Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 en het Omgevingsbesluit in verband met de versterking van de regie op de volkshuisvesting (Besluit versterking regie volkshuisvesting) (Kamerstuk 28325-301)
28 325 Bouwregelgeving
Nr. 304
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 13 maart 2026
De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening over de brief van 19 december 2025 over het Ontwerpbesluit tot wijziging
van het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit
toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 en het Omgevingsbesluit in verband met
de versterking van de regie op de volkshuisvesting (Besluit versterking regie volkshuisvesting)
(Kamerstuk 28 325, nr. 301).
De vragen en opmerkingen zijn op 11 februari 2026 aan de Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening voorgelegd. Bij brief van 13 maart 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Beckerman
Adjunct-griffier van de commissie, Beekmans
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
1.
De leden van de D66-fractie lezen dat de keuze voor het nemen van het landelijk gemiddelde
sociale huur als ijkpunt volgens rekenvoorbeelden kan leiden tot een lagere bijdrage
van verschillende gemeenten in een regio.1 Kan de Minister toelichten hoe wordt geborgd dat alle gemeenten eerlijk bijdragen
binnen de verdeling van de invulling van de betaalbaarheidseisen?
Elke gemeente moet haar bijdrage leveren om de regionale doelstelling van 2/3e betaalbare woningen, waarvan 30% sociale huurwoningen te behalen. Gemeenten maken
daarom afspraken over de verdeling van de programmering van betaalbare woningen in
de woningbouwregio. Op een aantal manieren is dat in het ontwerpbesluit versterking
regie volkshuisvesting (hierna: ontwerpbesluit) gewaarborgd.
Allereerst moeten gemeenten een extra stap zetten in de bouw van woningen in het segment
dat ondervertegenwoordigd is in de betreffende gemeentelijke woningvoorraad. Gemeenten
met minder sociale huurwoningen dan het landelijk gemiddelde moeten gedurende een
periode van tien jaar in ieder geval 30% sociale huurwoningen realiseren. Gemeenten
met meer sociale huurwoningen in de voorraad dan het landelijk gemiddelde moeten in
ieder geval 40% realiseren voor mensen met middeninkomens, middenhuur en betaalbare
koop. Daarnaast moeten alle gemeenten gezamenlijk bijdragen aan de realisatie van
twee derde betaalbare woningen en 30% sociale huurwoningen in de regio. Bovenstaande
is een verplichting en niet vrijblijvend. Op grond van de Omgevingswet kunnen provincie
of Rijk via instructies interveniëren richting achterblijvende gemeenten. Zo dragen
het wetsvoorstel en het ontwerpbesluit bij aan een fair share-verdeling van de bouw
van voldoende betaalbare woningen over de woningbouwregio en het behalen van de betaalbaarheidsdoelstellingen.
De hoogte van het ijkpunt voor sociale huurwoningen heeft geen invloed op het realiseren
van de regionale doelstelling. Het ijkpunt bepaalt alleen of een gemeente extra focus
moet leggen, op de programmering van sociale huur of op de programmering van woningen
in het middensegment. Uit de gegevens over de DAEB-voorraad van gemeenten blijkt dat meer dan 2/3e van alle gemeenten de focus legt op het realiseren van sociale huurwoningen.
Bovendien is het uitgangspunt dat de opdracht die een gemeente moet uitvoeren (30%
sociaal of 40% in het middensegment) voor een periode van 10 jaar ongewijzigd blijft.
Dat is belangrijk voor de uitvoeringspraktijk waarbij bestuurlijke afspraken worden
gemaakt over een langere termijn op basis waarvan gemeenten vervolgens het aantal
betaalbare woningen programmeren voor een langere termijn.
2.
Deze leden vragen de Minister uiteen te zetten wat de beoogde vervolgstappen zijn
als afspraken over de verdeling van de betaalbaarheidsdoelstelling in een regio na
een jaar uitblijven. In de Nota van Toelichting (NvT) wordt verwezen naar de mogelijkheden
die Rijk en provincies hebben. Is de Minister van mening dat het Rijk of de provincie
hier in eerste instantie aan zet is?
