Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport : Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport
36 917 Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau
Nr. 4
ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
d.d. 19 november 2025 en het nader rapport d.d. 17 maart 2026, aangeboden aan de Koning
door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het advies van de Afdeling
advisering van de Raad van State is cursief afgedrukt.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 10 juli 2025, nr. 2025001565,
machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake
het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen.
Dit advies, gedateerd 19 november 2025, nr. W05.25.00173/I, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 10 juli 2025, no.2025001565, heeft Uwe Majesteit, op voordracht
van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van
de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging
van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke
mediaopdracht op lokaal niveau, met memorie van toelichting.
Inhoud van het wetsvoorstel
Lokale publieke omroepen vervullen verschillende belangrijke publieke functies: zij
voorzien burgers van lokaal nieuws, doen journalistiek onderzoek, en zorgen voor lokale
verbinding. Volgens de regering staat het werk van lokale publieke omroepen onder
druk en kunnen zij deze functies niet altijd goed uitoefenen. Met het wetsvoorstel
wil de regering daar verandering in brengen en de positie van lokale publieke omroepen
verstevigen. Zo wordt voorgesteld om lokale publieke omroepen voortaan vanuit het
Rijk te bekostigen in plaats van door gemeenten. Verder wordt het aantal omroepen
teruggebracht tot tachtig en zullen deze omroepen grotere gebieden gaan bedienen.
Ook wordt de procedure voor aanwijzing van lokale publieke omroepen aangepast. De
Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO) moet fungeren als samenwerkings-
en coördinatieorgaan voor deze omroepen.
Versterken lokale journalistiek
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft het belang van een sterke
lokale journalistiek voor de democratische rechtsstaat. De regering verwacht dat het
centraliseren van de bekostiging en de schaalvergroting van lokale publieke omroepen
de lokale onafhankelijke journalistiek versterkt. Die verwachting moet nader worden
gemotiveerd. Uit de toelichting bij het wetsvoorstel blijkt namelijk onvoldoende dat
de voorgestelde maatregelen daadwerkelijk leiden tot voldoende toereikende bekostiging
van lokale publieke omroepen om de uitoefening van hun publieke functies te versterken.
De voorgestelde maatregelen kennen bovendien risico’s. Grotere omroepen staan verder
af van de lokale gemeenschappen waardoor het voor hen juist moeilijker kan zijn om
hun publieke functies uit te oefenen.
Maximumaantal omroepgebieden
De Afdeling adviseert om het maximum van tachtig omroepgebieden niet in de wet vast
te leggen. Dit wettelijke maximum maakt het namelijk lastig om het gebied van een
omroep op te knippen als blijkt dat het te groot is of onvoldoende een eigen geografische,
economische en sociaal-culturele identiteit heeft.
Criteria voor aanwijzing van lokale publieke omroepen
Zowel de gemeenteraad als de NLPO adviseert straks het Commissariaat voor de Media
bij de aanwijzing van een lokale publieke omroep. De Afdeling adviseert de voorgestelde
verdeling van de criteria aan de hand waarvan de NLPO en de gemeenteraad adviseren
opnieuw te bezien of anders nader toe te lichten, om er voor te zorgen dat de lokale
publieke omroep voldoende lokale binding houdt.
Beschermen bijzondere persoonsgegevens
Tot slot adviseert de Afdeling om in het wetsvoorstel nader te concretiseren welke
passende maatregelen moeten worden uitgewerkt om de bijzondere persoonsgegevens te
beschermen van vertegenwoordigers van maatschappelijke, culturele, godsdienstige en
geestelijke stromingen bij een lokale publieke omroep.
In verband daarmee dient het wetsvoorstel nader te worden overwogen.
1. Aanleiding voor het wetsvoorstel
Lokale media vervullen belangrijke publieke functies voor het levend houden en vitaliseren
van de lokale democratie.1 Lokale publieke omroepen zorgen ervoor dat burgers onafhankelijk worden geïnformeerd
over lokale maatschappelijke en politieke thema’s. Daarnaast vervullen ze een belangrijke
rol in het controleren van het lokale bestuur en het agenderen van thema’s.2 Ook dragen ze bij aan het verbinden van bevolkingsgroepen en het bevorderen van educatie
en cultuur.3 Voor de werking van de lokale democratie zijn sterke en onafhankelijke lokale publieke
omroepen van groot belang. De controlerende functie van deze omroepen heeft bovendien
aan belang gewonnen, omdat lokale overheden door de decentralisatie van taken een
steeds belangrijkere rol vervullen in het leven van burgers.4
Het huidige stelsel van lokale publieke omroepen staat onder hoge spanning. Lokale
publieke omroepen kunnen hierdoor op veel plekken in Nederland hun publieke functies
niet naar behoren waarmaken, zo constateert de regering op basis van verschillende
onderzoeken en adviezen.5 Er is sprake van versnippering en een gebrekkige inhoudelijke en organisatorische
samenwerking tussen publieke omroepen.6 Daarnaast beschikken vooral lokale media in kleine en middelgrote gemeenten over
te weinig middelen en (journalistiek geschoolde) menskracht.7 Bovendien zijn lokale publieke omroepen voor financiering afhankelijk van de gemeenten
die zij tegelijkertijd moeten controleren.8 Tot slot schiet het bereik van lokale publieke omroepen op veel plekken tekort.9
2. Inhoud van het wetsvoorstel
De regering is daarom voornemens om het mediabestel op lokaal niveau te wijzigen.10 Met het wetsvoorstel stelt de regering allereerst voor om de bekostiging en organisatie
van de lokale publieke omroepen te wijzigen.11 Bekostiging van de omroepen gebeurt niet langer via gemeenten, maar wordt opgenomen
in de mediabegroting van het Ministerie van OCW. Wel blijft het mogelijk voor gemeenten
om in aanvulling daarop tot een bepaald bedrag vrijwillig bij te dragen aan het uitvoeren
van de lokale publieke mediaopdracht.
