Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Jimmy Dijk over het bericht ‘Zorg als kabinet dat iedereen die wil werken ook kan werken’
Vragen van het lid Jimmy Dijk (SP) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het bericht «Zorg als kabinet dat iedereen die wil werken ook kan werken» (ingezonden 4 februari 2026).
Antwoord van Minister Aartsen (Werk en Participatie) (ontvangen 31 maart 2026). Zie
ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1181.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zorg als kabinet dat iedereen die wil werken
ook kan werken» uit Trouw van 4 februari 2026?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat vindt u ervan dat mensen zoals de man die in het voorbeeld van het artikel wordt
aangehaald zo sterk afhankelijk zijn van hun postcode of ze wel of niet op een goede
manier aan het werk kunnen?
Antwoord 2
Iedereen moet toegang hebben tot passende ondersteuning, ongeacht waar iemand woont.
Gemeenten hebben op grond van de Participatiewet de wettelijke taak om mensen te begeleiden
naar werk en ondersteuning te bieden die aansluit bij hun behoeften. De wet biedt
hiervoor verschillende instrumenten en geeft gemeenten ruimte om, binnen de kaders,
eigen keuzes te maken in beleid en uitvoering. Daarbij maken gemeenten, gegeven hun
beschikbare middelen, afwegingen over de inzet en prioritering van ondersteuning.
Gemeenten zijn hier dagelijks mee bezig. Begeleiding van bijstandsgerechtigden vindt
daarbij plaats binnen de bestaande beschikbare financiële kaders, waarbinnen gemeenten
keuzes moeten maken over de omvang en reikwijdte van de dienstverlening die zij bieden.
Mensen (die langdurig) in de bijstand zitten, hebben vaak problemen op meerdere levensdomeinen.
Ze hebben met name te maken met arbeidsbeperkingen, schulden en gezondheidsproblematiek.
Dit blijkt onder meer uit het SCP-onderzoek «Een brede blik op bijstand» (2023). De
aanpak hiervan vergt een meer integrale ondersteuning. Dit betekent dat gemeenten,
binnen hun financiële kaders, soms scherpe keuzes moeten maken in de inzet van re-integratievoorzieningen.
Dit blijkt ook uit een recent onderzoek van Significant dat recent met uw Kamer is
gedeeld.2 In de praktijk kan dit ertoe leiden dat gemeenten hun inzet in sommige gevallen richten
op mensen met een relatief grotere kans op uitstroom naar werk. Hierdoor kan het voorkomen
dat mensen die meer intensieve of langdurige begeleiding nodig hebben minder worden
bereikt. De mate waarin dit voorkomt verschilt per gemeente en hangt samen met de
beleidsmatige en financiële keuzes die lokaal worden gemaakt. Ook dit beeld komt eveneens
naar voren uit diverse onderzoeken.3
Het kabinet vindt het belangrijk dat gemeenten ruimte houden voor maatwerk, maar ook
dat ondersteuning in het hele land toegankelijk is voor mensen die daarvan afhankelijk
zijn. Daarom is in het coalitieakkoord «Aan de slag» aangekondigd dat het re-integratiebeleid
van gemeenten meer wordt geüniformeerd. In de komende periode start het kabinet, in
nauwe samenwerking met gemeenten, UWV, werkgevers en andere betrokken partijen, een
verkenning naar hoe deze uniformering het best kan worden vormgegeven.
Vraag 3
Deelt u de mening van de heer el Mokaddem dat mensen zijn overgeleverd aan «de grillen
van de lokale politiek» omdat geld voor re-integratie en beschut werk niet is geoormerkt?
Antwoord 3
Nee, deze mening deel ik niet.
De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Participatiewet is bewust bij gemeenten
belegd. Het doel daarvan is om ondersteuning dicht bij inwoners te organiseren en
beter aan te laten sluiten bij lokale behoeften. Daarbij is een belangrijk uitgangspunt
dat gemeenten taken in het sociaal domein integraal kunnen aansturen en uitvoeren,
waardoor ondersteuning effectiever en samenhangender kan worden geboden.
