Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over mondzorg en financiële toegankelijkheid (Kamerstuk 32620-312)
32 620 Beleidsdoelstellingen op het gebied van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Nr. 313
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 17 maart 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over
de brief van 10 december 2025 over mondzorg en financiële toegankelijkheid (Kamerstuk
32 620, nr. 312).
De vragen en opmerkingen zijn op 30 januari 2026 aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 17 maart 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Heller
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
4
II.
Reactie van de Minister
5
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister over
mondzorg en financiële toegankelijkheid en hebben daarover op dit moment geen vragen
aan de Minister.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van de
Minister. Zij hebben enkele aanvullende vragen of opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat «voor elke maatregel geldt dat gekozen moet
worden voor een duidelijke afbakening van wie ervoor in aanmerking komt (doelgroep)
en welk zorg vergoed wordt (de mondzorgdekking)». Deze leden vrezen voor extra administratielasten
en hoge administratiekosten. Kan de Minister hierop reflecteren?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister een afbakening voorstel van tot
120 of 150 procent van het sociaal minimum. 310.000 à 405.000 mensen van de 640.000
mensen zouden met deze afbakening in aanmerking komen om gebruik te maken van een
mondzorgmaatregel. Tweederde tot driekwart van de mensen met een inkomen van 120 of
150 procent van het sociaal minimum gaat al naar een mondzorgverlener. Deze cijfers
roepen twijfels op over de noodzaak van het treffen van financiële maatregelen om
het gebruik van mondzorg te bevorderen. De leden van de VVD-fractie zijn van mening
dat er dus geen noodzaak is om een dure en administratie-intensieve financiële maatregel
te treffen voor een zeer kleine groep, zeker aangezien via de gemeenten al ondersteuning
beschikbaar is. Zij ontvangen in dit kader graag een reflectie van de Minister.
De leden van de VVD-fractie lezen verder dat «voor elke maatregel geldt daarnaast
dat deze nog verder uitgewerkt moet worden. Daarbij dient in ieder geval rekening
gehouden te worden met het doenvermogen en de gezondheidsvaardigheden van de doelgroep,
de voorlichting die nodig is om de doelgroep te bereiken, de uitvoerbaarheid en de
benodigde implementatietijd.» Genoemde leden constateren dat veel aanvullende maatregelen
nodig zijn om de doelgroep te bereiken. Kan de Minister reflecteren of hij deze maatregel
proportioneel vindt, met inachtneming van de vereiste extra maatregelen die nodig
zijn om deze effectief te laten zijn?
De leden van de VVD-fractie lezen dat, bij implementatie van een van de vier voorgestelde
maatregelen, de verwachte kosten uitvallen tussen de € 131 tot € 276 miljoen euro
structureel. Genoemde leden vinden dit disproportioneel, zeker in vergelijking met
een landelijk noodfonds waarbij de verwachte kosten uitvallen rond de € 6 miljoen
euro. Het noodfonds is bedoeld voor acute situaties en niet voor preventieve mondzorg,
maar de leden van de VVD-fractie onderschrijven het principe dat mensen in de eerste
plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen gezondheid. Zij ontvangen in dit
kader graag een reflectie van de Minister.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister over
mondzorg en financiële toegankelijkheid en de bijgevoegde stukken.
De leden van de PVV-fractie constateren dat een grote groep volwassenen mondzorg mijdt
om financiële redenen. Terwijl een gezond gebit geen luxe is en het mijden van de
tandarts gevolgen heeft voor de algehele gezondheid. Deelt de Minister deze mening?
Zo ja, waarom blijft actie dan uit?
Welk effect verwacht de Minister op de grootte van de groep mondzorgmijders als het
eigen risico verder omhoog gaat? Hoe heeft de groep van, nu 640.000, zich door de
jaren heen in aantal en leeftijdsamenstelling ontwikkeld? De leden van de PVV-fractie
lezen daarnaast dat deze groep niet goed te identificeren is en dat daarom wordt aangesloten
bij inkomensgrenzen van 120 procent en 150 procent van het sociaal minimum. Welke
alternatieven zijn onderzocht om de feitelijke zorgmijders gerichter te bereiken,
en waarom zijn die alternatieven niet uitgewerkt?
Ook vragen deze leden om meer duidelijkheid over uitvoering. Kan de Minister per maatregel
inzichtelijk maken wat de uitvoeringskosten zijn, wie de uitvoering op zich moet nemen
(Rijk, gemeenten of verzekeraars) en welke implementatietermijnen realistisch zijn?
Kan de Minister toelichten waarom hij de woorden «in principe niet en in principe
wel» gebruikt als het gaat om op preventie gerichte mondzorg en mondzorg op medische
indicatie en het voldoen aan het wettelijke ingangscriterium van de Zorgverzekeringswet?
Kan de Minister de procedure en termijn toelichten waarop de tandarts zou kunnen worden
opgenomen in het basispakket?
Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie
De leden van de FVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister en hebben
daarover de volgende twee vragen.