Verder wordt de schaal van lokale publieke omroepen vergroot en het aantal gemaximeerd:
voortaan worden maximaal tachtig omroepen aangewezen voor verzorgingsgebieden die
één of meer gemeenten beslaan. Ook wordt de procedure voor aanwijzing van een media-instelling
als lokale publieke omroep aangepast. Er worden meer criteria vastgelegd waarmee een
aanvraag tot aanwijzing wordt beoordeeld. Daarnaast bepaalt het wetsvoorstel welke
adviezen het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) bij de beoordeling van een aanvraag betrekt en hoe wordt omgegaan met meerdere aanvragen voor hetzelfde
verzorgingsgebied. Bij de aanvraag moeten media-instellingen een beleidsplan overleggen
waaruit blijkt hoe ze gaan zorgen voor een lokaal toereikend media-aanbod.
Tot slot wordt met het wetsvoorstel de NLPO aangewezen als rechtspersoon met als wettelijke
taak te zorgen voor samenwerking en coördinatie tussen lokale publieke omroepen. Het
toezicht op de NLPO wordt op enige afstand van de politiek geplaatst: voor toezicht
op de dagelijkse gang van zaken wordt een Raad van Toezicht benoemd en is de rechtstreekse
betrokkenheid van de Minister beperkt. Ook komt de NLPO met het wetsvoorstel (net
als de lokale publieke omroepen) onder het toezicht van het Commissariaat te vallen.12
3. Effectiviteit bekostiging en schaalvergroting
Met het wetsvoorstel beoogt de regering het fundament van de lokale publieke omroepen
te verstevigen. De meest ingrijpende maatregelen zien op het wijzigen van de bekostiging
en op het vergroten van de schaal van lokale publieke omroepen. Deze maatregelen moeten
er volgens de regering voor zorgen dat lokale publieke omroepen met sterke, professionele
en onafhankelijke journalistiek hun publieke functies beter waar kunnen maken.13
a. Bekostiging door het Rijk
Lokale publieke omroepen ontvangen van gemeenten een vergoeding van de kosten voor
het verzorgen van een lokaal toereikend media-aanbod.14 Gemeenten betalen deze vergoeding uit de algemene uitkering uit het gemeentefonds.
Voor deze vergoeding wordt jaarlijks een richtsnoerbedrag vastgesteld, maar gemeenten
kunnen daar van afwijken. Gemiddeld plussen gemeenten dit op, al zijn er ook gemeenten
die geen lokale publieke omroep hebben en er dus niets aan besteden en gemeenten die
minder dan het richtsnoerbedrag toekennen.15
Volgens de regering leidt de huidige wijze van bekostigen van lokale publieke omroepen
tot problemen.16 De basisfinanciering van lokale omroepen is inconsistent en in veel gevallen te laag
voor de vervulling van de publieke functies.17 Daarnaast staat volgens de regering de onafhankelijkheid van lokale publieke omroepen
onder druk als gevolg van de bekostiging door gemeenten. De
regering stelt daarom voor om de bekostiging over te hevelen van gemeenten naar de
mediabegroting van het Ministerie van OCW, en dat budget aan te vullen met een ophoging.18
De toelichting maakt onvoldoende duidelijk of van de nieuwe bekostigingswijze daadwerkelijk
een versterking van lokale publieke omroepen verwacht kan worden. De toelichting geeft
onvoldoende inzicht in de omvang van de bekostiging als gevolg van het wetsvoorstel.19 Het is niet duidelijk hoeveel budget er als gevolg van de overheveling uit het gemeentefonds
aan de mediabegroting wordt toegevoegd en op welk budget lokale omroepen straks kunnen
rekenen.
Daarnaast blijkt uit het wetsvoorstel en de toelichting onvoldoende dat de bekostiging
straks toereikend is. De voorgestelde bekostiging gaat namelijk uit van een verdeling
van beschikbare middelen, in plaats van bekostiging gebaseerd op de daadwerkelijke
kosten van de versterking van lokale publieke omroepen. Voor de hoogte van de bekostiging
door het Rijk wordt het richtsnoerbedrag als vertrekpunt genomen,20 maar dit bedrag is zoals aangegeven in beginsel te laag en wordt gemiddeld genomen
door gemeenten aangevuld. Van verschillende kanten is een minimale bekostiging geadviseerd
van € 2 per inwoner.21 Het wetsvoorstel laat onduidelijk of de hoogte van de bekostiging daarmee straks
vergelijkbaar is. Aan het bedrag dat uit het gemeentefonds wordt overgeheveld wordt
weliswaar nog een bedrag toegevoegd van € 18 miljoen,22 maar niet duidelijk is of dat toereikend is om het versterken van de lokale publieke
omroepen te bekostigen. Uit de beschikbare financiering moeten bovendien ook nog de
taakuitbreidingen van de NLPO en het Commissariaat worden bekostigd.23
De verdeling van de voor de lokale omroepen beschikbare middelen gebeurt op basis
van vaste percentages, en niet op basis van een vastgesteld minimumbedrag of een vast
bedrag per inwoner. Volgens de toelichting heeft die wijze van verdeling als voordeel
dat het bedrag makkelijker kan meebewegen «met ontwikkelingen in de rijksmediabijdrage».24 Deze systematiek heeft echter ook invloed op bijvoorbeeld de voorspelbaarheid van
het door het Rijk beschikbaar gestelde budget. Het is voor hun onafhankelijkheid van
belang dat
omroepen kunnen beschikken over adequate, duurzame en voorspelbare financiële middelen
voor het vervullen van hun publieke opdracht.25 De toelichting maakt nu nog onvoldoende duidelijk dat de voorgestelde systematiek
aan deze randvoorwaarden voldoet.
Daar komt bij dat de regering ervan uitgaat dat gemeenten ook in de nieuwe bekostigingssystematiek
voor aanvullende bekostiging zullen blijven zorgen. Onduidelijk is waar die verwachting
op is gebaseerd. In de consultatie is namens gemeenten aangegeven dat naar verwachting
weinig gemeenten gebruik zullen maken van de mogelijkheid om te blijven zorgen voor
aanvullende financiering in de nieuwe bekostigingssystematiek.26 Uit de toelichting blijkt onvoldoende of een eventueel afnemende bereidheid van gemeenten
om aanvullende financiering te verzorgen wordt gecompenseerd door de voorgestelde
ophoging. Het risico bestaat dat de totale investering in de lokale publieke omroepen
daardoor achterblijft bij wat de regering voor ogen heeft.
