Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Boomsma en Nanninga over de publicatie van ''Het 7 Oktober-effect'', een studie naar antisemitisme en zionistenhaat in het hoger onderwijs
Vragen van de leden Boomsma en Nanninga (beiden JA21) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de publicatie van «Het 7 oktober-effect, een studie naar antisemitisme en zionistenhaat in het hoger onderwijs» (ingezonden 28 januari 2026).
Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 13 maart
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1089
Vraag 1
Kent u het onderzoeksrapport «Het 7 oktober-effect, Joodse en Israëlische ervaringen
te midden van anti-Israëlische stromingen, zionistenhaat en antisemitisme aan Nederlandse
hogescholen en universiteiten», een studie van Amanda Kluveld en Eliyahu V. Sapir?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Kunt u een reactie geven op de constateringen, overwegingen, conclusies en aanbevelingen
van dit rapport dat een documentatie bevat van gebeurtenissen op Nederlandse universiteiten
en hogescholen vanaf 7 oktober 2023 en dat een proces schetst van radicalisering,
een toename van antisemitisme en een sluipende normalisatie daarvan?
Antwoord 2
Er is in onze samenleving, en zeker ook op onze onderwijsinstellingen, geen plek voor
antisemitisme. Ik vind het dan ook onacceptabel dat Joodse studenten en medewerkers
antisemitisme ervaren en zich niet altijd veilig voelen op hun onderwijsinstelling.
Ik blijf mij daarom samen met onderwijsinstellingen inzetten om antisemitisme te bestrijden
en de veiligheid van (Joodse) studenten en medewerkers te verbeteren.
Om na te gaan welke maatregelen mogelijk zijn om de veiligheid van Joodse studenten
en medewerkers op universiteiten en hogescholen te verbeteren heeft het kabinet in
februari 2025 de Taskforce Antisemitismebestrijding (hierna: Taskforce) ingesteld.
Deze Taskforce heeft begin februari 2026 haar eindverslag gepubliceerd.2 Het kabinet zal uw Kamer in het voorjaar een beleidsreactie op dit eindverslag sturen
en aangeven op welke wijze we antisemitisme op universiteiten en hogescholen bestrijden.
Vraag 3
Bent u van mening dat sinds de publicatie van het eerdere onderzoek «Onveilige Ruimtes:
de opkomst van antisemitisme in de Nederlandse academische wereld» waarin één van
de bevindingen was dat bijna dertig procent van de ondervraagden aangaven dat hun
universiteit geen betekenisvolle actie ondernam na melding van antisemitisme, er significante
vooruitgang is geboekt ten aanzien van de meldingen en de opvolging ervan?3
Antwoord 3
Ja, ik ben van mening dat onderwijsinstellingen zich continue inzetten om de veiligheid
van Joodse studenten en medewerkers te verbeteren. Ook zetten zij zich dagelijks in
om klacht- en meldvoorzieningen te verbeteren. Het kabinet heeft eind 2024, grofweg
gelijktijdig met publicatie van het door u aangehaalde onderzoek, de kabinetsbrede
Strategie Bestrijding Antisemitisme gepubliceerd.4 Als onderdeel van deze strategie is in juli 2025, in opdracht van het Ministerie
van OCW, een verkenning naar de ervaringen van Joodse studenten en medewerkers met
klacht- en meldvoorzieningen uitgevoerd, als onderdeel van een breed onderzoek naar
klacht- en meldvoorzieningen.5 Uit het onderzoek blijkt dat (Joodse) studenten en medewerkers een gebrek aan opvolging
bij klachten ervaren en dat zij bij ongelijke machtsverhoudingen afhoudend zijn bij
het doen van meldingen over een docent of collega. De onderzoekers concluderen dat
er soms beperkte kennis lijkt te zijn bij functionarissen van meld- en klachtvoorzieningen
en andere medewerkers die met Joodse studenten werken over welke uitingen, specifiek
voor Joden, als kwetsend of antisemitisch kunnen worden ervaren. Voor een uitgebreide
reactie op dit onderzoek naar klacht- en meldvoorzieningen, verwijs ik u naar de Kamerbrief
van mijn ambtsvoorganger over sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen.6
Om, in lijn met de aanbevelingen uit de verkenning, de kennis over antisemitisme bij
functionarissen en medewerkers van klacht- en meldvoorzieningen te verbeteren werk
ik samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) aan handreikingen
voor vertrouwenspersonen en andere functionarissen, docenten en leidinggevenden over
het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Ook hebben instellingen in reactie
op de verkenning aangegeven, dat zij nagaan hoe de infrastructuur in den brede beter
kan worden ingericht op kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, waaronder Joodse studenten
en medewerkers.
