Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Schilder en Moinat over het bericht ‘Leeuwarden kampt met drugsoverlast en dakloosheid. ‘We kunnen dit niet accepteren’’
Vragen van de leden Schilder en Moinat (beiden Groep Markuszower) aan de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het bericht «Leeuwarden kampt met drugsoverlast en dakloosheid. «We kunnen dit niet accepteren»» (ingezonden 3 maart 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid), mede namens de Minister van
Langdurige Zorg, Jeugd en Sport (ontvangen 16 maart 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Drugsoverlast en dakloosheid in Leeuwarden. «We kunnen
dit niet accepteren»»1 in het Nederlands Dagblad van 2 maart 2026?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe verklaart u de toename van het drugsgebruik, specifiek in Leeuwarden? Valt deze
toename te koppelen aan het niet effectief opsporen en invorderen van cocaïne in onze
havens? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
Leeuwarden heeft, net als veel grote steden in Nederland, te maken met (drugs)criminaliteit.
In vergelijking met steden van vergelijkbare grootte scoort Leeuwarden niet beter
of slechter. In algemene zin geldt dat rioolwatermetingen een waardevolle aanvulling
kunnen zijn op andere onderzoeken naar drugsgebruik. Een lokale meting, zoals in Leeuwarden,
biedt een indicatie van het gebruik van drugs in een bepaald onderzoeksgebied. De
uitkomsten van rioolwatermetingen vereisen dan ook altijd een (lokale) kwalitatieve
duiding. De toename kan het gevolg zijn van meer gebruik door een kleine groep gebruikers,
hetzelfde gebruik door een grotere groep gebruikers of een hogere zuiverheid van de
gebruikte drugs. Op basis van de huidige gegevens zie ik geen duidelijke trendbreuk
ten opzichte van eerdere onderzoeken, maar wel een bevestiging dat blijvende inzet
op preventie noodzakelijk is.
Onderzoekers Pieter Tops en Edward Van der Torre stellen in hun rapport «Leeuwarder
Ondermijning» uit 2023 dat criminele netwerken actief zijn in de stad.2 Volgens hen zijn dit geen lokale, maar uit de Randstad afkomstige netwerken die in
heel Nederland en ook in het buitenland actief zijn. Deze netwerken maken gebruik
van de goede infrastructuur in Nederland, ook in Noord-Nederland. Daarnaast biedt
het uitgestrekte, relatief dunbevolkte Friese platteland mogelijkheden om illegaal
drugs te produceren en op te slaan. Net als in andere Nederlandse gemeenten maken
slechte sociaaleconomische omstandigheden mensen kwetsbaar voor criminaliteit en uitbuiting.
Doordat Leeuwarden een centrumgemeente is, bevindt zich hier een relatief groot aantal
kwetsbare personen. Bovendien leeft een groot gedeelte van de inwoners van de stad
rondom het sociaal minimum en is er sprake van generatiearmoede. Financiële problemen
gaan vaak gepaard met schuldenproblematiek en een slechte gezondheid. Daarnaast heeft
Leeuwarden een centrumfunctie voor het uitgaansleven in de regio. Dit kunnen verklaringen
zijn voor een relatief hoger gebruik van drugs, met name in het weekend. Het laat
ook zien dat de aanpak van drugscriminaliteit én het terugdringen van drugsgebruik
kennis van de lokale situatie en een lokale aanpak vergt. Het drugsgebruik in Leeuwarden
is met andere woorden niet direct en enkel te koppelen aan het opsporen en invorderen
van cocaïne in onze havens.
Vraag 3
Welke toename en trends ziet u in het gebruik van legale structuren door ondermijnende
bendes, specifiek ingezet voor de drugshandel? Kunt u specifiek per onderdeel aangeven
waarop deze vermoedens gebaseerd zijn en welke middelen daartegen momenteel ingezet
worden?
Antwoord 3
Nederland heeft als handelsland internationaal een unieke positie als knooppunt in
logistiek, transport, financiële dienstverlening en digitale infrastructuur, waarbij
tussen (inter)nationale partners veel gegevens en goederen worden uitgewisseld. Criminelen
maken hiervan misbruik voor hun drugshandel. Zo worden leegstaande schuren van boeren
misbruikt voor de productie van drugs, wordt illegaal meegelift op transportlijnen
en wordt vastgoed aangekocht voor criminele activiteiten of het witwassen van crimineel
verdiend vermogen.
