Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Stoffer en Flach over het bericht ‘Zeker 48 Joodse begraafplaatsen geruimd na de oorlog’
Vragen van de leden Stoffer en Flach (beiden SGP) aan de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het bericht «Zeker 48 Joodse begraafplaatsen geruimd na de oorlog» (ingezonden 13 februari 2026).
Antwoord van Minister Heerma (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (ontvangen
31 maart 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1245.
Vraag 1 en 2
Bent u bekend met het bericht «Zeker 48 Joodse begraafplaatsen geruimd na de oorlog»?1
Wat is uw reactie op de conclusie dat na de oorlog tientallen keren Joodse begraafplaatsen
zijn geruimd?
Antwoord 1 en 2
Gemeenten hebben na de Tweede Wereldoorlog op grond van artikel 24 van de toenmalige
Begraafwet (Stb 1869,2 in overleg met de Joodse gemeenschap enkele tientallen Joodse begraafplaatsen gesloten
en hebben daartoe de overledenen na de opgraving – en voor zover bekend onder rabbinaal
toezicht – herbegraven op een andere (Joodse) begraafplaats. Dat Joodse begraafplaatsen
ruimte maakten voor de aanleg van nieuwe voorzieningen of infrastructuur voor uitbreidende
stedelijke gebieden was niet uniek, ook andere begraafplaatsen moesten hiervoor wijken.
Ik vind het pijnlijk dat uitgerekend de Joodse gemeenschap zo vlak na de Holocaust
getroffen werd door de sluiting van hun begraafplaatsen, waarmee de eeuwigdurende
grafrust van vele overleden dierbaren is verstoord, ook gelet op de kille behandeling
vanuit de overheid die hen op veel andere terreinen ten deel viel. Ik heb begrip voor
de reacties die dit nu oproept.
Vraag 3
Hoe is het mogelijk dat zich op sommige begraafplaatsen die als geruimd te boek stonden
nog steeds graven bevonden?
Antwoord 3
Tot 1991 was er geen wettelijke verplichting voor begraafplaatsen om een register
bij te houden met een nauwkeurige aanduiding van waar de graven zich bevonden. Veel
begraafplaatsen hielden voor 1991 wel een register bij van degenen die op de begraafplaats
begraven lagen, bijvoorbeeld om kosten in rekening te kunnen brengen. Veel van deze
registers zijn helaas tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. Ook is er veel
kennis verloren gegaan doordat de houder van de begraafplaats ten tijde van de opgravingen
niet meer in leven was.
Vraag 4 t/m 8
Op welke wijze wilt u richting de Joodse gemeenschap erkenning geven van deze pijnlijke
situaties, zeker gezien de status die binnen de Joodse gemeenschap aan het begraven
wordt toegekend?
Hoe wilt u bijdragen aan meer duidelijkheid over de precieze omvang van het probleem
en de noodzakelijke stappen die op basis daarvan gezet dienen te worden?
Gaat u in overleg met betrokken (overheids)organisaties om nader onderzoek en een
betere verantwoording en inventarisatie mogelijk te maken?
Op welke wijze zorgt u er in samenwerking met gemeenten voor dat van alle voormalige
Joodse begraafplaatsen duidelijk wordt of er zich ondanks de gewijzigde bestemming
toch nog graven bevinden en hoe verdere schade wordt voorkomen? Wilt u hiervoor in
samenwerking met de VNG een plan opstellen?
Bent u bereid om in overleg te treden met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap
over de wijze waarop de overheid kan bijdragen aan erkenning en verwerking van deze
gebeurtenissen en de gevolgen ervan voor nabestaanden en het treffen van gedragen
maatregelen waar dat nodig blijkt?
Antwoord 4 t/m 8
Ik realiseer mij dat het bericht over de in de naoorlogse jaren gesloten Joodse begraafplaatsen
binnen de Joodse gemeenschap een gevoelige snaar raakt, mede gezien het religieuze
uitgangspunt van eeuwigdurende grafrust. Goed inzicht in het sluiten van de Joodse
begraafplaatsen vind ik van belang. Twee funerair specialisten onderzoeken momenteel
op eigen initiatief het sluiten van Joodse begraafplaatsen. Dit onderzoek moet ook
inzichtelijk maken waar gesloten Joodse begraafplaatsen liggen waarin zich nog graven
(kunnen) bevinden. Deze kennis is nodig zodat gemeenten nu en in de toekomst zorgvuldig
met deze locaties kunnen omgaan. Ik vind het verder van belang dat de VNG en de Joodse
gemeenschap het gesprek met elkaar aangaan over de uitkomsten van het onderzoek. Wanneer
het onderzoek gereed is zal ik hen uitnodigen voor dat overleg.
Ondertekenaars
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.