Vraag 4, 5 en 6
Hoe beoordeelt u de veiligheid van joodse studenten en docenten op dit moment, in
het licht van de getuigenissen zoals opgenomen in dit rapport?
In hoeverre herkent u de bevinding van het rapport dat de intimiderende, agressieve
sfeer van protesten en manifestaties en het onversneden antisemitisme dat hierbij
geregeld de kop opsteekt, bij een groot aantal Joodse studenten en medewerkers heeft
geleid tot angst, stress en/of het verbergen van tekenen van joodse identiteit? Over
welke andere gegevens, onderzoeken of rapporten beschikt u op dat vlak?
Herkent u de signalen in het rapport dat Joodse, Israëlische of andere studenten in
sommige gevallen hun studie afbraken en dat medewerkers hun heil elders zochten? In
hoeverre wordt nu in kaart gebracht of studenten en/of medewerkers om de bovenstaande
redenen stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen? Deelt u de mening dat
dit onacceptabel is en dat dit moet worden gemonitord?
Antwoord 4, 5 en 6
Ik herken het beeld dat Joodse studenten en medewerkers zich niet (altijd) veilig
voelen op de instelling en dat zij daar ernstige gevolgen van ondervinden. Zoals in
mijn beantwoording van vraag 2 aangegeven heeft het kabinet in februari 2025 de Taskforce
Antisemitismebestrijding ingesteld, voor de duur van één jaar. De Taskforce heeft
gewerkt aan voorstellen om de veiligheid van Joden te bevorderen, in het bijzonder
de veiligheid van Joodse studenten op universiteiten, het weren van antisemitische
sprekers op hogescholen en universiteiten en veiligheidsconsequenties van de sit-ins
op ov-stations. De Taskforce heeft onlangs haar eindverslag opgeleverd.7
De Taskforce concludeert dat, ondanks inspanningen van instellingen, Joodse studenten
en medewerkers (sociale) onveiligheid ervaren op onderwijsinstellingen. De Taskforce
constateert daarbij ook dat Joodse studenten en medewerkers hier ernstige gevolgen
van ondervinden, zoals het zich genoodzaakt voelen om de identiteit te verbergen,
het mijden van de campus of het stoppen met de opleiding aan de instelling. Ik vind
dit onacceptabel. Studenten en medewerkers moeten zich veilig weten op hun onderwijsinstelling.
Er wordt niet gemonitord hoe vaak studenten en medewerkers stoppen met hun studie
of hun betrekking beëindigen wegens (ervaren) antisemitisme of onveiligheid. Universiteiten
en hogescholen registreren de geloofsovertuigingen van studenten en medewerkers niet.
Het is daarom niet bekend hoe vaak en waarom Joodse studenten en medewerkers stoppen
met hun studie of hun betrekking beëindigen. Ik vind het van groot belang dat Joodse
studenten en medewerkers zich veilig voelen op hun instelling. In de kabinetsreactie
op het advies van de Taskforce zal ik hier nader op ingaan.
Het kabinet stuurt uw Kamer in het voorjaar een uitgebreide reactie op het eindverslag
van de Taskforce Antisemitismebestrijding.
Vraag 7
Hoe ziet u de conclusie in het rapport dat universiteiten en hogescholen op dit moment
tekortschieten om Joodse studenten en medewerkers te beschermen? Welke concrete maatregelen
zijn genomen of worden nog genomen om ervoor te zorgen dat onderwijsinstellingen in
dezen aan hun zorgplicht voldoen?
Antwoord 7
Zie ook mijn antwoord op vraag 4, 5 en 6.