Uitgangspunt is dat gemeenten in goed overleg en onder regie van de provincie afspraken
maken over de onderlinge verdeling van de betaalbare woningen in de woningbouwregio.
Dit past ook bij de bestuurlijke verhoudingen in algemene zin en de ervaringen op
dit gebied die zijn opgedaan met de bestuurlijke samenwerking bij de regionale woondeals.
Wanneer de afspraken over de totale aantallen en het aantal betaalbare woningen zijn
gemaakt, wordt de eigen opgave door gemeenten vastgelegd in hun volkshuisvestingsprogramma.
Gemeenten leggen daarbij ook vast welke maatregelen zij gaan nemen om deze opgave
te realiseren.
Ik wil voorkomen dat de totstandkoming van de afspraken te lang duurt. Daarom is in
de nota van toelichting van het ontwerpbesluit verduidelijkt dat binnen een half jaar
na inwerkingtreding van de wet afspraken gemaakt moeten zijn om deze op tijd in het
volkshuisvestingsprogramma te laten landen. Het volkshuisvestingsprogramma wordt een
jaar na inwerkintreding van het wetsvoorstel verplicht. Dat betekent dat gemeenten
ruim daarvoor afspraken gemaakt moeten hebben om deze tijdig in het volkshuisvestingsprogramma
te landen. Op basis van de eerder genoemde ervaring die is opgedaan bij het maken
van afspraken bij de totstandkoming van de woondeals acht ik het wenselijk dat gemeenten
deze afspraken binnen een half jaar na inwerkingtreding de wet maken. Het is van belang
dat de sturing op de betaalbaarheidsdoelstellingen voor medeoverheden goed uitvoerbaar
is, maar tegelijkertijd is het van belang dat het overleg tijdig tot afspraken leidt.
Waar tijdige afspraken over de verdeling van de betaalbare woningen in de woningbouwregio
uitblijven, zal de provincie knopen doorhakken. Dat kan via instructieregels of een
instructiebesluit (op grond van respectievelijk artikel 2.33 en artikel 2.34 van de
Omgevingswet) op het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma over het regionale aandeel
dat een gemeente dient op te nemen. De provincie is, gegeven de bestuurlijke verhoudingen
in het omgevingsrecht, in eerste instantie aan zet. Waar nodig kan ik ook zelf de
knoop doorhakken. Provincies zijn inmiddels aan de slag met de voorbereiding van deze
afspraken.
3.
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast of de Minister kan toelichten wat de
gevolgen zijn van het wijzigen van het ingangsmoment van de instandhoudingstermijn
voor betaalbare koopwoningen.
Het ingangsmoment van de instandhoudingstermijn voor betaalbare koopwoningen wordt
met het ontwerpbesluit gewijzigd van de ingebruikname van de woning naar het moment
van sluiten van de koopovereenkomst. Het gevolg hiervan is tweeledig. Allereerst zorgt
deze wijziging ervoor dat de regeling in het ontwerpbesluit overeenkomt met de fiscale
voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor hypotheekrenteaftrek. Om in aanmerking
te kunnen komen voor hypotheekrenteaftrek, moet namelijk ook fiscaal sprake zijn van
eigendom van de woning. Hierbij is van belang dat de waardeontwikkeling van een koopwoning
voldoende voor rekening komt van de eigenaar. Voor de periode waarover de waardeontwikkeling
wordt bepaald, wordt het moment van aankoop van de woning als vertrekpunt genomen.
De wijziging is daarmee essentieel voor de rechtszekerheid van de koper over de hypotheekrenteaftrek
en de mogelijkheid om financiering voor de aankoop van een betaalbare woning rond
te krijgen.
