Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het Jaarverslag 2024 van de Beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van 1 tot 12 jaar (Kamerstuk 36800-XVI-17)
36 800 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2026
Nr. 187
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 24 maart 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport over de brief van 18 november 2025 inzake het Jaarverslag 2024 van de Beoordelingscommissie
late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van
1 tot 12 jaar (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 17).
De vragen en opmerkingen zijn op 29 januari 2026 aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 24 maart 2026 zijn de vragen door de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Meijerink
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
6
II.
Reactie van de Minister
7
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het «Jaarverslag 2024 van de
Beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen
en kinderen van 1 tot 12 jaar» en de brief van de regering. Zij lezen dat de twee
late zwangerschapsafbrekingen als zorgvuldig zijn beoordeeld en dat er geen sprake
was van meldingen over levensbeëindiging bij pasgeborenen of kinderen van 1 tot 12
jaar. Deze leden hebben hierover op dit moment geen vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het jaarverslag.
Zij hebben geen aanvullende vragen of opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het jaarverslag van
2024 van de Beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging
bij pasgeboren en kinderen van 1 tot 12 jaar. Zij danken de commissie voor haar jaarverslag
en werk. Zij hebben hier verder geen vragen of opmerkingen bij.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie lezen in het «Modelprotocol Medisch handelen bij late
zwangerschapsafbreking», 2.6.2: «Het valt te overwegen om de foetus te sederen en
pijnstilling toe te dienen voordat hiertoe [foeticide] wordt overgegaan.» De leden
van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris terug te blikken en aan te geven waarom
bij de opstelling van het modelprotocol – goedgekeurd in 2017 – is gekozen voor slechts
een overweging en geen standaard.
De leden van de PVV-fractie lezen in het «Jaarverslag 2024 van de Beoordelingscommissie
late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van
1 tot 12 jaar», op pagina 13: «Naar aanleiding van de ontvangen meldingen is het de
commissie opgevallen dat artsen de foetus bij late zwangerschapsafbreking niet standaard
verdoving toedienen. Aangezien de beroepsgroep hierover (nog) geen richtlijn heeft
opgesteld, zal dit geen invloed hebben op de beoordeling van de zorgvuldigheid van
een melding. Desondanks acht de commissie het toedienen van systemische verdoving
aan de foetus zeer wenselijk.» De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris
wat de redenen van artsen zijn om geen sedatie en pijnstilling toe te passen ondanks
(1) de overweging in het modelprotocol en (2) het oordeel van de beoordelingscommissie.
Zij vragen tevens of de verwachting is dat dit na het oordeel van de beoordelingscommissie
zal veranderen. De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris de mening
deelt dat sedatie van de foetus en toediening van pijnstilling altijd en in ieder
geval plaats dienen te vinden voordat tot foeticide wordt overgegaan, om elke mogelijke
pijnwaarneming door de foetus te allen tijde en volledig uit te sluiten.
De leden van de PVV-fractie lezen in de «Concept-Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij
late zwangerschapsafbreking», 6.6.2: «De foetus dient gesedeerd te worden en pijnstilling
toegediend te krijgen voordat hiertoe wordt overgegaan.» De leden van de PVV-fractie
vragen de Staatssecretaris wanneer zij verwacht dat deze concept-kwaliteitsnorm wordt
goedgekeurd. Zij vragen tevens of de Staatssecretaris verwacht dat er in de tussentijd
– ook met het oordeel van de beoordelingscommissie – wel al naar gehandeld zal worden.
De Staatssecretaris stelt dat beroepsnormen leidend zijn. De leden van de PVV-fractie
vragen of zij ook bindend c.q. afdwingbaar zijn of dat hiervan kan worden afgeweken.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris ertoe bereid is de sedatie
van de foetus en toediening van pijnstilling voorafgaand aan foeticide verplichtend
op te nemen in de «Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging
bij pasgeborenen en kinderen 1–12 jaar» (of elders in geldende wet-/regelgeving).
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het jaarverslag van de beoordelingscommissie
LZA/LP over 2024. Deze leden erkennen het belang van deze commissie in het borgen
van de zorgvuldigheid bij medisch uiterst ingrijpende beslissingen. Tegelijkertijd
roept het verslag vragen op over de praktische uitvoering van de herziene Regeling
en de verbreding ervan naar kinderen van 1 tot 12 jaar.
De leden van de CDA-fractie zien dat de reikwijdte van de Regeling per 1 februari
2024 is uitgebreid naar levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar. In 2024
zijn hierover nog geen meldingen gedaan. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris het uitblijven
van meldingen in deze nieuwe categorie? Is er naar mening van de Staatssecretaris
sprake van terughoudendheid om te melden? Wordt er vanuit het veld behoefte geuit
aan meer duiding, bijvoorbeeld via medisch-ethische richtlijnen of casuïstiekbesprekingen?
De zorgvuldigheidseisen voor levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar zijn
op 2 oktober 2024 voorlopig vastgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
(NVK). De leden van de CDA-fractie vragen wanneer de Staatssecretaris verwacht dat
deze eisen formeel in de Regeling kunnen worden opgenomen. Wat gebeurt er als in de
praktijk verschillen ontstaan in interpretatie of toepassing van deze eisen? Is er
volgens de Staatssecretaris een risico dat artsen zonder duidelijk juridisch kader
moeten handelen, wat ook de rechtszekerheid van ouders en kinderen kan ondermijnen?
De commissie benoemt dat bij sommige casussen de arts die meldt niet dezelfde is als
de arts die de handeling uitvoert. Hoewel dat begrijpelijk is in verband met expertise,
kan dit tot verwarring leiden over verantwoordelijkheid. De leden van de CDA-fractie
vragen hoe wordt gewaarborgd dat beide artsen het volledige proces kennen en actief
betrokken zijn bij de besluitvorming en uitvoering. Is het wenselijk om dit explicieter
in de Regeling op te nemen?
Sinds 2017 is er slechts één melding geweest van levensbeëindiging bij een pasgeborene.
De leden van de CDA-fractie vragen of de Staatssecretaris het aannemelijk acht dat
dit cijfer een volledige weergave is van de praktijk. Wordt overwogen om via de Inspectie
of wetenschappelijk onderzoek nader zicht te krijgen op niet-gemelde gevallen?
De commissie benoemt dat bij late zwangerschapsafbreking nog niet standaard verdoving
aan de foetus wordt toegediend, maar dat dit wél wenselijk is. De leden van de CDA-fractie
vragen of het kabinet bereid is hierover in overleg te treden met de beroepsgroepen
om tot een heldere standaard te komen. Kan worden overwogen dit als expliciete zorgvuldigheidseis
op te nemen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het Jaarverslag 2024 van de Beoordelingscommissie
late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van
1 tot 12 jaar). De leden hebben geen vragen aan de Staatssecretaris.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met bezorgdheid kennisgenomen van het Jaarverslag
2024 van de Beoordelingscommissie. Zij hebben hierover al eerder een aantal schriftelijke
vragen gesteld die inmiddels zijn beantwoord door de Staatssecretaris (Aanhangsel
Handelingen II 2025/26, nr. 628). Zij danken haar voor de beantwoording. Toch roepen deze antwoorden bij de leden
van de SGP-fractie opnieuw een aantal vragen op.
De leden van de SGP-fractie constateren dat het ontbreken van verdoving sinds 2016
acht keer is voorgevallen. Zij vragen of de Staatssecretaris het eens is dat juist
de zeldzaamheid van late zwangerschapsafbreking pleit voor maximale zorgvuldigheid
en bescherming van het ongeboren leven.
Het valt de leden van de SGP-fractie op dat de Staatssecretaris vooral procedurele
antwoorden geeft. Zij vragen of de Staatssecretaris erkent dat het afbreken van de
zwangerschap, zéker als het gaat om een laat stadium van de zwangerschap, naar gezondheidsrechtelijke
maatstaven geen reguliere medische zorg is, maar een ingreep met een zwaarwegende
ethische lading. Deze leden vragen waarom de Staatssecretaris in haar beantwoording
voornamelijk verwijst naar protocollen van de beroepsgroep en de stand van de wetenschap,
terwijl bij medisch-ethisch omstreden ingrepen de wetgever en het bestuur een eigen
verantwoordelijkheid dragen die niet zonder meer kan worden overgelaten aan de beroepsgroep.
Dit kan wellicht wel voor normale medische zorg gelden, maar niet wanneer het gaat
om het beëindigen van een mensenleven. De leden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris
het aanvaardbaar acht dat bij een fundamenteel ethisch vraagstuk als dit de rol van
de overheid beperkt blijft tot het volgen van beroepsrichtlijnen.
De leden van de SGP-fractie vragen waarom de aanbeveling van de beoordelingscommissie
dat systemische verdoving bij late zwangerschapsafbreking zeer wenselijk is niet zwaarder
wordt meegewogen in de beoordeling van goede zorg onder de Wet kwaliteit, klachten
en geschillen zorg (Wkkgz) zolang een formele richtlijn hiervoor ontbreekt. Zij vragen
verder of de Staatssecretaris het wenselijk acht dat een praktijk die door de beoordelingscommissie
als «zeer wenselijk» wordt aangemerkt, juridisch gezien voorlopig toch vrijblijvend
blijft.