Op welke termijn kunnen mensen die om financiële redenen mondzorg mijden een structurele
oplossing verwachten waarmee mondzorg voor hen financieel toegankelijker wordt? En
welke tijdelijke maatregelen gaat de Minister nemen om het aantal mensen dat mondzorg
mijdt te verminderen tot moment dat er een structurele oplossing is waarmee voor hen
financieel toegankelijker wordt?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stukken over mondzorg en financiële
toegankelijkheid. Deze leden hebben geen vragen hierover aan de Minister.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief over mondzorg en financiële
toegankelijkheid. Zij constateren dat het kabinet zich met onderzoeken en drogredeneringen
onder de enige redelijke oplossing blijft proberen uit te praten, namelijk het volledig
vergoeden van mondzorg voor iedereen.
De leden van de SP-fractie lezen dat de Minister tegen het volledig opnemen van mondzorg
in het basispakket inbrengt dat «in 2024 64% van de volwassen verzekerden een aanvullende
zorgverzekering had met mondzorgdekking en daarmee dus toegang tot mondzorg». Zouden
die niet net zo goed profiteren van opname in het basispakket, omdat zij zich dan
niet meer aanvullend hiervoor hoeven te verzekeren? Bovendien is het niet regelen
van verzekerde toegang tot essentiële zorg voor één op de drie Nederlanders nog altijd
slecht uitlegbaar. Waarom blijft de Minister dan toch met dit soort argumenten komen?
De leden van de SP-fractie lezen dat de Minister het niet-uitvoeren van de motie Dijk1 deels uitlegt met het argument dat dit niet binnen de Zorgverzekeringswet zou passen.
Waarom past de Minister de Zorgverzekeringswet dan niet gewoon op dit punt?
De leden van de SP-fractie lezen daarnaast het argument «dat circa 40% van de mensen
na een tandartscontrole nog aanvullende (curatieve) mondzorg nodig hebben» om controles
niet te vergoeden. Is dat niet de wereld op zijn kop? Is dat niet eerder een argument
om alle mondzorg dan te vergoeden uit het basispakket?
De leden van de SP-fractie vragen of de Minister in ieder geval bereid is om nu concrete
stappen te zetten om het mijden van mondzorg om financiële redenen tegen te gaan.
Is hij bijvoorbeeld bereid om een pilot op te zetten om mondzorg te vergoeden zoals
dit momenteel in de gemeente Groningen is geregeld?
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
De leden van de 50PLUS-fractie danken de Minister voor de toezending van de brief
over mondzorg en financiële toegankelijkheid. Zij willen hierbij nog wel een vraag
stellen.
De Minister geeft op pagina 5 en 6 van de brief aan dat op zijn verzoek het Zorginstituut
heeft getoetst of mondzorg voor volwassenen aan de toegangscriteria voor de Zorgverzekeringswet
valt. Volgens het Zorginstituut valt preventieve mondzorg voor volwassenen niet onder
de criteria van te verzekeren zorg; op behandeling gerichte mondzorg kán wel daaronder
vallen. Er wordt echter niet aanbevolen door het Zorginstituut om op behandeling gerichte
mondzorg al in het pakket op te nemen.
De leden van de 50PLUS-fractie stellen zich op het standpunt dat dit geen recht doet
aan het belang van mondzorg. Preventieve controles kunnen voorkomen dat zich ernstiger
klachten ontwikkelen, klachten waarvoor zorg nodig is die wel onder de Zorgverzekeringswet
valt. Anders gezegd: preventieve controles kunnen de maatschappij heel veel zorgkosten
besparen. Mensen met weinig geld zullen eerder geneigd zijn deze zorg te mijden, omdat
het voor hen simpelweg niet op te brengen is. Met het risico dat bij hen zich ernstiger
klachten ontwikkelen, met alle gevolgen van dien. De kosten gaan voor de baten uit.
In dat licht is het wat genoemde leden wel degelijk een goed idee om deze preventieve
controles te vergoeden. Niet via een noodfonds, maar standaard. De leden van de 50PLUS-fractie
ontvangen graag een uitgebreide reflectie van de Minister hierop.
II. Reactie van de Minister
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister over
mondzorg en financiële toegankelijkheid en hebben daarover op dit moment geen vragen
aan de Minister.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van de
Minister. Zij hebben enkele aanvullende vragen of opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat «voor elke maatregel geldt dat gekozen moet
worden voor een duidelijke afbakening van wie ervoor in aanmerking komt (doelgroep)
en welk zorg vergoed wordt (de mondzorgdekking)». Deze leden vrezen voor extra administratielasten
en hoge administratiekosten. Kan de Minister hierop reflecteren?
