Schriftelijke vragen : Stikstof, zeevogels en natuurontwikkeling in het Waddengebied
Vragen van het lid Van der Plas (BBB) aan de Minister en Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over stikstof, zeevogels en natuurontwikkeling in het Waddengebied (ingezonden 17 maart 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de artikelen «Meeuwen en aalscholvers poepen eigen duinen bij elkaar»
en «Vogelpoep helpt bij eilandvorming», waarin onderzoek van onder meer de Universiteit
Utrecht wordt beschreven naar de rol van zeevogels en hun stikstofrijke uitwerpselen
bij duinvorming en vegetatieontwikkeling op (onbewoonde) Waddeneilanden?1
Vraag 2
Klopt het dat uit dit onderzoek blijkt dat uitwerpselen van zeevogels zorgen voor
extra nutriënten, waaronder stikstof, waardoor kustplanten zoals helmgras sneller
groeien en zo bijdragen aan duinvorming en de stabiliteit van zandige eilanden?
Vraag 3
Klopt het dat in sommige broedgebieden van zeevogels grote hoeveelheden vogelmest
lokaal terechtkomen, waardoor daar een relatief hoge lokale nutriëntenbelasting ontstaat?
Vraag 4
Hoe verhoudt deze bevinding (dat extra stikstof en andere nutriënten uit vogelmest
bijdragen aan vegetatiegroei, duinvorming en eilandstabiliteit) zich tot het beleid
waarin stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in beginsel als een negatieve belasting
wordt beschouwd?
Vraag 5
Deelt u de opvatting dat stikstof in ecosystemen een voedingsstof is die voor sommige
soorten mogelijk nadelig kan zijn, maar voor andere juist gunstig? Zo ja, hoe wordt
deze ecologische werkelijkheid momenteel meegewogen in het natuur- en stikstofbeleid?
Vraag 6
Hoe verhoudt het feit dat in de gebiedsanalyse van het eiland Griend onder meer de
habitattypen H1310A (zilte pionierbegroeiing met zeekraal), H1310B (zilte pionierbegroeiing
met zeevetmuur), H1330A (schorren en zilte graslanden buitendijks) en H1330B (schorren
en zilte graslanden binnendijks) als stikstofgevoelig worden aangemerkt zich tot dit
onderzoek waaruit blijkt dat nutriëntenaanvoer via vogels juist een enorm positieve
rol speelt bij vegetatieontwikkeling en landschapsvorming op deze locatie?
Vraag 7
Wordt in de huidige beoordeling van stikstofdepositie rekening gehouden met verschillende
bronnen van stikstof, zoals natuurlijke bronnen (bijvoorbeeld zeevogels en ganzen)
en antropogene bronnen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Vraag 8
Is bekend hoeveel stikstofdepositie op bepaalde locaties in het Waddengebied afkomstig
is van zeevogels en andere wilde vogels, met name de locaties die op dit moment te
boek staan als «stikstof overbelast»? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, waarom
niet?
Vraag 9
Hoe wordt dergelijke natuurlijke stikstofaanvoer vanuit grote vogelkolonies betrokken
bij het bepalen van de stikstofbelasting en de beoordeling van de staat van instandhouding
van habitattypen in Natura 2000-gebieden?
Vraag 10
Kan de waargenomen discrepantie in stikstofmetingen uit zee, waarover het Rijksinstituut
voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in maart 2025 rapporteerde, gedeeltelijk worden
verklaard door stikstof afkomstig van zeevogels2?
Vraag 11
Klopt het dat er binnenkort weer aanpassingen aan de modellen stikstof uit zee worden
gedaan? Zo ja, wordt dit dan ook meegenomen?
Vraag 12
Hoe wordt stikstofdepositie van zee naar land precies gemodelleerd in de modellen
die worden gebruikt voor natuurbeleid en vergunningverlening?
Vraag 13
Kan de gemeten stikstofdepositie in kustnatuur mogelijk verkeerd worden toegeschreven
aan menselijke activiteiten als natuurlijke bronnen onvoldoende worden meegenomen
in de modellen?
Vraag 14
Wat betekent een mogelijke modelaanpassing voor vergunningverlening en bezwaarprocedures
tegen activiteiten, zoals garnalenvisserij?
Vraag 15
Wordt voor gebieden die mogelijk vanuit de natuur al zoveel stikstof ontvangen dat
ze volgens de regels als «overbelast» te boek staan beleid gemaakt om de stikstofbelasting
vanuit de mens zo laag te krijgen dat de stikstofdepositie onder de kritische depositiewaarde
(KDW) komt? Zo ja, betekent dat dan niet dat er zogenaamd «overbelaste» gebieden zijn,
die op totaal natuurlijke wijze «overbelast» zijn met stikstof en dat, ook als Nederland
volledig inzet op stikstofemissiereductie, dan nog steeds bepaalde gebieden overbelast
zouden zijn?