Is bekend wanneer de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking
definitief zal worden vastgesteld en geïmplementeerd? Is de verwachting dat de praktijk
zich op dit punt al zal voegen naar de concept Kwaliteitsnorm? De leden van de SGP-fractie
vragen of de Staatssecretaris bereid is, vooruitlopend op de definitieve Kwaliteitsnorm,
zelf expliciet uit te spreken dat het toedienen van verdoving bij late zwangerschapsafbreking
de norm zou moeten zijn.
Nu verdoving inmiddels is opgenomen in de concept Kwaliteitsnorm vragen de leden van
de SGP-fractie welke betekenis dit heeft voor de beoordeling van eerdere acht gevallen
waarin geen sedatie is toegepast.
De leden van de SGP-fractie vragen of wordt overwogen om de beoordelingscommissie
expliciet de mogelijkheid te geven het ontbreken van pijnbestrijding zwaarder te laten
meewegen in haar oordeel.
De leden van de SGP-fractie vragen hoe de Staatssecretaris het Internationaal Verdrag
inzake de Rechten van het Kind (IVRK) concreet betrekt bij haar overwegingen, in het
bijzonder het daarin besloten liggende voorzorgsbeginsel. Zij constateren dat de Staatssecretaris
erkent dat het wetenschappelijk vaststellen van foetale pijnbeleving lastig is, maar
vragen waarom zij vervolgens niet inhoudelijk ingaat op de implicaties van deze onzekerheid.
Waarom leidt de wetenschappelijke onzekerheid over foetale pijnbeleving niet tot toepassing
van het voorzorgsbeginsel, juist gezien het onomkeerbare karakter van foetale levensbeëindiging?
De leden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris het eens is dat wetenschappelijke
onzekerheid over pijnbeleving eerder zou moeten pleiten vóór dan tegen het toepassen
van verdoving. Zij vragen de Staatssecretaris om hiervoor zowel in te gaan op de praktijk
van abortus als late zwangerschapsafbreking.
De leden van de SGP-fractie vragen of in andere medische contexten waarin onzekerheid
bestaat over pijnbeleving eveneens wordt afgezien van pijnbestrijding, en zo ja, welke
contexten dat betreft.
De leden van de SGP-fractie vragen hoe de Staatssecretaris verklaart dat bij foetale
chirurgie, die is gericht op het redden van leven, verdoving gebruikelijk is, terwijl
bij foetale levensbeëindiging verdoving tot op heden niet standaard was. Denkt de
Staatssecretaris dat dit verschil ethisch goed uitlegbaar is aan ouders en aan de
samenleving?
De leden van de SGP-fractie vragen om een nadere toelichting op de «lokale protocollen»
voor het toedienen van verdoving aan de foetus door Nederlandse klinieken. Kan de
Staatssecretaris uitleggen wat deze protocollen behelzen? Hoe wenselijk vindt de Staatssecretaris
het dat er blijkbaar «praktijkvariatie» bestaat voor wat betreft het wel of niet geven
van pijnstilling bij foetale levensbeëindiging? De leden van de SGP-fractie vragen
hoe wordt voorkomen dat praktijkvariatie op dit punt leidt tot ongelijkheid of willekeur
tussen instellingen en behandelaars.
Overigens valt het de leden van SGP-fractie ook ten aanzien van sedatie bij abortus
op dat de Staatssecretaris ook hierbij kiest voor een formalistische benadering: zolang
het niet expliciet voorgeschreven is in de richtlijn, hoeft het niet. Feit blijft
dat bij foetale chirurgie directe pijnstilling over het algemeen wel gegeven wordt
en bij abortus over het algemeen niet. Erkent de Staatssecretaris dat? Hoe weegt zij
dit verschil vanuit medisch-ethisch perspectief?
De leden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris het moreel relevant acht
dat het risico op pijnbeleving toeneemt naarmate de zwangerschap verder gevorderd
is, en zo ja, waarom dit niet leidt tot strengere waarborgen.
De leden van de SGP-fractie vragen om een nadere toelichting op de stelling van de
Staatssecretaris dat bij alle vroege abortussen pijnstilling aan de moeder wordt gegeven
die via de placenta ook het ongeboren kind bereikt. Indien dit het geval is, vragen
zij, waarom dit bij late abortussen kennelijk niet volstaat, gezien het zwaarwegende
advies van de commissie om bij alle late abortussen expliciet pijnstilling toe te
dienen. Hoe verhoudt dit beleid bij abortus vóór 24 weken zwangerschap zich tot de
aanbevelingen van de commissie ten aanzien van late zwangerschap?
De leden van de SGP-fractie vragen naar aanleiding van het antwoord op vraag 17 of
de Staatssecretaris erkent dat het gelijkheidsbeginsel in dit verband niet ziet op
de aard of het doel van de medische verrichting, maar op het ongeboren kind dat een
ingreep ondergaat waarbij sprake kan zijn van pijn. Zij vragen waarom in de beantwoording
de vergelijking wordt betrokken op de (on)gelijkheid van de medische handeling, en
niet op de positie van het ongeboren kind en diens mogelijke pijnbeleving. De leden
van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris daarom alsnog kan ingaan op de vraag
hoe het ontbreken van verplichte verdoving bij abortus en late zwangerschapsafbreking
zich verhoudt tot het uitgangspunt dat gelijke belangen, zoals het voorkomen van pijn
bij ongeboren kinderen, gelijk beschermd zouden moeten worden.
Aangezien de bevinding dat verdoving niet standaard is wel werd benoemd door de beoordelingscommissie,
maar de Staatssecretaris dit niet vermeldde in haar brief vragen de leden van de SGP-fractie
of de Staatssecretaris voornemens is de Kamer voortaan actief te informeren wanneer
de beoordelingscommissie aanbevelingen doet die raken aan ethische vraagstukken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruik om vragen te
stellen bij het jaarverslag 2024 van de beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking
en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van 1 tot 12 jaar.
De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het een zeer gevoelig en verdrietig onderwerp
waar de beoordelingscommissie zich mee bezig houdt. Sinds 2024 zijn er flinke wijzigingen
geweest in de Regeling en in de commissie. Deze leden vragen een reflectie van de
Staatssecretaris op deze veranderingen. Welke meerwaarde heeft het dat de voorzitter
een strafrechtjurist is? Is de werkwijze nu, met het melden van categorie 1 bij de
beroepsgroep van de NVOG, in lijn met de verwachtingen? Nu de regeling is uitgebreid
naar kinderen van 1 tot 12 jaar, voelen artsen zich meer handelingsbekwaam- en bevoegd
in dit soort intens moeilijke en verdrietige zaken?
Ten aanzien van levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar vragen de leden van
de ChristenUnie-fractie naar de ontwikkeling van de zorgvuldigheidseisen. Deze worden
pas in de Regeling opgenomen als er verdere normontwikkeling heeft plaatsgevonden.
Tot die tijd wordt gewerkt met de zorgvuldigheidseisen zoals door de Nederlandse Vereniging
voor Kindergeneeskunde is geaccordeerd. Met de zeer sporadische meldingen van levensbeëindiging
bij kinderen van 1 tot 12 jaar kan het lang duren voordat de normontwikkeling plaatsvindt.
Vindt de Staatssecretaris het acceptabel dat tot die tijd de NVK-richtlijn geldt?
Deze leden maken zich zorgen dat hierdoor niet de juridische kant wordt meegenomen
in de zorgvuldigheidseisen. Hoe kijkt de Staatssecretaris daarnaar?
Hoe is de relatie tussen de Beoordelingscommissie en het Openbaar Ministerie? Is er
onderling contact zodat de kloof tussen de medische en juridische wereld kleiner wordt,
zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn geschrokken van de bevinding dat artsen
de foetus bij late zwangerschapsafbreking niet standaard verdoving toedienen. Waarom
niet, zo vragen deze leden. Wil de Staatssecretaris er bij de beroepsgroep op aandringen
dat het zo snel mogelijk in de richtlijn wordt opgenomen dat er standaard verdoving
wordt toegepast bij late zwangerschapsafbrekingen? Wat is de richtlijn ten aanzien
van verdoving bij vroegere zwangerschapsafbrekingen, zo
vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Ziet de Staatssecretaris reden, bijvoorbeeld
nieuwe wetenschappelijke inzichten, om hier beleid in te wijzigen? Zo nee, waarom
niet?
Reactie van de Minister
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie lezen in het «Modelprotocol Medisch handelen bij late
zwangerschapsafbreking», 2.6.2: «Het valt te overwegen om de foetus te sederen en
pijnstilling toe te dienen voordat hiertoe [foeticide] wordt overgegaan.» De leden
van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris terug te blikken en aan te geven waarom
bij de opstelling van het modelprotocol – goedgekeurd in 2017 – is gekozen voor slechts
een overweging en geen standaard.
In het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017) heeft de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) normen
vastgesteld voor de wijze waarop een late zwangerschapsafbreking categorie 1 of categorie
2 uitgevoerd dient te worden en in hoeverre daarbij pijnstilling aan de foetus toegediend
moet worden. Deze beroepsnormen zijn destijds gebaseerd op de toen geldende medisch-wetenschappelijke
inzichten. Aangezien er ten tijde van het opstellen van het modelprotocol geen brede
wetenschappelijke consensus bestond over foetale pijnbeleving is in dit protocol «ter
overweging» meegeven om de foetus te sederen en pijnstilling toe te dienen voordat
tot foetale levensbeëindiging wordt overgegaan.
Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in de beantwoording
van eerdere Kamervragen heeft aangegeven1, heeft de NVOG gesignaleerd dat het veld in beweging is. Er is tegenwoordig meer
aandacht voor foetale pijnbeleving dan ten tijde van het verschijnen van het huidige
modelprotocol in 2017. De NVOG is om die reden in januari 2024 gestart met een revisie
van het huidige modelprotocol. Dit heeft geleid tot de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking. Hierin staat dat een foetus voorafgaand aan de levensbeëindiging sedatie en pijnstilling
dient te krijgen. Deze kwaliteitsnorm bevindt zich op dit moment in de prefinale fase.
De NVOG heeft aangegeven dat het proces rondom het finaliseren van de kwaliteitsnorm
naar verwachting voor de zomer afgerond is.
De leden van de PVV-fractie lezen in het «Jaarverslag 2024 van de Beoordelingscommissie
late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van
1 tot 12 jaar», op pagina 13: «Naar aanleiding van de ontvangen meldingen is het de
commissie opgevallen dat artsen de foetus bij late zwangerschapsafbreking niet standaard
verdoving toedienen. Aangezien de beroepsgroep hierover (nog) geen richtlijn heeft
opgesteld, zal dit
geen invloed hebben op de beoordeling van de zorgvuldigheid van een melding. Desondanks
acht de commissie het toedienen van systemische verdoving aan de foetus zeer wenselijk.»
De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris wat de redenen van artsen zijn
om geen sedatie en pijnstilling toe te passen ondanks (1) de overweging in het modelprotocol
en (2) het oordeel van de beoordelingscommissie.
Zoals in het antwoord op de vorige vraag is aangegeven, wordt in het huidige modelprotocol
aan artsen ter overweging meegegeven om de foetus te sederen en pijnstilling toe te
dienen voordat wordt overgegaan tot foetale levensbeëindiging. Het is niet bekend
welke redenen artsen in de concrete gevallen hebben gehad om geen sedatie en pijnstilling
toe te passen.
Overigens geldt dat onder het huidige Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking verdoving aan de foetus vaak wordt toegepast bij late zwangerschapsafbreking: van
de 34 meldingen die de beoordelingscommissie sinds 2016 heeft ontvangen van een late
zwangerschapsafbreking waarbij foetale levensbeëindiging heeft plaatsgevonden, was
er in 26 gevallen (76,5%) sprake van voorafgaande verdoving, in 8 gevallen (23,5%)
niet.2
Zij vragen tevens of de verwachting is dat dit na het oordeel van de beoordelingscommissie
zal veranderen.
Tot het moment van accorderen van de nieuwe Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking geldt het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking uit 2017. In dit modelprotocol wordt sedatie en pijnstilling ter overweging meegegeven.
De NVOG zal toezien op spoedige accordering en implementatie van de kwaliteitsnorm,
waarin staat dat voorafgaand aan de levensbeëindiging de foetus gesedeerd dient te
worden en pijnstilling toegediend moet krijgen. Sedatie en pijnstilling bij foetale
levensbeëindiging wordt daarmee dus de medisch-professionele standaard.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris de mening deelt dat sedatie
van de foetus en toediening van pijnstilling altijd en in ieder geval plaats dienen
te vinden voordat tot foeticide wordt overgegaan, om elke mogelijke pijnwaarneming
door de foetus te allen tijde en volledig uit te sluiten.
Het is aan de beroepsgroep om medisch-wetenschappelijke inzichten over foetale pijnbeleving
te interpreteren en waar nodig professionele normen hierop aan te passen. In de concept
Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking wordt voorgeschreven dat de foetus, in geval bij een late zwangerschapsafbreking foetale
levensbeëindiging wordt verricht, gesedeerd wordt en pijnstilling toegediend krijgt.
De leden van de PVV-fractie lezen in de «Concept-Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij
late zwangerschapsafbreking», 6.6.2: «De foetus dient gesedeerd te worden en pijnstilling
toegediend te krijgen voordat hiertoe wordt overgegaan.» De leden van de PVV-fractie
vragen de Staatssecretaris wanneer zij verwacht dat deze concept-kwaliteitsnorm wordt
goedgekeurd.
De NVOG heeft aangegeven dat het proces rondom het finaliseren van de kwaliteitsnorm
naar verwachting voor de zomer afgerond is. De NVOG zal vervolgens zorgdragen voor
de implementatie van de nieuwe kwaliteitsnorm door haar leden hierover te informeren.
Zij vragen tevens of de Staatssecretaris verwacht dat er in de tussentijd – ook met
het oordeel van de beoordelingscommissie – wel al naar gehandeld zal worden.
Zoals aangegeven op een andere vraag van de leden van de PVV-fractie geldt tot het
moment van accorderen van de nieuwe Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking het huidige Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking uit 2017. De NVOG zal in ieder geval toezien op spoedige accordering en implementatie
van de kwaliteitsnorm, waarin staat dat voorafgaand aan de levensbeëindiging de foetus
gesedeerd dient te worden en pijnstilling toegediend moet krijgen.
De Staatssecretaris stelt dat beroepsnormen leidend zijn. De leden van de PVV-fractie
vragen of zij ook bindend c.q. afdwingbaar zijn of dat hiervan kan worden afgeweken.
Zorgverleners moeten goede zorg aanbieden en daarbij handelen in overeenstemming met
de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard,
de kwaliteitsstandaarden en de inzichten uit de kwaliteitsregistraties (artikel 2,
tweede lid, onder b, Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz)). Beroepsnormen
zijn een uitdrukking van deze medisch-professionele standaard en zijn in beginsel
leidend. Onder omstandigheden moet soms van deze beroepsnormen worden afgeweken, omdat
dit in het individuele geval in het belang van het verlenen van «goede zorg» noodzakelijk
is. Een afwijking moet uiteraard altijd gemotiveerd worden. Op grond van het tuchtrecht,
het strafrecht en het civiele recht kunnen individuele zorgverleners zo nodig worden
aangesproken.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris ertoe bereid is de sedatie
van de foetus en toediening van pijnstilling voorafgaand aan foeticide verplichtend
op te nemen in de «Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging
bij pasgeborenen en kinderen 1–12 jaar» (of elders in geldende wet-/regelgeving).
Op grond van de Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging
bij pasgeborenen en kinderen 1–12 jaar dient een arts een afbreking van de zwangerschap
medisch zorgvuldig uit te voeren (artikel 6, onderdeel f, van de Regeling). Zoals
in de toelichting op de Regeling is aangegeven, is sprake van een medische zorgvuldige
afbreking van de zwangerschap als deze conform de geldende beroepsnormen wordt uitgevoerd.
Het kabinet ziet geen aanleiding om de Regeling op dit punt aan te passen, omdat het
bij uitstek aan de beroepsgroep is om deze normen vast te stellen en aan de individuele
zorgverlener om deze normen in concrete gevallen toe te passen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het jaarverslag van de beoordelingscommissie
LZA/LP over 2024. Deze leden erkennen het belang van deze commissie in het borgen
van de zorgvuldigheid bij medisch uiterst ingrijpende beslissingen. Tegelijkertijd
roept het verslag vragen op over de praktische uitvoering van de herziene Regeling
en de verbreding ervan naar kinderen van 1 tot 12 jaar.
De leden van de CDA-fractie zien dat de reikwijdte van de Regeling per 1 februari
2024 is uitgebreid naar levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar. In 2024
zijn hierover nog geen meldingen gedaan. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris het uitblijven
van meldingen in deze nieuwe categorie? Is er naar mening van de Staatssecretaris
sprake van terughoudendheid om te melden? Wordt er vanuit het veld behoefte geuit
aan meer duiding, bijvoorbeeld via medisch-ethische richtlijnen of casuïstiekbesprekingen?
In 2025 heeft de Beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging
bij pasgeborenen en kinderen 1–12 jaar (hierna: de commissie) een eerste melding van
levensbeëindiging in de leeftijdsgroep 1–12 jaar ontvangen. Al vóór publicatie van
de Regeling voorspelden experts dat het aantal meldingen zeer beperkt zou blijven
(minder dan vijf per jaar), gezien de zeldzaamheid van deze problematiek en de toegenomen
beschikbaarheid en kwaliteit van kinderpalliatieve zorg. Volgens de Nederlandse Vereniging
voor Kindergeneeskunde (NVK) bevestigen de bevindingen tot nu toe deze inschatting.
De NVK laat weten – op basis van signalen uit de praktijk in het eerste jaar van de
Regeling – te concluderen dat de Regeling bijdraagt aan open en zorgvuldige gesprekken
over palliatieve zorg en levenseindezorg, zowel tussen ouders en zorgverleners als
binnen multidisciplinaire teams. Op basis hiervan lijkt de betekenis van de Regeling
volgens de NVK zich niet alleen te beperken tot een regulerende functie, maar vooral
ook een ondersteunende en verhelderende rol te spelen in het besluitvormingsproces
van ouders en zorgprofessionals.