Tot slot gaat de toelichting onvoldoende in op eventuele alternatieve maatregelen
om lage, inconsistente of afhankelijke bekostiging aan te pakken. In navolging van
het advies van de ROB en de RvC heeft de regering gekozen voor overheveling van de
bekostigingstaak naar het Rijk. Dat is een ingrijpende wijziging van de verhoudingen
in het lokale mediabestel. Het is daarvoor niet alleen noodzakelijk de geschiktheid
van die overheveling te motiveren, maar ook om in te gaan op de ongeschiktheid van
andere maatregelen die de geconstateerde problemen kunnen oplossen. De regering gaat
in de toelichting bijvoorbeeld niet in op het substantieel ophogen van de minimale
bijdrage door gemeenten, het verstrekken van specifieke uitkeringen of subsidies door
het Rijk of het vergroten van de ruimte voor omroepen om inkomsten uit andere bronnen
te verwerven.
De Afdeling adviseert om in de toelichting alsnog inzicht te geven in de omvang van
de bekostiging, te motiveren dat deze toereikend is voor het versterken van de lokale
publieke omroepen, en daarbij aandacht te besteden aan eventuele alternatieve bekostigingsmaatregelen.
De Afdeling maakt een aantal opmerkingen over de voorgestelde bekostiging van de lokale
publieke omroepen.
Ten eerste stelt de Afdeling dat de toelichting onvoldoende duidelijk maakt of van
de nieuwe bekostiging daadwerkelijk een versterking van de lokale publieke omroepen
kan worden verwacht. De regering wil vooropstellen dat de voorgestelde bekostigingssystematiek
deel uitmaakt van een samenhangend pakket aan maatregelen dat als geheel leidt tot
de versterking van de lokale publieke omroep. De overheveling van de bekostiging naar
het Rijk en de ophoging van het bedrag dragen daaraan bij. Met de overheveling wordt
gegarandeerd dat de beschikbare middelen naar de lokale omroepen gaan. De combinatie
met de schaalvergroting naar maximaal tachtig lokale publieke omroepen betekent dat
het totaalbudget met ingang van het nieuwe stelsel verdeeld zal worden over aanzienlijk
minder lokale publieke omroepen dan in de huidige situatie. Bovendien is in de toekomst
voorafgaand aan de start van de aanwijzingsprocedure voor ieder lokaal verzorgingsgebied
duidelijk wat het voorgenomen beschikbare budget voor de gehele komende aanwijzingsperiode
van vijf jaar is. Dit zorgt voor meer voorspelbaarheid en continuïteit van de bekostiging
voor lokale publieke omroepen dan nu het geval is. Ten slotte creëert het wetsvoorstel
de mogelijkheid voor gemeenten om ook in het nieuwe stelsel financieel bij te dragen
aan de lokale publieke omroep. Al deze maatregelen bijeengenomen leiden tot versterking
van de lokale publieke omroep.
Volgens de Afdeling geeft de toelichting ook onvoldoende inzicht in de omvang van
de bekostiging als gevolg van het wetsvoorstel. Het is, aldus de Afdeling, niet duidelijk
hoeveel budget er door de overheveling uit het gemeentefonds wordt toegevoegd aan
de mediabegroting of op welk budget lokale omroepen straks kunnen rekenen. Naar aanleiding
van deze opmerking van de Afdeling is de toelichting in de paragrafen 2.2 en 2.7 uitgebreid
om meer duidelijkheid te geven over het totale budget dat aan de mediabegroting wordt
toegevoegd. Ook is uitgelegd dat bedragen per lokaal verzorgingsgebied pas kunnen
worden vastgesteld wanneer de indeling in lokale verzorgingsgebieden, die gebeurt
bij algemene maatregel van bestuur, is bepaald.
De Afdeling geeft aan dat uit het wetsvoorstel en de toelichting onvoldoende blijkt
dat de bekostiging straks toereikend is, nu wordt uitgegaan van het bedrag dat door
het Rijk beschikbaar zal worden gesteld en niet van de middelen die omroepen in de
praktijk nodig hebben. Naar aanleiding van deze opmerking brengt de regering naar
voren dat zij in de laatste jaren verschillende adviezen heeft ontvangen over een
hogere bekostiging voor lokale publieke omroepen. Deze adviezen lopen uiteen: van
€ 2 per inwoner met een aftopping op 200 duizend inwoners, uit het model van de Raad
voor het Openbaar bestuur (hierna: ROB) en de Raad voor Cultuur (hierna: RvC), tot
een journalistieke basis van 3 fte. Dit laatste betreft een advies van het Stimuleringsfonds
voor de Journalistiek (SvdJ).27 Er is getracht zo veel mogelijk aansluiting te zoeken bij deze adviezen, met inachtneming
van de uitkomsten van politieke besluitvorming over de beschikbaarstelling van middelen.
Het voorziene nieuwe totaalbudget van circa € 31 miljoen betekent een verhoging ten
opzichte van de huidige totale gemeentelijke bekostiging.28 Daarnaast biedt dit wetsvoorstel meerjarige bekostiging in alle lokale verzorgingsgebieden.
Het resultaat is dat voortaan de journalistieke basisfuncties in ieder lokaal verzorgingsgebied
kunnen worden uitgeoefend. De toelichting is op dit punt uitgebreid. Volgens de regering
is de toereikendheid van de bekostiging daarmee in voldoende mate inzichtelijk gemaakt.
De Afdeling stelt dat de toelichting nu nog onvoldoende duidelijk maakt dat de voorgestelde
verdeelsleutel per lokaal verzorgingsgebied voldoet aan de randvoorwaarden van adequate,
duurzame en voorspelbare financiële middelen voor het vervullen van de publieke mediaopdracht.
In paragraaf 2.2 is de toelichting uitgebreid om meer inzicht te geven in de voorgestelde
verdeelsleutel, en in de keuze van de regering om deze toe te passen op de rijksmediabijdrage,
die automatisch wordt geïndexeerd. De lokale publieke omroepen kunnen zo aanspraak
maken op dezelfde jaarlijkse indexatie als de andere instellingen op de mediabegroting.
Verder wijst de regering er nogmaals op dat volgens het wetsvoorstel voorafgaand aan
de start van de procedure voor aanwijzing als lokale publieke omroep voor ieder lokaal
verzorgingsgebied duidelijk is wat het voorgenomen beschikbare budget is voor de gehele
komende aanwijzingsperiode van vijf jaar. Dit zorgt voor meer voorspelbaarheid en
continuïteit van de bekostiging voor lokale publieke omroepen dan nu het geval is.
