Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden De Hoop, Westerveld en Abdi over het artikel 'Grote gemeentes bezorgd over huisvesting vrijgekomen gevangenen'
Vragen van de leden De Hoop, Westerveld en Abdi (allen GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Staatssecretarissen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Justitie en Veiligheid over het artikel «Grote gemeentes bezorgd over huisvesting vrijgekomen gevangenen» (ingezonden 26 januari 2026).
Antwoord van Minister Van Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening),
mede namens de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport en de Staatssecretaris
van Justitie en Veiligheid (ontvangen 20 maart 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de brief van 58 wethouders uit 47 gemeenten over de concept-ministeriële
regeling van de Wet versterking regie volkshuisvesting? Herkent u hun zorg dat huisvesting
voor mensen die uitstromen uit gevangenissen, opvanglocaties en jeugdzorginstellingen,
straks geregeld moet worden door de gemeente waar die instelling staat?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Herkent u het beeld dat het voor het herstel van mensen die uitstromen uit deze voorzieningen
doorgaans goed is dat zij dit kunnen doen in de regio waar zij vandaan komen, omdat
daar vaak het eigen sociale netwerk zit?
Antwoord 2
Voor een goede re-integratie is de aanwezigheid van een goed netwerk gericht op hulp
en ondersteuning van grote meerwaarde. Een terugkeer naar de regio van herkomst kan
hieraan bijdragen. Er kunnen echter zwaarwegende redenen zijn juist niet terug te
keren naar de regio van herkomst, bijvoorbeeld vanwege de belangen van slachtoffers
of de aanwezigheid van een crimineel netwerk. Het is dus van belang om maatwerk te
kunnen leveren.
Vraag 3
Hoe rijmt u het beleidsvoornemen om de huisvesting van uitstromers te laten uitvoeren
door de regio waar de instelling staat, in plaats van waar de uitstromers vandaan
komen, met het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet en het Bestuurlijk akkoord Re-integratie
van (ex-) gedetineerde burgers (paragraaf 5, lid 1)?2
Antwoord 3
Allereerst wil ik benadrukken dat ik oog heb voor de serieuze zorgen van de gemeenten.
Op maandag 16 februari 2026 is de ontwerpregeling versterking regie volkshuisvesting
(hierna: ontwerpregeling) opnieuw in internetconsultatie gegaan, waar ik deze signalen
verzamel. Graag licht ik onderstaand de ontwerpregeling toe.
In tegenstelling tot wat in vraag 3 wordt gesuggereerd, is er geen voornemen om de
huisvesting van uitstromers te laten uitvoeren door de regio waar de instelling staat.
Het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting zorgt ervoor dat alle gemeenten
een evenwichtige bijdrage leveren aan de huisvestingsopgave van kwetsbare groepen.
Bij de vraag is van belang, dat het bij dit wetsvoorstel gaat om urgentie voor specifieke
benoemde groepen en niet voor alle (ex-gedetineerden). Ook is van belang dat het wetsvoorstel
versterking regie volkshuisvesting ruimte biedt voor maatwerk door het maken van afspraken
door de gemeenten over de verdeling van de urgenten.
Het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet is bedoeld om te regelen welke gemeente verantwoordelijk
is voor de organisatie en financiering van jeugdzorg. In het Bestuurlijk akkoord «Re-integratie
van (ex-)justitiabele burgers» is vastgelegd dat in principe wordt teruggekeerd naar
de gemeenten van herkomst, behalve als er zwaarwegende redenen zijn dit niet te doen.
Het is niet de bedoeling dat de ontwerpregeling conflicteert met het woonplaatsbeginsel
of het Bestuurlijk akkoord.
De ontwerpregeling stelt geen eisen aan de manier waarop en welke gemeenten regie
voert op de huisvesting van uitstromers uit instellingen, maar bepaalt alleen in welke
regio een urgent woningzoekende in aanmerking komt voor maatschappelijke binding.
In de ontwerpregeling is vastgelegd dat een woningzoekende maatschappelijk gebonden
aan een woningmarktregio is, indien hij:
– ten minste drie jaar onafgebroken ingezetene is dan wel gedurende de voorafgaande
vijf jaar ten minste drie jaar onafgebroken ingezetene is geweest van die woningmarktregio;
of
– verbleef in een instelling3 in die woningmarktregio; of
– voorafgaand aan het verblijf in een instelling ten minste drie jaar onafgebroken ingezetene
is dan wel gedurende de voorafgaande vijf jaar ten minste drie jaar onafgebroken ingezetene
is geweest van die woningmarktregio.
Er is bewust gekozen om niet uitsluitend maatschappelijke binding te laten ontstaan
met de gemeente van herkomst. Hiermee wordt geborgd dat elke woningzoekende zich – afhankelijk
van de specifieke omstandigheden – zich kan wenden tot een passende regio met een
aanvraag voor een urgentie; ook een woningzoekende die verblijft in een instelling.
