Schriftelijke vragen : Het vonnis van de Raad van State op het tussen-LVB Schiphol
Vragen van de leden Kröger (GroenLinks-PvdA) en Kostić (PvdD) aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over het vonnis van de Raad van State op het tussen-LVB Schiphol (ingezonden 19 maart 2026).
Vraag 1
Kunt u toelichten wat u precies bedoelde met de uitspraak «We moeten door.» in reactie
op het vonnis van de Raad van State (RvS) op het tussen-LVB Schiphol?1
Vraag 2
Klopt het dat het nu voorliggende LVB, inhoudelijk en in de aannames, grotendeels
een voortzetting is van het vernietigde tussen-LVB? Zo nee, waar baseert u dat precies
op?
Vraag 3
Erkent u dat de RvS met de recente uitspraak expliciet heeft bepaald dat de gedoogsituatie
van 500.000 vliegbewegingen met het Nieuwe Normen- en Handhavingstelsel (NNHS), onrechtmatig
als uitgangspunt is genomen?
Vraag 4
Welke gevolgen heeft de RvS-uitspraak voor het nu voorliggende LVB, nu niet de milieuruimte
van het LVB-2008 als uitgangspunt is genomen, maar het Refahh, (500.000 vliegbewegingen
+ NNHS)? Op welke juridische adviezen baseert u zich en kunt u die met de Kamer delen?
Vraag 5
Als de referentiesituatie het LVB-2008 moet zijn, zoals de Afdeling besloot, wat zijn
dan de gelijkwaardigheidscriteria waaraan het nieuwe LVB moet voldoen?
Vraag 6
Erkent u dat het LVB-2008 de referentie moet zijn? Op welke juridische adviezen baseert
u zich en kunt u die met de Kamer delen?
Vraag 7
Als de referentiesituatie het LVB-2008 moet zijn, moet er dan een nieuw milieurapport
gemaakt worden met een nieuwe passende beoordeling? Zo nee, waarom niet?
Vraag 8
Kan het nu voorliggende LVB worden aangepast met een gewijzigde referentiesituatie
(LVB-200), zodat het niet ook sneuvelt bij een toetsing door de RvS? Zo nee, waarom
niet?
Vraag 9
Kunt u ingaan op de constatering van To70 van 2023, dat binnen de milieuruimte van
het nog steeds geldende LVB-2008 slechts 400.000 tot 410.000 vliegbewegingen mogelijk
zouden zijn?2 En dat dit aantal de meest recente aanscherping is van eerdere schattingen van uw
voorganger(s) en van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT)? Waarom is niet
voor dit aantal gekozen als referentiesituatie?
Vraag 10
Waarom is voor het tussen-LVB gekozen voor een aantal vliegbewegingen, in plaats van
hinder, terwijl de wet en de referentiesituatie hinder voorschrijven?
Vraag 11
Waarom is voor de «balanced approach»-procedure ervoor gekozen om de gedoogsituatie
van het NNHS als uitgangspunt te nemen en niet het toen nog geldende LVB-2008, terwijl
de rechter inmiddels in de RBV-zaak had bepaald dat die gedoogsituatie moest worden
beëindigd en dus illegaal was?
Vraag 12
Kunt u ingaan op de uitspraak van de Afdeling dat voor het handhaven van het wettige
LVB 2008 geen «balanced approach»-procedure nodig is en dat dit alleen gold voor de
experimenteerregeling?
Vraag 13
Hoe komen we tot een nieuwe capaciteitsdeclaratie voor de komende periodes, nu het
tussen-LVB met 478.000 vliegbewegingen geen wettige basis meer heeft? Geldt dan automatisch
weer het LVB-2008 met een capaciteitsdeclaratie gebaseerd op de milieuruimte van het
LVB-2008?
Vraag 14
Bent u het ermee eens dat een jaarvolume geluid of Lden’s geen goede kwantificering voor hinderbeleving is? Hoe wordt voor een nieuw besluit
hinderbeleving betrokken en nieuw gedefinieerd om tot een gelijkwaardige bescherming
te komen? Hoe wordt dit betrokken bij het vaststellen van aantallen ernstig gehinderden
en het politieke doel om te komen tot 20% minder ernstig gehinderden?
Vraag 15
Bent u het ermee eens dat het oordeel van de RvS de juridische kaders opnieuw heeft
vastgesteld en dat het volgen van deze kaders de snelste weg naar een wettig LVB zal
zijn?
Vraag 16
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het komende CD Luchtvaart?
Indieners
-
Gericht aan
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat -
Indiener
Suzanne Kröger, Kamerlid -
Medeindiener
Ines Kostić, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.