Ook maakt de Afdeling opmerkingen over de gemeentelijke financiering, en wel over
de financiering zoals zij nu is, en over de financiering in de voorgestelde toekomstige
situatie. De Afdeling schrijft dat gemeenten in de huidige situatie de bekostiging
gemiddeld genomen «opplussen». De regering ziet dat dit gemiddeld inderdaad zo is,
zoals bijvoorbeeld blijkt uit de driejaarlijkse evaluatie van het Commissariaat.29 Tegelijkertijd ziet de regering dat 43 procent van de gemeenten een bekostiging toekent
die lager is dan het richtsnoerbedrag. Slechts 22 procent van de gemeenten kent een
relatief hoge bekostiging toe (meer dan 5 procent boven het richtsnoerbedrag per inwoner).
In absolute zin keren gemeenten dus meer dan het richtsnoerbedrag uit aan de lokale
publieke omroepen, maar het beeld is over het land ongelijk verdeeld: de hogere bijdrage
komt van de grotere gemeenten; zo wordt het gemiddelde omhoog getrokken. De regering
acht het daarom nodig de uitspraak van de Afdeling op dit punt te nuanceren.
De Afdeling maakt de opmerking dat de regering ervan uitgaat dat gemeenten ook in
de nieuwe bekostigingssystematiek voor aanvullende bekostiging zullen blijven zorgen.
Het voorstel van de regering gaat daar echter niet van uit. Het wetsvoorstel biedt
enkel de mogelijkheid voor gemeenten om aanvullend te bekostigen, voor zover zij dat
zouden willen vanuit hun autonome bevoegdheid. Daardoor blijft er ruimte voor maatwerk,
zodat gemeenten ook in het nieuwe stelsel kunnen inspelen op specifieke lokale omstandigheden
en wensen.
Ten slotte adviseert de Afdeling om in te gaan op overwogen alternatieven. Het gaat
dan om achtereenvolgens (1) verhogen van het richtsnoerbedrag en toevoegen van de
extra middelen aan het gemeentefonds, (2) bekostiging door middel van een specifieke
uitkering, (3) een hybride vorm van bekostiging waarbij zowel het Rijk als gemeenten
bijdragen, en (4) ruimere inzet op reclame-inkomsten. De toelichting in paragraaf
2.2 is op dit punt uitgebreid, inclusief de argumenten van de regering om deze alternatieven
niet te omarmen.30
Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling over de voorgestelde bekostiging
door het Rijk zijn de paragrafen 2.2 en 2.7 van de toelichting aangevuld.
b. Schaalvergroting
Het wetsvoorstel bepaalt dat het huidige aantal van 224 lokale publieke omroepen wordt
teruggebracht naar maximaal 80. Deze schaalvergroting zou volgens de regering moeten
leiden tot een grotere financiële armslag voor de omroepen en
meer ruimte om in journalistieke kwaliteit te investeren.31 Momenteel ontstaat schaalvergroting doordat lokale omroepen op vrijwillige basis
streekomroepen vormen.32 Vanuit die ervaring is ook zicht op de effecten van de schaalvergroting van lokale
omroepen. De voordelen die door deze omroepen zelf worden genoemd gaan over het grotere
potentiële bereik van de omroep, betere programma’s en een betere organisatorische
basis van de omroep.33
De Afdeling merkt op dat schaalvergroting ook risico’s met zich brengt voor de mate
waarin lokale publieke omroepen hun publieke functies kunnen uitoefenen. Sterke lokale
journalistiek vraagt om een goed begrip van de lokale context, de historie en het
lokale netwerk en dat is op grotere afstand niet altijd gemakkelijk.34 Lokale publieke omroepen zijn sterk geworteld in de lokale gemeenschap. Juist door
hun kleine schaal en de betrokkenheid van vele vrijwilligers hebben ze een nauwe band
met lokale maatschappelijke en politieke thema’s.
Straks moeten de omroepen vaak grotere en heterogene gebieden bedienen die veelal
uit meerdere gemeenten bestaan. Daarnaast kan een grotere schaal het functioneren
van een omroep complex maken door hogere kosten en het verdelen van programmatische
aandacht over verschillende gemeenschappen.35 De omstandigheid dat, zoals de regering toelicht, een omroep op zijn website een
gedifferentieerd aanbod kan bieden,36 is hiervoor slechts ten dele een oplossing. De omroep heeft immers voor televisie
en radio in beginsel slechts telkens één kanaal ter beschikking.37
De regering verwijst in de toelichting naar onderzoek van de ROB en de RvC waaruit
blijkt dat regionale omroepen, die een grotere schaal hebben, er beter in slagen om
hun democratische functies uit te oefenen.38 Zij profiteren echter niet
alleen van een grotere schaal, maar vooral van een ruimere bekostiging.39 Journalistieke professionalisering met behoud van het lokale karakter zou bovendien
ook bereikt kunnen worden met andere vormen van samenwerking, bijvoorbeeld door samenwerking
te zoeken met andere lokale omroepen of met de regionale omroep.40
Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling om toereikend te motiveren hoe de voorgestelde
schaalvergroting leidt tot een versterking van de publieke functies van lokale publieke
omroepen.
De Afdeling maakt opmerkingen over de risico’s van schaalvergroting voor de mate waarin
lokale publieke omroepen hun publieke functies kunnen uitoefenen. Sterke lokale journalistiek
vraagt om een goed begrip van de lokale context, de historie en het lokale netwerk
en dat is op grotere afstand niet altijd gemakkelijk, zo stelt de Afdeling. De regering
begrijpt deze opmerking, maar kan niet wegkijken van de geconstateerde problemen in
de huidige situatie, die volgens haar schaalvergroting noodzakelijk maken. De regering
heeft daarbij de door de Afdeling benoemde risico’s onderkend en zij meent dat het
wetsvoorstel de lokale binding ook bij de opschaling van de verzorgingsgebieden voldoende
borgt. Voorbeelden zijn de versterkte criteria waaraan aanvragen voor een aanwijzing
als lokale publieke omroep moeten voldoen en die uitdrukkelijk bedoeld zijn om de
lokale binding te borgen, de adviesrol voor de gemeenteraad tijdens de aanwijzingsprocedure
en de steviger eisen aan het programmabeleid bepalend orgaan. Daarnaast heeft de indeling
in lokale verzorgingsgebieden een kwalitatieve component, waarin lokale binding terugkomt.