Het tweede gevolg van deze wijziging is dat de instandhoudingstermijn voor betaalbare
koopwoningen voortaan eerder zal ingaan, namelijk vóór het moment dat de woningen
in gebruik worden genomen. Als het gaat om gerealiseerde woningen die gebruiksklaar
worden verkocht, zal dit verschil in de praktijk gering zijn. Voor woningen die tijdens
het bouwproces worden verkocht, kan het verschil groter zijn. In dit geval kan het
voorkomen dat de instandhoudingstermijn op het moment van ingebruikname van de woning
al voor een deel is verstreken. De gemeente bepaalt, wanneer zij regels stelt over
de samenstelling van de woningvoorraad, de instandhoudingsduur van een betaalbare
koopwoning binnen de kaders van dit ontwerpbesluit. Deze termijn moet tussen de een
en tien jaar bedragen. Bij het bepalen van deze instandhoudingsduur kan de gemeente
daarbij ook rekening houden met bovenstaande verschuiving.
4.
Deze leden vragen of jongeren die uitstromen uit een jongerenwoning volgens de Minister
ook onder de aandachtsgroep «starters» vallen. Zo nee, waarom niet?
Ja, ook jongeren die uitstromen uit een jongerenwoning zijn in het ontwerpbesluit
aangemerkt als aandachtsgroep. In het ontwerpbesluit is geregeld dat het gaat om woningzoekende
personen tussen de 18 en 30 jaar die voor het eerst een zelfstandige woning willen
betrekken als (mede)hoofdbewoner. Hieronder vallen ook (oud-)studenten die op grond
van een tijdelijk contract op grond van het Besluit specifieke groepen tijdelijke
huurovereenkomst of een campuscontract tijdelijk een zelfstandig woonruimte hebben
gehuurd gedurende het volgen van een studie. Meestal zullen zij na het afronden van
hun studie een tijdelijke woonruimte verlaten en als starter een vervolgstap maken
in hun wooncarrière.
5.
Kan de Minister voor de leden van de D66-fractie uiteenzetten hoe de leegstandheffing
zich verhoudt tot de andere instrumenten om leegstand tegen te gaan zoals genoemd
in de NvT?
De leegstandbelasting een extra instrument voor gemeenten om leegstand te bestrijden
met een financiële prikkel parallel aan de instrumenten verankerd in de Leegstandwet.
De instrumenten van de Leegstandwet zijn gericht op het tegengaan van leegstand middels
een leegstandverordening, een meldplicht en toezicht op leegstand en de mogelijkheid
voor eigenaren om tijdelijke verhuurvergunningen aan te vragen. De leegstandbelasting
kan na twaalf maanden leegstand opgelegd worden aan de eigenaar die begin dat kalenderjaar
eigenaar van de woning is als de gemeente dit zo heeft geregeld in een belastingverordening.
Beide instrumenten kunnen gelijktijdig worden ingezet bij eenzelfde eigenaar. De voorkeur
geniet dat gemeenten ofwel gebruik maken van een leegstandverordening op basis van
de Leegstandwet, ofwel gebruik maken van de leegstandbelasting op basis van de Gemeentewet.
Via een modelverordening die de VNG gaat opstellen kan dit nader worden geduid.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
6.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het goed is dat er gekozen
wordt voor een uniformering van definities. Deze leden zien daarbij echter dat er
tussen de verschillende categorieën verschillende randvoorwaarden gelden. Zo is er
gekozen om de instandhoudingstermijn van een sociale huurwoning vast te leggen op
25 jaar, terwijl die van een middenhuurwoning slechts 10 jaar is. Wat is de reden
van dit verschil? Wat betekent dit voor de prijzen waarmee middenhuurwoningen na 10 jaar
verhuurd kunnen worden? Wat verandert er na 10 jaar in de aard van de woning, waardoor
het ineens voor een veel hogere huur verhuurd mag worden? Wat zijn de effecten van
de veranderde staatssteunregels voor middenhuurwoningen op de instandhoudingstermijn
die je redelijkerwijs zou kunnen vastleggen? Waarom is er niet gekozen om betreft
de instandhoudingstermijn één lijn te trekken voor alle categorieën? Waarom is er
geen instandhoudingstermijn vastgelegd voor betaalbare koopwoningen? Wat is het effect
van deze keuze op de betaalbaarheid van deze woningen op de lange termijn?
