Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Westerveld over het bericht 'Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: 'Heel erg zorgelijk''
Vragen van het lid Westerveld (GroenLinks-PvdA) aan de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over het bericht «Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: «Heel erg zorgelijk»» (ingezonden 11 maart 2026).
Antwoord van Minister Sterk (Langdurige Zorg, Jeugd en Sport) (ontvangen 30 maart
2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Jonge mensen met psychische problemen overlijden in
hospice door stoppen met eten en drinken: «Heel erg zorgelijk»»?1
Antwoord 1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Vraag 2
Herkent u het beeld dat in de uitzending wordt geschetst, namelijk een toename onder
jonge mensen met psychische problemen die de keuze maken om te overlijden door te
stoppen met eten en drinken?
Antwoord 2
Er is in Nederland niet een organisatie die cijfers bijhoudt hoe vaak jonge mensen
met psychische klachten overlijden door te stoppen met eten en drinken. Hoewel ik
bekend ben met de berichten in de media, kan ik niet op basis van cijfers staven of
sprake is van een toename onder jonge mensen met psychische klachten die stoppen met
eten en drinken.
Vraag 3
Worden er cijfers bijgehouden over het aantal mensen in Nederland dat overlijdt door
te stoppen met eten en drinken? Zo ja, kunt u dit uitsplitsen naar aantallen per jaar,
leeftijd en ziektebeeld? Zo nee, waarom worden die cijfers niet bijgehouden?
Antwoord 3
In de KNMG-handreiking Zorg voor mensen die stoppen met eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen (januari 2024)2 wordt verwezen naar twee onderzoeken uit 2007 en 2015. In deze onderzoeken komt naar
voren dat het in 0,5–1,7% van alle sterfgevallen in Nederland mensen betreft die bewust
stopten met eten en drinken. Het ging daarbij soms om mensen met een doodswens van
wie het euthanasieverzoek was afgewezen, maar ook om mensen die principiële of emotionele
bezwaren hadden tegen euthanasie, of de arts daarmee niet wilden belasten. Anderen
vonden dat het hun eigen verantwoordelijkheid was om een zelfgekozen levenseinde te
realiseren. In 19 tot 45% van de gevallen waarin mensen bewust stoppen met eten en
drinken is sprake van een afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek. Als een
wilsbekwame patiënt bewust besluit om te stoppen met eten en drinken, moet de zorgverlener
het besluit van de patiënt en daarmee de autonomie van de patiënt respecteren, ongeacht
of daarbij sprake is van een eerder afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek.
Uit recent onderzoek naar euthanasieverzoeken vanwege psychisch lijden onder jonge
mensen (<24 jaar) blijkt dat bij twee van de in totaal 353 hulpvragers het euthanasietraject
bij Expertisecentrum Euthanasie eindigde door te stoppen met eten en drinken, ofwel
in ca. 0,5% van de gevallen3.
Uit een eerder dossieronderzoek van Expertisecentrum Euthanasie (EE) naar de achtergronden
en het verloop van euthanasieverzoeken op grond van psychiatrisch lijden bij EE van
1.308 patiënten in de periode 2012–2018 is gebleken dat acht hulpvragers stopten met
eten en drinken op een totaal aantal van 267 geregistreerde sterfgevallen4.
Vraag 4
Bent u bekend met signalen dat hospices van jongvolwassenen met psychische problemen
het verzoek krijgen om daar te mogen overlijden door middel van versterving? Klopt
het dat het aantal verzoeken toeneemt?
Antwoord 4
De hospices waarover het in het bericht gaat wensen anoniem te blijven. Dat bemoeilijkt
het geven van een reactie. Wel heb ik via de koepelorganisatie Vrijwilligers Palliatieve
Terminale Zorg Nederland (VPTZ) meer vernomen over de achtergrond van deze situatie.
Zij hebben contact gehad met het hospice waar drie van de vier jongvolwassenen zijn
opgenomen die tot nu toe bekend zijn. Het hospice heeft aangegeven dat zij deze jongvolwassenen
vanuit betrokkenheid heeft ondersteund. Tegelijkertijd ziet het hospice in dat jongvolwassenen
met dergelijke problematiek eerder in het zorgtraject passende hulp en begeleiding
zouden moeten kunnen krijgen, zodat zij niet bij een hospice hoeven aan te kloppen.
Het hospice heeft toegezegd in de toekomst geen jongvolwassenen onder de 25 jaar met
psychische problematiek en een Bewust Stoppen met Eten en Drinken-wens (BSTED-wens)
meer op te nemen.
Ik acht het van belang dat hospices zich richten op hun kerntaak: het bieden van palliatieve
terminale zorg aan mensen in de laatste levensfase (mensen met een levensverwachting
van maximaal drie maanden). Daarbij past niet dat jongvolwassenen met psychische problematiek
en een BSTED-wens worden opgenomen. Hospicezorg is niet passend voor deze jongvolwassenen.
Ik ga er dan ook van uit dat hospices in dergelijke situaties geen opname zullen bieden
en dat deze jongvolwassenen elders passende ondersteuning en zorg krijgen. In het
antwoord op vraag 7 en 8 ga ik in op afspraken, in het kader van het IZA en AZWA,
die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor (jonge)
mensen met complexe problematiek.