Er worden, zowel door mij als door de onderwijsinstellingen, verschillende acties
ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen te verbeteren. Mijn ambtsvoorganger
heeft uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke
veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden
ingezet.8 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om
een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis
en good practices te delen. Ook zijn er gesprekken met de veiligheidsdiensten om effectief
te kunnen handelen als protesten uit de hand lopen. Ik werk aan een handreiking voor
vertrouwenspersonen over het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Daarnaast
bespreek ik het onderwerp en alle lopende acties regelmatig met de Nationaal Coördinator
Antisemitismebestrijding (NCAB) en met Joodse studenten en medewerkers.
Zoals aangegeven ontvangt uw Kamer nog een uitgebreide kabinetsreactie op het eindverslag
van de Taskforce Antisemitismebestrijding. In deze reactie gaat het kabinet ook in
op de aanbevelingen uit het eindverslag.
Vraag 8
Welke lessen heeft u getrokken uit het verloop van protesten en sit-ins en de manier
waarop universiteiten daar de afgelopen twee jaar mee zijn omgegaan? Welke mogelijkheden
tot verbetering ziet u en in hoeverre ziet u dat deze verbeteringen nu worden opgepakt
en geïmplementeerd? Graag een toelichting.
Antwoord 8
Ik zie dat bestuurders zich dagelijks inspannen om de veiligheid van (Joodse) studenten
en medewerkers op de instelling te borgen. Ook zie ik dat er veel acties worden en
zijn verricht op dit vlak (zie ook mijn antwoord op vraag 7). Het eindrapport van
de Taskforce Antisemitismebestrijding onderkent dit ook en geeft aan dat instellingen
acties hebben ondernomen, zoals het opstellen van een richtlijn protesten9, het evalueren van veiligheidsbeleid en het versterken van de afstemming met de lokale
driehoek.
De Taskforce geeft ook aan dat er nog verbeteringen mogelijk zijn en doet verschillende
aanbevelingen. Zoals aangegeven in beantwoording op voorgaande vragen ontvangt u in
het voorjaar een uitgebreide reactie op het eindverslag en de aanbevelingen van de
Taskforce.
Vraag 9
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de universitair docent die tot voor kort werkzaam
was aan de Radboud Universiteit te Nijmegen, die Hamas verheerlijkte op zijn X-account
en pleitte voor steun en bewapening van deze terreurorganisatie? Wat vindt u van de
aansporing van deze docent aan zijn studenten – te horen op een audio-opname – om
bij te dragen aan de strijd voor het «voor eens en altijd beëindigen van het zionisme»?10, 11, 12
Antwoord 9
Het spreekt voor zich dat ik het verheerlijken van en het uitspreken van steun aan
terreurorganisaties van de hand wijs. Het is verder niet aan mij als Minister van
OCW om uitspraken te doen over individuele casuïstiek. Instellingen hebben aangegeven
dat zij altijd aangifte doen bij vermoedens van strafbare feiten, en zij studenten
en medewerkers bijstaan die aangifte willen doen. Het is aan het OM en uiteindelijk
de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Vraag 10
Hoe beoordeelt u de handelwijze van de universiteit ten aanzien van deze geradicaliseerde
docent?
Antwoord 10
Instellingsbesturen zijn verantwoordelijk voor een veilige leer- en werkomgeving,
ik zie dat zij zich hier dagelijks voor inspannen. Het is aan een instellingsbestuur
om, als werkgever, zo nodig maatregelen te nemen richting haar medewerkers. Het is
dan ook niet aan mij als Minister van OCW om het handelen van een instellingsbestuur
in een van haar arbeidsrelaties te beoordelen. Ik vind dat in het onderwijs, onderzoek
en bij verschillende activiteiten die op instellingen georganiseerd worden van docenten
mag worden verwacht dat zij zich bewust zijn van hun voorbeeldfunctie en dat zij zorgen
voor ruimte voor diversiteit aan inzichten. Ik verwacht dat instellingen hun verantwoordelijkheid
nemen in de zorg voor een veilige leer- en werkomgeving voor studenten en medewerkers
en hierbij het reguliere instrumentarium inzetten dat zij hiervoor beschikbaar hebben,
variërend van aanspreken, berispen tot en met ontslag en aangifte. De inzet en proportionaliteit
van de maatregelen hangt af van de aard en ernst van de situatie, dit ter beoordeling
door de instelling als werkgever.