Als breder fundament onder de bestrijding van ondermijning door georganiseerde criminaliteit
is het in ontwikkeling zijnde Dreigingsbeeld Ondermijning Nederland (DON) straks van
grote waarde. Dit dreigingsbeeld richt zich op de ondermijnende effecten die het gevolg
zijn van georganiseerde criminaliteit, welke systeemkwetsbaarden ondermijning in de
hand werken, welke infrastructuren kwetsbaar zijn voor crimineel misbruik en brengt
in beeld waar maatschappelijke schade optreedt. Daarmee geeft het DON ook inzicht
welke publieke en private partijen voor de aanpak (nog meer) moeten worden gemobiliseerd.
Om meer inzicht te krijgen in de aard en omvang van criminaliteit tegen het bedrijfsleven,
is in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek de Monitor Criminaliteit
Bedrijfsleven (MCB) geherintroduceerd. Naar verwachting wordt eind dit jaar daarvan
de eerste editie opgeleverd. Op basis van onder meer die informatie kunnen we de inzet
tegen ondermijnende criminaliteit specifieker richten.
In de tussentijd zitten de partners en ik echter niet stil. Om criminele inmenging
in legale economische sectoren en structuren tegen te gaan, wordt zowel specifiek
als breder ingezet op het weerbaar maken van ondernemers tegen ondermijnende criminaliteit.
Binnen het mainportsprogramma wordt op de grote logistieke knooppunten, zoals de havens
van Rotterdam, Vlissingen/Terneuzen, het Noordzeekanaalgebied, de luchthaven Schiphol
en de bloemenveiling nauw samengewerkt tussen publieke en private organisaties om
barrières op te werpen tegen georganiseerde criminaliteit en organisaties minder kwetsbaar
te maken voor criminele inmenging en misbruik.
In de halfjaarbrief ondermijnende criminaliteit van 10 juni 20253 ben ik uitgebreid ingegaan op mijn aanpak voor een weerbare economie, en de aanpak
van criminele geldstromen. De gezamenlijke inspanningen van de financiële sector en
overheidspartners om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan, voorkomen
dat de financiële sector misbruikt wordt door criminelen voor het uitvoeren van criminele
transacties en het witwassen van criminele verdiensten. Binnen criminele geldstromen
wordt het anti-witwasbeleid mede gebaseerd op het National Risk Asssessment Witwassen,
dat witwasrisico’s identificeert. U bent over de voortgang van het witwasbeleid geïnformeerd
door de Minister van Financiën, mede namens mij, in december vorig jaar.4
Omdat criminelen de opgeworpen barrières binnen de financiële sector proberen te omzeilen
met een eigen systeem van ondergronds bankieren, ligt binnen de aanpak van criminele
geldstromen ook nadrukkelijk focus op de aanpak van ondergronds bankieren, mede op
basis van een WODC-onderzoek naar dit onderwerp5. Over de opvolging van dit onderzoek bent u op 2 februari door mijn voorganger, mede
namens de Minister van Financiën, geïnformeerd.6 Op basis van de WODC-bevindingen en nadere gesprekken met partners zal ik mij bij
de aanpak van ondergronds bankieren specifiek richten op het aanpakken van:
• Trade based money laundering (TBML),
• het cash-compensatie model (CCM) en
• het crimineel gebruik van cryptovaluta.
Ik zal de Kamer via de voortgangsbrieven over de nieuwe anti-witwasaanpak en ondermijning
op de hoogte houden.
Meer algemeen wordt vanuit het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC) publiek-privaat
samengewerkt en uitvoering gegeven aan het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026.7 Zo zijn er in de agrarische sector vertrouwenspersonen aangesteld en loopt het project
Veilig Buitengebied, worden in de transportsector actiedagen georganiseerd voor de
preventieve en repressieve aanpak van criminele inmenging en is voor het tegengaan
van crimineel gebruik van vastgoed de poortwachtersfunctie versterkt. Naast deze maatregelen
zijn de Platforms Veilig Ondernemen (PVO’s) actief in alle regio’s om ondernemers
bewust te maken van de risico’s die zij lopen en praktisch handelingsperspectief te
bieden om hun personeel en bedrijfsvorming weerbaar te maken tegen criminele inmenging.
Naar aanleiding van een eerdere motie van Lid Mutluer (GroenLinks-PvdA) is een handreiking
kwetsbare branches opgesteld en het project Weerbare branches gestart vanuit MKB-Nederland,
VNO-NCW en PVO-Nederland.8 Komend jaar wordt samen met publieke en private partners gewerkt aan het nieuwe Actieprogramma
Veilig Ondernemen 2027–2030, waarin ook de resultaten van de MCB zullen worden meegenomen.