Het kabinet deelt uiteraard de wens om administratieve lasten te beperken. Deze zin
doelt echter op het uitwerken van de beleidsmaatregel. Daarvoor is het nodig om te
bepalen wat de maatregel behelst en wie in aanmerking komt, ook om zo duidelijkheid
te verschaffen aan de burger. Op het gebied van mondzorg zijn hier diverse keuzes
in te maken, zoals welke mondzorg vergoed wordt. Dat kan variëren van enkel acute
mondzorg tot een uitgebreide vergoeding van mondzorg die overeenkomt met de vergoeding
die nu voor 18-minners geldt. Eveneens zal bepaald moeten worden wie in aanmerking
komt. Het kabinet ziet dat niet direct gepaard gaan met hogere administratieve lasten.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister een afbakening voorstel van tot
120 of 150 procent van het sociaal minimum. 310.000 à 405.000 mensen van de 640.000
mensen zouden met deze afbakening in aanmerking komen om gebruik te maken van een
mondzorgmaatregel. Tweederde tot driekwart van de mensen met een inkomen van 120 of
150 procent van het sociaal minimum gaat al naar een mondzorgverlener. Deze cijfers
roepen twijfels op over de noodzaak van het treffen van financiële maatregelen om
het gebruik van mondzorg te bevorderen. De leden van de VVD-fractie zijn van mening
dat er dus geen noodzaak is om een dure en administratie-intensieve financiële maatregel
te treffen voor een zeer kleine groep, zeker aangezien via de gemeenten al ondersteuning
beschikbaar is. Zij ontvangen in dit kader graag een reflectie van de Minister.
In het rapport zijn mogelijkheden voor aanvullende gerichte financiële maatregelen
in kaart gebracht waarbij om praktische redenen gekozen is voor de bovengenoemde afbakening
De uitwerking bevat geen voorstellen van het kabinet, maar een reeks van in kaart
gebrachte maatregelen die getroffen zouden kunnen worden om mondzorg toegankelijker
te maken voor minima. Het kabinet herkent echter wel dat de in het rapport beschreven
maatregelen allen uitdagingen kennen waar het gaat om het op een gerichte en doelmatige
manier bereiken van de beoogde doelgroep. Dit komt omdat het identificeren van de
doelgroep van 640.000 volwassenen niet haalbaar is. Er wordt namelijk niet bijgehouden
wie om financiële redenen mondzorg mijdt én het betreft een groep mensen die te maken
heeft met verschillende vormen van problematiek. De beoogde doelgroep valt dus niet
onder één al bestaande regeling. Uit de landelijke regelingen of systemen is niet
op te maken wie afziet van mondzorg. Een lokale maatwerkbeoordeling wie in aanmerking
komt zou tot administratieve lasten voor zowel burger als de gemeente en bovendien
tot regionale verschillen kunnen leiden. Dat maakt dat een meer praktische benadering
gezocht moet worden waarbij voor inkomen is gekozen. Een laag (besteedbaar) inkomen
lijkt namelijk een overkoepelende reden waarom mensen afzien van mondzorg. Uit de
doorrekening van de maatregelen is inderdaad gebleken dat ook van de mensen met een
laag inkomen een behoorlijk deel al naar de tandarts gaat. Dat maakt dat een maatregel
die uitgaat van inkomensgrenzen inderdaad uitdagingen kent qua doelmatigheid.
Het is wel goed om op te merken dat hier géén vergelijking is gemaakt met de doelmatigheid
van andere alternatieven en dat eveneens niet in beeld is gebracht wat de gevolgen
zijn van geen aanvullend beleid (waarbij de doelgroep die nu mondzorg mijdt met hogere
vervolgkosten geconfronteerd kan worden).
De leden van de VVD-fractie lezen verder dat «voor elke maatregel geldt daarnaast
dat deze nog verder uitgewerkt moet worden. Daarbij dient in ieder geval rekening
gehouden te worden met het doenvermogen en de gezondheidsvaardigheden van de doelgroep,
de voorlichting die nodig is om de doelgroep te bereiken, de uitvoerbaarheid en de
benodigde implementatietijd.» Genoemde leden constateren dat veel aanvullende maatregelen
nodig zijn om de doelgroep te bereiken. Kan de Minister reflecteren of hij deze maatregel
proportioneel vindt, met inachtneming van de vereiste extra maatregelen die nodig
zijn om deze effectief te laten zijn?
De maatregelen zijn niet in detail uitgewerkt en daarom kan niet in beeld gebracht
worden wat de benodigde kosten zijn voor bijvoorbeeld voorlichting. Ook is niet bekend
in hoeverre voorlichting ook door andere partijen gegeven kan worden. Het kabinet
kan daarmee niet zeggen of het proportioneel is. In algemene zin herkent het kabinet
dat er méér nodig is dan het opstellen van een regeling. Het valt of staat immers
met de vraag of mensen de regeling weten te vinden. En voor een deel van de doelgroep
zal hier gegeven hun doenvermogen of gezondheidsvaardigheden hulp bij nodig zijn met
bijvoorbeeld voorlichting of begeleiding.