Het verzorgingsgebied moet immers een kenbare identiteit hebben, of het gebied zijn
waarbinnen het algemene leefpatroon van de inwoners zich in belangrijke mate afspeelt.
De Afdeling schrijft dat lokale publieke omroepen sterk geworteld zijn in de lokale
gemeenschap, en dat ze juist door hun kleine schaal en de betrokkenheid van vele vrijwilligers
een nauwe band hebben met lokale maatschappelijke en politieke thema’s. De regering
herkent dit, maar moet tegelijkertijd vaststellen dat een sterke worteling op zichzelf
weinig waard is als de lokale publieke omroep niet de omvang en professionaliteit
heeft om zijn functies uit te kunnen oefenen. Wat betreft de inzet van vrijwilligers
verwijst de regering naar de evaluatie van het SvdJ die in paragraaf 2.3 van de toelichting
wordt aangehaald, waaruit blijkt dat diverse omroepen aangaven dat ingehuurde professionals
kennis met zich meebrachten waarmee de vrijwilligers omhoog werden getild.41 Paragraaf 2.3 van de toelichting is aangevuld om nader toe te lichten dat met name
bij kleinere lokale publieke omroepen de uitoefening van de democratische functies
onder druk staat, alsmede dat van schaalvergroting en professionalisering ook een
positief effect wordt verwacht op de inzet van vrijwilligers en de verbondenheid met
het lokale verzorgingsgebied.
De Afdeling benoemt de complexiteit bij het bedienen van een groter en meer heterogeen
verzorgingsgebied. Volgens de Afdeling is de omstandigheid, zoals toegelicht door
de regering, dat een omroep op zijn website een gedifferentieerd aanbod kan bieden
hiervoor slechts ten dele een oplossing.42 De omroep heeft immers voor televisie en radio in beginsel slechts telkens één kanaal
ter beschikking, aldus de Afdeling.43 De regering merkt op dat de Afdeling hierbij verwijst naar de zogeheten «must-carry-bepaling»
uit de Mediawet 2008, die ziet op het door pakketaanbieders verplicht door te geven
standaardprogrammapakket. In het nieuwe stelsel betekent deze bepaling dat de pakketaanbieders
per lokaal verzorgingsgebied één televisieprogrammakanaal en één radioprogrammakanaal
met aanbod van de lokale publieke omroep moeten doorgegeven. Dit betreft een minimumverplichting.
Los van wat de pakketaanbieders moeten doorgeven, hebben de lokale publieke omroepen de mogelijkheid om op verschillende manieren programmatisch te differentiëren, dat wil zeggen: het
inzetten van meerdere kanalen of edities, zodat verschillende doelgroepen bediend
kunnen worden. In paragraaf 4.1 van de toelichting is beschreven welke mogelijkheden
de lokale publieke omroepen hebben om via FM en DAB+ programmatisch te differentiëren.
Distributie van media-aanbod via internet biedt die mogelijkheid van differentiatie
ook, bijvoorbeeld via videokanalen. Het gebruik van internet voor programmatisch differentiëren
wordt steeds belangrijker, aangezien het gebruik van online media al jarenlang toeneemt.44
Volgens de Afdeling verwijst de regering in de toelichting naar onderzoek van de ROB
en de RvC waaruit blijkt dat regionale publieke omroepen, die een grotere schaal hebben,
er beter in slagen om hun democratische functies uit te oefenen dan de lokale publieke
omroepen. De Afdeling schrijft vervolgens dat die regionale publieke omroepen niet
alleen van een grotere schaal profiteren, maar vooral van een ruimere bekostiging.45 De regering merkt op dat in paragraaf 2.3 over schaalvergroting wordt vermeld dat
grotere lokale publieke omroepen blijkens het advies van de ROB en RvC in een betere uitgangspositie
verkeren om de democratische functies op lokaal niveau uit te voeren. Er wordt niet
verwezen naar regionale publieke omroepen. Dit is een bewuste keuze, juist gezien de grotere schaal en ruimere
bekostiging van de regionale publieke omroepen.
Ten slotte brengt de Afdeling naar voren dat journalistieke professionalisering met
behoud van het lokale karakter ook bereikt zou kunnen worden met andere vormen van
samenwerking, bijvoorbeeld met andere lokale omroepen of met de regionale omroep.
De regering deelt het standpunt dat deze samenwerking van nut kan zijn voor de versterking
van de lokale publieke omroep. In de praktijk is samenwerking ook al te zien. Zo is
er een Alliantie gesloten tussen de Stichting Regionale Publieke Omroep en de Stichting
NLPO met afspraken over, onder andere, samenwerking en gezamenlijke ontwikkeling.46 Daarnaast kiest de regering er echter voor om de lokale publieke omroepen zelf te
versterken. De lokale publieke omroepen kunnen zich met de nieuwe organisatiewijze
en ruimere bekostiging ontwikkelen tot professionelere journalistieke organisaties,
met behoud van hun unieke rol en aandacht voor lokale kleur. Door deze ontwikkeling
worden zij een betere samenwerkingspartner voor onder andere regionale publieke omroepen
en kan een grotere toegevoegde waarde worden bereikt.
Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling over de schaalvergroting is paragraaf
2.3 van de toelichting aangevuld.
4. Maximum aantal lokale publieke omroepen
Het wetsvoorstel bepaalt dat er ten hoogste tachtig lokale verzorgingsgebieden zijn.
