten recente banden hebben met of afkomstig zijn uit jihadistische conflictgebieden,
hoe wordt dit betrokken in de dreigingsanalyse en geeft dit aanleiding om aanvullende
veiligheidsmaatregelen te treffen?
Antwoord 9
Het onderzoek van het Openbaar Ministerie loopt en over lopende onderzoeken kan ik
geen uitspraken doen.
De NCTV houdt de ontwikkelingen omtrent de jihadistische dreiging nauwlettend in de
gaten en rapporteert daarover in het DTN. Ook wordt voortdurend bezien of de huidige
aanpak voldoende handvatten biedt of dat aanscherping van maatregelen nodig is.
Vraag 10
Welke preventieve maatregelen worden ingezet om jongeren te beschermen tegen online
radicalisering en rekrutering, en hoe wordt de samenwerking met gemeenten, onderwijs
en ouders hierbij vormgegeven?
Antwoord 10
De lokale aanpak vormt een essentieel onderdeel van de kabinetsinzet tegen radicalisering,
extremisme en terrorisme, waarbij altijd sprake is van maatwerk. Met name waar het
jongeren betreft is het belang van effectieve vroegsignalering groot en dergelijk
maatwerk vereist – een noodzaak die ook door de AIVD is benadrukt in haar publicatie
«Een web van haat».8 Hierbij is een grote rol weggelegd voor preventie, bijvoorbeeld door het bevorderen
van digitale weerbaarheid van jongeren, het ondersteunen van ouders en het trainen
van (lokale) professionals zoals jeugdwerkers en leerkrachten om mogelijke signalen
van (online) radicalisering vroegtijdig te herkennen.
Het versterken van digitale weerbaarheid is een belangrijke pijler binnen de preventieve
aanpak van online radicalisering9, waarbij passende en effectieve interventies op lokaal niveau van groot belang zijn.
Op dit gebied werk ik intensief samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(SZW), waaronder bij het toekennen van de Versterkingsgelden aan gemeenten. Vanuit
de Versterkingsgelden worden diverse lokale interventies ondersteund die bijdragen
aan het versterken van de digitale weerbaarheid van jongeren, zoals lessen op school
over mediawijsheid en online jongerenwerk. SZW zet daarnaast ook op lokaal niveau
preventief in op het versterken van bewustwording, kennisontwikkeling en -deling en
samenwerking van professionals op het thema online radicalisering.10 De NCTV heeft de Expertise-Unit Sociale Stabiliteit in 2025 en 2026 gevraagd met
regionale advisering de lokale aanpak te ondersteunen, met als doel duurzame netwerken
tussen lokale professionals op te bouwen ter bevordering van lokale preventie en deskundigheidsbevordering.
Tevens is de aansluiting tussen zorg- en veiligheidspartners een aandachtspunt. Daarbij
is een extra focus aangebracht voor de aanpak van snelle online radicalisering van
jongeren door jongerenwerkers, onderwijzers, ouders en jongeren, en hoe deze aanpak
zelf kan worden vormgegeven door inzet op online veiligheid en digitale weerbaarheid.
Tot slot is het van groot belang dat (lokale) professionals uit het sociaal-, onderwijs-,
zorg- en veiligheidsdomein over de juiste kennis en handvatten beschikken om signalen
vroegtijdig te herkennen zodat hierop effectief kan worden gehandeld. Het Rijksopleidingsinstituut
tegen Radicalisering (ROR) werkt samen met gemeentes aan de deskundigheid van professionals
door middel van kennisverspreiding en het versterken van vaardigheden en biedt diverse
trainingen en workshops aan professionals, zoals een workshop «Online Radicalisering»
of de serious game voor docenten genaamd «Botsende ideeën». Daarnaast biedt het Landelijk
Steunpunt Extremisme (LSE) hulp en advies aan professionals en mensen die in hun privé
omgeving te maken krijgen met (mogelijke) radicalisering of extremisme.
Vraag 11
Ziet u verband tussen het aanwakkeren van online jihadisme en recente demonstraties
waarbij uitingen zijn gedaan die terroristisch geweld verheerlijken dan wel legitimeren?
Hoe wordt in zulke gevallen direct ingegrepen bij strafbare uitingen?
Antwoord 11
In algemene zin kunnen uitingen die online worden gedaan direct of indirect effect
hebben in de fysieke wereld. Intolerante en gewelddadige boodschappen worden, met
name door de komst van sociale media, razendsnel verspreid om de geesten van anderen
ontvankelijk te maken voor terroristische denkbeelden. Als mensen online propaganda
van terroristische organisaties voorgeschoteld krijgen, kan dat radicalisering in
de hand werken en van invloed zijn op de wijze waarop deze personen zich gedragen
in onze maatschappij, niet alleen online maar ook op straat, bijvoorbeeld bij bijeenkomsten
of demonstraties.
Personen die online radicaliseren door veelvuldige blootstelling aan terroristische
boodschappen kunnen hun intolerante gedachtegoed in de openbare ruimte uitdragen,
bijvoorbeeld door terroristische misdrijven te verheerlijken of door steun te betuigen
aan terroristische organisaties. Om deze verheerlijkende propaganda nog beter en gerichter
aan te kunnen pakken, heeft het kabinet een wetsvoorstel in voorbereiding waarin twee
nieuwe strafbaarstellingen zijn opgenomen, te weten de strafbaarstelling van het verheerlijken
van terrorisme en de strafbaarstelling van het openlijk betuigen van steun aan een
terroristische organisatie. Dit wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij de
Raad van State.
Uiteraard kan er op dit moment ook al strafrechtelijk worden opgetreden tegen strafbare
uitingen die online of offline in het openbaar worden gedaan.
Op het moment dat er strafbare uitlatingen worden gedaan tijdens een demonstratie
is het aan het Openbaar Ministerie als gezag om een afweging te maken of de politie
moet ingrijpen. Het Openbaar Ministerie kan eveneens na een demonstratie ingrijpen
door dan tot strafvervolging over te gaan. Deze afweging is aan het Openbaar Ministerie.
Vraag 12
Welke maatregelen gaat u nemen om online radicalisering, rekrutering en terroristische
propaganda krachtiger tegen te gaan? Bent u bereid de Kamer hier spoedig over te informeren?
Antwoord 12
Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten om online radicalisering, extremisme
en terrorisme aan te pakken – in het bijzonder waar het jongeren betreft. Er wordt
voortdurend bezien of de huidige wet- en regelgeving toereikend is en er wordt stevig
ingezet op preventie, bewustwording en samenwerking met lokale en internationale partners.
In het voorjaar van 2026 zal ik in de volgende voortgangsbrief van de Versterkte Aanpak
Online nader ingaan op de verdere ontwikkelingen in het tegengaan van online extremisme
en terrorisme.
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van de leden Vondeling
en Wilders (beiden PVV), ingezonden 11 februari 2026 (vraagnummer 2026Z02964)
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede namens
J. de Bat, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.