Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Schilder over de rechterlijke rolopvatting, publieke uitingen en het vertrouwen in de rechtspraak
Vragen van het lid Schilder (Groep Markuszower) aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de rechterlijke rolopvatting, publieke uitingen en het vertrouwen in de rechtspraak (ingezonden 9 februari 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Van Bruggen (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 19 maart
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1209.
Vraag 1
Bent u bekend met de column van Marianne Zwagerman in De Telegraaf waarin stevige
kritiek wordt geuit op de recente rechterlijke uitspraak over klimaatbeleid en de
rolopvatting van rechters?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de stelling dat rechters in klimaat- en stikstofzaken de grenzen
van hun constitutionele rol overschrijden en daarmee feitelijk op de stoel van de
wetgever gaan zitten?
Antwoord 2
Ik zie dat anders. Binnen onze democratische rechtsstaat toetst de rechter handelingen
en beslissingen aan het geldende recht, aan formele wetten die door de wetgever zijn
opgesteld en aan algemeen verbindende bepalingen in internationale verdragen. In sommige
zaken zal de rechter om tot een beslissing te kunnen komen rechtsregels (nader) moeten
concretiseren, aanvullen of verfijnen voordat hij deze kan toepassen. De rechter kan
en mag hierbij aan rechtsvorming doen. Rechters leggen rekenschap af door hun uitspraak
duidelijk te motiveren. Een duidelijke motivering van de uitspraak is extra belangrijk
naarmate een uitspraak meer in de belangstelling van de samenleving staat en/of de
maatschappelijke gevolgen groot kunnen zijn. Een heldere en goed toegelichte motivering
op basis van welke overwegingen de rechter tot zijn uitspraak is gekomen, is zeker
in dit soort zaken van groot belang om de samenleving en ook de wetgever inzicht te
geven in de gemaakte afwegingen.
Vraag 3
Deelt u de opvatting dat het toepassen en interpreteren van mensenrechtenverdragen
door rechters grote beleidsmatige gevolgen kan hebben zonder directe democratische
legitimatie? Zo ja, hoe wordt die spanning volgens u voldoende ondervangen?
Antwoord 3
Regels van internationaal recht, hieronder vallen ook mensenrechtenverdragen, maken
deel uit van de Nederlandse rechtsorde op basis van onze Grondwet. Artikel 91, eerste
lid van de Grondwet (Gw) bepaalt dat het Koninkrijk pas aan verdragen gebonden mag
worden na voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. Verdragen mogen dus niet
worden gesloten zonder goedkeuring van de Eerste en Tweede Kamer. Daardoor zijn rechtstreeks
doorwerkende verdragsbepalingen democratisch gelegitimeerd. Vervolgens is de verplichting
tot naleving van internationaal recht vastgelegd in de artikelen 93 en 94 Gw. Zodra
regels van internationaal recht Nederland binden, is er de verplichting om deze regels
na te komen, ook in de nationale rechtsorde. Het is daarom de taak van de rechter
om normen uit de rechtstreeks werkende verdragsbepalingen toe te passen. Als in een
zaak een nationale wet in strijd blijkt te zijn met zo'n rechtstreeks werkende verdragsbepaling
wordt in dat specifieke geval, conform artikel 94 Gw, de nationale wet buiten toepassing
gelaten.
Vraag 4 en 5
Acht u het wenselijk dat rechters zich in het openbaar, bijvoorbeeld via sociale media,
uitspreken over politieke of activistische standpunten die direct raken aan zaken
waarover zij (recent of mogelijk toekomstig) rechtspreken?
Welke gedragsregels gelden momenteel voor rechters met betrekking tot publieke uitingen
en maatschappelijke betrokkenheid en acht u deze regels toereikend om de schijn van
partijdigheid te voorkomen?