Zo signaleert de NVK vanuit het veld een duidelijke toename van vragen aan de Kinder
Comfort Teams (kinderpalliatieve teams) over actieve levensbeëindiging in de context
van palliatieve zorg bij kinderen in de leeftijd van 1 tot 12 jaar. Deze vragen gaan
over mogelijke toekomstige situaties waarin sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk
lijden en waarin palliatieve interventies volgens ouders en behandelaren onvoldoende
verlichting zouden bieden. Voor ouders gaat het hierbij niet primair om het verzoek
tot uitvoering van levensbeëindiging, maar om het bespreken van deze mogelijkheid
als onderdeel van het volledige spectrum aan opties rond levenseindezorg. Ouders geven
aan behoefte te hebben aan informatie over wat de Regeling inhoudt en wat deze in
theorie zou kunnen betekenen voor hun kind, zodat zij goed geïnformeerd zijn over
alle mogelijke beslissingen aan het levenseinde. Volgens de NVK zijn ouders tevreden
met de informatie die zij van experts van het Kinder Comfort Team over de regeling
ontvangen. Ouders ervaren het als steunend dat zij weten dat de optie van levensbeëindiging
– indien relevant – bespreekbaar is met de behandelend arts.
Ook bij het Artsensteunpunt Levenseinde Kinderen wordt een toename gezien van vragen,
van professionals. Deze vragen richten zich met name op hoe professionals zorgvuldig
en professioneel om kunnen gaan met vragen van ouders over actieve levensbeëindiging
en hoe zij deze gesprekken met ouders op een goede manier kunnen voeren, binnen het
bestaande juridische en ethische kader.
De zorgvuldigheidseisen voor levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar zijn
op 2 oktober 2024 voorlopig vastgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
(NVK). De leden van de CDA-fractie vragen wanneer de Staatssecretaris verwacht dat
deze eisen formeel in de Regeling kunnen worden opgenomen.
In de Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging
bij pasgeborenen en kinderen 1–12 jaar zijn voor de groep kinderen van 1–12 jaar nog
geen zorgvuldigheidseisen opgenomen, omdat in verband met het beperkte aantal casussen
eerst verdere normontwikkeling nodig is. De door de NVK ontwikkelde zorgvuldigheidseisen
hebben, zoals de NVK zelf aangeeft, een voorlopig karakter aangezien het nodig kan
zijn om ze in de toekomst op basis van voortgaande ervaring en voortschrijdend inzicht
te herzien.3 Zoals in de toelichting op de Regeling is aangegeven, zullen de door de medische
beroepsgroep ontwikkelde zorgvuldigheidseisen pas in de Regeling worden opgenomen
als daarover brede consensus bestaat. Er zal dan ook eerst ervaring mee moeten worden
opgedaan in de praktijk, zowel door artsen als door de beoordelingscommissie, het
Openbaar Ministerie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.
Wat gebeurt er als in de praktijk verschillen ontstaan in interpretatie of toepassing
van deze eisen? Is er volgens de Staatssecretaris een risico dat artsen zonder duidelijk
juridisch kader moeten handelen, wat ook de rechtszekerheid van ouders en kinderen
kan ondermijnen?
Zoals in de toelichting bij de Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking
en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen 1–12 jaar is aangegeven, betekent
het ontbreken van zorgvuldigheidseisen in de Regeling niet dat artsen geen enkel houvast
hebben. Voor de groep kinderen 1–12 jaar geldt als uitgangspunt dat, om het handelen
van de arts als zorgvuldig te kunnen beoordelen, de arts op grond van heersend medisch
inzicht tot de overtuiging moet komen dat levensbeëindiging de enige redelijke oplossing
is om het uitzichtloos en ondraaglijk lijden van het kind weg te nemen. En dat, voor
zover dit ook maar enigszins mogelijk is, het kind, op een manier die past bij zijn
bevattingsvermogen en leeftijd, naar zijn mening wordt gevraagd en dat die mening
wordt betrokken bij het besluitvormingsproces. Van levensbeëindiging moet in ieder
geval worden afgezien als het kind zelf te kennen heeft gegeven zijn actuele situatie
te prefereren boven levensbeëindiging. Ook is in de toelichting op de Regeling opgenomen
dat de beoordelingscommissie ter verdere normontwikkeling voor levensbeëindiging bij
kinderen 1–12 jaar de in de Regeling opgenomen zorgvuldigheidseisen die gelden voor
levensbeëindiging bij pasgeborenen (artikel 7) in haar beoordeling van een casus als
vertrekpunt meeneemt.4
De NVK heeft een uitgebreide toelichting geschreven bij de door haar ontwikkelde zorgvuldigheidseisen
voor levensbeëindiging bij kinderen 1–12 jaar. Dit biedt artsen houvast bij de beoordeling
van een mogelijke levensbeëindiging van een kind van 1–12 jaar.
De beoordelingscommissie geeft op haar website aan kennis te hebben genomen van de
zorgvuldigheidseisen voor actieve levensbeëindiging bij een kind in de leeftijd van
1–12 jaar, zoals die op 2 oktober 2024 door het bestuur van de NVK zijn geaccordeerd.
De beoordelingscommissie benadrukt dat zij bij de beoordeling van een melding in deze
categorie een eigen verantwoordelijkheid heeft, en dat zij deze zorgvuldigheidseisen
zal meewegen in haar beslissing of een arts zorgvuldig heeft gehandeld.5
Ten overvloede wordt opgemerkt dat ook indien de zorgvuldigheidseisen in de Regeling
zijn opgenomen deze eisen worden toegepast en getoetst in elk concreet geval. Het
hangt dan ook altijd van de casuïstiek af of aan de zorgvuldigheidseisen wordt voldaan.
De commissie benoemt dat bij sommige casussen de arts die meldt niet dezelfde is als
de arts die de handeling uitvoert. Hoewel dat begrijpelijk is in verband met expertise,
kan dit tot verwarring leiden over verantwoordelijkheid. De leden van de CDA-fractie
vragen hoe wordt gewaarborgd dat beide artsen het volledige proces kennen en actief
betrokken zijn bij de besluitvorming en uitvoering. Is het wenselijk om dit explicieter
in de Regeling op te nemen?
In het merendeel van de meldingen is de arts die de moeder/ouders heeft begeleid bij
het traject voorafgaand aan de late zwangerschapsafbreking de meldend arts, zo blijkt
uit de dossierstudie die in 2022 is uitgevoerd in het kader van de evaluatie van de
toenmalige Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging
bij pasgeborenen.6
Zoals de beoordelingscommissie in haar jaarverslag over 2024 aangeeft, wordt de meldend
arts – als de meldend arts door omstandigheden niet de uitvoerend arts is die de handelingen
verricht die leiden tot de zwangerschapsafbreking – geacht ook bij de uitvoering aanwezig
te zijn. Daarnaast acht de commissie het van groot belang dat beide artsen aanwezig
zijn bij het multidisciplinair overleg voorafgaand aan de late zwangerschapsafbreking,
zodat de uitvoerend arts de situatie kent en zelf kan beoordelen of aan de zorgvuldigheidseisen
uit de Regeling wordt voldaan. De commissie toetst of de handelingen die leiden tot
de afbreking van de zwangerschap én de afbreking zelf zorgvuldig zijn uitgevoerd,
en of daarmee voldaan is aan alle zorgvuldigheidseisen uit de Regeling. De commissie
toetst het gehele traject. De commissie heeft haar bevindingen en werkwijze besproken
met het College van procureurs-generaal (hierna: het college).7
Hoewel het college een melding in zijn geheel beoordeelt, is vanuit strafrechtelijk
oogpunt vooral het handelen van de arts relevant dat direct heeft geleid tot de zwangerschapsafbreking.
Die (uitvoerend) arts krijgt dan bericht over de afdoening van de melding. In het
geval dat de meldend arts niet dezelfde arts is als degene die de zwangerschapsafbreking
heeft uitgevoerd, ontvangt ook die arts volledigheidshalve een afhandelingsbericht
van het college.
Nu de beoordelingscommissie en het college beide artsen betrekken in hun oordeel is
daarmee geborgd dat beide artsen ook actief betrokken moeten zijn bij de besluitvorming
en uitvoering.
Sinds 2017 is er slechts één melding geweest van levensbeëindiging bij een pasgeborene.
De leden van de CDA-fractie vragen of de Staatssecretaris het aannemelijk acht dat
dit cijfer een volledige weergave is van de praktijk. Wordt overwogen om via de Inspectie
of wetenschappelijk onderzoek nader zicht te krijgen op niet-gemelde gevallen?
Zoals in het rapport van de Evaluatie van de Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking
en levensbeëindiging bij pasgeborenen uit 2022 wordt aangegeven, zijn er volgens de
onderzoekers uit het uitgevoerde empirische onderzoek geen aanwijzingen naar voren
gekomen dat artsen die levensbeëindiging bij een pasgeborene of een late zwangerschapsafbreking
uitvoeren, niet bereid zouden zijn dat te melden. Er is dan ook geen indicatie dat
er een «kloof» is tussen uitvoeren en melden, ofwel dat er sprake zou zijn van onderrapportage,
aldus de onderzoekers.8 Ook de NVK laat desgevraagd weten niet bekend te zijn met signalen dat er wél levensbeëindiging
bij pasgeborenen wordt uitgevoerd, maar dit niet wordt gemeld.
De commissie benoemt dat bij late zwangerschapsafbreking nog niet standaard verdoving
aan de foetus wordt toegediend, maar dat dit wél wenselijk is. De leden van de CDA-fractie
vragen of het kabinet bereid is hierover in overleg te treden met de beroepsgroepen
om tot een heldere standaard te komen. Kan worden overwogen dit als expliciete zorgvuldigheidseis
op te nemen?
Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in de beantwoording
van eerdere Kamervragen heeft aangegeven, is de beroepsgroep al bezig met een aanpassing
van de huidige standaard omtrent verdoving aan de foetus bij een late zwangerschapsafbreking.9 De normen van de beroepsgroep voor de wijze waarop een late zwangerschapsafbreking
categorie 1 of categorie 2 uitgevoerd dient te worden en in hoeverre daarbij pijnstilling
aan de foetus toegediend moet worden, zijn momenteel neergelegd in het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017) van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG). Deze
beroepsnormen zijn gebaseerd op de destijds geldende medisch-wetenschappelijke inzichten.
Aangezien er ten tijde van het opstellen van het modelprotocol geen brede wetenschappelijke
consensus bestond ten aanzien van de pijnbeleving bij ongeboren kinderen is in dit
protocol «ter overweging» meegegeven om de foetus te sederen en pijnstilling toe te
dienen voordat tot foetale levensbeëindiging wordt overgegaan. Overigens geldt dat
onder het huidige Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking verdoving aan de foetus vaak wordt toegepast bij late zwangerschapsafbreking: van
de 34 meldingen die de beoordelingscommissie sinds 2016 heeft ontvangen van een late
zwangerschapsafbreking waarbij foetale levensbeëindiging heeft plaatsgevonden, was
er in 26 gevallen (76,5%) sprake van voorafgaande verdoving, in 8 gevallen (23,5%)
niet.10
De NVOG heeft gesignaleerd dat het veld in beweging is. Er is tegenwoordig meer aandacht
voor foetale pijnbeleving dan ten tijde van het verschijnen van het huidige modelprotocol
in 2017. De NVOG is om die reden in januari 2024 gestart met de revisie van het huidige
modelprotocol. Dit heeft geleid tot de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking. Hierin staat dat een foetus voorafgaand aan de levensbeëindiging sedatie en pijnstilling
dient te krijgen. Deze kwaliteitsnorm bevindt zich op dit moment in de prefinale fase.
De NVOG heeft aangegeven dat het proces rondom het finaliseren van de kwaliteitsnorm
naar verwachting voor de zomer afgerond is.
Op grond van de Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging
bij pasgeborenen en kinderen 1–12 jaar dient een arts een afbreking van de zwangerschap
medisch zorgvuldig uit te voeren (artikel 6, onderdeel f, van de Regeling). Zoals
in de toelichting op de Regeling is aangegeven, is sprake van een medische zorgvuldige
afbreking van de zwangerschap als deze conform de geldende beroepsnormen wordt uitgevoerd. Het kabinet ziet geen aanleiding om de Regeling op
dit punt aan te passen, omdat het bij uitstek aan de beroepsgroep is om deze normen
vast te stellen en aan de individuele zorgverlener om deze normen toe te passen in
concrete gevallen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met bezorgdheid kennisgenomen van het Jaarverslag
2024 van de Beoordelingscommissie. Zij hebben hierover al eerder een aantal schriftelijke
vragen gesteld die inmiddels zijn beantwoord door de Staatssecretaris (Aanhangsel
Handelingen II 2025/26, nr. 628). Zij danken haar voor de beantwoording. Toch roepen deze antwoorden bij de leden
van de SGP-fractie opnieuw een aantal vragen op.
De leden van de SGP-fractie constateren dat het ontbreken van verdoving sinds 2016
acht keer is voorgevallen. Zij vragen of de Staatssecretaris het eens is dat juist
de zeldzaamheid van late zwangerschapsafbreking pleit voor maximale zorgvuldigheid
en bescherming van het ongeboren leven.
Het kabinet is van mening dat late zwangerschapsafbreking altíjd vraagt om maximale
zorgvuldigheid, ongeacht of het zeldzaam is of niet. Zoals de voormalig Staatssecretaris
Jeugd, Preventie en Sport in de beantwoording van eerdere Kamervragen heeft aangegeven,
zijn normen van de beroepsgroep leidend voor de wijze waarop een late zwangerschapsafbreking
categorie 1 of categorie 2 uitgevoerd dient te worden en in hoeverre daarbij pijnstilling
aan de foetus toegediend moet worden.11 In de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking wordt voorgeschreven dat de foetus, in geval bij een late zwangerschapsafbreking foetale
levensbeëindiging wordt verricht, gesedeerd wordt en pijnstilling toegediend krijgt.
Overigens geldt dat onder het huidige Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking verdoving aan de foetus vaak wordt toegepast bij late zwangerschapsafbreking: van
de 34 meldingen die de beoordelingscommissie sinds 2016 heeft ontvangen van een late
zwangerschapsafbreking waarbij foetale levensbeëindiging heeft plaatsgevonden, was
er in 26 gevallen (76,5%) sprake van voorafgaande verdoving, in 8 gevallen (23,5%)
niet.12
Het valt de leden van de SGP-fractie op dat de Staatssecretaris vooral procedurele
antwoorden geeft. Zij vragen of de Staatssecretaris erkent dat het afbreken van de
zwangerschap, zéker als het gaat om een laat stadium van de zwangerschap, naar gezondheidsrechtelijke
maatstaven geen reguliere medische zorg is, maar een ingreep met een zwaarwegende
ethische lading.
Het kabinet is van mening dat het bij een zwangerschapsafbreking gaat om medisch handelen
waar vanuit medisch-ethisch perspectief verschillend naar wordt gekeken. Zeker waar
het een late zwangerschapsafbreking betreft, gaat het om een ingreep die maatschappelijk
en ethisch beladen is en waarbij verschillende conflicterende waarden een rol spelen.13
Deze leden vragen waarom de Staatssecretaris in haar beantwoording voornamelijk verwijst
naar protocollen van de beroepsgroep en de stand van de wetenschap, terwijl bij medisch-ethisch
omstreden ingrepen de wetgever en het bestuur een eigen verantwoordelijkheid dragen
die niet zonder meer kan worden overgelaten aan de beroepsgroep. Dit kan wellicht
wel voor normale medische zorg gelden, maar niet wanneer het gaat om het beëindigen
van een mensenleven. De leden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris het
aanvaardbaar acht dat bij een fundamenteel ethisch vraagstuk als dit de rol van de
overheid beperkt blijft tot het volgen van beroepsrichtlijnen.
Het kabinet erkent niet, zoals de leden van de SGP-fractie stellen, dat de rol van
de overheid beperkt blijft tot het volgen van beroepsrichtlijnen. Door de overheid
is, zowel voor een zwangerschapsafbreking tot 24 weken als voor een late zwangerschapsafbreking,
een duidelijk normenkader vastgesteld waar de beroepsgroep zich aan moet houden.
Zo zijn in de Wet afbreking zwangerschap en het Besluit afbreking zwangerschap verschillende
zorgvuldigheidseisen opgenomen die in acht genomen moeten worden bij een zwangerschapsafbreking
tot 24 weken. Deze eisen zien onder andere op zorgvuldige besluitvorming, informatievoorziening
en nazorg. Voor late zwangerschapsafbrekingen heeft de overheid in de Regeling beoordelingscommissie
late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen 1–12
jaar zorgvuldigheidseisen neergelegd. Daarnaast gelden algemene wetten op het gebied
van de volksgezondheid, zoals de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
en de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Tezamen vormen deze eisen een door
de overheid opgesteld vast normenkader waar de beroepsgroep zich aan moet houden.
De nadere invulling van deze normen in de praktijk kan door beroepsrichtlijnen ingevuld
worden in het kader van de medisch-professionele autonomie van artsen, zoals dat in
het algemeen in de zorg het geval is. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)
houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van deze zorg.
De leden van de SGP-fractie vragen waarom de aanbeveling van de beoordelingscommissie
dat systemische verdoving bij late zwangerschapsafbreking zeer wenselijk is niet zwaarder
wordt meegewogen in de beoordeling van goede zorg onder de Wet kwaliteit, klachten
en geschillen zorg (Wkkgz) zolang een formele richtlijn hiervoor ontbreekt.
Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in de beantwoording
van eerdere Kamervragen heeft aangegeven, moet een arts op grond van artikel 2, eerste
lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) goede zorg verlenen.
Dit betekent onder andere dat de arts de geldende professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden in acht moet nemen. Het is op
grond van het huidige protocol aan de arts om te bepalen of pijnstilling en sedatie
aan de foetus wordt gegeven. Het is de eigen verantwoordelijkheid van een arts om
te bepalen wat in een individueel geval goede zorg is.14
Zij vragen verder of de Staatssecretaris het wenselijk acht dat een praktijk die door
de beoordelingscommissie als «zeer wenselijk» wordt aangemerkt, juridisch gezien voorlopig
toch vrijblijvend blijft.
Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in de beantwoording
van eerdere Kamervragen heeft aangegeven, gaat het om een aanbeveling van de beoordelingscommissie,
in afwachting van de definitieve herziening van het geldende protocol van de NVOG.15 Zorgverleners moeten goede zorg aanbieden en daarbij handelen in overeenstemming
met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard,
de kwaliteitsstandaarden en de inzichten uit de kwaliteitsregistraties (artikel 2,
tweede lid, onder b, Wkkgz). Beroepsnormen zijn een uitdrukking van deze medisch-professionele
standaard. Wanneer de nieuwe Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking definitief is, is deze medische-professionele standaard in beginsel leidend. Het
blijft voor een arts echter mogelijk om onder omstandigheden gemotiveerd hiervan af
te wijken als dat in het belang van het verlenen van «goede zorg» wenselijk is. Een
afwijking moet uiteraard altijd door een arts worden gemotiveerd.