Vraag 16
Als er in Nederland gebieden zijn die hoe dan ook «overbelast» zouden blijven, is
dat niet bewijs dat die gebieden kennelijk alleen kunnen bestaan als wij daar op de
meest onnatuurlijke wijze inzetten op behoud van een natuurtype dat het in Nederland
onmogelijk zal kunnen redden?
Vraag 17
Hoe kan beleid worden gemaakt met enorme sociaal-maatschappelijke impact (heel Nederland
op slot), terwijl mogelijk de natuur zelf een zeer groot aandeel heeft op de stikstofbelasting
van natuurgebieden, als er natuurtypen zijn die in een voedingsrijke delta als Nederland
nooit onder de KDW zouden kunnen komen?
Vraag 18
Klopt het dat habitattypen in Natura 2000-analyses worden beoordeeld aan de hand van
categorieën als «geen overbelasting», «evenwicht», «matige overbelasting» en «sterke
overbelasting»? Bestaat binnen deze systematiek ook een categorie of beoordeling waarbij
nutriëntenaanvoer juist een positieve bijdrage levert aan de ontwikkeling van een
habitat? Zo nee, waarom niet?
Vraag 19
Hoe verklaart u dat in hetzelfde Natura 2000-gebied enerzijds habitattypen voorkomen
die volgens de huidige systematiek als sterk stikstofgevoelig worden beschouwd, terwijl
anderzijds processen plaatsvinden waarbij stikstofaanvoer via vogelkolonies juist
bijdraagt aan vegetatieontwikkeling en landschapsvorming?
Vraag 20
Klopt het dat stikstofdepositie volgens het huidige beleid als probleem wordt beschouwd
wanneer deze leidt tot een verschuiving in vegetatie, waarbij soorten die beter gedijen
bij hogere nutriëntenbeschikbaarheid andere soorten verdringen?
Vraag 21
Klopt het dat dergelijke verschuivingen in vegetatie ook natuurlijke ecologische processen
kunnen zijn, bijvoorbeeld wanneer nutriëntenaanvoer vanuit vogels, sediment, overstromingen
of andere natuurlijke processen toeneemt?
Vraag 22
In hoeverre kan het huidige stikstofbeleid worden gezien als een poging om bepaalde
vegetatietypen actief in stand te houden of zelfs te ontwikkelen, ook wanneer natuurlijke
processen juist tot een andere vegetatieontwikkeling leiden?
Vraag 23
Klopt het dat er natuurmaatregelen in stikstofgevoelige gebieden worden uitgevoerd,
zoals plaggen, maaien, afvoeren van biomassa of verwijderen van voedselrijke bodemlagen
om nutriënten uit het systeem te halen?
Vraag 24
Klopt het dat die maatregelen ook kunnen worden ingezet om stikstofbelasting te verkleinen,
in plaats van enorme sociaal-maatschappelijke ingrepen in de samenleving om de stikstofemissie
naar beneden te krijgen?
Vraag 25
Klopt het dat Nederland als delta van grote Europese rivieren van nature een relatief
nutriëntenrijk landschap is, mede door sedimentaanvoer, kleigronden en mariene invloeden,
zoals overstromingen?
Vraag 26
Wordt bij de aanwijzing en instandhouding van habitattypen ook gekeken naar de natuurlijke
kenmerken van het landschap, zoals het feit dat Nederland een voedselrijke rivierdelta
is? In hoeverre speelt dit mee bij de keuze voor te beschermen habitattypen?
Vraag 27
In hoeverre is bij de aanwijzing van Natura 2000-habitattypen rekening gehouden met
het feit dat Nederland een voedselrijke delta is en dat bepaalde voedselarme vegetaties
daardoor alleen met intensief beheer en zeer grote ingrepen in onze samenleving (zoals
inperken van de economische bedrijvigheid) in stand kunnen worden gehouden?
Vraag 28
Deelt u de opvatting dat de keuze voor bepaalde habitattypen en vegetaties bepalend
is voor de mate waarin stikstof als probleem wordt ervaren? Zo nee, waarom niet?
Vraag 29
In hoeverre wordt bij het natuurbeleid overwogen om in gebieden met structureel hoge
nutriëntenbeschikbaarheid in te zetten op natuurtypen die beter passen bij deze omstandigheden,
in plaats van op vegetaties die juist afhankelijk zijn van voedselarme omstandigheden?