De huidige taakverdeling tussen het Rijk en gemeenten is gebaseerd op het principe
dat het Rijk verantwoordelijk is voor het «wat» en gemeenten voor het «hoe». Het Rijk
stelt de wettelijke en financiële kaders en is verantwoordelijk voor een goed functionerend
stelsel. Gemeenten hebben binnen die kaders beleidsruimte om invulling te geven aan
de uitvoering. Het is aan colleges van burgemeester en wethouders om te beoordelen
welke ondersteuning of voorziening passend is om iemand naar werk te begeleiden. Gemeenteraden
stellen de kaders voor het lokale beleid en controleren de uitvoering. In lijn met
de staatsrechtelijke verhoudingen leggen colleges verantwoording af aan de gemeenteraad
en niet rechtstreeks aan het Rijk.
Dit lokale proces biedt waarborgen voor een zorgvuldige beleidsvorming en uitvoering.
Gemeenten geven hier in de praktijk serieus invulling aan. Dit beeld wordt door verschillende
onderzoeken onderstreept.
In de praktijk zien we ook dat gemeenten hun re-integratietaken over het algemeen
adequaat uitvoeren. Zo wordt de doelstelling voor beschut werk naar verwachting in
2025 gerealiseerd en neemt het aantal banen met loonkostensubsidie gestaag toe. Daarnaast
zetten gemeenten belangrijke stappen in het versterken van de sociale infrastructuur,
zodat er meer baankansen ontstaan voor mensen voor wie betaald werk niet vanzelfsprekend
is.
Vraag 4
Wat heeft u, of uw voorganger, de afgelopen twee jaar gedaan om ervoor te zorgen dat
gemeenten die geld dat is bedoeld voor re-integratie en beschut werk hiervoor niet
gebruiken dit wel gaan doen?
Antwoord 4
De middelen voor re-integratie maken onderdeel uit van het gemeentefonds. Het is aan
de gemeenteraad om erop toe te zien dat de middelen op een effectieve en efficiënte
manier worden ingezet.
Ik deel niet het beeld dat gemeenten de middelen die bedoeld zijn voor ondersteuning
van mensen naar (beschut) werk, daar niet voor gebruiken. Dit bleek onlangs uit het
rapport «Re-integratiedienstverlening door gemeenten» van Significant, dat met de
Kamerbrief monitoring Participatiewet 2025 met uw Kamer is gedeeld.4 Hieruit bleek dat gemeenten veel inzetten op re-integratie en dat de uitgaven van
gemeenten op dit gebied de laatste jaren substantieel zijn gegroeid.
Vraag 5
Heeft u eerder signalen van MKB-Nederland en VNO-NCW gekregen dat zij ook willen dat
de regelingen om mensen aan het werk te helpen meer gelijk worden getrokken? Zo ja,
wat heeft u met die signalen gedaan? Zo nee, hoe komt het dat u deze signalen niet
op uw radar heeft?
Antwoord 5
Ja, het kabinet herkent deze signalen. Al in 2018 heeft de toenmalige Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede naar aanleiding van dergelijke signalen,
een Breed Offensief gepresenteerd5 met voorstellen om wet- en regelgeving en de uitvoering te verbeteren. De laatste
wettelijke maatregelen zijn op 1 juli 2023 in werking getreden. Ook heeft uw Kamer
de invoeringstoets van het Breed Offensief en het onderzoek naar de invulling van
de aangescherpte verordeningsplicht voor gemeenten ontvangen. Hieruit blijkt dat maatregelen
uit het Breed Offensief hebben bijgedragen aan meer uniformiteit in de uitvoering.
Tegelijkertijd blijven onderliggende verschillen zichtbaar, doordat gemeenten binnen
de wettelijke kaders eigen keuzes kunnen maken.
Recenter heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de inzet om belemmeringen
weg te nemen die werkgevers ervaren bij het in dienst nemen en behouden van mensen
met een ondersteuningsvraag, waaronder verschillen tussen gemeenten in de inzet van
instrumenten. Dit is onder meer gedaan in de Voortgangsbrief sociaal ontwikkelbedrijven
en beschut werk6 en in de beantwoording van Kamervragen van het lid De Kort (VVD).7
Het kabinet wil de knelpunten verder aanpakken en zet daarom de volgende stappen.