Antwoord 4 en 5
Voor een sterke, goed functionerende rechtspraak is het belangrijk dat rechters volop
deelnemen aan het maatschappelijke leven. Ook rechters hebben, net als iedereen in
Nederland, vrijheid van meningsuiting. Voor rechters zitten hier wel eigen grenzen
aan. Rechters hebben immers ook een bijzondere positie in de samenleving. De samenleving
moet op de Rechtspraak kunnen vertrouwen. De Rechtspraak heeft een gedragscode die
online te raadplegen is. In de Gedragscode Rechtspraak2 is ook aandacht voor het gebruik van sociale media. Er staat bijvoorbeeld in dat
uitingen van rechters eerlijk, correct en respectvol dienen te zijn en dat in de communicatie
het onderscheid tussen privépersoon en rechter bewaakt moet worden. Dit geldt ook
voor uitingen op sociale media. Ook is er de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties.3 Daarin staat dat de opdracht van de rechter om onpartijdig te oordelen, met zich
brengt dat hij zich van zijn persoonlijke opvattingen – met inbegrip van sympathieën
en antipathieën – bewust is en blijk geeft daar bij zijn professionele oordeel afstand
van te nemen. Ten slotte heeft de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) een
rechterscode.4 De NVvR-rechterscode is in 2026 geactualiseerd en bevat normen die rechters zichzelf
stellen. Deze normen zijn gebaseerd op vijf kernwaarden: onafhankelijkheid, onpartijdigheid,
integriteit, deskundigheid en professionaliteit. Deze code is bedoeld om aan anderen
te laten zien welk gedrag zij van rechters mogen verwachten. Zowel binnen als buiten
de zittingszaal.
Vraag 6
Hoe wordt binnen de rechterlijke organisatie beoordeeld of een rechter zich behoort
te verschonen wanneer diens publieke uitingen raken aan de inhoud van een voorliggende
zaak?
Antwoord 6
De rechter is verplicht om uitspraak te doen over een concrete zaak die binnen zijn
bevoegdheid valt en hem via de juiste procedure is voorgelegd (artikel 13 van de Wet
algemene bepalingen). De rechter heeft de wettelijke mogelijkheid te verzoeken zich
te mogen onttrekken aan een bepaalde zaak als zijn onpartijdigheid schade zou kunnen
lijden door feiten of omstandigheden (artikel 40 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,
artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 8:19 van de Algemene wet
bestuursrecht). Uit de wet volgt dat het aan de rechter is om zich te verschonen.
De rechter maakt dus zelf de afweging of hij zich dient te verschonen. De Leidraad
kan daarbij houvast bieden. Elk gerecht heeft een protocol dat het proces van de formele
verschoningsprocedure bevat.5
Vraag 7
In hoeverre vindt u dat de huidige benoemings- en toezichtstructuur van de rechterlijke
macht voldoende waarborgen biedt tegen bevooroordeeldheid of activisme binnen de rechtspraak?
Antwoord 7
De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak worden via verschillende
wegen voldoende gewaarborgd. Zo is in de Grondwet verankerd dat eenieder recht heeft
op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn voor een onafhankelijke en onpartijdige
rechter (artikel 17, eerste lid Gw). Verder is een belangrijke waarborg dat grondwettelijk
is vastgelegd dat rechters voor het leven benoemd worden (artikel 117, eerste lid,
Gw). Bovendien is van belang dat aan het rechterlijk ambt wettelijke opleidingsvereisten
en beroepskwalificaties zijn verbonden. Rechters worden benoemd op basis van inhoudelijke
kwalificaties, en niet bijvoorbeeld op politieke gronden. Verder is (grond)wettelijk
gewaarborgd dat rechters in uiterste gevallen, en alleen onder strikte voorwaarden,
onderworpen kunnen worden aan disciplinaire maatregelen.
Naast de in het antwoord op vraag 6 genoemde verschoningsprocedure is er bovendien
nog de wrakingsprocedure. Indien een partij twijfelt aan de onpartijdigheid van een
rechter kan hij of zij een wrakingsverzoek indienen. Wraken is het formeel vragen
om een andere rechter voorafgaand aan of tijdens een rechtszaak, omdat de huidige
rechter partijdig of vooringenomen lijkt. Dit verzoek wordt voorgelegd aan drie andere
rechters, een zogenoemde «wrakingskamer». De wrakingskamer beoordeelt het wrakingsverzoek
en beslist of de behandeling van de zaak door een andere rechter moet wordt overgenomen.