Vraag 5
Weet u ook wat de reden is? Kan het te maken hebben met de wachtlijsten bij de Levenseindekliniek?
Antwoord 5
Zoals in het betreffende bericht wordt aangegeven worden in besloten Facebook-groepen
«tips» uitgewisseld over wat je kunt doen als een euthanasieverzoek is afgewezen of
als je een euthanasietraject te lang vindt duren. In die groepen laten mensen elkaar
weten dat stoppen met eten en drinken een alternatief is en ze zeggen daarbij dat
je dat in een hospice vrijwillig kunt doen.
Bij EE is niet bekend of de reden dat jongvolwassenen voor deze optie kiezen te maken
kan hebben met een afgewezen euthanasieverzoek of omdat zij een euthanasietraject
te lang vinden duren. EE houdt hierover geen gegevens bij.
Vraag 6
Welke regels en richtlijnen zijn er voor hospices bij verzoeken tot versterving? Kunnen
deze regels per hospice verschillen?
Antwoord 6
Patiënten kunnen na verwijzing door een arts, waarbij sprake is van een levensverwachting
van maximaal 3 maanden, worden opgenomen in een hospice. Voor opname wordt een zorgvuldig
proces doorlopen, samen met de patiënt, naasten en de behandelend arts. Het beleid
rond bewust stoppen met eten en drinken bij hospices is afhankelijk van de signatuur
en het beleid van de individuele hospices maar beweegt zich strikt binnen de kaders
van de Zorgverzekeringswet en de overeenkomsten met zorgverzekeraars. Ik verwijs hiervoor
ook naar de reactie op het bericht van koepelorganisatie Associatie Hospicezorg Nederland
(AHzN)5.
Vraag 7
Deelt u de mening dat het schrijnend is dat jongvolwassenen uitkomen op de optie versterving
omdat zij onvoldoende psychische hulp krijgen of kunnen vinden voor hun problematiek?
Antwoord 7
Ik vind het beeld uit de rapportage erg zorgelijk en pijnlijk. Helemaal omdat het
over jongvolwassenen gaat. Niet meer willen leven zegt iets over hoe ernstig iemands
lijdensdruk is. Het is daarom des te belangrijker dat (jonge) mensen tijdig passende
zorg en ondersteuning krijgen, die echt aansluit bij hun problematiek en zorgvraag.
Het kabinet zet zich er stevig voor in dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert,
zeker voor mensen die kampen met ernstige en/of complexe problematiek. Zo zijn in
het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) onder meer afspraken gemaakt over het
vergroten van de behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag en het
schrappen van exclusiecriteria in de ggz. Ook gaat het kabinet aan de slag met het
hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht
en budget komt voor complexe zorg. Bij de uitwerking hiervan zal het kabinet de probleemanalyse
en beleidsopties uit het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) Mentale gezondheid
en ggz betrekken. Zoals door de Minister van VWS bij de begrotingsbehandeling toegezegd,
volgt voor de begrotingsbehandeling 2027 een kabinetsreactie op het IBO.
Vraag 8
Zo ja, erkent u ook dat dit het gevolg is van jarenlang onvoldoende prioriteit geven
aan het verbeteren van de ggz?
Antwoord 8
Nee. Al jaren wordt er gewerkt aan het vergroten van de toegankelijkheid van de ggz.
Zo is het terugdringen van de wachttijden in de ggz één van de doelen uit het Integraal
Zorgakkoord (IZA). In het AZWA hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt die ertoe
moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor patiënten met
complexe zorgvraag. Het gaat onder meer om afspraken over het verbeteren van de samenwerking
tussen zorg en sociaal domein, het vergroten van behandelcapaciteit voor patiënten
met een complexe zorgvraag, het realiseren van proactieve zorgbemiddeling en het schrappen
van exclusiecriteria.
Zoals ik aangaf bij het antwoord op vraag 7 gaat het kabinet aanvullend hierop aan
de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er
capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Vraag 9
Met welke concrete maatregelen gaat u ervoor zorgen dat specifiek deze groep jongvolwassenen
wél de passende specialistische ggz hulp krijgen die zij verdienen?
Antwoord 9
Het is belangrijk dat (jonge) mensen met psychische problematiek tijdig passende ondersteuning
en/of zorg krijgen. Zoals geschetst bij het antwoord op vraag 7 en 8 zijn in het IZA
en AZWA afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz
verbetert, zeker voor mensen met complexe problematiek. Aanvullend hierop zal het
kabinet aan de slag gaan met het hervormen van de financiering en organisatie van
de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Het is belangrijk dat in de spreekkamer het lijden en de doodswens onderwerp van gesprek
zijn, zodat hier door zorgprofessionals passend naar gehandeld kan worden. Behandelaren
volgen hierbij richtlijnen en zorgstandaarden. Het is aan het veld om te oordelen
over de effectiviteit van behandelingen en op basis daarvan richtlijnen eventueel
aan te passen.
Ondertekenaars
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.