Vraag 30
Deelt u de opvatting dat natuurdoelen die alleen met voortdurend en kostbaar menselijk
ingrijpen en grote ingrepen in onze samenleving kunnen worden behouden, feitelijk
minder robuust zijn dan natuurtypen die aansluiten bij de bestaande en natuurlijke
omstandigheden van een gebied?
Vraag 31
Wordt binnen het huidige natuurbeleid ook overwogen om natuurdoelen aan te passen
wanneer blijkt dat deze structureel botsen met natuurlijke omstandigheden, zoals hoge
nutriëntenbeschikbaarheid?
Vraag 32
Welke ruimte biedt de Europese Habitatrichtlijn om bij natuurbeheer rekening te houden
met natuurlijke nutriëntenrijkdom van gebieden en de daarbij passende ecosystemen?
Vraag 33
Welke ruimte biedt de Habitatrichtlijn om rekening te houden met ontwikkeling van
habitattypen naar ander typen, omdat natuur niet statisch is, maar altijd in ontwikkeling
is?
Vraag 34
Welke mogelijkheden bestaan er binnen de Habitatrichtlijn om natuurdoelen of habitattypen
aan te passen wanneer natuurlijke ontwikkelingen structureel een andere richting opgaan
dan bij de aanwijzing van een gebied werd voorzien?
Vraag 35
Ziet u dan ruimte om daarvoor te pleiten, als er weinig ruimte is voor die ontwikkeling,
zodat in Nederland natuur die ooit is ontstaan als stikstofarm (bijvoorbeeld nieuwe
zanderige eilanden) of door de mens ooit is ontwikkeld tot stikstofarm (bijvoorbeeld
door voedingsbodems af te voeren als turf) weer kan worden doorontwikkeld naar de
stikstofrijke natuur die in een voedingsrijke delta als Nederland kan bestaan zonder
extreem en zeer kostbaar, ingrijpen van de mens?
Vraag 36
Deelt u de opvatting dat natuurbeleid is gebaat bij robuuste ecosystemen die aansluiten
bij de natuurlijke en bestaande omstandigheden van een gebied, in plaats van bij ecosystemen
die alleen met intensief beheer en ingrijpende emissiereducties in stand kunnen worden
gehouden?
Vraag 37
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre de huidige natuurdoelen in Nederland
aansluiten bij de natuurlijke nutriëntencondities van het landschap en of alternatieve
natuurtypen mogelijk robuuster en toekomstbestendiger zouden zijn?
Vraag 38
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre natuurlijke stikstofbronnen, zoals
grote vogelkolonies, bijdragen aan de stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden en
hoe deze bijdragen zich verhouden tot de kritische depositiewaarden die momenteel
worden gehanteerd? Zo nee, waarom niet?
Vraag 39
Is het stikstofprobleem in Nederland primair een emissieprobleem of een gevolg van
de keuze om specifieke stikstofgevoelige natuurtypen te beschermen?
Vraag 40
Bent u bereid, gelet op de voorbeelden waarbij natuurlijke processen (zoals vogelkolonies)
leiden tot aanzienlijke stikstofaanvoer die aantoonbaar kunnen bijdragen aan natuurontwikkeling
en gelet op de grote maatschappelijke en economische gevolgen van het huidige stikstofbeleid,
te reflecteren op de vraag of het stikstofbeleid zijn oorspronkelijke doel (het beschermen
van natuur) in sommige gevallen voorbij is geschoten en is doorgeslagen in een systeem
waarbij het reduceren van stikstofdepositie een doel op zichzelf is geworden? Zo nee,
waarom niet?
Vraag 41
Deelt u de opvatting dat ingrijpende maatregelen, zoals gedwongen uitkoop van bedrijven
en het intrekken van bestaande vergunningen, in ieder geval niet zijn gerechtvaardigd,
gelet op de grote onzekerheden rond de rol van natuurlijke stikstofbronnen, de discussie
over de passendheid van bepaalde stikstofgevoelige habitattypen in een voedselrijke
delta als Nederland en de grote maatschappelijke impact van het huidige stikstofbeleid?
Zo nee, waarom niet?
Vraag 42
Waarom stapt u af van het principe «haalbaar en betaalbaar» bij de formulering van
instandhoudingsdoelen, terwijl dit destijds uitdrukkelijk aan de Kamer is beloofd?
Vraag 43
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Stikstof en mestbeleid
op 1 april 2026?
Ondertekenaars
Caroline van der Plas, Tweede Kamerlid