Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Schilder en Lammers over berichtgeving dat een 9-jarig meisje mogelijk tot de slachtoffers van Jeffrey Epstein behoort, zoals naar voren komt uit recent gepubliceerde Epstein-documenten
Vragen van de leden Schilder en Lammers (beiden Groep Markuszower) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over berichtgeving dat een 9-jarig meisje mogelijk tot de slachtoffers van Jeffrey Epstein behoort, zoals naar voren komt uit recent gepubliceerde Epstein-documenten (ingezonden 11 februari 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 13 maart 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1219
Vraag 1
Bent u bekend met de zogenoemde Epstein Files Transparency Act en met de recente publicatie
van circa drie miljoen documenten uit het Epstein-dossier door het Amerikaanse Ministerie
van Justitie?1
Antwoord 1
Ik ben bekend met de berichtgeving omtrent de publicatie.
Vraag 2
Erkent u de relevantie van dit onderwerp, gezien de gruwelijke details die elke dag
meer bekend worden en de grote gevolgen voor de slachtoffers en de maatschappij?
Antwoord 2
Dat het hier een bijzonder omvangrijke en heftige zaak betreft staat buiten kijf.
Het moet ontzettend pijnlijk zijn voor de slachtoffers om steeds weer met de details
van deze zaak te worden geconfronteerd.
Vraag 3, 4 en 5
Bent u bekend met het feit dat in deze documenten meerdere Nederlanders worden genoemd?
Bent u bekend met een e-mailwisseling waarin Epstein aan een Nederlands model zou
hebben geschreven: «you owe me 2 girls», en kunt u aangeven hoe u deze uitlating duidt?2
Deelt u de mening dat uit de gepubliceerde communicatie Nederlandse betrokkenheid,
hetzij in de vorm van slachtofferschap, hetzij in de vorm van daderschap of medeplichtigheid
kan blijken?
Antwoord 3, 4 en 5
Ik ben bekend met wat hierover in de berichtgeving is gemeld. Ik geef als Minister
geen duiding aan individuele casuïstiek, en acht het meer in zijn algemeen van belang
dat voorzichtigheid en terughoudendheid wordt betracht bij het trekken van conclusies
wanneer niet over alle details wordt beschikt.
Vraag 6 en 7
Deelt u de opvatting dat het van groot belang is om elke vorm van Nederlandse betrokkenheid
zorgvuldig te onderzoeken, uit te sluiten dan wel te vervolgen, en dat dit des te
relevanter is gezien de omvangrijke betrokkenheid van personen uit onder meer ons
buurland het Verenigd Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen of ontkrachten dat het Openbaar Ministerie eerder onderzoek heeft
gedaan naar mogelijke Nederlandse betrokkenen binnen het netwerk van Epstein, direct
dan wel indirect? Indien dit niet het geval is, kunt u toelichten waarom niet?
Antwoord 6 en 7
De afweging om al dan niet onderzoek te doen naar mogelijke strafbare feiten is aan
het Openbaar Ministerie (OM). Het OM heeft mij laten weten dat er bij hen thans geen
Nederlandse zaken of onderzoeken bekend zijn die raken aan het Epstein-dossier. Daarbij
is het van belang om op te merken dat voor het starten van een opsporingsonderzoek
altijd sprake zal moeten zijn van concrete feiten en omstandigheden die erop wijzen
dat strafbare feiten zijn gepleegd en waarover Nederland rechtsmacht heeft.
Vraag 8
Bent u bereid onderzoek te laten instellen naar mogelijke Nederlandse betrokkenheid,
en daarbij, indien noodzakelijk, gebruik te maken van zijn aanwijzingsbevoegdheid,
algemeen dan wel bijzonder, met het oog op het bevorderen van gerechtigheid voor Nederlandse
en internationale slachtoffers en het voorkomen van ongestrafte betrokkenheid?
Antwoord 8
Uiteraard onderschrijf ik altijd het belang van gerechtigheid voor slachtoffers en
het uitblijven van straffeloosheid. Zoals ik in het antwoord op de vragen 6 en 7 aangaf,
is de afweging om al dan niet een strafrechtelijk onderzoek in te stellen aan het
OM. U wijst op de mogelijkheid van de aanwijzingsbevoegdheid. Daarbij moet worden
opgemerkt dat een algemene aanwijzing dient voor beleidskwesties, prioriteiten en
werkwijzen van het OM in het algemeen. Op de kwestie waar uw vraag op ziet kan deze
dus niet van toepassing zijn. Met het geven van een bijzondere aanwijzing in individuele
zaken ga ik terughoudend om. Gelet op bovenstaande en het antwoord op de vragen 6
en 7 zie ik geen aanleiding om gebruik te maken van mijn bijzondere aanwijzingsbevoegdheid.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.