De instandhoudingstermijn is een belangrijk instrument om te waarborgen dat een betaalbare
woning die wordt gerealiseerd, vaak met inzet van publieke middelen, ook gedurende
een bepaalde termijn in stand wordt gehouden als betaalbare woning. Om die reden regelt
dit ontwerpbesluit dat een woning alleen als betaalbare woning wordt aangemerkt als
de instandhoudingstermijn is gewaarborgd conform de definities in dit ontwerpbesluit.
De gemeente waarborgt deze instandhoudingstermijn via het privaatrecht (zoals een
anterieure overeenkomst) of via regels in het omgevingsplan, al dan niet gecombineerd.
Voor alle betaalbare woningen regelt het ontwerpbesluit een instandhoudingstermijn.
Ook voor betaalbare koopwoningen.
De instandhoudingstermijn is op grond van het ontwerpbesluit ten minste 25 jaar voor
een sociale huurwoning die niet in beheer is bij een woningcorporatie. Deze termijn
wordt gehanteerd om ervoor te zorgen dat een sociale huurwoning, gegeven de volkshuisvestelijke
opgave, ook langjarig beschikbaar is voor de doelgroep en niet al op korte termijn
wordt verkocht. Voor een sociale huurwoning in beheer bij een woningcorporatie geldt
geen instandhoudingstermijn omdat voor woningcorporaties al voldoende waarborgen bestaan
voor instandhouding van de sociale voorraad in de Woningwet, gezien het een Dienst
van Algemeen Economische Belang (DAEB) betreft. Voor middenhuurwoningen is deze termijn
ten minste tien jaar. Voor betaalbare koopwoningen is een instandhoudingstermijn opgenomen
van ten minste een jaar.
Om een aantal redenen is de instandhoudingstermijn voor sociale huurwoningen, middenhuur
en betaalbare koop niet dezelfde termijn. Ook in het huidige recht zijn deze termijnen
niet gelijk. De reden is dat een vastgelegde instandhoudingstermijn regulering is
van het eigendomsrecht, omdat gedurende de instandhoudingstermijn beperkingen gelden
ten aanzien van de maximale huurprijs die de eigenaar mag vragen of ten aanzien van
de maximale verkoopprijs van de koopwoning gedurende die termijn. De bescherming van
het eigendomsrecht, geregeld in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM),
vergt dat de inbreuk op het eigendomsrecht proportioneel is in verhouding tot het
publieke belang van de beschikbaarheid van betaalbare woningen. Naast de beschikbaarheid
van betaalbare woningen zal daarbij ook de omvang van de publieke bijdrage een rol
spelen bij de weging of de instandhoudingstermijn proportioneel is. De publieke bijdrage
is bij sociale huurwoningen hoger dan bij betaalbare koopwoningen. Voor betaalbare
koopwoningen is de maximale instandhoudingstermijn korter omdat de beperking dat de
eigenaar de woning niet mag verkopen boven de bovengrens van een betaalbare koopwoning
zwaar ingrijpt op het eigendomsrecht. Bij regels in het omgevingsplan bedraagt de
instandhoudingstermijn voor thans sociale (straks: betaalbare) koopwoningen minimaal
een en maximaal tien jaar. De gemeentelijke bevoegdheid om deze termijn vast te leggen
betreft een voortzetting van het huidige recht. De instandhoudingstermijn voor middenhuurwoningen
van minimaal tien jaar vormt ook een ongewijzigde voortzetting van het huidige recht.
Deze termijnen zijn dus beproefd in de huidige praktijk.