De leden van de VVD-fractie lezen dat, bij implementatie van een van de vier voorgestelde
maatregelen, de verwachte kosten uitvallen tussen de € 131 tot € 276 miljoen euro
structureel. Genoemde leden vinden dit disproportioneel, zeker in vergelijking met
een landelijk noodfonds waarbij de verwachte kosten uitvallen rond de € 6 miljoen
euro. Het noodfonds is bedoeld voor acute situaties en niet voor preventieve mondzorg,
maar de leden van de VVD-fractie onderschrijven het principe dat mensen in de eerste
plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen gezondheid. Zij ontvangen in dit
kader graag een reflectie van de Minister.
In het rapport is een aantal mogelijke gerichte maatregelen uitgewerkt, waarbij iedere
maatregel voordelen en nadelen kent. Iedere maatregel lost een deel van de problematiek
op. Een noodfonds brengt weliswaar relatief beperkte kosten met zich mee, maar biedt
geen structurele oplossing. Met een noodfonds kunnen minder mensen worden bereikt
en het is voorstelbaar dat de vergoeding zich vooral richt op acute mondzorg. Ook
wanneer je van mening bent dat preventieve mondzorg een volledig eigen verantwoordelijkheid
is, zal een noodfonds naar verwachting niet toereikend zijn om alle overige zorg (voor
minima) te vergoeden. Een noodfonds is dus géén vergelijkbaar alternatief voor een
gerichte regeling (via overheid, gemeenten of zorgverzekeraar) waarin mondzorg voor
minima toegankelijk wordt gemaakt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister over
mondzorg en financiële toegankelijkheid en de bijgevoegde stukken.
De leden van de PVV-fractie constateren dat een grote groep volwassenen mondzorg mijdt
om financiële redenen. Terwijl een gezond gebit geen luxe is en het mijden van de
tandarts gevolgen heeft voor de algehele gezondheid. Deelt de Minister deze mening?
Zo ja, waarom blijft actie dan uit?
Het kabinet herkent dat een gezond gebit essentieel is. Over het algemeen gaan mensen
in Nederland vaak naar de tandarts en is de mondgezondheid goed. Het kabinet ziet
dat veel mensen mondzorg zelf kunnen financieren of zich aanvullend hiervoor verzekeren.
Er blijft inderdaad een behoorlijke groep over die mondzorg mijdt om financiële redenen.
Deze groep is helaas lastig te identificeren en lastig gericht te bereiken. Het kabinet
vindt dat net als de leden van de PVV-fractie kwetsbaar, omdat het mijden van mondzorg
tot verdere gezondheidsschade kan leiden. Het kabinet ziet dat er vanuit gemeentelijke
regelingen en lokale initiatieven ook een forse bijdrage wordt geleverd om mondzorgmijding
om financiële redenen terug te dringen en waardeert deze initiatieven. Er blijven
inderdaad situaties waarin de mondzorg niet toegankelijk is. Helaas is er geen eenvoudige
oplossing voor deze weerbarstige problematiek. De gerichte regelingen voor minima
kennen elk hun uitdagingen met name op het gebied van doelmatigheid. En elke oplossing
vraagt om budget. Dit zijn belangrijke overwegingen in een tijd waarin het kabinet
zich genoodzaakt ziet om maatregelen te nemen om de premiedruk beheersbaar te houden
en ook voor toekomstige generaties de beschikbaarheid van passende zorg te kunnen
garanderen.
Gezien deze opgave zijn er geen extra middelen vrijgemaakt voor de toegankelijkheid
van mondzorg. Wel zijn eerder in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) afspraken
gemaakt op het gebied van medische preventie. Onderdeel hiervan vormt een ontwikkelagenda
waarbij in samenspraak met de relevante AZWA-partijen maatregelen in kaart worden
gebracht die zorgvraag kunnen tegengaan. Mondzorg voor minima is één van de onderwerpen
op deze ontwikkelagenda. De verschillende potentiële maatregelen worden nader onderbouwd,
zodat daarna besluitvorming kan plaatsvinden voor welke maatregelen budget beschikbaar
komt. Voor de jaren 2027 en 2028 is € 45 miljoen gereserveerd in zijn totaliteit.
Dit voorjaar zal blijken of mondzorg wel of niet in aanmerking komt voor financiering
uit deze ontwikkelagenda. Let wel, dit zou dan een eventuele pilot van een relatief
beperkte omvang betreffen en geen structurele regeling.
Welk effect verwacht de Minister op de grootte van de groep mondzorgmijders als het
eigen risico verder omhoog gaat? Hoe heeft de groep van, nu 640.000, zich door de
jaren heen in aantal en leeftijdsamenstelling ontwikkeld? De leden van de PVV-fractie
lezen daarnaast dat deze groep niet goed te identificeren is en dat daarom wordt aangesloten
bij inkomensgrenzen van 120 procent en 150 procent van het sociaal minimum. Welke
alternatieven zijn onderzocht om de feitelijke zorgmijders gerichter te bereiken,
en waarom zijn die alternatieven niet uitgewerkt?