Is bekend wanneer de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking
definitief zal worden vastgesteld en geïmplementeerd?
Is de verwachting dat de praktijk zich op dit punt al zal voegen naar de concept Kwaliteitsnorm?
De concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking waarin wordt voorgeschreven dat de foetus voorafgaand aan de levensbeëindiging sedatie
en pijnstilling dient te krijgen, bevindt zich op dit moment in de prefinale fase.
De NVOG heeft aangegeven dat het proces rondom het finaliseren van de kwaliteitsnorm
naar verwachting voor de zomer afgerond is en dat de NVOG zal toezien op spoedige
accordering en implementatie van de kwaliteitsnorm. Zoals in antwoord op de vorige
vraag is aangegeven, is de kwaliteitsnorm – zodra deze definitief is – in beginsel
leidend. Het blijft voor een arts echter mogelijk om onder omstandigheden gemotiveerd
hiervan af te wijken als dat in het belang van het verlenen van «goede zorg» wenselijk
is. Een afwijking moet uiteraard altijd door een arts worden gemotiveerd.
De leden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is, vooruitlopend
op de definitieve Kwaliteitsnorm, zelf expliciet uit te spreken dat het toedienen
van verdoving bij late zwangerschapsafbreking de norm zou moeten zijn.
Het is niet aan mij als bewindspersoon, maar aan de beroepsgroep om te bepalen wat
de norm ten aanzien van medisch handelen zou moeten zijn.
Nu verdoving inmiddels is opgenomen in de concept Kwaliteitsnorm vragen de leden van
de SGP-fractie welke betekenis dit heeft voor de beoordeling van eerdere acht gevallen
waarin geen sedatie is toegepast.
Dit heeft geen betekenis voor de eerdere acht meldingen van late zwangerschapsafbreking
waarin geen sedatie is toegepast. Deze meldingen zijn namelijk al beoordeeld op grond
van de op dat moment geldende beroepsnormen.
De leden van de SGP-fractie vragen of wordt overwogen om de beoordelingscommissie
expliciet de mogelijkheid te geven het ontbreken van pijnbestrijding zwaarder te laten
meewegen in haar oordeel.
Nee, dat overweegt het kabinet niet. De Beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking
en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen 1–12 jaar is een onafhankelijke
deskundigencommissie. Het is dan ook niet aan het kabinet om bemoeienis te hebben
met hetgeen de commissie laat meewegen in de beoordeling van de door haar ontvangen
meldingen.
De leden van de SGP-fractie vragen hoe de Staatssecretaris het Internationaal Verdrag
inzake de Rechten van het Kind (IVRK) concreet betrekt bij haar overwegingen, in het
bijzonder het daarin besloten liggende voorzorgsbeginsel.
Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in de beantwoording
van eerdere Kamervragen heeft aangegeven16, heeft het kind ingevolge het Verdrag inzake de Rechten van het Kind vanwege zijn
lichamelijke en geestelijke onrijpheid bijzondere bescherming en zorg nodig, zowel
vóór als na zijn geboorte. Hierbij moet schade voor de gezondheid van het kind zoveel
mogelijk worden voorkomen. Het is aan de beroepsgroep om wetenschappelijke inzichten
over foetale pijnbeleving te interpreteren en waar nodig professionele standaarden
hierop aan te passen.
Op grond van het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017) wordt er bij een late zwangerschapsafbreking gekozen voor de, naar de stand
van de wetenschap, meest veilige en minst belastende methode voor moeder en kind,
gegeven de individuele medische achtergrond van de vrouw. Zoals de voormalig Staatssecretaris
Jeugd, Preventie en Sport in de beantwoording van eerdere Kamervragen heeft aangegeven17, heeft de NVOG gesignaleerd dat het veld in beweging is. Er is tegenwoordig meer
aandacht voor foetale pijnbeleving dan ten tijde van het verschijnen van het huidige
modelprotocol in 2017. Om te voorkomen dat de foetus pijn zou kunnen ervaren bij de
uitvoering van een levensbeëindiging, is in de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking opgenomen dat een foetus vooraf sedatie en pijnstilling dient te krijgen.18 De NVOG heeft aangegeven dat het proces rondom het finaliseren van de kwaliteitsnorm
naar verwachting voor de zomer afgerond is.
Bij een zwangerschapsafbreking tot 24 weken wordt altijd gebruik gemaakt van een vorm
van pijnbestrijding voor de vrouw, die via de placenta ook het embryo of de foetus
bereikt. Mocht er dus toch sprake zijn van foetale pijn, dan wordt deze tijdens de
zwangerschapsafbreking door de pijnbestrijding aan de vrouw bestreden.
Zij constateren dat de Staatssecretaris erkent dat het wetenschappelijk vaststellen
van foetale pijnbeleving lastig is, maar vragen waarom zij vervolgens niet inhoudelijk
ingaat op de implicaties van deze onzekerheid. Waarom leidt de wetenschappelijke onzekerheid
over foetale pijnbeleving niet tot toepassing van het voorzorgsbeginsel, juist gezien
het onomkeerbare karakter van foetale levensbeëindiging?
Zoals aangegeven in antwoord op een andere vraag van de leden van de SGP-fractie is
het niet aan mij als bewindspersoon om te bepalen wat de norm ten aanzien van medisch
handelen zou moeten zijn. Het is aan de beroepsgroep om medisch-wetenschappelijke
inzichten over foetale pijnbeleving te interpreteren en waar nodig professionele normen
hierop aan te passen. In de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking wordt voorgeschreven dat de foetus, in geval bij een late zwangerschapsafbreking
foetale levensbeëindiging plaatsvindt, gesedeerd wordt en pijnstilling toegediend
krijgt.
De leden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris het eens is dat wetenschappelijke
onzekerheid over pijnbeleving eerder zou moeten pleiten vóór dan tegen het toepassen
van verdoving. Zij vragen de Staatssecretaris om hiervoor zowel in te gaan op de praktijk
van abortus als late zwangerschapsafbreking.
Het is aan de beroepsgroep om medisch-wetenschappelijke inzichten over foetale pijnbeleving
te interpreteren en waar nodig professionele normen hierop aan te passen. Zoals in
het antwoord hiervoor is aangegeven, wordt in de nieuwe Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking sedatie van de foetus en pijnstilling voorgeschreven in geval bij een late zwangerschapsafbreking
foetale levensbeëindiging plaatsvindt, waarmee voorkomen wordt dat de foetus pijn
zou kunnen ervaren. Bij een zwangerschapsafbreking tot 24 weken wordt altijd gebruik
gemaakt van een vorm van pijnbestrijding voor de vrouw, die via de placenta ook het
embryo of de foetus bereikt. Mocht er dus toch sprake zijn van foetale pijn, dan wordt
deze tijdens de zwangerschapsafbreking door de pijnbestrijding aan de vrouw bestreden.
De leden van de SGP-fractie vragen of in andere medische contexten waarin onzekerheid
bestaat over pijnbeleving eveneens wordt afgezien van pijnbestrijding, en zo ja, welke
contexten dat betreft.
De Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) laat desgevraagd weten dat
de medische context van de foetus in de baarmoeder in een aantal opzichten uniek is,
ook met betrekking tot pijn en pijnbehandeling. Onder meer door de complexe fysiologische
verwevenheid van moeder en foetus is deze medische situatie niet goed vergelijkbaar
met andere medische situaties waarin onzekerheid over pijnbeleving bestaat.
De leden van de SGP-fractie vragen hoe de Staatssecretaris verklaart dat bij foetale
chirurgie, die is gericht op het redden van leven, verdoving gebruikelijk is, terwijl
bij foetale levensbeëindiging verdoving tot op heden niet standaard was. Denkt de
Staatssecretaris dat dit verschil ethisch goed uitlegbaar is aan ouders en aan de
samenleving?
Allereerst wil het kabinet benadrukken, zoals ook de voormalig Staatssecretaris Jeugd,
Preventie en Sport in de beantwoording van de eerdere Kamervragen heeft aangegeven19, dat het om verschillende medische verrichtingen in verschillende medische situaties
gaat. Met betrekking tot foetale chirurgie is er naast pijnstilling ook een technische
noodzaak om tot foetale anesthesie te besluiten en soms om ervan af te zien. Voorts
is het toedienen van pijnstilling aan de foetus bij foetale chirurgie niet voorgeschreven
in een richtlijn en wordt het ook niet in alle gevallen toegepast. Overigens geldt
– zoals in antwoord op een eerdere vraag van de leden van de SGP-fractie is aangegeven
– dat onder het huidige Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking ook bij late zwangerschapsafbreking verdoving aan de foetus vaak wordt toegepast:
van de 34 meldingen die de beoordelingscommissie sinds 2016 heeft ontvangen van een
late zwangerschapsafbreking waarbij foetale levensbeëindiging heeft plaatsgevonden,
was er in 26 gevallen (76,5%) sprake van voorafgaande verdoving, in 8 gevallen (23,5%)
niet.20
De leden van de SGP-fractie vragen om een nadere toelichting op de «lokale protocollen»
voor het toedienen van verdoving aan de foetus door Nederlandse klinieken. Kan de
Staatssecretaris uitleggen wat deze protocollen behelzen? Hoe wenselijk vindt de Staatssecretaris
het dat er blijkbaar «praktijkvariatie» bestaat voor wat betreft het wel of niet geven
van pijnstilling bij foetale levensbeëindiging? De leden van de SGP-fractie vragen
hoe wordt voorkomen dat praktijkvariatie op dit punt leidt tot ongelijkheid of willekeur
tussen instellingen en behandelaars.
