Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Mutluer en Westerveld over de positie van kinderen en familieleden van femicideslachtoffers
Vragen van de leden Mutluer en Westerveld (beiden GroenLinks-PvdA) aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de positie van kinderen en familieleden van femicideslachtoffers (ingezonden 6 februari 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Van Bruggen (Justitie en Veiligheid), mede namens de
Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport (ontvangen 31 maart 2026). Zie ook Aanhangsel
Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1177.
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «De wet schiet tekort voor de kinderen van femicideslachtoffers» in de Volkskrant?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat vindt u van het onderzoek van de Femicide Monitor van de Universiteit Leiden waaruit
blijkt dat 62 procent van de slachtoffers van femicide kinderen had en dat 76 procent
van deze kinderen minderjarig was, waarvan velen getuige waren van het geweld?2
Antwoord 2
Met de Femicide Monitor wordt onder meer in beeld gebracht hoeveel kinderen hun moeder
hebben verloren door femicide. Geen enkel kind hoort dit mee te maken. Toch laat de
Femicide Monitor zien dat dit jaarlijks voor gemiddeld 25 kinderen de realiteit is.
De impact van het verlies van een moeder door femicide op een kind is enorm. Bovendien
zijn kinderen vanwege hun jonge leeftijd extra kwetsbaar. Wij vinden het daarom zeer
belangrijk dat er aandacht is en blijft voor deze groep kinderen.
Vraag 3 en 4
Kunt u nader toelichten welke wettelijke kaders er momenteel gelden voor kinderen
en de zorg voor hen na femicide? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in hoeverre worden deze
kaders in de praktijk nageleefd?
Klopt het dat na femicide vaak direct een voogd, veelal een voogdijinstelling, wordt
benoemd die volledige zeggenschap krijgt over besluiten met betrekking tot het verblijf,
de schoolkeuze, de therapie en de omgang van de betrokken kinderen?
Antwoord 3 en 4
Voor kinderen en de zorg voor hen na femicide gelden de reguliere voogdij- en gezagsbepalingen
uit Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast is per 1 januari 2018 de Wet clausulering
recht op contact of omgang na partnerdoding in werking getreden. Dit wettelijk kader
regelt onder meer dat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) om een voorlopige
voogdijregeling kan verzoeken, om zo meteen na partnerdoding de onmiddellijke zorg
voor het kind te waarborgen. Het ouderlijk gezag van de verdachte/dader-ouder is dan
geschorst en de voorlopige voogdij wordt doorgaans belegd bij de gecertificeerde instelling.
De gecertificeerde instelling is dan als voogd bevoegd om beslissingen over het kind
te nemen. Ook zijn er binnen het bijbehorende Handelingsprotocol omgang na partnerdoding
(hierna: het protocol) samenwerkingsafspraken gemaakt over wie welke taken op zich
neemt en welke expertise op welk moment ingeschakeld kan worden.
De RvdK doet op basis van dit protocol onderzoek naar de wenselijkheid van contact
of omgang tussen het kind en de verdachte/dader-ouder. Op basis van dit onderzoek
dient de RvdK binnen drie maanden een verzoek bij de kinderrechter in tot vaststelling
van een contact- of omgangsregeling of tot ontzegging van contact of omgang.
In 2023 is de Wet clausulering recht op contact of omgang na partnerdoding geëvalueerd
door het WODC.3 Uit deze evaluatie volgt dat in vrijwel alle gevallen de wet wordt nageleefd.4
Vraag 5, 6 en 7
Bent u het ermee eens dat het zeer traumatiserend kan zijn voor kinderen, van wie
de moeder om het leven is gekomen wegens femicide, om herhaaldelijk overgeplaatst
te worden? Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat dit gebeurt?
Deelt u de zorg dat verplicht contact met (de familie van) de dader en het wegvallen
van contact met de familie van de vermoorde moeder kan leiden tot traumaverdieping
en onveiligheid voor deze kinderen? Zo nee, bent u bereid om daar onderzoek naar te
doen?
Bent u ook bereid om toe te werken naar het ontwikkelen en inzetten van kennis om
samen met het kind te ontdekken wat hier de beste oplossing is?
Antwoord 5, 6 en 7
Het verliezen van de ene ouder door het toedoen van de andere ouder is een zeer ingrijpende
gebeurtenis in het leven van een kind. De (over)plaatsing van een kind moet, net als
een contact- of omgangsregeling met (familie van) de overblijvende ouder, altijd in
het belang van het kind zijn. Dat is een afweging die door de kinder- of familierechter
wordt gemaakt en waarbij alle omstandigheden omtrent het kind worden betrokken.