Welk effect een verhoging van het eigen risico heeft op zorgmijding en specifiek mondzorgmijding
is lastig te zeggen. Het aantal «mondzorgmijders» (640.000) is een schatting gebaseerd
op een onderzoek door ACTA2. In dit onderzoek wordt geen trend getoond, omdat longitudinale data ontbreekt. Dat
maakt ook dat niet bijgehouden wordt hoe dit aantal zich door de tijd ontwikkelt.
Uit dit onderzoek blijkt een sterke oververtegenwoordiging in het laagste inkomenskwintiel
waar het aantal mondzorgmijders oploopt tot 12%. Uit data over aanvragen van noodhulp
is wel een stijgende trend zichtbaar. Verder wordt in dit onderzoek gesteld dat met
name jongvolwassen tussen 18 en 25 jaar, met name die in een wijk wonen met een lage
sociaaleconomische status, een grotere kans hebben dat zij moeilijk hun weg kunnen
vinden in het zorgstelsel en mondzorg mijden.
De inkomensgrenzen van 120% of 150% van het sociaal minimum zijn praktische afbakeningscriteria
en zouden een groot deel van de mondzorgmijders bereiken, maar bieden geen garantie
dat alle zorgmijders worden bereikt. Ook zou een deel van mensen deze ondersteuning
ontvangen, terwijl ze dat niet nodig hebben. Het is zeer lastig om met een landelijke
maatregel gerichter mondzorgmijders te bereiken, omdat er geen betere criteria beschikbaar
zijn in landelijke overheidssystemen. Er wordt namelijk niet bijgehouden wie om financiële
redenen mondzorg mijdt én het betreft een groep mensen die te maken heeft met verschillende
vormen van problematiek. Het is ook niet zo dat de beoogde doelgroep onder één al
bestaande regeling valt. Het alternatief is dan lokaal maatwerk waarbij afhankelijk
van de beoordeling van de situatie ondersteuning wordt gegeven bij mondzorgkosten.
De nadelen hiervan zijn administratieve lasten voor burger en uitvoerder, en verschillen
tussen gemeenten. En ook maakt dit het op voorhand niet duidelijk voor wie een regeling
beschikbaar is.
Ook vragen deze leden om meer duidelijkheid over uitvoering. Kan de Minister per maatregel
inzichtelijk maken wat de uitvoeringskosten zijn, wie de uitvoering op zich moet nemen
(Rijk, gemeenten of verzekeraars) en welke implementatietermijnen realistisch zijn?
Uitvoeringskosten kunnen pas gekwantificeerd worden als de maatregelen in detail uitgewerkt
zouden zijn, omdat de precieze vormgeving hierop van invloed zal zijn. Voor alle maatregelen
geldt in meer of mindere mate dat er nog keuzes gemaakt moeten worden in de uitvoering
en rekening gehouden moet worden met de nodige implementatietijd. In het rapport zijn
in globale zin wel al mogelijke uitvoeringsvarianten van de maatregelen in beeld gebracht.
Voor de landelijke financiële regeling zijn er twee opties: uitvoering door zorgverzekeraars
voor de eigen verzekerden of uitvoering door het Rijk. Voor een landelijke uniforme
aanvullende zorgverzekering zal de uitvoering bij het Rijk liggen. En ten slotte,
voor een nieuwe gemeentepolis zou de uitvoering komen te liggen bij de zorgverzekeraars
die de gemeentepolis uitvoeren en bij de gemeenten zelf.
Kan de Minister toelichten waarom hij de woorden «in principe niet en in principe
wel» gebruikt als het gaat om op preventie gerichte mondzorg en mondzorg op medische
indicatie en het voldoen aan het wettelijke ingangscriterium van de Zorgverzekeringswet?
Het Zorginstituut Nederland (hierna: Zorginstituut) heeft getoetst of mondzorg voor
volwassenen in beginsel voldoet aan de wettelijke criteria van de Zorgverzekeringswet.
Er is met name gekeken naar het ingangscriterium «behoefte aan geneeskundige zorg»
wat neerkomt op dat er sprake moet zijn van een individuele medische indicatie. Uit
deze toets is gekomen dat op behandeling gerichte mondzorg in beginsel voldoet aan
de wettelijke criteria. Hier staat «in beginsel» omdat verdere inhoudelijke beoordeling
nodig is of er daadwerkelijk sprake is van een medische indicatie en of de zorg voldoet
aan de inhoudelijke eisen die de wet stelt. Op de behandeling gerichte mondzorg kan
daarom «in principe» onder de te verzekeren zorg vallen. Of het wenselijk is om het
basispakket daarmee uit te breiden is een vervolgvraag. Het Zorginstituut geeft met
deze toets nog geen advies over opname in het pakket.
Daarnaast is uit de toets gebleken dat op de preventie gerichte mondzorg waarbij geen
medische indicatie bestaat in beginsel niet voldoet aan het bovengenoemde wettelijk
ingangscriterium, omdat er geen sprake is van een individuele zorgvraag als gevolg
van ziekte of aandoening. Daarom valt op preventie gerichte mondzorg «in principe»
niet onder te verzekeren zorg.