Een verzorgingsgebied is een geografisch afgebakend gebied dat uit één of meer nabijgelegen
gemeenten bestaat.47 Per verzorgingsgebied wordt een lokale publieke omroep aangewezen. De precieze afbakening
van de verzorgingsgebieden wordt bij algemene maatregel van bestuur (amvb) vastgesteld.48
De wet bepaalt dat een verzorgingsgebied zoveel mogelijk een gebied is dat een kenbare
identiteit heeft of waarbinnen het algemene leefpatroon van de inwoners zich in belangrijke
mate afspeelt.49 Het gaat dan om het gebied waarin iemand woont, leeft, werkt, de dagelijkse of niet-dagelijkse
inkopen doet, uitgaat, sport of onderwijs volgt.50 Bovendien schrijft de wet voor dat een verzorgingsgebied wat betreft de oppervlakte
of het aantal inwoners aanmerkelijk kleiner is dan de provincie of elk van de provincies
waarmee het lokale verzorgingsgebied grondgebied deelt.51
Het wettelijk vastgestelde maximum van tachtig verzorgingsgebieden beperkt de flexibiliteit
om in de toekomst mee te bewegen met een verandering in lokale leefgebieden. De identiteit
van een gebied kan immers na verloop van jaren veranderen, waarna kan blijken dat
het verzorgingsgebied te groot is, of nog onvoldoende een eigen identiteit heeft.
Bovendien heeft het totstandkomingstraject van de voorgestelde indeling laten zien
dat voor gemeenten andere indelingen eveneens denkbaar zijn, waarbij de focus soms
meer ligt op een geografische, een bestuurlijke of een sociaal-culturele identiteit.52
De Afdeling adviseert om het maximum van tachtig verzorgingsgebieden niet in de wet
vast te leggen, om de flexibiliteit te hebben om op basis van de kenbare identiteit
en leefgebieden van burgers te komen tot meer dan tachtig verzorgingsgebieden.
De Afdeling merkt op dat het voorgestelde wettelijk vastgestelde maximum van tachtig
verzorgingsgebieden de flexibiliteit beperkt om in de toekomst mee te bewegen met
een verandering in lokale leefgebieden. De regering kiest er toch voor om vast te
houden aan het wettelijk voorgeschreven maximumaantal van tachtig lokale verzorgingsgebieden.
Volgens de regering is dit nodig voor een wezenlijke schaalvergroting en stabiele
indeling in verzorgingsgebieden, die mogelijk maakt dat de omroepen beschikken over
voorspelbare, duurzame en adequate financiële middelen voor het vervullen van hun
publieke opdracht.53 Bovendien is het vastleggen van het aantal lokale publieke omroepen in de Mediawet
2008 in lijn met de situatie op landelijk en regionaal niveau, waar dit eveneens het
geval is.
Daarnaast is met inachtneming van het maximum van tachtig flexibiliteit wel degelijk
mogelijk. De indeling in lokale verzorgingsgebieden wordt vastgesteld bij algemene
maatregel van bestuur en kan door wijziging daarvan worden aangepast. Hierbij dienen
de criteria uit het voorgestelde artikel 2.87h, derde en vierde lid, in acht te worden
genomen. Ook al zouden, zoals de Afdeling schrijft, andere indelingen denkbaar zijn,
dat doet er niet aan af dat het maximum van tachtig het resultaat is van een meerjarig
opschalingsproces uit de sector zelf, waarbij gemaakte keuzes zijn onderbouwd aan
de hand van criteria die in het wetsvoorstel zijn opgenomen. Ook een procedure onder
regie van de Stichting NLPO in 2024–2025, waarbij betrokken partijen, zoals gemeentebesturen
en lokale publieke omroepen, hun actuele zienswijze over de op dat moment voorliggende
indeling in tachtig verzorgingsgebieden konden geven, heeft niet geleid tot een getalsmatig
ander resultaat.54
De opmerkingen van de Afdeling over het maximum aantal lokale publieke omroepen hebben
niet geleid tot aanpassing van het wetsvoorstel of de toelichting.
5. Betrokkenheid gemeenten bij aanwijzing lokale publieke omroepen
Met het wetsvoorstel neemt de afstand tussen lokale publieke omroepen en gemeenten
toe. De adviesrol voor de gemeenteraad bij de aanwijzing van lokale publieke omroepen
wordt aangepast en ook de NLPO krijgt een adviesrol. De NLPO en de gemeenteraad adviseren
het Commissariaat straks elk aan de hand van een eigen set van criteria.
Een belangrijk uitgangspunt bij de verdeling van de adviescriteria is volgens de toelichting
dat de gemeenteraad niet adviseert over aspecten die raken aan de inhoud van het voorgenomen
media-aanbod. Tegelijkertijd blijft de binding tussen de lokale publieke omroep en
het betreffende lokale verzorgingsgebied volgens de regering ook onder het nieuwe
stelsel van groot belang.55
Volgens de toelichting adviseert de gemeenteraad daarom over criteria die zien op
de lokale binding tussen een aanvrager en het lokale verzorgingsgebied.56 Criteria die raken aan de inhoud van het voorgenomen media-aanbod zijn volgens de
toelichting belegd bij de NLPO.
De Afdeling onderkent het belang van het waarborgen van de onafhankelijkheid van het
publieke media-aanbod.57 Onduidelijk is echter of de binding tussen de lokale publieke omroep en het betreffende
lokale verzorgingsgebied in de voorgestelde verdeling van de criteria voldoende tot
uitdrukking komt. De advisering over hoe een lokale media-instelling de geografische
en sociaal-culturele verscheidenheid binnen het verzorgingsgebied wil bedienen en
hoe het media-aanbod zichtbaar en vindbaar zal zijn, is belegd bij de NLPO en niet
bij de gemeente.58 Deze criteria kunnen echter ook relevant zijn voor het beoordelen van de lokale binding
tussen een aanvrager en het lokale verzorgingsgebied. De toelichting maakt onvoldoende
duidelijk waarom deze criteria dusdanig raken aan de inhoud van het media-aanbod dat
advisering door de gemeenteraad niet passend zou zijn.
De Afdeling adviseert om de verdeling van de adviescriteria tussen de NLPO en de gemeenteraad
aan te passen, of toereikend te motiveren waarom de voorgestelde verdeling in het
kader van de aanwijzing van lokale publieke omroepen passend is.