De instandhoudingstermijn die de gemeente voor nieuwe woningen kan vastleggen, werkt
voor de maximale huurprijs aanvullend op de regeling op grond van het woningwaarderingsstelsel
(WWS). Voor een middenhuurwoning en sociale huurwoning betekent dit dat gedurende
de instandhoudingsduur de maximale huurprijs niet meer mag bedragen dan de bovengrens
voor een middenhuurwoning of sociale huurwoning. Dat geldt tussen de gemeente en de
ontwikkelaar/rechtsopvolger in het kader van het omgevingsrechtelijk spoor, ook als
de huurprijs op grond van het puntenstelsel wel hoger mag zijn. Na het verstrijken
van de instandhoudingsduur vervalt deze aanvullende regeling. Dat betekent dat vanaf
dat moment de huurprijs uitsluitend wordt bepaald door de huurprijsregulering op grond
van het WWS of dat deze valt in het vrije segment.
Het gesorteerde effect van de nieuwe staatssteunregels van de Europese Commissie is
dat woningcorporaties ook geborgde leningen kunnen afsluiten voor de financiering
van middenhuurwoningen omdat dit dan ook een DEAB-taak wordt, waar ze dat nu alleen
kunnen voor sociale huurwoningen. Conform motie De Hoop2 zal vóór de zomer 2026 een plan van aanpak worden gezonden voor de implementatie
van de ruimte die het nieuwe EC Staatssteunbesluit biedt voor middenhuur, met inachtneming
van de kaders uit dat besluit. De verdere uitwerking hiervan zal in een wijziging
van de Woningwet zijn beslag krijgen.
7.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het zorgelijk dat er geen harde betaalbaarheidseisen
per gemeente of nieuwbouwproject worden geïntroduceerd. Deze leden zien een serieus
risico in het regionaal afstemmen van de betaalbaarheidseisen, zonder individuele
gemeenten de verantwoordelijkheid te geven voor de uitkomsten. Freeridergedrag ligt
daarmee op de loer. Waarom denkt de Minister dat gemeenten hun eerlijke deel in het
programmeren van betaalbare woningen toch gaan nemen? Welke maatregelen worden er
getroffen om het doel van twee derde betaalbaar landelijk zeker te bereiken? Hoe zorgt
de Minister ervoor dat dit ook snel gebeurt? Wat gebeurt er als de regio’s er niet
binnen de afgesproken zes maanden uitkomen? Hoe ziet de indeling van de verschillende
regio’s (op basis van interactie-effecten) eruit? Hoe zorgt de Minister ervoor dat
deze samenwerking vlot en in goede banen verloopt wanneer gemeenten die eerder niet
of weinig hebben samengewerkt op het gebied van volkshuisvesting in dezelfde woningbouwregio
worden geplaatst?
In het ontwerpbesluit is de balans gezocht tussen enerzijds het waarborgen van het
halen van de doelstellingen en anderzijds voldoende ruimte te bieden om aan te kunnen
sluiten bij de verschillende lokale situaties. Die ruimte voor maatwerk is vooral
op lokaal niveau noodzakelijk. Om die reden zijn de doelstellingen van twee derde
betaalbare woningen en 30% sociale huurwoningen niet geregeld op het niveau van een
gemeente, project of wijk, maar op regionaal, provinciaal en landelijk niveau. Deze
doelstelling is wettelijk verankerd in het ontwerpbesluit. Voor een uitgebreidere
toelichting op hoe in het ontwerpbesluit is geborgd dat elke gemeente een eerlijke
bijdrage levert, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 1.
De provincie stelt in de omgevingsverordening vast welke gemeenten samen een woningbouwregio
vormen. Dit gebeurt in afstemming met gemeenten. Uit de bestuurlijke overleggen is
mijn beeld dat vrijwel altijd wordt aangesloten bij de bestaande indeling van de regionale
woondeals en daarmee ook bij de praktijk waarin gemeenten al jaren samenwerken. Een
nadere toelichting over hoe ik zorg dat de verdeling van betaalbare woningen in de
woningbouwregio snel gebeurt en wat er gebeurt als partijen er niet binnen zes maanden
uitkomen, vindt u in mijn antwoord op vraag 2.