Kan de Minister de procedure en termijn toelichten waarop de tandarts zou kunnen worden
opgenomen in het basispakket?
Het kabinet heeft het Zorginstituut gevraagd om te adviseren over een passende aanspraak
op mondzorg. De fases en tijdlijnen van dit adviestraject zijn eerder met de Kamer
gedeeld3, en zal het kabinet nogmaals toelichten: Het Zorginstituut is gestart met een kostenanalyse
die in 2024 is opgeleverd.4 Vervolgens heeft het Zorginstituut de bredere baten van de mondgezondheid in kaart
gebracht in de vorm van een maatschappelijke impact analyse (MIA). Dit komt voort
uit de motie van de leden Bushoff en Dijk waarin zij vragen een kosten- en batenanalyse
te maken van mogelijke varianten om mondzorg op te nemen in het basispakket5. In de Kamerbrief is aangegeven dat deze begin 2026 opgeleverd zou worden. Ook is
aangegeven dat het lastig bleek om de bredere baten van mondzorg in te schatten en
te koppelen aan specifieke beleidsmaatregelen. Dit heeft onder andere te maken met
een gebrek aan structurele data. Een kosten- en baten analyse bleek om deze reden
niet mogelijk en daarom is gekozen voor een MIA. Inmiddels heeft het kabinet de resultaten
ontvangen. De resultaten zijn bijgevoegd bij deze beantwoording. Het Zorginstituut
concludeert hierin dat mondgezondheid verband kan houden met gezondheidsverschillen,
algehele gezondheid, (arbeids)participatie, maatschappelijke kosten, duurzaamheid
en op de inzet van mondzorgverleners. Daarbij geeft het Zorginstituut ook aan dat
er op dit moment echter onvoldoende informatie beschikbaar is om vast te kunnen stellen
wat de werkelijke directe en indirecte maatschappelijke impact is van goede of verbeterde
mondgezondheid. Hierdoor is ook niet goed vast te stellen hoe die het beste bereikt
kan worden. Met het uitvoeren van de MIA heeft het kabinet invulling gegeven aan de
eerder genoemde motie van de leden Bushoff en Dijk.
Op basis van deze gegevens kan nog geen besluit worden genomen over opname van mondzorg
in het basispakket. Eerst zal het nodig zijn om vast te stellen wat passende en noodzakelijke
mondzorg is. Hiervoor is een pakketadvies noodzakelijk. Daarbij toetst het Zorginstituut
aan de pakketcriteria, zoals noodzakelijkheid en uitvoerbaarheid. Eerder is de Kamer
geïnformeerd over de fasering van het pakketadvies6. Een pakketadvies zou uiterlijk in 2028 kunnen volgen. Bij een eventueel positief
advies zal voor het uitbreiden van het pakket met meer mondzorg de benodigde dekking
gevonden moeten worden. Dit zal met de huidige financiële opgaves in de zorg een uitdaging
zijn.
Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie
De leden van de FVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister en hebben
daarover de volgende twee vragen.
Op welke termijn kunnen mensen die om financiële redenen mondzorg mijden een structurele
oplossing verwachten waarmee mondzorg voor hen financieel toegankelijker wordt? En
welke tijdelijke maatregelen gaat de Minister nemen om het aantal mensen dat mondzorg
mijdt te verminderen tot moment dat er een structurele oplossing is waarmee voor hen
financieel toegankelijker wordt?
Over het algemeen gaan mensen in Nederland vaak naar de tandarts en veel mensen kunnen
de mondzorg zelf financieren of zich aanvullend hiervoor verzekeren. Er is een groep
voor wie dat niet geldt inderdaad. Het kabinet ziet dat de huidige lokale initiatieven
en gemeentelijke regelingen een grote bijdrage leveren aan het terugdringen van mondzorgmijding
bij deze groep. Tegelijkertijd ziet het kabinet dat deze initiatieven geen volledige
oplossing bieden. Daarom is verkend wat de mogelijkheden voor gerichte financiële
regelingen zijn. Deze regelingen kennen, zoals in de brief van 10 december 20257 is beschreven, allen de nodige nadelen en uitdagingen om een effectief en doelmatig
instrument te zijn. Onder andere omdat een groot gedeelte van de mensen met lage inkomens
nu al wel naar de mondzorgverlener gaat, maar wel onder zo een regeling zouden vallen.
Er is helaas dus geen eenvoudige oplossing.