Uit het «Aanpakplan: kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers» van
de Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers en de Blijf Groep volgen verschillende
aanbevelingen die onder meer zien op de verblijfplaats van het kind en het contact
tussen de daderouder en het kind enerzijds en het contact tussen de familie van de
moeder en het kind anderzijds. Daarnaast volgt uit het onderzoek «Waar geweld uit
beeld raakt» van het Verwey-Jonker Instituut dat het niet vanzelfsprekend is dat huiselijk
geweld en onveiligheid worden meegenomen in rechterlijke beslissingen omtrent zorgregelingen,
gezag en omgang. De toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is daarom
eind 2025 een verbetertraject gestart, dat als doel heeft te waarborgen dat wanneer
er onderbouwde vermoedens zijn of sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling,
dit altijd moet worden meegewogen in de familierechtelijke procedure. De rechtspraak,
maar ook andere organisaties zoals de RvdK en Slachtofferhulp Nederland, werken mee
aan dit verbetertraject. Ook wordt de expertise van de advocatuur en van ervaringsdeskundigen
en nabestaanden betrokken in dit traject. Zoals eerder toegezegd zal de Minister van
Justitie en Veiligheid voor de zomer een bredere reactie op het aanpakplan aan de
Tweede Kamer toesturen, wanneer uw Kamer ook wordt geïnformeerd over het genoemde
verbetertraject.
Vraag 8 en 9
Klopt het dat de Nederlandse wet momenteel geen geschillenregeling kent voor conflicten
over de uitoefening van de voogdij bij femicide, waardoor kinderen en nabestaanden
beslissingen van de voogd niet aan de rechter kunnen voorleggen, zoals blijkt uit
een recente uitspraak van de Hoge Raad?5 Hoe beoordeelt u deze lacune in de wet?
Welke mogelijkheden ziet u om de regels dan wel de wet te wijzigen zodat kinderen
en nabestaanden van femicideslachtoffers toegang krijgen tot de rechter bij geschillen
over voogdij en expliciet kunnen verzoeken om (op termijn) met de voogdij te worden
belast? Hoe zou hierbij de de stem en inspraak van kinderen geborgd kunnen worden?
Antwoord 8 en 9
Het klopt dat de Nederlandse wet op dit moment geen regeling kent voor geschillen
over de uitvoering van voogdij indien de voogdij wordt uitgeoefend door een gecertificeerde
instelling (hierna: GI). In die situatie ligt de dagelijkse zorg voor de minderjarige
niet bij de GI maar bij een ander, bijvoorbeeld een nabestaande, en kan een verschil
van inzicht ontstaan over de vraag welke gezagsbeslissing het meest in het belang
van de minderjarige is.
Met het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming wordt voorgesteld
een geschillenregeling te introduceren voor geschillen die de uitvoering van de voogdij
door de GI betreffen. Deze mogelijkheid wordt opengesteld voor de minderjarige van
twaalf jaar of ouder, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt
en opvoedt (bijvoorbeeld nabestaanden), de RvdK, de GI en de zorgaanbieder of de aanbieder
van de jeugdhulp waar de minderjarige is geplaatst. Ook geldt voor minderjarigen die
jonger zijn dan twaalf jaar een informele rechtsingang, zodat ook zij zich tot de
rechter kunnen wenden als sprake is van een geschil over de uitoefening van de voogdij.
Op basis van deze regeling krijgen dus ook kinderen van femicideslachtoffers en nabestaanden
die hen opvoeden en verzorgen toegang tot de rechter bij geschillen over de uitoefening
van de voogdij door de GI. Het bereik van de geschillenregeling is beperkt tot de
genoemde groep om te voorkomen dat minderjarigen onderwerp kunnen worden van extra
juridische procedures begonnen door personen die geen directe verantwoordelijkheid
hebben voor de verzorging of opvoeding van het kind.
Wat betreft andere mogelijkheden voor toegang tot de rechter biedt de wet op dit moment
al de mogelijkheid aan nabestaanden om de rechter te verzoeken de voogdij van een
natuurlijke persoon (bijvoorbeeld een andere nabestaande) of een GI te beëindigen
als zij – kort gezegd – menen dat de voogdij niet op een verantwoorde wijze wordt
uitgeoefend en de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt
bedreigd (artikel 1:329, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verbinding met
artikel 1:327 en 1:328 BW). Deze mogelijkheid staat open voor bloed- of aanverwanten
van de minderjarige tot en met de vierde graad. Daaronder vallen onder andere grootouders,
ooms en tantes en meerderjarige broers en zussen. Zij kunnen de rechter ook verzoeken
om hen daarna met de voogdij te belasten (artikel 1:334, lid 1 en 2, BW). Nabestaanden
kunnen daarnaast, indien zij in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot de minderjarige,
een verzoek tot vaststelling, wijziging of ontzegging van het recht op omgang indienen
bij de rechtbank (artikel 1:377a en 1:377e BW).
De wet schrijft voor dat de kinderrechter die een beslissing neemt over een minderjarige
van twaalf jaar of ouder (zoals een beslissing over de voogdij), die minderjarige
eerst in de gelegenheid stelt om zijn mening te geven, bijvoorbeeld tijdens een kindgesprek
(artikel 809 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In het wetsvoorstel
versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming wordt, in aansluiting op de huidige
rechtspraktijk, voorgesteld om deze wettelijke leeftijdsgrens te verlagen naar acht
jaar. Indien daar aanleiding voor is kan de rechter overigens ook minderjarigen die jonger zijn dan acht jaar in de gelegenheid
stellen hun mening kenbaar te maken.