Vraag 4
Welke extra landelijke middelen worden ter ondersteuning aangeboden aan gemeentes
als Leeuwarden?
Antwoord 4
Het kabinet ondersteunt gemeenten bij de aanpak van drugsgebruik en de daarmee samenhangende
criminaliteit binnen bestaande landelijke kaders. Het nationale beleid ten aanzien
van drugsgebruik is landelijk uniform en richt zich op preventie, gezondheidsbescherming
en het bieden van toegankelijke hulp aan mensen die problemen ervaren met middelengebruik.
Instellingen zoals het Trimbos-instituut worden gefinancierd om materialen en interventies
te ontwikkelen die gemeenten en professionals hierbij ondersteunen. Daarnaast is vanuit
Verslavingskunde Nederland (VKN) een basispakket verslavingspreventie ontwikkeld,
dat bestaat uit een geïntegreerd aanbod van kwalitatief goede, effectieve interventies
die gemeenten op maat kunnen afnemen bij lokale aanbieders, afgestemd op plaatselijke
behoeften. Het is aan gemeenten om binnen dit landelijke kader lokaal invulling te
geven aan preventie, bijvoorbeeld via Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD), preventiecoalities
of regionale zorgaanbieders. Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van het Ministerie
van Volksgezondheid en Sport (VWS) het Modelplan Lokaal Drugspreventiebeleid ontwikkeld.
Het modelplan is een concreet format, die een gemeente helpt bij het ontwikkelen van
een effectief, integraal en lokaal drugspreventiebeleid.
Voor de aanpak van ondermijnende, georganiseerde criminaliteit worden gemeenten verder
onder andere ondersteund door het Landelijke Informatie en Expertisecentrum (LIEC),
de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie
en Veiligheid (CCV). Het RIEC-Noord Nederland is actief in de regio Leeuwarden en
biedt de gemeente ondersteuning bij analyse en advisering bij casuïstiek in de aanpak
van ondermijning. Het RIEC/LIEC bestel wordt gefinancierd door de Rijksoverheid.
Leeuwarden neemt bovendien deel aan het landelijke programma Preventie met Gezag (PmG)
van JenV. De gemeente heeft PmG gepositioneerd binnen het eigen programma Leeuwarden-Oost.
Met PmG Leeuwarden-Oost werken preventieve en justitiële partners samen om jongeren/jongvolwassenen
(8–27 jaar) uit de criminaliteit te halen en te houden. Dit wordt op verschillende
manieren gedaan.
Jongeren op scholen in Leeuwarden-Oost worden weerbaarder tegen ondermijnende criminaliteit
dankzij een geïntegreerd aanbod van Halt en Jongerenwerk. Daarnaast worden jongeren,
indien nodig, individueel begeleid.
Ten slotte versterkt de gemeente Leeuwarden de samenwerking tussen de PmG-partners
en het netwerk binnen Leeuwarden-Oost. Hierdoor weten professionals elkaar inmiddels
goed te vinden en weten zij wat ze van elkaar kunnen verwachten. Dit bevordert efficiëntie
en de benutting van verschillende expertises. Het meest belangrijk is dat dit de ondersteuning
van jongeren ten goede komt.
Vraag 5
Bent u het met de leden eens dat er een direct verband bestaat tussen normalisatie
van softdrugs en de toename van het gebruik en de normalisatie van harddrugs?
Antwoord 5
Er is sprake van normalisering wanneer drugs goed beschikbaar zijn, veel jongeren
ermee experimenteren, gebruik sociaal geaccepteerd wordt en zichtbaar is in popcultuur
en het dagelijks leven. Uit recent onderzoek in Noord-Brabant9 blijkt dat vooral cannabisgebruik aan deze kenmerken voldoet; harddrugsgebruik niet.
Hoewel het in dit onderzoek niet om landelijke gegevens gaat valt gezien de omvang
van het onderzoek wel te verwachten dat het landelijke beeld er niet heel anders uit
ziet. Uit de trends in drugsgebruik die al jaren worden bijgehouden in de Nationale
Drug Monitor blijkt niet dat een toename van het gebruik van één middel automatisch
leidt tot een toename van het gebruik van andere middelen. Zo zien we afgelopen jaren
een lichte stijging in het XTC-gebruik, maar ook een daling in het lachgasgebruik,
terwijl het cannabisgebruik relatief stabiel gelijk blijft. Zo bezien lijkt er geen
verband te bestaan tussen het gebruik van softdrugs als cannabis enerzijds en het
gebruik van harddrugs als XTC anderzijds. Waarschijnlijk spelen gedeelde onderliggende
factoren – zoals genetische aanleg, psychologische kenmerken en sociale of omgevingsinvloeden –
een belangrijker rol bij zowel softdrugs- als harddrugsgebruik.