De gerichte regelingen voor minima kennen dus elk hun uitdagingen op het gebied van
doelmatigheid. En elke oplossing vraagt om budget. Dit zijn belangrijke overwegingen
in een tijd waarin het kabinet zich genoodzaakt ziet om maatregelen te nemen om de
premiedruk beheersbaar te houden en ook voor toekomstige generaties de beschikbaarheid
van passende zorg te kunnen garanderen. Gezien deze opgave zijn er geen extra middelen
vrijgemaakt voor de toegankelijkheid van mondzorg. Wel zijn in het AZWA afspraken
gemaakt op het gebied van medische preventie. Onderdeel hiervan vormt een ontwikkelagenda
waarbij in samenspraak met de relevante AZWA-partijen maatregelen in kaart worden
gebracht die zorgvraag kunnen tegengaan. Mondzorg voor minima is één van de onderwerpen
op deze ontwikkelagenda. Deze maatregelen worden nader onderbouwd, zodat daarna besluitvorming
kan plaatsvinden voor welke maatregelen budget beschikbaar komt. Voor de jaren 2027
en 2028 is € 45 miljoen gereserveerd in zijn totaliteit. Dit voorjaar zal blijken
of mondzorg wel of niet in aanmerking komt voor een (beperkt) deel van deze middelen.
Let wel, dit zou dan een eventuele pilot betreffen en geen structurele maatregel.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stukken over mondzorg en financiële
toegankelijkheid. Deze leden hebben geen vragen hierover aan de Minister.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief over mondzorg en financiële
toegankelijkheid. Zij constateren dat het kabinet zich met onderzoeken en drogredeneringen
onder de enige redelijke oplossing blijft proberen uit te praten, namelijk het volledig
vergoeden van mondzorg voor iedereen.
De leden van de SP-fractie lezen dat de Minister tegen het volledig opnemen van mondzorg
in het basispakket inbrengt dat «in 2024 64% van de volwassen verzekerden een aanvullende
zorgverzekering had met mondzorgdekking en daarmee dus toegang tot mondzorg». Zouden
die niet net zo goed profiteren van opname in het basispakket, omdat zij zich dan
niet meer aanvullend hiervoor hoeven te verzekeren? Bovendien is het niet regelen
van verzekerde toegang tot essentiële zorg voor één op de drie Nederlanders nog altijd
slecht uitlegbaar. Waarom blijft de Minister dan toch met dit soort argumenten komen?
Het kabinet herkent zich niet in de uitspraak dat mondzorg voor 1 op de 3 Nederlanders
niet toegankelijk is. Ook voor mensen die niet verzekerd zijn voor mondzorg kan mondzorg
nog steeds financieel toegankelijk zijn. Deze mensen betalen de tandartsrekening dan
uit hun eigen middelen. Kortom, dat in 2024 64% van de volwassenen aanvullend verzekerd
was voor mondzorg, betekent niet dat de overige 36% de tandarts niet bezocht.
Het klopt dat mensen mogelijk niet meer aanvullend verzekerd hoeven te zijn voor de
mondzorg als het pakket uitgebreid zou worden. Of iedereen met een aanvullende verzekering
ervan zou profiteren is nog onzeker en van verschillende factoren afhankelijk. De
premies zouden bij een pakketuitbreiding namelijk voor iedereen stijgen. Het is daarnaast
mogelijk dat gezonde volwassenen dan meer via de premies én het eigen risico zouden
betalen dan wat zij nu betalen aan een aanvullende verzekering. Dit hangt ook af van
de vraag in hoeverre het eigen risico vol wordt gemaakt aan andere zorg. Ook zou de
dekking van mondzorg in het basispakket minder uitgebreid kunnen zijn vergeleken met
de huidige aanvullende verzekeringen. Bovendien ligt er nog geen advies over uitbreiding
van mondzorg in het pakket. De gevolgen daarvan kunnen dus nu niet voldoende inzichtelijk
gemaakt worden.
De leden van de SP-fractie lezen dat de Minister het niet-uitvoeren van de motie Dijk8 deels uitlegt met het argument dat dit niet binnen de Zorgverzekeringswet zou passen.
Waarom past de Minister de Zorgverzekeringswet dan niet gewoon op dit punt?
Het is een fundamenteel uitgangspunt van de Zorgverzekeringswet dat er een medische
indicatie moet zijn om in aanmerking te komen voor aanspraak vanuit het basispakket.
Dit aanpassen zou grote gevolgen hebben voor ons zorgstelsel en de financiële houdbaarheid
daarvan. Dit is om deze reden niet haalbaar en is bovendien ook geen beleidsinzet
van het kabinet. Graag verwijst het kabinet ook naar wat een eerder kabinet over dit
onderwerp heeft gedeeld.9
De leden van de SP-fractie lezen daarnaast het argument «dat circa 40% van de mensen
na een tandartscontrole nog aanvullende (curatieve) mondzorg nodig hebben» om controles
niet te vergoeden. Is dat niet de wereld op zijn kop? Is dat niet eerder een argument
om alle mondzorg dan te vergoeden uit het basispakket?
Dat circa 40% van de mensen na een tandartscontrole aanvullende mondzorg nodig hebben,
is geen argument om mondzorg niet te vergoeden, maar om te benadrukken dat het alleen
vergoeden van een jaarlijkse controle geen efficiënte maatregel is. Dit omdat tandartscontroles
relatief betaalbaar zijn voor de meeste volwassenen en er uiteindelijk financiële
dekking gevonden moet worden voor eventuele pakketmaatregelen.
