Schriftelijke vragen : Het opheffen van vreemdelingenbewaring van een criminele vreemdelingen wegens vermeend ‘inhumane’ opeenvolgende IBS-periodes.
Vragen van de leden Ceulemans en Boomsma (beiden JA21) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het opheffen van vreemdelingenbewaring van een criminele vreemdelingen wegens vermeend «inhumane» opeenvolgende IBS-periodes (ingezonden 16 maart 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de recente uitspraak van de Rechtbank van Noord-Holland, waarbij
de bewaring van een criminele en als ongewenst vreemdeling aangemerkte Marokkaanse
onderdaan is opgeheven omdat meerdere opeenvolgende perioden van vreemdelingenbewaring
bij elkaar zijn opgeteld en als «inhumaan» zijn aangemerkt, terwijl betrokkene op
het punt stond te worden uitgezet en de laissez-passer al gereed lag?
Vraag 2
Kunt u uiteenzetten op welke juridische grond in deze zaak de opeenvolgende inbewaringstellingperiodes
(IBS-periodes) zijn samengeteld en tot «inhumane» bewaring zijn bestempeld, en hoe
dit zich verhoudt tot de Terugkeerrichtlijn én het door de Europese Commissie opgestelde
Return Handbook, waarin juist wordt benadrukt dat bij een reëel vooruitzicht op verwijdering
– bijvoorbeeld wanneer een laissez-passer (LP) gereed is – de uitvoering van de terugkeer
voorrang behoort te hebben op invrijheidstelling? Waarom wijkt de Nederlandse praktijk
in dit geval af van deze duidelijke aanbevelingen, nota bene met betrekking tot een
criminele en ongewenst verklaarde vreemdeling?
Vraag 3
Hoe beoordeelt u het risico voor de openbare orde en veiligheid wanneer criminele
vreemdelingen die uitzetbaar zijn, voor wie reisdocumenten gereed liggen en die bovendien
als ongewenst vreemdeling zijn aangemerkt, toch in vrijheid worden gesteld enkel vanwege
de optelling van eerdere IBS-periodes?
Vraag 4
Deelt u, mede gelet op het uitgangspunt dat lidstaten onder het Unierecht primair
verantwoordelijk blijven voor de bescherming van de nationale veiligheid en openbare
orde, en op het feit dat de Terugkeerrichtlijn expliciet voorziet in detentie van
illegaal verblijvende derdelanders die een risico vormen voor de openbare orde of
de uitvoering van de terugkeerprocedure, de mening dat hiermee de effectieve bescherming
van de Nederlandse samenleving tegen gevaarlijke en ongewenst verklaarde recidivisten
onaanvaardbaar wordt ondermijnd? Zo nee, waarom niet?
Vraag 5
Bent u het ermee eens dat deze uitspraak in de praktijk betekent dat niet-meewerken
aan terugkeer, het traineren van procedures en het strategisch indienen en weer intrekken
van asielaanvragen en rechtsmiddelen door vreemdelingen en hun advocaten wordt beloond,
omdat de door hen zelf veroorzaakte vertraging vervolgens wordt aangegrepen om bewaring
op te heffen, zelfs wanneer het gaat om een criminele, ongewenst verklaarde vreemdeling
voor wie een LP gereed ligt? Zo nee, waarom niet?
Vraag 6
Welke concrete maatregelen bent u bereid op korte termijn en op langere termijn te
nemen om te voorkomen dat dit soort misbruik van recht nog langer loont en om te waarborgen
dat ongewenst verklaarde criminelen met een groot recidiverisico zoals deze daadwerkelijk
kunnen worden uitgezet?
Vraag 7
Bent u bekend met andere gevallen waarin vreemdelingenbewaring van (criminele) derdelanders,
al dan niet ongewenst verklaard, is opgeheven omdat meerdere IBS-periodes bij elkaar
zijn opgeteld en als «inhumaan» zijn aangemerkt, ondanks dat er uitzicht bestond op
uitzetting en in voorkomende gevallen sprake was van recidivegevaar? Zo ja, om hoeveel
zaken gaat het in de afgelopen twaalf maanden, wat is de aard van deze zaken, en kunt
u de Kamer daarover een overzicht sturen inclusief delictcategorie, ongewenststatus,
en reden voor opheffing van de bewaring?
Vraag 8
Hoe verhoudt de in deze uitspraak gevolgde lijn zich volgens u tot de nieuwe aanstaande
Europese Terugkeerverordening, die juist beoogt het terugkeerbeleid te versterken
en te uniformeren, en deelt u de analyse dat met dergelijke uitspraken Nederland zichzelf
klem zet als we het Europese kader zo uitleggen dat criminele, ongewenst verklaarde
vreemdelingen eerder profiteren van juridische subtiliteiten dan dat de samenleving
wordt beschermd? Zo nee, waarom niet?
Vraag 9
Deelt u de opvatting dat criminele derdelanders die een gevaar vormen voor de openbare
orde, die ongewenst zijn verklaard, bij wie recidivegevaar bestaat en die in principe
uitzetbaar zijn, zeker wanneer de LP al gereed ligt, in bewaring moeten blijven totdat
hun terugkeer daadwerkelijk is gerealiseerd, en dat het onacceptabel is dat zij door
juridisch getouwtrek toch op straat belanden? Zo nee, waarom niet?
Vraag 10
Welke mogelijkheden ziet u om, binnen het huidige Unierechtelijke kader, nationaal
beleid en regelgeving zo aan te scherpen dat opeenstapeling van detentieperiodes en
procedureel getraineer niet langer kan leiden tot een de facto immuniteit tegen uitzetting
voor criminele, ongewenst verklaarde en recidivegevoelige vreemdelingen zonder verblijfsrecht?
Bent u bereid de Kamer hierover op korte termijn concrete voorstellen te doen?
Vraag 11
Bent u bereid om in Europees verband, onder verwijzing naar deze casuïstiek, te pleiten
voor verduidelijking en aanscherping van de regels rond (hernieuwde) bewaring in de
nieuwe Terugkeerverordening, zodat lidstaten niet langer worden gehinderd om dergelijke
criminele, overlastgevende en ongewenstverklaarde vreemdelingen vast te houden totdat
hun uitzetting feitelijk is uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Vraag 12
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden, vóór 23 april 2026?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Simon Ceulemans, Tweede Kamerlid -
Mede ondertekenaar
Diederik Boomsma, Tweede Kamerlid