Vraag 6
Bent u het met de leden eens dat de normalisatie van harddrugs onwenselijk is en zeer
schadelijke maatschappelijke gevolgen met zich meebrengt, in het bijzonder voor jongeren?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
Ja, daar is het kabinet het mee eens. Drugsgebruik past niet binnen een normale, gezonde
leefstijl en brengt altijd gezondheidsrisico’s met zich mee. Daarnaast verdienen criminele
netwerken veel geld aan het gebruik van drugs. Drugshandel is het dominante verdienmodel
van deze criminele netwerken. Dit betekent omgekeerd dat drugsgebruik bijdraagt aan
de instandhouding van een criminele industrie. Mede om deze redenen is normalisering
van harddrugsgebruik onwenselijk.
Vraag 7
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om drugshandel van/door minderjarigen te
bestrijden. Welke digitale opsporingsmiddelen is de Minister bereid daarvoor in te
zetten?
Antwoord 7
Voor het eerste deel van de vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Voor de bestrijding van drugshandel kan de politie onder gezag van het Openbaar Ministerie
(bijzondere) opsporingsbevoegdheden inzetten die zij wettelijk tot hun beschikking
hebben. Er is een aantal mogelijkheden om onderzoek te doen naar online illegale activiteiten.
Zo zijn er bij de politie (digitaal) rechercheurs die OSINT (open source intelligence)-onderzoeken
kunnen doen op het internet. Zij verrichten onderzoek in publiek toegankelijke bronnen
door het verzamelen en analyseren van informatie. Indien er geautomatiseerde werken
en/of gegevensdragers zoals telefoons of computers in beslag zijn genomen, kunnen
na toestemming van het Openbaar Ministerie (OM), (digitaal) rechercheurs en data-specialisten
deze ook onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren. Indien er sprake is van betalingen
in virtuele valuta kan er ook financieel onderzoek worden gedaan naar de mogelijke
criminele geldstromen die gepaard gaan met onlinehandel.
Verder kunnen politie en OM onder specifieke voorwaarden verkeers- en gebruikersgegevens
vorderen bij aanbieders van communicatiediensten.
Ten aanzien van online illegale content kunnen toezichthouders als de Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en Politie, wanneer
zij dergelijke inhoud tegenkomen, daarvan melding maken bij hostingsdiensten en online
platforms. Dit is dezelfde mogelijkheid als die individuele personen hebben op grond
van artikel 16, eerste lid, van de Digital Services Act (DSA). De DSA verplicht deze
online aanbieders om illegale content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra
zij er kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de
beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. In Nederland is de Autoriteit
Consument en Markt (ACM) de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door
in Nederland gevestigde aanbieders van tussenhandeldiensten. De Europese Commissie
houdt primair toezicht op naleving van de DSA door zeer grote online platforms en
zeer grote onlinezoekmachines.
Strafrechtelijk kan de officier van justitie in geval van verdenking van een misdrijf
als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv),
met een machtiging van de rechter-commissaris aan een aanbieder van een communicatiedienst
bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken (artikel 125p Sv). In het geval aan aanbieder
buiten Nederland is gevestigd, zal een bevel via een internationaal rechtshulpverzoek
uitgevaardigd moeten worden.
Vraag 8
Kunt u aangeven hoe u uitvoering geeft aan de eerdere landelijke ambitie om dakloosheid
uiterlijk in 2030 sterk terug te dringen, en of deze doelstelling nog steeds geldt?
Antwoord 8
De doelstelling om uiterlijk in 2030 dakloosheid te beëindigen, geldt nog steeds.
Met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis (2023–2030)
geeft het kabinet invulling aan die doelstelling. De Minister van Langdurige Zorg,
Jeugd en Sport gaat, met de bestaande middelen die hier structureel voor zijn gereserveerd
en in samenwerking met alle andere betrokken partijen, onverminderd aan de slag met
de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid.
Vraag 9
Wilt u deze vragen uiterlijk vrijdag 13 maart beantwoorden?
Antwoord op vraag 9
Ik heb hiernaar gestreefd, maar dat is helaas net niet gelukt.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede namens
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.