De leden van de SP-fractie vragen of de Minister in ieder geval bereid is om nu concrete
stappen te zetten om het mijden van mondzorg om financiële redenen tegen te gaan.
Is hij bijvoorbeeld bereid om een pilot op te zetten om mondzorg te vergoeden zoals
dit momenteel in de gemeente Groningen is geregeld?
Het kabinet ziet dat er vanuit gemeentelijke regelingen en lokale initiatieven ook
een forse bijdrage wordt geleverd om mondzorgmijding om financiële redenen terug te
dringen en waardeer al deze initiatieven. Door het vorige kabinet is de Kamer geïnformeerd
over de mogelijkheden die er al zijn vanuit lokaal beleid en leerpunten hierin. Het
kabinet vindt het ontzettend waardevol dat de inzichten die in de «gemeentepilots»
zijn opgedaan zijn vertaald in een leidraad voor alle gemeenten. Gemeenten die hiermee
aan de slag willen, worden zo op weg geholpen. Het kabinet kan gemeenten niet voorschrijven
hoe zij hun beleid inrichten, maar kan wel haar waardering uitspreken voor initiatieven
zoals deze. De mogelijkheden om mondzorg te vergoeden voor minima zijn eind 2025 gedeeld.
Hieruit is gebleken dat deze regelingen de nodige uitdagingen kennen qua budget en
doelmatigheid. Dit zijn belangrijke overwegingen in een tijd waarin het kabinet zich
genoodzaakt ziet om maatregelen te nemen om premiedruk beheersbaar te houden en ook
voor toekomstige generaties de beschikbaarheid van passende zorg te kunnen garanderen.
Gezien deze opgave zijn er geen extra middelen vrijgemaakt voor de toegankelijkheid
van mondzorg. Wel zijn in het AZWA afspraken gemaakt op het gebied van medische preventie.
Onderdeel hiervan vormt een ontwikkelagenda waarbij in samenspraak met de relevante
AZWA-partijen maatregelen in kaart worden gebracht die zorgvraag kunnen tegengaan.
Mondzorg voor minima is één van de onderwerpen op deze ontwikkelagenda. Deze maatregelen
worden nader onderbouwd, zodat daarna besluitvorming kan plaatsvinden voor welke maatregelen
budget beschikbaar komt. Voor de jaren 2027 en 2028 is € 45 miljoen gereserveerd in
zijn totaliteit. Dit voorjaar zal blijken of mondzorg wel of niet in aanmerking komt
voor een (beperkt) deel van deze middelen. Let wel, dit zou dan een eventuele pilot
betreffen en geen structurele maatregel.
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
De leden van de 50PLUS-fractie danken de Minister voor de toezending van de brief
over mondzorg en financiële toegankelijkheid. Zij willen hierbij nog wel een vraag
stellen.
De Minister geeft op pagina 5 en 6 van de brief aan dat op zijn verzoek het Zorginstituut
heeft getoetst of mondzorg voor volwassenen aan de toegangscriteria voor de Zorgverzekeringswet
valt. Volgens het Zorginstituut valt preventieve mondzorg voor volwassenen niet onder
de criteria van te verzekeren zorg; op behandeling gerichte mondzorg kán wel daaronder
vallen. Er wordt echter niet aanbevolen door het Zorginstituut om op behandeling gerichte
mondzorg al in het pakket op te nemen.
De leden van de 50PLUS-fractie stellen zich op het standpunt dat dit geen recht doet
aan het belang van mondzorg. Preventieve controles kunnen voorkomen dat zich ernstiger
klachten ontwikkelen, klachten waarvoor zorg nodig is die wel onder de Zorgverzekeringswet
valt. Anders gezegd: preventieve controles kunnen de maatschappij heel veel zorgkosten
besparen. Mensen met weinig geld zullen eerder geneigd zijn deze zorg te mijden, omdat
het voor hen simpelweg niet op te brengen is. Met het risico dat bij hen zich ernstiger
klachten ontwikkelen, met alle gevolgen van dien. De kosten gaan voor de baten uit.
In dat licht is het wat genoemde leden wel degelijk een goed idee om deze preventieve
controles te vergoeden. Niet via een noodfonds, maar standaard. De leden van de 50PLUS-fractie
ontvangen graag een uitgebreide reflectie van de Minister hierop.
Het kabinet onderschrijft het belang van goede preventieve mondzorg. Preventieve mondzorg
is belangrijk voor het behoud van een goede mondgezondheid en kan voorkomen dat er
klachten ontstaan. De zorgverzekering is echter niet gericht op het vergoeden van
preventieve zorg zonder medische indicatie. Ook kunnen niet altijd alle oplossingen
gevonden worden in het basispakket, waarvan wij de kosten met zijn allen dragen. De
grenzen van het basispakket zijn er ook om de totale kosten beheersbaar te houden.
Waar het gaat om specifieke regelingen voor minima, is gebleken dat deze maatregelen
allen de nodige uitdagingen kennen, waaronder het op een doelmatige manier bereiken
van de doelgroep die nu mondzorg mijdt.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier