Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Claassen over het bericht dat aan het begin van het studiejaar 2024-2025 de totale schuld in Nederland 29 miljard euro bedroeg
Vragen van het lid Claassen (Groep Markuszower) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht dat aan het begin van het studiejaar 2024–2025 de totale studieschuld in Nederland 29 miljard euro bedroeg (ingezonden 12 februari 2026).
Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 25 maart
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1227.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht over dat aan het begin van het studiejaar 2024–2025
de totale studieschuld in Nederland € 29 miljard bedroeg?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Kunt u aangeven welk deel van deze schuld naar verwachting uiteindelijk kwijtgescholden
zal worden? Graag uitgesplitst naar de volgende categorieën: overlijden van de schuldenaar,
medische gronden en kwijtschelding na afloop van de 35-jarige aflossingsperiode.
Antwoord 2
Het bedrag aan studieleningen dat niet wordt terugbetaald is afhankelijk van verschillende
factoren. Denk daarbij aan leengedrag van de student, de economische omstandigheden
en de rentestanden, die allemaal over een langere periode variëren. Een accurate raming
van het bedrag dat wordt kwijtgescholden is voor de lange termijn daarom niet te geven,
zeker niet wanneer de kwijtscheldingen verder in de toekomst liggen. Daarom wordt
voor de lange termijn uitgegaan van het percentage dat het CPB bij de invoering van
het leenstelsel heeft becijferd, 13,6% van de studieleningen wordt kwijtgescholden.2
Voor de beantwoording van deze vraag kijken we primair naar de kwijtscheldingen binnen
de begrotingshorizon. Binnen de begrotingshorizon wordt zo nauwkeurig mogelijk geraamd
op basis van realisatiecijfers van voorgaande jaren en op basis van verwachtingen
over de uitstaande studieschulden en studiefinancieringsgebruik voor de komende jaren.
In navolgende tabel is de hoogte van de belangrijkste kwijtscheldingen weergegeven.
Bij deze tabel zijn de volgende kanttekeningen van belang.
– In aanvulling op de gevraagde categorieën is ook de kwijtschelding voor de aanvullende
beurs3 en de kwijtscheldingen voor nieuwe aanspraak4 opgenomen.
– De kwijtscheldingen op medische gronden worden om privacyredenen door DUO niet apart
bijgehouden, maar worden toegeschreven aan de verschillende studiefinancieringsproducten.
De hoogte van deze kwijtschelding kan daardoor niet los inzichtelijk worden gemaakt.
– In onderstaande tabel is een stijging zichtbaar bij de kwijtschelding aan het einde
van de 15-jaarstermijn. Binnen de huidige begrotingshorizon vinden voor het eerst
kwijtscheldingen plaats voor debiteuren die onder het terugbetaalregime SF15-nieuw5 vallen en aan het einde van hun aflossingsfase zijn. Dit terugbetaalregime heeft
voor de debiteur gunstigere regels in vergelijking met het vorige regime SF15-oud
wat draagkracht betreft. Doordat de draagkrachtregeling voor deze debiteuren ruimer
is, is de kans ook groter dat aan het einde van de looptijd een deel van de lening
wordt kwijtgescholden.
– Er zijn nog geen draagkrachtkwijtscheldingen voor debiteuren die onder het terugbetaalregime
SF-35 vallen. De eerste debiteuren die onder dit regime vallen, zullen pas rond 2050
aan het einde van hun aflossingsfase zijn.
Kwijtschelding
x € 1 mln.
Gerealiseerd
Begroot
2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
Aanvullende beurs
26,4
29,0
31,0
33,0
36,0
36,0
36,0
Overlijden
14,2
15,0
15,0
15,0
15,0
16,0
16,0
Kwijtschelding einde 15jaarstermijn
54,9
55,0
68,0
85,0
105,0
125,0
142,0
Nieuwe aanspraak
10,5
12,5
11,0
9,5
8,0
8,0
8,0
Vraag 3
Hoe worden deze kwijtscheldingen administratief verwerkt? Wordt hiervoor een specifiek
budget gereserveerd, of worden deze kosten verwerkt binnen de algemene begroting?
Kunt u dit toelichten?
