Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Stoffer over de geldigheid van het studentenreisproduct bij vraaggestuurd publiek vervoer en open toegang ritten op het spoo
Vragen van het lid Stoffer (SGP) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de geldigheid van het studentenreisproduct bij vraaggestuurd publiek vervoer en open toegang ritten op het spoor (ingezonden 24 februari 2026).
Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 31 maart
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1242.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van de financiële knelpunten bij de financiering van vraaggestuurd
publiek vervoer en open toegang ritten op het spoor, omdat het studentenreisproduct
bij deze vormen van publiek vervoer niet geldig is en door overheden geld bijgelegd
moet worden om studenten alsnog gratis te laten reizen met een ov-studentenkaart?1, 2
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe waardeert u het feit dat het studentenreisproduct niet geldig is bij de genoemde
vormen van publiek vervoer?
Antwoord 2
Voor het studentenreisproduct heeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(hierna: OCW) een privaatrechtelijke overeenkomst met ov-bedrijven. Of binnenlands
open toegang-treinvervoer en de personenauto’s/taxibusjes van de Flex3 in Zeeland binnen de afgesproken reikwijdte van het gecontracteerde vervoer valt,
is onderwerp van gesprek in de contractrelatie tussen het ministerie en de ov-bedrijven.
Ik informeer uw Kamer na de zomer over de voortgang van dit gesprek.
Vraag 3
Hoe waardeert u het feit dat de provincie Zeeland nu de financiering van het studentenreisproduct
in het daar geldende vraaggestuurd publiek vervoer verzorgt, terwijl de uitrol van
vraaggestuurd vervoer in Zeeland als nationale pilot publiek vervoer is benoemd?
Antwoord 3
Ik snap dat de wijze waarop binnen de provincie Zeeland het publieke vervoer is georganiseerd
de vraag oproept hoe zich dit verhoudt tot de geldigheid van het studentenreisproduct.
Dit wordt dan ook zoals aangegeven meegenomen bij de gesprekken zoals bedoeld in het
antwoord op vraag 2.
Vraag 4
Wat is het beoogde tijdpad voor opvolging van de Verkenning publieke mobiliteit?
Antwoord 4
Momenteel werkt de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) samen
met de Ministeries van Financiën, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK),
Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en OCW, aan de verbredingsfase, welke als
basis zal dienen voor een op te stellen Kabinetsstandpunt Publieke Mobiliteit. De
Staatssecretaris van IenW zal de Kamer eind 2026 informeren over de resultaten van
de verbredingsfase en nader inzicht geven in de voortgang van het Kabinetsstandpunt
dat de Staatssecretaris van IenW in 2027 naar de Kamer zal sturen.
Vraag 5
Deelt u de mening dat aanpassing van de geldigheid van het studentenreisproduct bij
de genoemde vormen van publiek vervoer noodzakelijk en urgent is, omdat het een bepalende
factor is voor de rendabiliteit van deze vormen van publiek vervoer en vraaggestuurd
vervoer noodzakelijk is om verschraling van het openbaar vervoer in het landelijk
gebied tegen te gaan?
Antwoord 5
Het Ministerie van OCW is verantwoordelijk voor de financiële toegankelijkheid van
het vervolgonderwijs voor studenten en daaraan levert het studentenreisproduct een
belangrijke bijdrage. Het Ministerie van OCW heeft hiertoe een privaatrechtelijke
overeenkomst met ov-bedrijven afgesloten. Ik ben en wil in mijn rol niet verantwoordelijk
zijn voor de rendabiliteit van publiek gefinancierd vervoer. Het budget van de onderwijsbegroting
dient zo doelmatig mogelijk te worden besteed aan de beleidsdoelen van OCW.
Vraag 6
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het overleg over het studentenreisproduct
in open toegang ritten op het spoor?4
Antwoord 6
Zie antwoord op vraag 2.
Vraag 7
Bent u voornemens op korte termijn ruimte te geven voor toepassing van het studentenreisproduct
bij genoemde vormen van publiek vervoer, zo nodig in de vorm van experimenteerruimte?
Antwoord 7
Zie antwoord op vraag 2.
Vraag 8
Bent u bereid met regionale opdrachtverleners en vervoerders om tafel te gaan om uit
te werken hoe ervoor gezorgd kan worden dat conform het kabinetsstandpunt Bereikbaarheid
op Peil de bereikbaarheid van voorzieningen centraal staat, in dit geval voor studenten,
en niet via welk contract het vervoer is vastgelegd?5
Antwoord 8
Via de privaatrechtelijke overeenkomst die ik heb met de ov-bedrijven, zorgen we ervoor
dat studenten hun onderwijsinstelling of stageadres kunnen bereiken door ov-bedrijven
te vergoeden voor de reizen die studenten met het studentenreisproduct maken.6 Het contract is voor mij een middel waarmee we de bereikbaarheid van voorzieningen
voor studenten mogelijk maken.
Vraag 9
Bent u bereid ervoor te zorgen dat vraaggestuurd publiek vervoer wettelijk gedefinieerd
wordt als vorm van openbaar vervoer, met bepalingen ten aanzien van onder meer CAO,
geldende vervoerbewijzen en de toepassing van het studentenreisproduct?
Antwoord 9
In de huidige verbredingsfase besteedt de Staatssecretaris van IenW in samenspraak
met betrokken departementen ook aandacht aan de vraag of er een wettelijke definitie
voor publieke mobiliteit dient te komen. De Staatssecretaris van IenW is geen partij
in eventuele discussies ten aanzien van CAO’s. De Staatssecretaris van IenW realiseert
zich echter dat het voor het vaststellen van de toe te passen CAO van belang is om
over een heldere definitie van het begrip publieke mobiliteit te beschikken.
Verder is het goed om te melden dat de eerder genoemde privaatrechtelijke overeenkomst
regelt voor welk type vervoer de ov-bedrijven een vergoeding van OCW kunnen krijgen
voor reizen van studenten met het studentenreisproduct.
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.