– In het coalitieakkoord «Aan de slag» is afgesproken dat het re-integratiebeleid van
gemeenten meer wordt geüniformeerd. In samenwerking met betrokken partijen, wordt
daartoe een verkenning gestart naar hoe meer uniformering van het gemeentelijk re-integratiebeleid
het best vorm kan krijgen.
– Daarnaast wordt, zoals aangekondigd in de genoemde voortgangsbrief en de beantwoording
van de Kamervragen, samen met werkgevers gewerkt aan een agenda voor inclusief werkgeverschap.
In deze agenda worden knelpunten geïnventariseerd die werkgevers ervaren bij het in
dienst nemen en houden van mensen met een ondersteuningsvraag en wordt uitgewerkt
welke stappen er nodig zijn om deze knelpunten (verder) aan te pakken. Ik beoog uw
Kamer hier rond de zomer nader over te informeren.
Met deze inzet wil het kabinet bijdragen aan een toegankelijker en effectiever stelsel,
waarin mensen passende ondersteuning krijgen en werkgevers beter worden ondersteund
om mensen met een ondersteuningsvraag in dienst te nemen.
Vraag 6
Bent u het ermee eens dat je postcode niet mag bepalen welke zorg je krijgt of dat
je wel of niet de juiste hulp krijgt bij het vinden of behouden van een baan? Zo ja,
hoe rijmt u dat met de plannen die nu worden voorgesteld in het regeerakkoord? Zo
nee, waarom niet?
Antwoord 6
Het kabinet vindt dat iedereen moet kunnen rekenen op passende en toegankelijke ondersteuning,
ongeacht zijn of haar postcode. Tegelijkertijd is het belangrijk dat gemeenten ruimte
houden om maatwerk te bieden, omdat de situatie van mensen en de lokale arbeidsmarkt
kunnen verschillen en passende ondersteuning vraagt om maatwerk.
Zoals in het antwoord op vragen twee en vijf toegelicht, is in het coalitieakkoord
«Aan de slag» het streven aangekondigd om het re-integratiebeleid van gemeenten meer
te uniformeren. Het kabinet start de komende periode, in samenwerking met betrokken
partijen, een verkenning naar hoe deze uniformering het best vorm kan krijgen.
Vraag 7
Welke aanpassingen in landelijke wetgeving zouden er moeten komen om ervoor te zorgen
dat gemeentelijke regelingen gelijk kunnen worden getrokken en geld dat bedoeld is
om mensen aan het werk te helpen daadwerkelijk bij dat doel terechtkomt? Kunt u dit
als lijst opsommen?
Antwoord 7
Vanuit verschillende trajecten wordt er gewerkt aan verbeteringen in landelijke wetgeving
die ervoor moet zorgen dat er meer mensen aan het werk kunnen worden geholpen. Enkele
hiervan zijn in de fase van verkenning en/of uitwerking, waarbij er wordt onderzocht
welke aanpassingen het meest wenselijk en effectief zijn. Dit zijn onder meer:
– De nieuwe Banenafspraak
– Participatiewet in balans (spoor 2)
– Hervorming arbeidsmarktinfrastructuur.
Daarnaast wordt ingezet op een toekomstbestendige inrichting van sociaal ontwikkelbedrijven,
zodat mensen voor wie werk niet vanzelfsprekend is, kunnen blijven rekenen op passend
werk. Ook wordt de verbeteragenda beschut werk uitgevoerd. Onderdeel hiervan is een
nieuw verdeelmodel voor een evenwichtigere verdeling van beschutte werkplekken en
middelen over gemeenten.
Verder is in 2025 besloten de loonwaardemeting voor beschut werk te vervangen door
een vaste, forfaitaire loonkostensubsidie van 68%. Door deze uniformering weten werkgevers
(vooral sociaal ontwikkelbedrijven) waar ze aan toe zijn, verminderen we de administratieve
lasten en voorkomen we onzekerheid bij werknemers over hun loonwaarde. Hiervoor wordt
op dit moment een wetsvoorstel voorbereid. Ook worden op dit moment voorstellen uitgewerkt
om het proces rondom beschut werk verder te versimpelen en te verbeteren.