Antwoord 3
De meeste kwijtscheldingen worden in het financiële systeem van DUO apart geboekt,
verantwoord en gemonitord. In het Departementaal Jaarverslag van OCW worden deze kwijtscheldingen
vervolgens verantwoord onder de inkomensoverdracht Overig uitgaven (R) op het studiefinancieringsartikel
(artikel 11). Naast kwijtscheldingen vinden op de Overige uitgaven (R) ook technische
bijstellingen plaats.
Jaarlijks wordt in het voorjaar de studiefinancieringsraming bijgesteld. De kwijtscheldingen
worden dan allemaal zo nauwkeurig mogelijk geraamd voor de jaren binnen de begrotingshorizon.
Dit gebeurt op basis van realisatiecijfers van voorgaande jaren en op basis van verwachtingen
over de uitstaande studieschulden en het studiefinancieringsgebruik voor de komende
jaren.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 wordt de kwijtschelding op basis van medische
gronden niet afzonderlijk geraamd en verantwoord. DUO rekent de kosten die voortvloeien
uit deze kwijtschelding toe aan de verschillende studiefinancieringsproducten waar
de kwijtschelding betrekking op heeft (hoofdzakelijk de rentedragende lening).
Vraag 4
Kunt u een overzicht geven van de spreiding van studieschulden onder studenten in
verschillende schuldcategorieën per € 10.000? Hierbij het verzoek om per categorie
het aantal studenten én de totale schuld in euro’s vermelden.
Antwoord 4
Onderstaande tabel geeft de spreiding van de definitieve studieschulden (inclusief
rente) onder (oud-)studenten in verschillende schuldcategorieën per € 10.000 weer.
Hierbij is per categorie het aantal studenten en de totale schuld in euro’s opgenomen.
De leningen ten aanzien het levenlanglerenkrediet en Caribisch Nederland (WSF BES)
zijn buiten beschouwing gelaten. Ook de prestatiebeurzen die nog niet zijn omgezet
naar een gift of definitieve lening zijn niet meegenomen.
Deze tabel, evenals de tabellen in de andere antwoorden, geeft de stand per 31 december
2025 weer. Er is gekozen om in de beantwoording de meest actuele stand van de studieschulden
te presenteren. Hierdoor sluiten de tabellen niet aan op de stand die het CBS heeft
gebruik voor hun publicatie.
Schuldcategorieën
0–10K
10k-20K
20K-30K
30k-40k
40k-50k
50k-60K
60k-70K
70K+
totaal
Personen
736.508
308.111
182.357
121.360
81.527
53.291
34.353
41.495
1.559.002
Bedrag x € 1 mln.
€ 2.955
€ 4.464
€ 4.494
€ 4.209
€ 3.641
€ 2.910
€ 2.220
€ 3.426
€ 28.319
Een kanttekening bij deze tabel is dat deze de actuele schulden weergeeft. Dit betekent
dat een deel van de debiteuren nog studeert en hun schuld dus verder zal oplopen,
terwijl een ander deel al is begonnen met aflossen, waardoor hun huidige schuld lager
ligt dan aan het begin van de aflossingsfase.
Vraag 5
Volgens het bericht bedroeg de totale studieschuld € 29 miljard aan het begin van
studiejaar 2024–2025. Kunt u aangeven welk deel van deze schuld valt onder het oude
stelsel (SF15) en welk deel valt onder het nieuwe stelsel (SF35)? Hierbij ook het
verzoek om aan te geven om hoeveel studenten het in beide gevallen gaat.
Antwoord 5
Onderstaande tabel geeft het aantal personen en de totale uitstaande schuld weer per
terugbetaalregime. Hierbij zijn het terugbetaalregime SF15-oud en SF15-nieuw samengenomen
als SF-15. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, geven de tabellen de stand
per 31 december 2025.
Aantal personen
Totale studieschuld x € 1 mln.