Als het verzoek wordt afgewezen zal de rechter die de zaak behandelde de behandeling
voortzetten. Daarnaast is het mogelijk om een klacht in te dienen over de manier waarop
rechters zich hebben gedragen. De klacht moet gaan over bejegening. Er kan niet geklaagd
worden over de uitspraak van de rechter of over beslissingen van de rechter tijdens
en over de procedure. Ieder gerecht heeft een klachtenprocedure. Ook is het mogelijk
een klacht in te dienen bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad, die een vordering
bij de Hoge Raad kan instellen tot het doen van een onderzoek naar de gedraging van
de rechter (artikel 13a tot en met 13g van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Om te waarborgen dat rechtszaken op basis van objectieve maatstaven aan rechters in
een rechtsgebied of team worden toebedeeld zijn, tot slot, in ieder gerecht regels
opgesteld voor zaakstoedeling.6
Vraag 8
Deelt u de analyse dat het maatschappelijk vertrouwen in de rechtspraak onder druk
kan komen te staan wanneer rechterlijke uitspraken worden ervaren als politiek of
moreel gemotiveerd in plaats van strikt juridisch?
Antwoord 8
Ik deel de analyse in zoverre dat ik zie dat rechterlijke uitspraken met bredere maatschappelijke
gevolgen soms tot een discussie en debat leiden. Maar ik deel de analyse niet dat
het vertrouwen in de rechtspraak onder druk komt te staan als gevolg van deze discussie.
Discussie over de verhoudingen in de trias politica hoort bij een vitale democratische
rechtsstaat. Dat mag soms zelfs een beetje schuren, zolang de discussie constructief
en met respect voor de onafhankelijke positie van de rechter gevoerd wordt. Discussie
over de rol van de rechter is niet nieuw en het vertrouwen dat mensen hebben in de
rechters is onverminderd hoog. Dit blijkt uit de algemene conclusies in het rapport
van de Venetië Commissie 2023 en uit het Rechtsstaatrapport van de Europese Commissie
2024. Dit beeld wordt bevestigd in het continue onderzoek van het Sociaal en Cultureel
Planbureau, met de constatering in het bericht van oktober 2024 dat het vertrouwen
van de Nederlandse burger in de rechtspraak stabiel is op 76%. De in de antwoorden
op vragen 4,5,6 en 7 opgesomde waarborgen zijn gericht op behouden van het vertrouwen
in de Rechtspraak.
Vraag 9
Bent u bereid te onderzoeken of meer transparantie rondom rechterlijke benoemingen
en rolopvattingen kan bijdragen aan het versterken van dat vertrouwen, zonder de onafhankelijkheid
van de rechtspraak aan te tasten?
Antwoord 9
Zoals aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is het vertrouwen dat mensen hebben
in de rechtspraak onverminderd hoog. Ik zie dan ook geen aanleiding voor onderzoek
naar meer transparantie rondom rechterlijke benoemingen en rolopvattingen.
Vraag 10
Kunt u uiteenzetten waar volgens u de grens ligt tussen legitieme rechtsvinding door
de rechter en het feitelijk creëren van nieuw beleid via jurisprudentie?
Antwoord 10
Zie het antwoord op vraag 2 over de constitutionele rol en de rechtsvormende taak
van de rechter. In aanvulling op dit antwoord geef ik graag mee dat een rechter die
oordeelt over een zaak die aan hem wordt voorgelegd dit doet op basis van de toepasselijke
wet- en regelgeving rekening houdend met de concrete feiten en omstandigheden in dat
specifieke geval. Daarom is het lastig deze vraag in zijn algemeenheid te beantwoorden
en om op voorhand aan te geven waar de grens zou liggen. Rechtsvorming door de rechter
kan zich alleen voordoen in een specifieke zaak die aan de rechter wordt voorgelegd.
Van algemene beleidsvorming is bij rechtsvinding door de rechter geen sprake. Dat
neemt niet weg dat een rechterlijk oordeel in een concrete zaak wel bredere maatschappelijke
gevolgen kan hebben. Het is aan de wetgever hier desgewenst op te reageren.
Ondertekenaars
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.