Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Dobbe over artikel ‘En weer bombardeert Israël zorgverleners’
Vragen van het lid Dobbe (SP) aan de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over het artikel «En weer bombardeert Israël zorgverleners: het draaiboek van Gaza wordt nu ook in Libanon gevolgd» (ingezonden 17 maart 2026).
Antwoord van Minister Sjoerdsma (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking)
(ontvangen 31 maart 2026).
Vraag 1
Wat is uw reactie op het nieuws dat er al tientallen hulpverleners zijn vermoord door
Israël in Libanon, waarbij twaalf hulpverleners zijn gedood afgelopen vrijdag?1
Antwoord 1
Het kabinet is ernstig bezorgd over de impact van de geweldsescalatie tussen Israël
en Hezbollah op hulpverleners en medische faciliteiten in Libanon, en over de dood
van de hulpverleners in het bijzonder. Het kabinet onderstreept dat hulpverleners
nooit doelwit mogen zijn en veilig hun werk moeten kunnen doen.
Vraag 2
Bent u bereid het doden van deze hulpverleners ondubbelzinnig te veroordelen? Kunt
u dit toelichten?
Antwoord 2
Volgens het humanitair oorlogsecht moeten humanitaire hulpverleners en humanitaire
hulpgoederen door de strijdende partijen worden ontzien en beschermd. Het kabinet
onderstreept dit uitgangspunt en veroordeelt dan ook de doelbewuste aanvallen op hulpverleners
en medische faciliteiten.
Tegelijkertijd kan in complexe conflictsituaties niet altijd direct worden vastgesteld
wat de precieze omstandigheden zijn. Het is daarom van groot belang om zorgvuldig
en op basis van verifieerbare feiten te handelen. Onafhankelijk onderzoek naar mogelijke
schendingen van het humanitair oorlogsrecht, zoals in dit geval, is uiterst belangrijk.
Vraag 3
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat onafhankelijk onderzoek wordt ingesteld naar
de dood van deze hulpverleners en te zorgen dat de conclusies van dit onderzoek openbaar
worden gemaakt? Kunt u dit toelichten?
Antwoord 3
Nederland dringt waar nodig en mogelijk aan op dergelijk onderzoek en roept betrokken
partijen op daar volle medewerking aan te verlenen. Vermeende internationale misdrijven
vragen in algemene zin om gedegen en onafhankelijk onderzoek. Dit is ook het geval
waar het humanitaire hulpverleners betreft. Het is in eerste instantie aan de meest
betrokken staat of staten die rechtsmacht hebben om internationale misdrijven te onderzoeken
en degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn te vervolgen en te berechten. De internationale
gemeenschap komt in beeld als een staat niet bereid of niet in staat is om zelf op
te treden.
De VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) kan de situatie in Libanon reeds
monitoren en hierover rapporteren. Het OHCHR landenkantoor in Libanon richt zich onder
andere op het rapporteren over mensenrechtenschendingen in het conflict tussen Israël
en Hezbollah. Nederland steunt het OHCHR landenkantoor met een bedrag van USD 1,5 miljoen
over de jaren 2025–2026, zodat onderzoek naar mensenrechtenschendingen in Libanon
kan worden voortgezet.
Nederland staat momenteel in nauw contact met de Libanese autoriteiten over de vraag
of zij het voornemen hebben een feitenonderzoek te starten.
Vraag 4
Sluit u zich aan bij de aanbevelingen van het rapport van de Adviesraad Internationale
Vraagstukken (AIV) en de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken
(CAVV) dat ingaat op de bescherming van hulpverleners, zoals recent gepubliceerd?
Wat betekent dat voor de reactie van de Nederlandse regering op het recent doden van
hulpverleners in Libanon?2
Antwoord 4
Voor een volledige reactie op het rapport van de Adviesraad Internationale Vraagstukken
(AIV) en de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV), verwijzen
wij u naar de kabinetsreactie die vandaag aan uw Kamer is gestuurd. Het kabinet zet
in op normhandhaving en bestrijding van straffeloosheid door onderzoek en versterkte
uitwisseling van informatie en bewijsmateriaal, door versterking van internationale,
bestaande onderzoeksmechanismen, en door gerichte humanitaire diplomatie. Ook in de
context van Libanon zet Nederland zich hier voor in. Graag verwijzen wij naar de volledige
kabinetsreactie. Deze antwoorden zijn in lijn daarmee.
Vraag 5
Zijn de resultaten van het onderzoek bekend en openbaar naar de dood van de 15 hulpverleners
op 23 maart 2025 in de Gazastrook en het wegmaken van de lichamen en de ambulance
door het Israëlische leger?
Antwoord 5
Zoals bekend in uw Kamer vormde de aanval op het humanitaire hulpkonvooi op 23 maart
2025 de hoofdaanleiding voor het ontbieden van de Israëlische ambassadeur in Den Haag.
Nederland heeft meermaals bij Israël om opheldering gevraagd over de aanval op het
humanitaire hulpkonvooi, ook tijdens de ontbieding van de Israëlische ambassadeur
in april 2025 en ook heel recent tijdens het contact van de Nederlandse ambassadeur
met het Israëlisch Ministerie van Buitenlandse Zaken op 24 maart jongstleden. De verantwoordelijkheid
om de aanval te onderzoeken ligt in eerste instantie bij Israël zelf. De Israëlische
krijgsmacht (IDF) publiceerde op 20 april 2025 een verklaring over het onderzoek dat
is uitgevoerd. Volgens de laatst beschikbare informatie ligt het onderzoek nu bij
de militaire aanklager voor opvolging.
Het kabinet constateert dat er tot op heden beperkt publiek inzicht is in de bevindingen
van dit onderzoek. Tegelijkertijd is het van belang dat lopende onderzoeken zorgvuldig
worden afgerond en dat relevante informatie, waar mogelijk, wordt gedeeld. De relevante
VN Commission of Inquiry heeft eveneens onderzoek gedaan naar deze aanval en in haar juridische analyse van
september jl. noemt de Commission of Inquiry de Israëlische respons ontoereikend, onjuist en misleidend.3
Dit onderstreept het belang van de lopende onderzoeken en processen via bestaande
onafhankelijke internationale organisaties en onderzoeksmechanismen die zich richten
op waarheidsvinding en verantwoording in dergelijke situaties.
Vraag 6
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het commissiedebat Humanitaire hulp
op 1 april 2026?
Antwoord 6
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking -
Mede ondertekenaar
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.