SF-15
759.727
12.241
SF-35
537.888
12.231
Nog studerend
219.307
3.847
Totaal
1.516.922
28.319
Een kanttekening bij deze tabel is dat een persoon onder meerdere terugbetaalregimes
van DUO kan vallen. Bijvoorbeeld als een debiteur een studieschuld heeft uit een eerdere
studie en daarmee onder SF-15 valt maar inmiddels opnieuw is gaan studeren (onder
SF-35). Hierdoor ligt het aantal personen in bovenstaande tabel hoger dan het aantal
unieke personen voor alle fases. Het aantal unieke personen voor alle fases betreft
1.417.298.
Daarnaast zijn in de groep «nog studerend» alleen studenten opgenomen die een collegegeldkrediet
of een rentedragende lening hebben. Studenten die uitsluitend een voorlopige lening
in de vorm van een prestatiebeurs ontvangen, zijn buiten beschouwing gelaten.
Vraag 6
Volgens het CBS zijn er 1,6 miljoen mensen met een studieschuld. Kunt u aangeven hoe
deze groep is onderverdeeld in de volgende categorieën: nog studerend, afgestudeerd
en in de aanloopfase (nog niet begonnen met aflossen) en bezig met het afbetalen van
de studieschuld.
Antwoord 6
In onderstaande tabel staan de gegevens voor het aantal personen uitgesplitst naar
studiefase, aanloopfase en aflosfase.
Studiefase
Aanloopfase
Aflosfase
Aantal personen
300.449
246.775
969.698
Een kanttekening bij deze tabel is dat één persoon in meerdere fases kan voorkomen,
bijvoorbeeld wanneer iemand die al aan het aflossen is over een eerdere studie en
vervolgens opnieuw besluit te gaan studeren.
Vraag 7
Kunt u aangeven hoeveel van de personen die zijn begonnen met het aflossen van hun
studieschuld daarvan het volledige wettelijke maandbedrag betalen en hoeveel gebruik
maken van de draagkrachtregeling en daardoor een lager maandbedrag betalen?
Antwoord 7
Onderstaande tabel geeft het aantal personen weer dat aan het aflossen is en of zij
onder draagkracht vallen. Dit aantal wijkt af van het totaal aantal personen in de
aflosfase, omdat in deze tabel alleen debiteuren zijn meegenomen waarvoor in december
2025 door DUO een termijn in rekening is gebracht. Personen die zich in de aanloop-
of studiefase bevinden, een schorsing of stopzetting hebben, in een aflossingsperiode
zitten of onder de schuldsanering vallen, zijn niet in de tabel opgenomen.
Totaal aantal aflossers
Aantal aflossers onder draagkracht
Aantal aflossers die niet onder draagkracht vallen
909.748
414.682
495.066
Een kanttekening bij deze tabel is dat voor debiteuren onder het terugbetaalregime
SF15-oud niet automatisch een draagkrachtmeting wordt uitgevoerd dat moeten de debiteuren
zelf aanvragen. Voor debiteuren uit SF15-oud die zelf geen draagkracht hebben aangevraagd,
is daardoor niet bekend of zij in aanmerking zouden zijn gekomen voor een verlaging
van hun wettelijke maandbedrag.
Vraag 8
Wat is de voornaamste opleidingsrichting van personen met een studieschuld van € 50.000
of meer? Gaat het voornamelijk om alphastudies, betastudies of gammastudies?
Antwoord 8
Het is niet mogelijk om de gevraagde gegevens te leveren, omdat DUO de opleidingsrichting
van studenten niet registreert in het studiefinancieringssysteem. Dit gegeven is namelijk
niet noodzakelijk voor de uitvoering van de studiefinancieringswetgeving. Voor de
benodigde koppeling tussen gegevensbestanden is daarom geen grondslag in de wet. De
overheid moet bij het koppelen van gegevensbestanden zorgvuldig te werk gaan. De inbreuk
op de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van de persoonsgegevens van betrokkenen
moet daarbij in verhouding staan tot de noodzaak van deze koppeling.
Voorts merk ik op dat er veel verschillende factoren invloed hebben op de hoogte van
een studieschuld, waardoor er geen causaal verband kan worden gelegd tussen enkel
het type studie dat een debiteur heeft gevolgd en de hoogte van diens studieschuld.
Door deze complexiteit van factoren zie ik geen overtuigende reden om deze koppeling
van gegevensbestanden te realiseren.
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.