Vraag 10
Welke mogelijkheden zijn er om te borgen dat in gevallen waarin kinderen getuige zijn
geweest van huiselijk geweld en in het bijzonder van partnerdoding of een poging daartoe,
het Openbaar Ministerie ook vervolgt wegens kindermishandeling?
Antwoord 10
De beleidsregels van het Openbaar Ministerie zijn voor wat betreft huiselijk geweldzaken
neergelegd in onder meer de Aanwijzing Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (hierna:
Aanwijzing). In algemene zin gaat de Aanwijzing uit van de bescherming van kwetsbaren,
waaronder kinderen, en benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van de
veiligheid binnen het gezin. Op dit moment is niet in een beleidsregel van het Openbaar
Ministerie expliciet opgenomen dat getuige zijn van huiselijk geweld en/of (een poging
tot) partnerdoding leidt tot strafrechtelijke vervolging wegens kindermishandeling.
De in de vraag benoemde waarborging ligt in het in de Aanwijzing opgenomen uitgangspunt
dat het Openbaar Ministerie in een concrete zaak kan vervolgen wegens kindermishandeling
in voornoemde gevallen, afhankelijk van de feiten, omstandigheden en de bewijsbaarheid.
Het Openbaar Ministerie kan overigens ook ambtshalve vervolgen, behoudens in het geval
van klachtdelicten.
Vraag 11
Hoe beoordeelt u de wens uit de praktijk om te komen tot een protocol waarin wordt
vastgelegd waar kinderen van femicideslachtoffers verblijven en waarin tevens een
verplichting wordt opgenomen voor de Raad voor de Kinderbescherming om, indien dit
in het belang van het kind is, het contact met de familie van de vermoorde moeder
in stand te houden en zich daar actief voor in te zetten?
Antwoord 11
In het kader van de aanbevelingen uit het «Aanpakplan: kinderen van femicide slachtoffers
en femicide overlevers» wordt gekeken naar de werking en mogelijke verbetering van
het bestaande Handelingsprotocol omgang na partnerdoding. Daarin nemen wij deze wens
uit de praktijk mee. Zoals in de beantwoording van vragen 5, 6 en 7 is aangegeven,
zal de Minister van Justitie en Veiligheid de Tweede Kamer voor de zomer een bredere
reactie op dit aanpakplan toesturen.
Vraag 12 en 13
In hoeverre acht u het van belang dat rechters die oordelen over zaken waarin sprake
is van (ernstig) huiselijk geweld, dwingende controle, intieme terreur of femicide,
beschikken over aantoonbare en specialistische kennis op dit terrein? Hoe verhoudt
dit belang zich tot de constatering in het recente rapport van de Group of Experts
on Action against Violence against Women and Domestic Violence, dat voor rechters
en officieren van justitie geen verplichte scholing bestaat op dit onderwerp?6 Op welke wijze sluit het voornemen van de Raad voor de rechtspraak, zoals opgenomen
in het jaarplan 2026, om te investeren in kennis over femicide en intieme terreur
hierbij aan?7
Bent u voornemens deze bijscholing verplicht te stellen en, zo ja, op welke termijn?
En zo nee: hoe voorkomt u dat scholing vrijblijvend blijft en vooral wordt gevolgd
door rechters die hier al affiniteit mee hebben?
Antwoord 12 en 13
Wij achten het van belang dat de rechters die oordelen over zaken waarin vormen van
(ernstig) huiselijk geweld spelen, beschikken over de juiste kennis hierover. Uit
het onderzoek «Waar geweld uit beeld raakt» door het Verwey-Jonker Instituut volgt
dat kennis over huiselijk geweld en geweldspatronen tot de algemene basiskennis van
(familie)rechters zou moeten behoren. Dit is onderdeel van het verbeterplan waar in
de vraag naar wordt verwezen, dat onder meer ziet op het verbinden van het straf-
en civielrecht, het verbeteren van de informatievoorziening aan de familierechter.
Daarnaast ziet het verbeterplan ook op deskundigheidsbevordering binnen alle rechtsgebieden
van de rechtspraak en van officieren van justitie. Hierover worden momenteel gesprekken
gevoerd met de rechtspraak en het Openbaar Ministerie. De scholing van rechters en
officieren van justitie is ook onderdeel van deze gesprekken. De Rechtspraak is momenteel
in samenwerking met SSR, het opleidingsinstituut van zowel de rechtspraak als het
Openbaar Ministerie, het cursusaanbod over huiselijk geweld aanzienlijk aan het uitbreiden.
Zoals hiervoor aangegeven, wordt de Tweede Kamer voor de zomer nader geïnformeerd
over de voortgang van het verbetertraject.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid -
Mede namens
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.