Er is bewust voor gekozen om geen betaalbaarheidseisen per project of per wijk aan
een gemeente op te leggen zodat die keuze vooral lokaal gemaakt kan worden. Lokale
omstandigheden zoals de financiële uitvoerbaarheid van een concreet project, maar
ook een evenwichtige samenstelling van een wijk met het oog op leefbaarheid spelen
daarbij een rol.
8.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen van
de nieuwe regering om naast 30 procent sociale huur ook 25 procent van de nieuwbouw
te bestemmen voor betaalbare koopwoningen. Deze leden vragen zich af welke effecten
dit heeft op de voorraad betaalbare huurwoningen. Is het programmeren van 11% middenhuur
gemiddeld genoeg voor wat er aan aanbod nodig is? Welke inkomensgroepen zijn geholpen
bij deze extra eis? En welke juist niet? Welke effecten heeft deze extra eis, gemiddeld,
op de businesscase van woningbouwprojecten? Welk effect van deze eis verwacht u op
de diversiteit aan verschillende prijscategorieën van de gebouwde middenhuur en betaalbare
koopwoningen? Op welke manier kan deze extra vereiste worden vastgelegd, moet dat
via de Wet versterking regie volkshuisvesting? Kan daarbij ook worden bepaald dat
de betaalbare koopwoningen niet allemaal tegen de maximale prijs worden opgeleverd
(de bovengrens van wat als betaalbare koopwoning mag worden gekwalificeerd)? Hoe kan
er worden gegarandeerd dat deze betaalbare koopwoningen ook op de lange termijn betaalbare
koop blijven zodat de belastingbetaler niet de onverdiende overwaarde van de eerste
koper subsidieert? Hoe kijken bouwers zoals woningcorporaties en pensioenfondsen naar
deze extra maatregel?
Er is niet alleen een groot tekort aan woningen voor mensen met een laag inkomen.
Ook veel mensen met een middeninkomen willen graag een betaalbare woning, waaronder
een betaalbare koopwoning. Daarom streeft het kabinet er bij nieuwe woondeals naar
twee derde betaalbare woningen te realiseren waarvan 30% sociale huurwoningen en 25%
betaalbare koopwoningen. Bij de uitwerking om in nieuwe woondeals te streven naar
25% betaalbare koopwoningen te realiseren zal ik goed kijken naar de uitvoerbaarheid
in de praktijk. Aandachtspunten zijn de grote lokale verschillen, de benodigde flexibiliteit
en het voorkomen van de verdringing van middenhuurwoningen. Ik zal uw Kamer informeren
over deze uitwerking, in ieder geval voor aanvang van het meireces.
Het ontwerpbesluit bevat uniforme definities ten aanzien van betaalbare koopwoningen.
Onderdeel daarvan is dat de instandhoudingstermijn geborgd moet zijn, om als betaalbare
koopwoning te worden aangemerkt. Dit zorgt ervoor dat ook na de bouw van een betaalbare
koopwoning deze gedurende de instandhoudingstermijn ten minste een jaar en ten hoogste
tien jaar na het sluiten van de koopovereenkomst als betaalbare koop in stand wordt
gehouden, ook bij doorverkoop aan een volgende koper. Die moeten gemeenten regelen
via het omgevingsplan of via privaatrechtelijk instrumentarium. De gemeente kan daarbij
ook bepalen dat de bovengrens lager ligt dan het maximum in het ontwerpbesluit. Dit
zal bijvoorbeeld vaak het geval zijn in regio’s waar de koopprijzen lager liggen,
of in gevallen waar gemeenten via flankerend beleid afspraken maken met de ontwikkelaar
voor een lagere prijs, in samenhang met bijvoorbeeld een lagere grondprijs.
9.
Aedes geeft aan dat het gemiddelde percentage sociale huurwoningen dalende is. Dat
betekent dat meer gemeenten zich kunnen onttrekken aan de verantwoordelijkheid om
extra sociale huurwoningen te bouwen. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen
zich af hoeveel gemeenten door het dalende gemiddelde (peil 2025 25,6%) geen verplichte
opdracht meer krijgen om 30% sociale huur te realiseren, ten opzichte van het gemiddelde
in de oorspronkelijke toelichting op de Wet versterking regie volkshuisvesting (peil
2022 27%). Is de Minister bereid om het ontwerpbesluit zo aan te passen dat er een
hard en ambitieus streefgetal wordt gebruikt in plaats van een dalend gemiddelde?