De Afdeling heeft opmerkingen gemaakt bij de verdeling van de adviescriteria tussen
de NLPO en de gemeenteraad. Zij vindt onduidelijk of de binding tussen de lokale publieke
omroep en het verzorgingsgebied in de voorgestelde verdeling voldoende tot uitdrukking
komt. De advisering over hoe een lokale media-instelling de geografische en sociaal-culturele
verscheidenheid binnen het verzorgingsgebied wil bedienen en hoe het media-aanbod
zichtbaar en vindbaar zal zijn, is belegd bij de NLPO en niet bij de gemeente, terwijl
dit ook relevant is voor het beoordelen van de lokale binding. Onvoldoende duidelijk
is waarom, zoals de regering schrijft in de toelichting, deze criteria zo raken aan
de inhoud van het media-aanbod dat advisering door de gemeenteraad niet passend zou
zijn. De regering heeft in deze opmerkingen van de Afdeling aanleiding gezien om de
verdeling van de adviescriteria aan te passen. De criteria die zien op respectievelijk
de geografische en sociaal-culturele verscheidenheid en op de zichtbaarheid en vindbaarheid
van het media-aanbod zijn nu ter advisering toebedeeld aan de gemeenteraad. Om de
onafhankelijkheid van het media-aanbod van de lokale publieke omroep ten opzichte
van de gemeenteraad buiten twijfel te stellen, is toegevoegd dat het advies van de
gemeenteraad niet ziet op de inhoud van het media-aanbod. De voorgestelde artikelen
2.87n en 2.87p zijn dienovereenkomstig aangepast. Paragraaf 2.5 van het algemeen deel
van de toelichting en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.87p zijn in overeenstemming
daarmee bijgesteld.
Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling over de betrokkenheid van gemeenten
bij de aanwijzing van lokale publieke omroepen zijn de artikelen 2.87n en 2.87p van
het wetsvoorstel aangepast en zijn paragraaf 2.5 van het algemeen deel van de toelichting
en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.87p van het wetsvoorstel bijgesteld.
6. Inrichting NLPO
Het voorstel voorziet in de aanwijzing door de Minister van een samenwerkings- en
coördinatieorgaan voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau.59 Blijkens de toelichting is de regering voornemens om de huidige Stichting NLPO voor
de duur van tien jaar aan te wijzen als samenwerkings- en coördinatieorgaan.60 De NLPO is geen zelfstandig bestuursorgaan, maar een rechtspersoon met als wettelijke
taak te zorgen voor samenwerking en coördinatie tussen lokale publieke omroepen, het
faciliteren van de omroepwerkzaamheden en het behartigen van collectieve zaken. Volgens
de regering is bij deze werkzaamheden geen sprake van de uitoefening van openbaar
gezag.61
De Afdeling kan die conclusie volgen. Zij merkt echter op dat het wel van belang is
om in de toelichting uit te leggen dat ook het vaststellen van het concessiebeleidsplan
geen uitoefening van openbaar gezag veronderstelt. Het concessiebeleidsplan wordt
door de NLPO bij de Minister ingediend en bevat in elk geval een beschrijving van
de wijze waarop in de komende vijf jaar de publieke mediaopdracht op lokaal niveau
wordt uitgevoerd. Deze beschrijving is uitgewerkt in kwantitatieve en kwalitatieve
doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de lokale publieke
mediadienst.62
Daarnaast bevat het een overzicht van de benodigde organisatorische, personele, materiële
en financiële middelen en een beschrijving van de beoogde samenwerking met anderen.
De kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen en voornemens over samenwerking vormen
de randvoorwaarden voor de door de lokale media-instellingen op te stellen beleidsplannen.63 Hiermee krijgt het concessiebeleidsplan een grote en zo mogelijk sturende betekenis
voor aanvragers.64 Dit kan bij hen de indruk wekken dat er sprake is van openbaar gezag.
De Afdeling adviseert om in de toelichting te motiveren dat met het vaststellen van
het concessiebeleidsplan ten behoeve van de aanwijzing van lokale publieke omroepen
geen sprake is van de uitoefening van openbaar gezag.
De Afdeling merkt op dat het van belang is om in de toelichting uit te leggen dat
het vaststellen van het concessiebeleidsplan NLPO geen uitoefening van openbaar gezag
veronderstelt. Naar aanleiding van deze opmerking is in paragraaf 2.4 van de toelichting
verduidelijkt dat bij het vaststellen van het concessiebeleidsplan door de NLPO geen
sprake is van het uitoefenen van openbaar gezag.
Naar aanleiding van de opmerking van de Afdeling over verduidelijking ter zake van
het niet uitoefenen van openbaar gezag door de NLPO bij het vaststellen van het concessiebeleidsplan
is paragraaf 2.4 van de toelichting aangevuld.
7. Delegatiegrondslag passende maatregelen
Om te kunnen worden aangewezen als lokale publieke omroep moet een media-instelling
een programmabeleid bepalend orgaan (hierna: pbo) hebben.65 Bij een aanvraag om als lokale publieke omroep te worden aangewezen wordt de ledenlijst
van het pbo overgelegd aan het Commissariaat en voor advies voorgelegd aan de gemeenteraad.66 De ledenlijst van het pbo bevat een overzicht van de personen en de maatschappelijke,
culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen die zij vertegenwoordigen.67 Bij de beoordeling van de ledenlijst worden deze bijzondere persoonsgegevens verwerkt.
De verwerking van bijzondere persoonsgegevens is in beginsel verboden, tenzij een
van de uitzonderingsgronden van toepassing is.68 De toelichting doet in dit verband een beroep op het zwaarwegend algemeen belang
dat met de verwerking wordt geborgd.69 In dat geval vereist de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) dat aanvullende
passende en specifieke maatregelen worden getroffen om de grondrechten en de fundamentele
belangen van de betrokkenen te beschermen.
Het wetsvoorstel bevat een delegatiegrondslag om deze waarborgen bij amvb vast te
stellen.70 Deze waarborgen worden in het wetsvoorstel niet nader geconcretiseerd, terwijl de
regering al voor ogen heeft waar die waarborgen in ieder geval op zullen zien. De
toelichting noemt in dit verband namelijk maximale bewaartermijnen, een verbod op
gegevensdeling met derden en een zorgvuldigheidseis.71 Gelet op het belang van het beschermen van bijzondere persoonsgegevens, ligt het
voor de hand om deze hoofdlijnen op het niveau van de wet vast te leggen.
De Afdeling adviseert om de delegatiegrondslag voor het treffen van passende maatregelen
ter bescherming van de bijzondere persoonsgegevens van leden van een pbo nader te
concretiseren zodat daaruit blijkt welke maatregelen in ieder geval getroffen moeten
worden.
