Schriftelijke vragen : Het bericht 'Belastingdienst zet agrarische bedrijfsopvolging op slot'
Vragen van de leden Inge van Dijk en Koorevaar (beiden CDA) aan de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het bericht 'Belastingdienst zet agrarische bedrijfsopvolging op slot» (ingezonden 23 maart 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het kennisgroep-standpunt van de Belastingdienst inzake gefaseerde
bedrijfsoverdracht en het inbrengen van de onderneming in een BV?1
Vraag 2
Klopt het dat gefaseerde bedrijfsoverdrachten in de agrarische sector vaak voorkomen
en soms jaren kunnen duren?
Vraag 3
Klopt het dat de familievrijstelling in artikel 15, lid 1, onderdeel b, van de Wet
op belastingen van rechtsverkeer (WBR) inhoudt dat geen overdrachtsbelasting wordt
geheven bij de verkrijging van onroerende zaken als die onderdeel zijn van een onderneming,
die binnen de familiekring wordt overgedragen?
Vraag 4
Klopt het dat de rechtsvorm van de onderneming hierbij geen materieel verschil maakt,
omdat de vrijstelling behouden blijft als na gefaseerde overdracht een subjectieve
onderneming wordt ingebracht in een BV?
Vraag 5
Kunt u toelichten waarom op grond van het kennisgroepstandpunt de vrijstelling dan
wel wordt teruggenomen als tijdens de gefaseerde overdracht de rechtsvorm wordt aangepast?
Vraag 6
Wat maakt het volgens u materieel uit of iemand tijdens de gefaseerde bedrijfsoverdracht
zijn onderneming in een BV laat overgaan, of daarna, omdat in beide situaties op enig
moment enkel de rechtsvorm verandert, terwijl de materiële onderneming die onder de
bedrijfsopvolgingsregeling is overgegaan juist blijft voortbestaan binnen de familiekring?
Vraag 7
Hoe past dit standpunt volgens u bij de bedoeling van de familievrijstelling?
Vraag 8
Bent u het ermee eens dat er goede bedrijfseconomische redenen kunnen zijn waarom
een ondernemer zijn subjectieve onderneming wil inbrengen in een BV, bijvoorbeeld
bij investeringsplannen, uitbreiding of willen beperken van zijn persoonlijke aansprakelijkheid?
Vraag 9
Vindt u het terecht dat dit standpunt een ondernemer dwingt gedurende vele jaren persoonlijk
risico te blijven dragen, terwijl dit mogelijk niet verstandig is vanuit het ondernemersperspectief?
Vraag 10
Waarom heeft de kennisgroep volgens u het standpunt ingenomen dat dit toch een andere
behandeling vereist, en waar zien zij de verschillen en risico’s?
Vraag 11
Wat zijn volgens u de gevolgen van dit standpunt voor de agrarische praktijk?
Vraag 12
Kunt u over dit standpunt in gesprek met de agrarische sector?
Indieners
-
Gericht aan
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën -
Gericht aan
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Indiener
Inge van Dijk, Kamerlid -
Medeindiener
Jan Arie Koorevaar, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.