Navraag bij de NVOG leert dat de lokale protocollen in detail kunnen verschillen,
maar dat afhankelijk van de medische situatie pijnstilling wordt gegeven. Volgens
de NVOG zal naleving van de nieuwe Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking naar verwachting praktijkvariatie tegengaan.
Overigens valt het de leden van SGP-fractie ook ten aanzien van sedatie bij abortus
op dat de Staatssecretaris ook hierbij kiest voor een formalistische benadering: zolang
het niet expliciet voorgeschreven is in de richtlijn, hoeft het niet. Feit blijft
dat bij foetale chirurgie directe pijnstilling over het algemeen wel gegeven wordt
en bij abortus over het algemeen niet. Erkent de Staatssecretaris dat? Hoe weegt zij
dit verschil vanuit medisch-ethisch perspectief?
Het is aan zorgprofessionals, zoals abortusartsen en gynaecologen, en niet aan mij
als bewindspersoon om de wetenschappelijke inzichten over de mogelijkheid van foetale
pijn bij zwangerschapsafbreking en foetale chirurgie te interpreteren, noch om professionele
standaarden aan te passen. Zoals in antwoord op de vorige vraag is aangegeven, is
het toedienen van pijnstilling aan de foetus bij foetale
chirurgie niet voorgeschreven in een richtlijn en wordt het ook niet in alle gevallen
toegepast. Met betrekking tot foetale chirurgie is er naast pijnstilling ook een technische
noodzaak om tot foetale anesthesie te besluiten en soms om ervan af te zien.
De leden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris het moreel relevant acht
dat het risico op pijnbeleving toeneemt naarmate de zwangerschap verder gevorderd
is, en zo ja, waarom dit niet leidt tot strengere waarborgen.
Zoals aangegeven in antwoord op een andere vraag van de leden van de SGP-fractie,
is het niet aan mij als bewindspersoon, maar aan de beroepsgroep om te bepalen wat
de norm ten aanzien van medisch handelen zou moeten zijn.
De leden van de SGP-fractie vragen om een nadere toelichting op de stelling van de
Staatssecretaris dat bij alle vroege abortussen pijnstilling aan de moeder wordt gegeven
die via de placenta ook het ongeboren kind bereikt. Indien dit het geval is, vragen
zij, waarom dit bij late abortussen kennelijk niet volstaat, gezien het zwaarwegende
advies van de commissie om bij alle late abortussen expliciet pijnstilling toe te
dienen. Hoe verhoudt dit beleid bij abortus vóór 24 weken zwangerschap zich tot de
aanbevelingen van de commissie ten aanzien van late zwangerschap?
Naar aanleiding van eerdere Kamervragen over dit onderwerp heeft de voormalig Staatssecretaris
Jeugd, Preventie en Sport navraag gedaan bij het Nederlands Genootschap van Abortusartsen
(NGvA) over pijnbeleving bij een zwangerschapsafbreking tot 24 weken.21 Hoewel het niet volledig is uitgesloten dat een foetus vóór 24 weken een vorm van
pijnbeleving kan hebben, is dit niet vergelijkbaar met reguliere ervaring van pijn.
Als de foetus al iets als een prikkel ervaart, weet het niet waar het vandaan komt,
heeft het daar geen emotionele reactie op en vergeet het die prikkel direct weer.22 Bij een zwangerschapsafbreking tot 24 weken wordt desalniettemin altijd gebruik gemaakt
van een vorm van pijnbestrijding voor de vrouw, die via de placenta ook het embryo
of de foetus bereikt. Mocht er dus toch sprake zijn van foetale pijn, dan wordt deze
tijdens een zwangerschapsafbreking door de pijnbestrijding aan de vrouw bestreden.
Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in de beantwoording
van de eerdere Kamervragen heeft aangegeven23, is de beoordelingscommissie bekend met de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking, waarin staat dat voorafgaand aan de levensbeëindiging de foetus gesedeerd dient
te worden en pijnstilling toegediend moet krijgen. In afwachting van de definitieve
herziening van het protocol van de NVOG zal de commissie volstaan met het doen van
een aanbeveling met betrekking tot pijnstilling aan de foetus. Er is tegenwoordig
meer aandacht voor
foetale pijnbeleving dan ten tijde van het verschijnen van het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking in 2017. De NVOG is om die reden in januari 2024 gestart met de revisie van het huidige
modelprotocol.
Het is aan de beroepsgroepen, en niet aan mij als bewindspersoon om medisch professionele
normen voor zwangerschapsafbreking tot 24 weken en late zwangerschapsafbreking vast
te stellen en eventueel te herzien. Bij het opstellen en herzien van richtlijnen maken
artsen gebruik van actuele wetenschappelijke kennis, inzichten vanuit andere vakgebieden/beroepsgroepen,
en relevante ontwikkelingen.
De leden van de SGP-fractie vragen naar aanleiding van het antwoord op vraag 17 of
de Staatssecretaris erkent dat het gelijkheidsbeginsel in dit verband niet ziet op
de aard of het doel van de medische verrichting, maar op het ongeboren kind dat een
ingreep ondergaat waarbij sprake kan zijn van pijn. Zij vragen waarom in de beantwoording
de vergelijking wordt betrokken op de (on)gelijkheid van de medische handeling, en
niet op de positie van het ongeboren kind en diens mogelijke pijnbeleving. De leden
van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris daarom alsnog kan ingaan op de vraag
hoe het ontbreken van verplichte verdoving bij abortus en late zwangerschapsafbreking
zich verhoudt tot het uitgangspunt dat gelijke belangen, zoals het voorkomen van pijn
bij ongeboren kinderen, gelijk beschermd zouden moeten worden.
Het gelijkheidsbeginsel ziet zowel op de aard en het doel van de medische verrichting
als op de moeder en het ongeboren kind die de ingreep ondergaan. Zoals in de beantwoording
op vraag 17 is aangegeven, gaat het bij foetale therapie, een zwangerschapsafbreking
tot 24 weken en een late zwangerschapsafbreking om verschillende medische verrichtingen
in verschillende medische situaties waar verschillende kwaliteitsnormen en richtlijnen
op van toepassing zijn.24 Met betrekking tot foetale chirurgie is er naast pijnstilling ook een technische
noodzaak om tot foetale anesthesie te besluiten en soms om ervan af te zien. Bij een
zwangerschapsafbreking tot 24 weken wordt altijd gebruik gemaakt van een vorm van
pijnbestrijding voor de vrouw, die via de placenta ook het embryo of de foetus bereikt.
Zodra de Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking definitief is, wordt het toedienen van pijnstilling aan de foetus voorgeschreven
en is deze medische-professionele standaard in beginsel leidend.
Aangezien de bevinding dat verdoving niet standaard is wel werd benoemd door de beoordelingscommissie,
maar de Staatssecretaris dit niet vermeldde in haar brief vragen de leden van de SGP-fractie
of de Staatssecretaris voornemens is de Kamer voortaan actief te informeren wanneer
de beoordelingscommissie aanbevelingen doet die raken aan ethische vraagstukken.
Het kabinet is bereid om de Kamer voortaan bij de aanbieding van het jaarverslag van
de beoordelingscommissie proactief te informeren over aanbevelingen van de beoordelingscommissie
die raken aan ethische vraagstukken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruik om vragen te
stellen bij het jaarverslag 2024 van de beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking
en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van 1 tot 12 jaar.
De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het een zeer gevoelig en verdrietig onderwerp
waar de beoordelingscommissie zich mee bezig houdt. Sinds 2024 zijn er flinke wijzigingen
geweest in de Regeling en in de commissie. Deze leden vragen een reflectie van de
Staatssecretaris op deze veranderingen. Welke meerwaarde heeft het dat de voorzitter
een strafrechtjurist is?
Zoals in de toelichting op de Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking
en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen 1–12 jaar is aangegeven, is de meerwaarde
dat de voorzitter van de beoordelingscommissie een strafrechtjurist is met affiniteit
met de problematiek hierin gelegen dat het uitgangspunt is dat de beoordelingscommissie
geen medische gegevens meer meestuurt aan het College van procureurs-generaal en het
oordeel van de beoordelingscommissie zwaar weegt.
Is de werkwijze nu, met het melden van categorie 1 bij de beroepsgroep van de NVOG,
in lijn met de verwachtingen?
Het melden van een late zwangerschapsafbreking categorie 1 bij de beroepsgroep NVOG
en het beoordelen door een commissie bij de NVOG was vóór de inwerkingtreding van
de Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging
bij pasgeborenen op 1 februari 2016 al gebruikelijk. Bij de totstandkoming van deze
Regeling in 2016 is ervoor gekozen om deze categorie 1-gevallen weer op te nemen in
de Regeling en te laten beoordelen door de beoordelingscommissie. Uit de evaluatie
in 2022 kwam echter naar voren dat er geen reden meer was om LZA categorie 1-gevallen
onder de Regeling te houden. Met de inwerkingtreding van de Regeling beoordelingscommissie
late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen 1–12
jaar op 1 februari 2024 is de beoordeling van LZA categorie 1-gevallen weer aan de
beroepsgroep overgelaten. Deze werkwijze verloopt tot nu naar ieders tevredenheid.