Daarnaast wordt, zoals toegelicht in de antwoorden op vragen twee, vijf en zes in
de komende periode verkend hoe het voornemen uit het coalitieakkoord om te komen tot
verdere uniformering van het re-integratiebeleid van gemeenten het best kan worden
vormgegeven.
Vraag 8
Hoe kijkt het kabinet naar het onderzoek van Berenschot dat stelt dat een investering
in loonkostensubsidie mogelijk 40.000 werknemers oplevert?8
Antwoord 8
Het rapport van Berenschot laat opnieuw zien dat de doelgroep waar het hier om gaat
vaak intensieve ondersteuning nodig heeft om de stap naar werk te kunnen maken. Gemeenten
zetten zich hier al jaren stevig voor in, en de re-integratie en matching van deze
groep is complex en vraagt meer dan alleen financiële instrumenten zoals loonkostensubsidies.
Het is daarom te kort door de bocht om te concluderen dat het beschikbaar stellen
van extra middelen voor loonkostensubsidies op zichzelf zou leiden tot een uitstroom
van 40.000 extra mensen.
Dat neemt niet weg dat investeren in mensen loont. Uit tal van onderzoeken blijkt
dat wanneer mensen met een ondersteuningsbehoefte duurzaam aan het werk komen, dit
zowel maatschappelijk als financieel voordelen oplevert. Het rapport van Berenschot
onderstreept dit bredere beeld, en daarom is het waardevol dat Cedris en Divosa dit
onderzoek hebben laten uitvoeren. Het laat zien dat wanneer meer mensen uitstromen
naar werk, met inzet van verschillende vormen van ondersteuning, dit per saldo geld
kan opleveren. Dit bevestigt het belang van een integrale aanpak om mensen met een
ondersteuningsbehoefte naar werk te begeleiden.
Vraag 9
Hoe kijkt het kabinet naar het plan «recht op werk» van de FNV?9
Antwoord 9
In de «Voortgangsbrief sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk»10 heeft mijn voorganger naar aanleiding van een motie van het lid Van Kent c.s.11 een uitgebreide appreciatie van het plan «recht op werk» naar uw Kamer gestuurd.
Het kabinet sluit zich bij deze appreciatie aan.
De voorstellen van de FNV raken aan reële knelpunten in de ondersteuning naar werk.
De invoering van een wettelijk recht op werk, zoals voorgesteld, is echter niet uitvoerbaar
binnen de bestaande budgettaire kaders. De kern en richting van het voorstel neem
ik mee in het vervolg van het traject Participatiewet in balans en bij de uitwerking
van de nieuwe banenafspraak.
Vraag 10
Bent u bereid deze plannen als basis te gebruiken om mensen die aan het werk willen
aan het werk te helpen?
Antwoord 10
Zoals in het antwoord op vraag negen vermeld, raken de voorstellen van de FNV aan
belangrijke en herkenbare knelpunten in de ondersteuning naar werk. Het kabinet deelt
de ambitie om meer mensen die willen en kunnen werken daadwerkelijk aan het werk te
helpen. Zo is in het coalitieakkoord afgesproken dat de Participatiewet wordt hervormd
met inzet op intensieve begeleiding, investeringen in sterke gemeenschappen en een
betere samenwerking met gemeenten en (sociale) werkgevers. Tegelijkertijd is de invoering
van een wettelijk recht op werk, zoals voorgesteld, op dit moment niet uitvoerbaar
binnen de bestaande budgettaire kaders.
De richting en uitgangspunten van de voorstellen worden betrokken bij het vervolg
van het traject Participatiewet in balans en bij de verdere uitwerking van de nieuwe
banenafspraak. Hierbij wordt bezien welke elementen kunnen bijdragen aan betere ondersteuning
en meer kansen op werk voor mensen voor wie het hebben van werk niet vanzelfsprekend
is. In de uitwerking hiervan werken we nauw samen met onder andere gemeenten, UWV
en sociale partners.
Vraag 11
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Antwoord 11
Ja.
Ondertekenaars
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.