Hiermee wordt gepoogd te voorkomen dat een woningzoekende tussen wal en schip valt
en in geen enkele regio in aanmerking komt voor urgentie. Daarnaast bestaat nog specifiek
voor ex-gedetineerden en uitstromers uit de vrouwenopvang de mogelijkheid voor urgentie
in een andere regio indien de woningzoekende een zwaarwegend belang heeft zich niet
in de huidige woningmarktregio te vestigen. Voor de hand ligt dat deze woningzoekende
zich zal wenden tot een woningmarktregio waarmee de woningzoekende een positieve binding
zal hebben.
De internetconsultatie sluit op 30 maart 2026. Mocht uit de consultatie blijken dat
er sprake is van ongewenste neveneffecten, zal ik bezien welke consequenties dit heeft
voor de ontwerpregeling.
Vraag 4
Herinnert u zich dat het woonplaatsbeginsel er enkele jaren geleden juist is gekomen
om duidelijkheid te geven over de verantwoordelijkheid van gemeenten, en problemen
op te lossen? Hoe voorkomt u dat dit weer zorgt voor nieuwe problemen?
Antwoord 4
In de ontwerpregeling is er bewust voor gekozen om niet uitsluitend maatschappelijke
binding te laten ontstaan met de woningmarktregio van herkomst. De ontwerpregeling
leidt juist voor de urgentieverlening tot duidelijkheid doordat een gemeente zich
daarvoor verantwoordelijk moet achten, ook als er tevens een verantwoordelijkheid
kan zijn voor een andere gemeente. Hierdoor hebben woningzoekenden meerdere opties
en kunnen zij zich wenden tot de woningmarktregio die het beste past bij hun situatie.
Vraag 5
Kent u de fair share afspraken die veel regio’s hebben gemaakt over de huisvesting van uitstromers op
basis van het aantal uitstromers en het uitgangspunt «terugkeer naar herkomst binnen
de regio»? Hoe kijkt u in dit verband naar het voorgenomen beleid, waardoor regio's
opnieuw afspraken moeten maken? Hoe rijmt u dit met het feit dat huisvesting in de
regio van herkomst het beste is, en ook altijd uitgangspunt van beleid is geweest?
Antwoord 5
Ik ben bekend met de door de leden genoemde afspraken. Het wetsvoorstel versterking
regie volkshuisvesting verplicht gemeenten om een huisvestingsverordening met daarin
ten minste een urgentieregeling vast te stellen en regionale afspraken te maken over
de evenwichtige verdeling van urgent woningzoekenden. Dit betekent dat gemeenten de
eerder gemaakte afspraken als basis kunnen gebruiken.
Vraag 6
Hoort u het signaal dat gemeenten afgeven ten aanzien van de druk die met dit beleidsvoornemen
wordt gelegd op de toekomstige totstandkomingen van bovenregionale voorzieningen?
Hoe voorkomt u dat er een nog grotere druk komt op regio's met veel voorzieningen
met betrekking tot de uitstroom en huisvesting van bijzondere doelgroepen?
Antwoord 6
Ik hoor het signaal dat gemeenten hiermee afgeven en ben daarom ook in gesprek met
de VNG over de afbakening van het begrip maatschappelijke binding in de ontwerpregeling.
Het uitgangspunt van het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting is een evenwichtige
verdeling van urgent woningzoekenden. De manier waarop maatschappelijke binding wordt
vormgegeven in de ontwerpregeling moet hieraan bijdragen. Mocht uit de consultatie
blijken dat er sprake is van ongewenste neveneffecten, zal ik bezien welke consequenties
dit heeft voor de ontwerpregeling.
Vraag 7
Klopt het dat van alle gedetineerden (circa 1.100 mensen) in de penitentiaire inrichting
(PI) in regio Noordoost-Brabant (NOB) meer dan 90% bovenregionaal is? En dat dit zou
betekenen dat deze regio komende jaren bijna 1.000 mensen extra zal moeten huisvesten?
Hoe kijkt u naar het feit dat regio's met grotere bovenregionale voorzieningen extra
hard worden geraakt door dit beleidsvoornemen, omdat zij nu een grote groep extra
mensen zal moeten huisvesten?
Antwoord 7
Het klopt niet dat van alle gedetineerden in de PI’s in regio Noordoost-Brabant meer
dan 90% bovenregionaal is. In de regio Noordoost-Brabant bevinden zich twee PI’s:
de PI Vught en de PI Grave. Op basis van de gegevens van de Dienst Justitiële Inrichtingen
was de gemiddelde bezetting in 2025 van deze twee PI’s samen 1.079 gedetineerden.
Binnen deze groep had 25.9% een woonadres in de regio Noordoost-Brabant. Daarnaast
was een groot aantal woonachtig in de aanpalende regio’s, te weten regio Zeeland-West
Brabant (19.2%) en regio Limburg (14.7%). In 2025 zijn ongeveer 135 gedetineerden
uitgestroomd in de regio Noordoost-Brabant.
De gemiddelde bovenregionale bezetting van de PI’s in de regio Noordoost-Brabant betekent
dus niet dat deze regio komende jaren bijna 1.000 extra mensen zal moeten huisvesten.
