Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Schilder en Moinat over het bericht 'Jongeren vatbaar voor ‘snel geld’'
Vragen van de leden Schilder en Moinat (beiden Groep Markuszower) aan de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het bericht «Jongeren vatbaar voor «snel geld»» (ingezonden 30 januari 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid), mede namens de Minister van
Langdurige Zorg, Jeugd en Sport (ontvangen 26 maart 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 1159.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Jongeren vatbaar voor «snel geld»», waarin wordt beschreven
hoe jongeren via sociale media worden geronseld voor criminele activiteiten?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de zorg dat met name kwetsbare jongeren, waaronder jongeren die al in beeld
zijn of zouden moeten zijn bij jeugdzorg of wijkteams, extra vatbaar zijn voor deze
vorm van online ronseling?
Antwoord 2
Ik deel de zorgen over de vatbaarheid van kwetsbare jongeren om (online) geronseld
te worden. Jongeren en jongvolwassenen in een kwetsbare positie, zoals jongeren met
een licht verstandelijke beperking, hebben een verhoogd risico om in te gaan op verzoeken.
Veel jongeren overzien de langetermijngevolgen van hun acties nog niet goed. Dit maakt
het des te belangrijker dat jongeren, ook online, weerbaar zijn voor dit soort praktijken.
Dit vraagt ook om een combinatie van mediawijsheid, alsmede betrokkenheid van ouders
bij de online activiteiten van hun kinderen.
Vraag 3
In hoeverre heeft u gezamenlijk zicht op de omvang van online ronseling van minderjarigen
voor criminele activiteiten?
Antwoord 3
Er is momenteel, bijvoorbeeld bij jeugdzorg of lokale wijkteams, geen gezamenlijk
zicht op hoeveel jongeren online worden geronseld. Ronselaars hoeven slechts één oproep
te plaatsen om grote aantallen jongeren te bereiken. Daarbij komt dat jongeren zelf
terughoudend zijn in het melden van criminele uitbuiting bij de politie of andere
instanties. Daarom wordt door het Centrum Kinderhandel en Mensenhandel (CKM) een onderzoek
uitgevoerd naar de meldingsbereidheid van slachtoffers van criminele uitbuiting. De
eerste inzichten uit dit onderzoek worden in de zomer van 2026 opgeleverd en gedeeld
met gemeenten en andere partners binnen het preventieveld via bijvoorbeeld de digitale
vindplaats van Preventie met Gezag (PmG) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie
en Veiligheid (CCV).
Daarnaast financiert het Ministerie van Justitie en Veiligheid vanuit PmG het online
hulpportaal «Keerpunt». Keerpunt biedt online hulpverlening aan jongeren die het slachtoffer
zijn van criminele uitbuiting of vastzitten in de criminaliteit. Ook kunnen mensen
uit de omgeving van een jongere bij Keerpunt terecht wanneer zij zich over diegene
zorgen maken. Uit het jaarrapport van Keerpunt blijkt dat online rekrutering met name
via sociale media platformen zoals Snapchat, Telegram en Instagram plaatsvindt. Het
specifieke aantal is, zoals eerder benoemd, echter onbekend.
Om meer inzicht te krijgen in de modus operandi van online rekruteren wordt op dit
moment in opdracht van JenV en het CKM een cyclisch onderzoek uitgevoerd op Telegram
en Snapchat. Inzichten uit dit onderzoek worden omgezet naar een handzame factsheet
en worden halfjaarlijks gedeeld met de gemeenten, zorg-, sociaal en veiligheidspartners
en opsporingsdiensten. De eerste landelijke factsheet wordt voor de zomer van 2026
verwacht.
Vraag 4
Klopt het dat jongeren vaak beginnen met ogenschijnlijk kleine en laagdrempelige klusjes,
maar vervolgens via druk, chantage en intimidatie worden vastgezet in zwaardere criminaliteit?