De Afdeling heeft opmerkingen gemaakt in verband met gewenste concretisering van de
delegatiegrondslag in verband met de verwerking van bijzondere persoonsgegevens. De
regering heeft naar aanleiding van deze opmerkingen de delegatiegrondslag uit het
voorgestelde artikel 2.87u, vierde lid, verduidelijkt. Opgenomen is dat de bij algemene
maatregel van bestuur te stellen regels over de verwerking van bijzondere persoonsgegevens
en over passende en specifieke maatregelen ter bescherming van de grondrechten en
fundamentele belangen van de betrokkenen, in elk geval zien op (a) een verbod op verdere
verwerking van de bijzondere persoonsgegevens, (b) maximale bewaartermijnen, en (c)
een verbod op het delen van de bijzondere persoonsgegevens met derden. Paragraaf 3.2
van de toelichting is in overeenstemming hiermee aangevuld.
Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling over de delegatiegrondslag in verband
met de verwerking van bijzondere persoonsgegevens is het voorgestelde artikel 2.87u
aangepast en is paragraaf 3.2 van de toelichting aangevuld.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel
en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen,
tenzij het is aangepast.
De Vice-President van de Raad van State,
Th.C. de Graaf
Overige punten
1. Overleg met Algemene Rekenkamer
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) heeft de Algemene Rekenkamer
(hierna: Rekenkamer) met een brief van 5 juni 2025 een concept van het wetsvoorstel
toegezonden met het verzoek om overleg als bedoeld in artikel 7.40 van de Comptabiliteitswet
2016. De Rekenkamer heeft gereageerd met een brief van 14 augustus 2025. In die brief
benoemt de Rekenkamer aandachtspunten op drie onderwerpen.
De Rekenkamer vraagt ten eerste aandacht voor de inrichting van het toezicht op en
de verantwoording door de NLPO. In dat kader merkt de Rekenkamer op dat de wettelijke
vereisten aan de prestatieovereenkomst niet goed passen bij de wettelijke taken van
de NLPO. Aangeraden wordt voor een goede aansluiting te zorgen tussen de wettelijke
taken van de NLPO en de prestatieafspraken tussen de Minister van OCW en de NLPO.
De regering acht deze opmerking terecht en heeft de wettelijke vereisten aan de prestatieovereenkomst
uit artikel 2.87g van het wetsvoorstel overeenkomstig aangepast en ook de toelichting,
met name in paragraaf 2.4, bijgesteld. De Rekenkamer raadt in dit kader verder aan
om een toezichtarrangement op te stellen voor het toezicht van de Minister van OCW
op de NLPO. Hierin kan volgens de Rekenkamer onder meer worden vastgelegd hoe het
toezicht is georganiseerd en welke rol het Commissariaat daarin heeft. De regering
is het met de Rekenkamer eens dat er helderheid moet zijn over (de organisatie van)
het toezicht op de NLPO. Zij zal in afstemming met in ieder geval het Commissariaat
en de NLPO een document over de sturings- en toezichtsrelaties tussen de Minister
van OCW, het Commissariaat en de NLPO opstellen. De uitvoerbaarheidstoets van de Stichting
NLPO is daarvoor een startpunt.
De Rekenkamer benoemt ten tweede een aandachtspunt met betrekking tot de aanwijzing
van de bestaande Stichting NLPO als samenwerkings- en coördinatieorgaan. De Rekenkamer
wijst erop dat de huidige statuten van de Stichting NLPO op een aantal punten niet
in overeenstemming zijn met de bepalingen in het wetsvoorstel over het samenwerkings-
en coördinatieorgaan, en dus nog aanpassing vereisen. De regering onderschrijft deze
constatering. De regering zal daarom in overleg treden met de Stichting NLPO over
de vereiste aanpassing van de statuten, zodat deze in overeenstemming zijn met het
wetsvoorstel en van toepassing worden wanneer het wetsvoorstel in werking treedt.
Ten slotte benoemt de Rekenkamer een aandachtspunt dat raakt aan de lokale publieke
omroepen als rechtspersonen met een wettelijke taak. Met het oog hierop raadt de Rekenkamer
aan het Commissariaat te verzoeken een toezichtarrangement op te stellen voor zijn
toezicht op de lokale publieke omroepen. De regering is het met de Rekenkamer eens
dat het van belang is om helderheid te creëren over het toezicht op de lokale publieke
omroepen. Zij is daarom voornemens om met het Commissariaat in gesprek te gaan over
het creëren van die helderheid, met inachtneming van de positie van het Commissariaat
als zelfstandig bestuursorgaan en die van lokale publieke omroepen in het licht van
hun inhoudelijke autonomie bij het verzorgen van het media-aanbod. De uitvoeringstoets
van het Commissariaat biedt hiervoor een goed startpunt. Het advies van de Rekenkamer
biedt tevens aanknopingspunten voor deze gesprekken.
Naar aanleiding van het overleg met de Rekenkamer is het voorgestelde artikel 2.87g
bijgesteld en is de toelichting, met name in paragraaf 2.4, aangepast. Van het overleg
met de Rekenkamer is conform het bovenstaande verslag gedaan in paragraaf 9.1 van
de toelichting.
2. In artikel I, onderdeel Z, (artikel 2.144) is een bedrag voor de hogere rijksmediabijdrage
opgenomen. Het gaat hier om de verhoging van de rijksmediabijdrage als gevolg van
de overheveling uit het gemeentefonds alsmede de structurele verhoging van de bekostiging
voor de lokale publieke omroep.
3. Er is een artikel ingevoegd, namelijk artikel I, onderdeel HH (artikel 2.170d),
alsmede de artikelsgewijze toelichting hierbij. Dit betreft de verplichting voor de
Minister van OCW om steeds vóór 1 augustus van het tweede jaar dat voorafgaat aan
een aanwijzingsperiode het totaalbudget vast te stellen dat ten minste beschikbaar
is voor de bekostiging van de lokale publieke omroepen in die periode. Een dergelijke
bepaling was steeds voorzien en ontbrak per abuis. Deze invoeging heeft geleid tot
enige hernummering van artikelen.
4. Ten slotte zijn misslagen hersteld en technische verbeteringen doorgevoerd, en
is in de toelichting een enkele verduidelijking van ondergeschikt belang opgenomen.
Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie
van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Th.C. de Graaf, vicepresident van de Raad van State -
Mede ondertekenaar
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.