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 is er geen beleidsvoornemen om alle gedetineerden
in deze PI’s na uitstroom te huisvesten in deze regio. Bij de vraag is voorts van
belang, dat het bij het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting gaat om urgentie
voor specifieke benoemde groepen en niet voor alle (ex-gedetineerden). Feit is voorts
dat in het Bestuurlijk akkoord «Re-integratie van (ex-)justitiabele burgers» is vastgelegd
dat in principe wordt teruggekeerd naar de gemeenten van herkomst.
Vraag 8 en 9
Herkent u het beeld dat veel regio's met grote instellingen juist koploper zijn in
het huisvesten van kwetsbare groepen? En dat juist deze regio’s een hoger percentage
hanteren dan het Rijk vraagt (15%) ten aanzien van het toewijzen van sociale huurwoningen
aan bijzondere doelgroepen, zoals de regio Noordoost-Brabant die 30% hanteert? Deelt
u de verwachting dat, door een extra bovenregionale opgave voor deze regio’s, alle
bijzondere doelgroepen langer moeten wachten op een woning? Deelt u onze mening dat
het onwenselijk is dat juist regio's die vooroplopen in het aanpakken van dakloosheid
en het helpen van mensen in kwetsbare posities, extra hard worden geraakt door dit
voornemen? En dat er bovendien een prikkel verdwijnt voor andere regio's om ook een
hoger toewijzingspercentage te hanteren?
Hoe voorkomt u dat door dit voornemen mensen uit kwetsbare groepen nog sneller dakloos
raken?
Antwoord 8 en 9
Ik herken het beeld dat het huisvesten van kwetsbare groepen nu niet evenredig is
verdeeld. Op dit moment zien we dat niet alle gemeenten bijdragen aan de huisvesting
van urgent woningzoekenden. Het kabinet acht dit ongewenst.
Het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting is er daarom op gericht dat de
huisvesting van wettelijk urgent woningzoekende evenredig wordt verdeeld over alle
gemeenten. Dit wetsvoorstel ondersteunt dus de gemeenten die nu vooruitlopen en voorkomt
dat alle bijzondere doelgroepen lager moeten wachten op een woning. Zie ook het antwoord
op vraag 5 inzake de goede regionale afspraken die gemeenten dienen te maken over
het huisvesten van mensen uit kwetsbare groepen.
Het percentage waaraan wordt gerefereerd in de vraag is het terugvalpercentage dat
in werking treedt indien gemeenten niet binnen de afgesproken tijd komen tot regionale
afspraken over de toewijzing van huurwoningen aan urgent woningzoekenden. In de ontwerpregeling
is dit percentage bepaald op 15%. Hiermee wordt een balans gezocht tussen woningen
die beschikbaar moeten zijn voor de urgent woningzoekenden en andere woningzoekenden.
Het voornemen vormt eerder een extra aanleiding voor alle regio’s om de aanpak van
dakloosheid prioriteit te geven. Regio’s die al een sterke aanpak hebben, zullen daar
in de uitvoering van dit voornemen baat bij hebben. Regio’s die voorlopen in het aanpakken
van dakloosheid, worden op eenzelfde manier geraakt als regio’s die minder ver zijn
daarin.
Vraag 10
Bent u bereid om dit artikel te herzien, zodat ook de uitvoering van het wetsvoorstel
in lijn is met het woonplaatsbeginsel dat o.a. in de Jeugdwet is geformuleerd? Zo
nee, waarom niet? Bent u bereid om bestuurlijk met de schrijvende gemeenten in gesprek
te gaan? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 10
Het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet bepaalt welke specifieke gemeente verantwoordelijk
is voor de organisatie en financiering van de jeugdhulp. In de ontwerpregeling is
er bewust voor gekozen om binding met meerdere woningmarktregio’s mogelijk te maken,
om te voorkomen dat woningzoekenden tussen wal en schip vallen. Het wordt daarom niet
logisch geacht om het woonplaatsbeginsel vanuit de Jeugdwet te hanteren voor dit onderdeel
van de ontwerpregeling.
Naar aanleiding van de brief is gesproken met de VNG over de genoemde zorgen van de
47 gemeenten en is het begrip maatschappelijke binding verruimd met de ontwerpregeling.
Deze verruiming is erop gericht dat de woningzoekende zijn maatschappelijke binding
behoudt met de regio waar werd verbleven voorafgaand aan het verblijf in de instelling.
Voor de verdere uitwerking ga ik uiteraard in gesprek met de VNG. Mocht uit het gesprek
met de VNG blijken dat er sprake is van ongewenste neveneffecten, zal ik uiteraard
bezien welke consequenties dit heeft voor de ontwerpregeling.
Vraag 11
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden, voor de verdere behandeling van de Wet
versterking regie volkshuisvesting?
Antwoord 11
De vragen zijn zo veel als mogelijk afzonderlijk beantwoord.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Mede namens
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport -
Mede namens
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.