Antwoord 4
Landelijke cijfermatige onderbouwing van deze aanname ontbreekt. De eerdergenoemde
onderzoeken zullen hier meer zicht op geven.
Vraag 5
In hoeverre is het huidige jeugdzorgstelsel zó ingericht dat signalen van criminele
verleiding, online ronseling en normvervaging bij jongeren structureel en tijdig worden
opgepikt en welke randvoorwaarden (zoals informatie-uitwisseling, capaciteit en expertise)
spelen daarbij een rol?
Antwoord 5
Het jeugdzorgstelsel is gedecentraliseerd, waarbij gemeenten op basis van de jeugdwet
volledig verantwoordelijk zijn voor de organisatie van alle jeugdhulp, jeugdbescherming
en jeugdreclassering. De uitvoering gebeurt door het inkopen van zorg bij jeugdhulpaanbieders
en gecertificeerde instellingen of via lokale wijkteams.
Bij bewustwording over en het signaleren van normvervaging en afglijden van jongeren
in een kwetsbare positie naar criminaliteit, spelen de werkgevers in het jeugdzorgstel
een belangrijke rol, omdat zij verantwoordelijk zijn voor de (bij)scholing en professionalisering
van hun werknemers die jongeren begeleiden.
Jeugdprofessionals worden hierbij onder andere geholpen door het Centrum voor Criminaliteitspreventie
en Veiligheid (CCV). Onlangs heeft het CCV voor professionals een lijst met «rode
vlaggen» gepubliceerd. In deze lijst staan risicosignalen, zowel in de online als
offline wereld, die erop kunnen wijzen dat een jongere afglijdt naar de criminaliteit.
Vraag 6
In hoeverre worden jeugdzorgprofessionals en andere betrokken hulpverleners structureel
geschoold in het herkennen van signalen van criminele uitbuiting en online ronseling
van jongeren en in hoeverre wordt daarbij aangesloten bij bestaande expertise en werkwijzen,
zoals die zijn ontwikkeld in de aanpak van loverboys en mensenhandel?
Antwoord 6
In het kader van het Actieplan Samen tegen Mensenhandel werken Defence for Children-ECPAT,
Rode Kruis en FIER aan meer inzicht en bewustwording bij professionals gericht op
de signalering en bewustwording van jeugdige slachtoffers van mensenhandel. Door middel
van een campagne, (#GeenBuit) e-learning (BUIT) en een verdiepende (maatwerk) training zijn in totaal circa 200.000 professionals
bereikt in de jeugdzorg, de migratieketen, politie, welzijn en onderwijs. Sinds april
2025 is aanvullend ingezet op bewustwording en signalering van mensenhandel op scholen
(het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs) onder de noemer «Uitbuiting
(niet) op school». Het aanbod bestaat uit een maatwerktraining, toolkit en vernieuwde
signalenkaart.
Deze interventies zijn onderdeel van de brede aanpak van mensenhandel, gecoördineerd
vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Zo richt de eerder genoemde interventie
die zorgt voor inzicht en bewustwording bij professionals op het gebied van jeugdige
slachtoffers van mensenhandel zich op zowel criminele uitbuiting als seksuele uitbuiting.
Op deze manier wordt aansluiting gezocht bij bestaande expertise en werkwijzen.
Vraag 7
Hoe is de samenwerking en informatie-uitwisseling georganiseerd tussen politie, jeugdzorg,
scholen en jongerenwerk wanneer signalen bestaan dat jongeren online worden benaderd
voor criminele activiteiten en waar worden in de praktijk knelpunten ervaren?
Antwoord 7
Gemeenten geven lokaal invulling aan de samenwerking tussen partijen als politie,
jeugdzorg, scholen en jongerenwerk. Afhankelijk van de lokale verschillen is de samenwerking
en informatie-uitwisseling georganiseerd. Een goede samenwerking en uitwisseling van
signalen van bovenstaande partijen is belangrijk om preventief en repressief signalen
van ronselen te herkennen.