Nu de regeling is uitgebreid naar kinderen van 1 tot 12 jaar, voelen artsen zich meer
handelingsbekwaam- en bevoegd in dit soort intens moeilijke en verdrietige zaken?
De NVK heeft een uitgebreide toelichting geschreven bij de door haar ontwikkelde zorgvuldigheidseisen
voor levensbeëindiging bij kinderen 1–12 jaar. Dit biedt artsen houvast bij de beoordeling
van een mogelijke levensbeëindiging van een kind van 1–12 jaar.
Navraag bij de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) leert verder dat
bij het Artsensteunpunt Levenseinde Kinderen een toename wordt gezien van vragen van
professionals. Deze vragen richten zich met name op hoe professionals zorgvuldig en
professioneel om kunnen gaan met vragen van ouders over actieve levensbeëindiging
en hoe zij deze gesprekken goed kunnen voeren binnen het bestaande juridische en ethische
kader. De NVK concludeert op basis van haar bevindingen dat de Regeling bijdraagt
aan open en zorgvuldige gesprekken over palliatieve zorg en levenseindezorg, zowel
tussen ouders en zorgverleners als binnen multidisciplinaire teams. Volgens de NVK
lijkt de betekenis van de Regeling zich niet alleen te beperken tot een regulerende
functie, maar vooral ook een ondersteunende en verhelderende rol te spelen in het
besluitvormingsproces van ouders en zorgprofessionals.
Ten aanzien van levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar vragen de leden van
de ChristenUnie-fractie naar de ontwikkeling van de zorgvuldigheidseisen. Deze worden
pas in de Regeling opgenomen als er verdere normontwikkeling heeft plaatsgevonden.
Tot die tijd wordt gewerkt met de zorgvuldigheidseisen zoals door de Nederlandse Vereniging
voor Kindergeneeskunde is geaccordeerd. Met de zeer sporadische meldingen van levensbeëindiging
bij kinderen van 1 tot 12 jaar kan het lang duren voordat de normontwikkeling plaatsvindt.
Vindt de Staatssecretaris het acceptabel dat tot die tijd de NVK-richtlijn geldt?
Deze leden maken zich zorgen dat hierdoor niet de juridische kant wordt meegenomen
in de zorgvuldigheidseisen. Hoe kijkt de Staatssecretaris daarnaar?
Zoals in de toelichting op de Regeling is aangegeven, zullen de door de medische beroepsgroep
ontwikkelde zorgvuldigheidseisen pas in de Regeling worden opgenomen als daarover
brede consensus bestaat. Er zal dan ook eerst ervaring mee moeten worden opgedaan
in de praktijk, zowel door artsen als door de beoordelingscommissie, het Openbaar
Ministerie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Het is begrijpelijk dat verdere
normontwikkeling tijd nodig heeft. In de toelichting wordt benadrukt dat het ontbreken
van zorgvuldigheidseisen niet betekent dat artsen geen enkel houvast hebben. Voor
de groep kinderen 1–12 jaar geldt als uitgangspunt dat, om het handelen van de arts
als zorgvuldig te kunnen beoordelen, de arts op grond van heersend medisch inzicht
tot de overtuiging moet komen dat levensbeëindiging de enige redelijke oplossing is
om het uitzichtloos en ondraaglijk lijden van het kind weg te nemen. En dat, voor
zover dit ook maar enigszins mogelijk is, het kind, op een manier die past bij zijn
bevattingsvermogen en leeftijd, naar zijn mening wordt gevraagd en dat die mening
wordt betrokken bij het besluitvormingsproces. Van levensbeëindiging moet in ieder
geval worden afgezien als het kind zelf te kennen heeft gegeven zijn actuele situatie
te prefereren boven levensbeëindiging. Ook is in de toelichting op de Regeling opgenomen
dat de beoordelingscommissie ter verdere normontwikkeling voor levensbeëindiging bij
kinderen 1–12 jaar de in de Regeling opgenomen zorgvuldigheidseisen die gelden voor
levensbeëindiging bij pasgeborenen (artikel 7) in haar beoordeling van een casus als
vertrekpunt meeneemt.25
Daarnaast heeft de NVK – zoals ook in het antwoord op de vorige vraag is aangegeven
– een uitgebreide toelichting geschreven bij de door haar ontwikkelde zorgvuldigheidseisen
voor levensbeëindiging bij kinderen 1–12 jaar. Dit biedt artsen houvast bij de beoordeling
van een mogelijke levensbeëindiging van een kind van 1–12 jaar.
De beoordelingscommissie geeft op haar website aan kennis te hebben genomen van de
zorgvuldigheidseisen voor actieve levensbeëindiging bij een kind in de leeftijd van
1–12 jaar, zoals die op 2 oktober 2024 door het bestuur van de NVK zijn geaccordeerd.
Zij benadrukt dat de beoordelingscommissie bij de beoordeling van een melding in deze
categorie een eigen verantwoordelijkheid heeft en zal deze zorgvuldigheidseisen meewegen
in haar beslissing of een arts bij een dergelijk handelen dit zorgvuldig heeft gedaan.26
Hoe is de relatie tussen de Beoordelingscommissie en het Openbaar Ministerie? Is er
onderling contact zodat de kloof tussen de medische en juridische wereld kleiner wordt,
zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft mij laten weten dat er inderdaad onderling contact
is met de beoordelingscommissie. Naast een kennismakingsgesprek met de nieuwe voorzitter
van de commissie hebben er ook andere (ambtelijke) overleggen plaatsgevonden. Daarbij
bestaat er over en weer de bereidheid om vragen die zich voordoen in de toetsingspraktijk
constructief met elkaar te bespreken. Ook de beoordelingscommissie heeft mij laten
weten dat het contact tussen de beoordelingscommissie en het OM constructief is. Zo
vindt er jaarlijks overleg plaats tussen de voorzitter van de beoordelingscommissie
en de voorzitter van het College van procureurs-generaal. Daarnaast is er frequent
mailcontact tussen de beoordelingscommissie en het OM.
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn geschrokken van de bevinding dat artsen
de foetus bij late zwangerschapsafbreking niet standaard verdoving toedienen. Waarom
niet, zo vragen deze leden.
Op basis van het huidige Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking uit 2017 wordt aan artsen ter overweging meegegeven om de foetus te sederen en pijnstilling
toe te dienen voordat wordt overgegaan tot foetale levensbeëindiging. Het is niet
bekend welke redenen artsen in de concrete gevallen hebben gehad om geen sedatie en
pijnstilling toe te passen. Overigens geldt dat onder het huidige modelprotocol verdoving
aan de foetus vaak wordt toegepast bij late zwangerschapsafbreking: van de 34 meldingen
die de beoordelingscommissie sinds 2016 heeft ontvangen van een late zwangerschapsafbreking
waarbij foetale levensbeëindiging heeft plaatsgevonden, was er in 26 gevallen (76,5%)
sprake van voorafgaande verdoving, in 8 gevallen (23,5%) niet.27
Wil de Staatssecretaris er bij de beroepsgroep op aandringen dat het zo snel mogelijk
in de richtlijn wordt opgenomen dat er standaard verdoving wordt toegepast bij late
zwangerschapsafbrekingen?
Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in de beantwoording
van eerdere Kamervragen heeft aangegeven28, heeft de NVOG gesignaleerd dat het veld in beweging is. Er is tegenwoordig meer
aandacht voor foetale pijnbeleving dan ten tijde van het verschijnen van het huidige
modelprotocol in 2017. De NVOG is om die reden in januari 2024 gestart met een revisie
van het huidige modelprotocol. Dit heeft geleid tot de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking. Hierin staat dat een foetus voorafgaand aan de levensbeëindiging sedatie en pijnstilling
dient te krijgen. Deze kwaliteitsnorm bevindt zich op dit moment in de prefinale fase.
De NVOG heeft aangegeven dat het proces rondom het finaliseren van de kwaliteitsnorm
naar verwachting voor de zomer afgerond is. De NVOG zal in ieder geval toezien op
spoedige accordering en implementatie van de kwaliteitsnorm. Zodra de kwaliteitsnorm
definitief is, is deze in beginsel leidend.
Wat is de richtlijn ten aanzien van verdoving bij vroegere zwangerschapsafbrekingen,
zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Ziet de Staatssecretaris reden, bijvoorbeeld
nieuwe wetenschappelijke inzichten, om hier beleid in te wijzigen? Zo nee, waarom
niet?
Hoewel het niet volledig is uitgesloten dat een foetus vóór 24 weken een vorm van
pijnbeleving kan hebben, zijn die eventuele prikkels niet vergelijkbaar met reguliere
ervaring van pijn. Bij zwangerschapsafbreking tot 24 weken wordt desalniettemin altijd
gebruik gemaakt van een vorm van pijnbestrijding voor de vrouw, die via de placenta
ook het embryo of de foetus bereikt. Mocht er sprake zijn van foetale pijn, dan wordt
deze tijdens een zwangerschapsafbreking dus door de pijnbestrijding aan de vrouw bestreden.
Het is aan de beroepsgroep om medisch professionele normen vast te stellen en eventueel
te herzien.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
J.J. Meijerink, adjunct-griffier