Vraag 11
Bent u van mening dat eerder had moeten worden opgetreden tegen een docent die zich
op een dergelijke manier gedraagt? Welke lessen kunnen/moeten universiteiten leren
ten aanzien van deze situatie?
Antwoord 11
Zie mijn antwoord op vraag 10. Daarbij heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer onlangs
per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten
en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.13 In deze brief gaat mijn ambtsvoorganger onder andere in op het gezamenlijk leren
van instellingen in de vorm van kennisdeling tussen instellingen, wat bijdraagt aan
een gedeelde kennispositie en harmonisering van advisering aan besturen. Daarbij geeft
hij aan dat de managers Integrale Veiligheid van de universiteiten wekelijks bij elkaar
komen om een gezamenlijk dreigingsbeeld te maken door onder andere de actuele situatie
te bespreken en ervaringen, kennis en good practices uit te wisselen. De hogescholen delen kennis en ervaringen met name tussen instellingen
die in hetzelfde geografische gebied liggen, tussen instellingen van vergelijkbaar
karakter, tussen (vertrouwens)functionarissen en breder in het landelijke Platform
Integrale Veiligheid en op bestuurlijk niveau. Zo wordt eenduidig en efficiënt omgegaan
met de ontwikkelde kennis en ervaring.
Vraag 12
Heeft u overwogen om in het kader van deze problematiek een beroep te doen op de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die de mogelijkheid biedt om
instellingen die falen in het beoefenen van hun publieke taken een aanwijzing te geven
of andere maatregelen te nemen als onderdeel van de systeemverantwoordelijkheid van
de Minister, wanneer sprake is van wanbeheer? Graag een toelichting.
Antwoord 12
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Zie mijn antwoord op vraag 13 voor een algemene
toelichting.
Vraag 13
Kunt u schetsen in welke gevallen de Minister zou overgaan tot het geven van een aanwijzing
en/of het treffen van een maatregel tegen instellingen? Wanneer zou hier sprake van
zijn?
Antwoord 13
Wanneer de Inspectie van het Onderwijs na gedegen onderzoek in een rapport tot de
conclusie komt dat er sprake is van wanbeheer in de zin van de Wet op hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek (WHW), heb ik als Minister van OCW de mogelijkheid de
Raad van Toezicht van de betreffende instelling een aanwijzing te geven. Een aanwijzing
houdt in dat ik de Raad van Toezicht een opdracht geef tot het nemen van een of meer
maatregelen. Het geven van een aanwijzing is het ultimum remedium en dient daarom,
net als de inhoud, proportioneel te zijn. Eerst moet worden geprobeerd om het doel
van de aanwijzing met een minder zwaar middel te bereiken. In welke gevallen en op
welk moment ik overga tot het geven van een aanwijzing moet ik per casus en binnen
de context daarvan bezien.
Vraag 14
Wat vindt u van de aanbeveling in het rapport om verplichte voorlichting te geven
over antisemitisme, vergelijkbaar met trainingen over grensoverschrijdend gedrag?
Antwoord 14
De Taskforce Antisemitismebestrijding gaat in haar aanbevelingen ook in op de kennis
over antisemitisme bij (vertrouwenspersonen van) instellingen. Zoals aangegeven zal
het kabinet aan het eind van het voorjaar uitgebreid reageren op het eindverslag en
de aanbevelingen van de Taskforce.
Vraag 15
Zijn er op dit moment organisaties actief op Nederlandse universiteiten en hogescholen
die in andere Europese landen zijn verboden en/of worden beschouwd als terroristische
of radicale bewegingen dan wel daar nauwe banden mee hebben? Welke informatie is daarover
beschikbaar en in hoeverre wordt dit onderzocht?
Vraag 15
Zijn er op dit moment organisaties actief op Nederlandse universiteiten en hogescholen
die in andere Europese landen zijn verboden en/of worden beschouwd als terroristische
of radicale bewegingen dan wel daar nauwe banden mee hebben? Welke informatie is daarover
beschikbaar en in hoeverre wordt dit onderzocht?
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.