PmG draagt bij aan het versterken van de lokale domein-overstijgende samenwerking
tussen het sociaal domein (gemeenten, zorg- en onderwijspartners) en justitiepartners
op het gebied van preventie. Doel is hierbij om te voorkomen dat jongeren in aanraking
komen met justitie danwel doorgroeien in de criminaliteit. In iedere PmG-gemeente
vinden er multidisciplinaire casusoverleggen plaats, bijvoorbeeld signaal-overleggen
op scholen in het kader van de veiligheid rond en om school in gemeenten, (preventieve)
persoonsgerichte aanpakken en/of aanpak van complexe problematiek in een Zorg- en
Veiligheidshuis. Afhankelijk van de casuïstiek sluiten verschillende partners aan,
zoals jongerenwerkers, school, politie, reclassering en gemeente.
Het is belangrijk om tijdig signalen te delen om verder afglijden te voorkomen. Om
die reden wordt in opdracht van de Minister van Justitie en Veiligheid gewerkt aan
een handreiking om gemeenten meer houvast te geven bij het organiseren van vroegsignalering
die rechtmatig, zorgvuldig en met oog voor de rechten van jongeren en hun ouders wordt
uitgevoerd. De verwachting is dat deze in de eerste helft van 2026 gereed zal zijn
en beschikbaar komt voor alle gemeenten.
In antwoord op Kamervragen ten behoeve van het schriftelijk overleg Nationaal Programma
Leefbaarheid en Veiligheid van 30 september 2025 is op het punt van het delen van
informatie uitgebreid ingegaan.2
Vraag 8
Acht u de huidige strafrechtelijke mogelijkheden en handhavingsinstrumenten voldoende
effectief om ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele
activiteiten op te sporen en hard aan te pakken? Zo nee, waar schieten deze volgens
u tekort?
Antwoord 8
Voor zover ik nu kan bezien, voldoen het strafrecht en de handhaving in de aanpak
van criminele ronselaars. Mij zijn geen signalen bekend dat het strafrechtelijk kader
in concrete gevallen niet toereikend is om personen die minderjarigen inzetten voor
criminele activiteiten strafrechtelijk aan te pakken. Het OM en de politie bevestigen
het beeld dat zij over voldoende handvatten beschikken om de daders die zich hieraan
schuldig maken op te sporen en aan te pakken. Belangrijk is dat de Officier van Justitie
per geval bepaalt voor welke feiten vervolging kan worden ingesteld, aan de hand van
de individuele omstandigheden.
Ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten
kunnen zich schuldig maken aan criminele uitbuiting, een vorm van mensenhandel die
strafbaar is gesteld in artikel 273f, vijfde lid, onder e, Sr, waar specifiek de «uitbuiting
van een persoon bij het verrichten van strafbare activiteiten» is opgenomen. Criminele
uitbuiting houdt in dat iemand wordt gedwongen tot het begaan van strafbare feiten.
Voor mensenhandel is steeds vereist dat de ronselaar of opdrachtgever de intentie
had om de jongere bij het uitvoeren van het strafbare feit uit te buiten. Of sprake
is van criminele uitbuiting hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval,
waarbij wordt gekeken naar de aard en duur van de strafbare activiteit, de beperkingen
voor de betrokkene en (in mindere mate) het economische voordeel van degene die de
jongere heeft aangezet tot het plegen van het strafbare feit.
Afhankelijk van de omstandigheden zijn er daarnaast verschillende mogelijkheden om
deze groep strafrechtelijk aan te pakken. Een ronselaar of opdrachtgever kan een minderjarige
opzettelijk uitlokken tot het plegen van een strafbaar feit en is strafbaar als de
minderjarige ook daadwerkelijk overgaat tot uitvoering. Een minderjarige kan bijvoorbeeld
tegen betaling een explosief in de nabijheid van een woning plaatsen; dan kan sprake
zijn van het uitlokken van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met gevaar
voor personen of goederen, strafbaar op grond van artikel 157 in verbinding met artikel 47
Sr. Ook het proberen uitlokken van een minderjarige tot het plegen van een misdrijf,
ongeacht of het daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is strafbaar op grond van artikel 46a
Sr.
Vraag 9
Hoe wordt voorkomen dat geronselde minderjarigen primair repressief worden benaderd,
terwijl onderliggende problematiek zoals armoede, schulden, gezinsproblematiek of
perspectiefloosheid onbehandeld blijft?
Antwoord 9
Het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) en PmG zetten in op het
mitigeren van risicofactoren en het bevorderen van beschermende factoren om te voorkomen
dat jongeren in een kwetsbare positie met criminaliteit in aanraking komen, afglijden
of doorgroeien in de criminaliteit. Dit doen we in de meest kwetsbare wijken van Nederland.
Dit wordt gecombineerd met het stellen van grenzen die aan jongeren die dreigen in
de criminaliteit te belanden danwel doorgroeien. De inzet van PmG sluit aan op de
inzet vanuit het NPLV, waar langjarig wordt ingezet op het tegengaan van armoede,
het vergroten van de gezondheid en het creëren van veilige en leefbare wijken. De
lessen van het NPLV worden breder gedeeld met andere gemeenten. Zie ook de Kamervragen
zoals eerder benoemd.3
Vraag 10
Acht u het wenselijk om preventieve campagnes en opsporingsmethoden, zoals het inzetten
van (digitale) lokmiddelen door politie en gemeenten, landelijk te versterken en structureel
te maken?
Antwoord 10
De auteurs van het landelijk kwaliteitskader «Effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit» concluderen dat er weinig tot geen wetenschappelijk bewijs is dat universele voorlichtings-
en educatieprogramma’s bijdragen aan het voorkomen van criminaliteit onder jongeren,
terwijl de kans op schadelijke effecten relatief groot is.4 Daarom is terughoudendheid bij de inzet van (brede) campagnes op zijn plaats.
Lokmiddelen zijn zware opsporingsmiddelen. Het werken met een lokmiddel of lokpersoon
is complex en vergt veel capaciteit. Bovendien bestaat het risico dat bij de inzet
van lokmiddelen de grens tussen lokken en uitlokken wordt overschreden. Vanuit proportionaliteit
en subsidiariteit zetten opsporingsdiensten ze daarom terughoudend in, vooral wanneer
andere methoden onvoldoende resultaat opleveren.
Vraag 11
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige wet- en regelgeving binnen zowel het strafrecht
als de jeugdzorg voldoende ruimte biedt voor vroegtijdig ingrijpen en de Kamer hierover
te informeren?
Antwoord 11
We hebben momenteel voldoende instrumenten in handen om samen te kunnen werken, zowel
aan de preventieve als aan de strafrechtelijke kant. Gemeenten zetten in om zo vroeg
mogelijk kinderen, jongeren en gezinnen in een kwetsbare positie kansen te bieden.
Waar nodig bieden zij passende jeugdhulp. Denk hierbij bijvoorbeeld aan opvoedondersteuning
aan ouders en forensische jeugdhulp aan jeugdigen. Het is aan gemeenten om te zorgen
voor voldoende passend aanbod. Professionals kunnen bij de keuze voor een passende
interventies o.a. gebruik maken van de Richtlijn Ernstige gedragsproblemen.5
Het strafrecht wordt pas ingezet op het moment dat er een strafrechtelijk feit is
begaan. In geval van vroegsignalering is hier geen sprake van. Politie kan wel signalen
opvangen dat jongeren afglijden in de criminaliteit. Zij kunnen ook samenwerken met
scholen of (preventief) doorverwijzen naar jeugdhulp, gemeenten en reclassering. Ik
werk voortdurend aan de verbetering van deze samenwerking, bijvoorbeeld door knelpunten
in de gegevensdeling tussen gemeenten en justitiepartners op te lossen met de Taskforce
Gegevensdeling.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede namens
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.