Welke effecten verwacht de Minister van het straffen van gemeenten die meer sociale
huur programmeren, ook al zitten ze al boven het gemiddelde (via lagere toekenning
van rijksmiddelen)? Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat er meer sociale huurwoningen
komen wanneer onderprestatie niet wordt afgestraft, maar overprestatie wel wordt gestraft?
Het doel van het kabinet is om twee derde betaalbare woningen te realiseren, waarvan
30% sociale huur. Zodat er in absolute zin meer betaalbare woningen worden gebouwd,
sociale huurwoningen én woningen in het middensegment. Deze doelstelling is wettelijk
geborgd in het ontwerpbesluit en in die zin dus een «hard getal». Het doel is dus
niet om te sturen op een bepaald aandeel sociale huurwoningen in de voorraad. In de
wijze waarop dit doel gerealiseerd moet worden is het belangrijk dat er meer balans
komt in de voorraad tussen gemeenten zodat mensen met een laag inkomen en met een
middeninkomen in alle gemeenten meer kans maken op een betaalbare woning. Het ijkpunt
voor het landelijke gemiddelde sociale huurwoningen is daarbij geen doelstelling maar
een middel om te zorgen voor meer balans in de woonvoorraad tussen gemeente.
De in het ontwerpbesluit wettelijke verankerde doelstelling om regionaal, provinciaal
en landelijk 30% sociale huurwoningen te realiseren, sluit aan bij wat met gemeenten
en corporaties is afgesproken in de Nationale prestatieafspraken 2024. Daarbij is
geconstateerd dat met de realisatie van 30% sociale huurwoningen de sociale huurvoorraad
in absolute zin zal groeien.
Ik wil voorkomen dat woningbouwprojecten stilvallen, omdat ze niet financieel haalbaar
zijn. Het uitgangspunt is dat gemeenten niet meer dan twee derde betaalbare woningen
programmeren. Wel kan het voor het realiseren van de regionale doelen nodig zijn dat
een gemeente meer dan 2/3 betaalbaar programmeert. Die ruimte biedt het ontwerpbesluit
daarom ook. Ik ontmoedig bovenmatige betaalbaarheidseisen via financiële regelingen
wanneer deze niet noodzakelijk zijn om de regionale doelen te bereiken. Zie hierover
ook het antwoord op vraag 18.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
10.
Op blz. 8 van het ontwerpbesluit wordt in artikel 4.32 de definitie van een sociale
huurwoning gegeven. Onder het vierde punt staat dat een huurwoning die wordt verhuurd
door een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet
en die valt onder de opgedragen diensten van algemeen economisch belang als bedoeld
in artikel 47, eerste lid, onder b, van de Woningwet, een sociale huurwoning is. De
leden van de PVV-fractie vragen de Minister of «onzelfstandige woonruimten» die vallen
onder Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB) ook het stempel van «sociale
huurwoning» krijgen.
Voor het bepalen van het aandeel sociale huurwoningen van woningcorporaties wordt
gekeken naar de voorraad woningen in het DAEB-segment. Gedeelten van een woonfunctie
voor afzonderlijke bewoning (kamergewijze verhuur) worden voor het bepalen of de programmering
in een volkshuisvestingsprogramma voldoet aan de betaalbaarheidsinstructies niet als
woning beschouwd. Een woning van een woningcorporatie die in de DAEB-voorraad zit,
met daarin vier onzelfstandige woonruimten (bijvoorbeeld kamers), wordt dus gezien
als één sociale huurwoning.
11.
Op blz. 12 van het ontwerpbesluit staat in Artikel 4.35 (provinciaal volkshuisvestingsprogramma)
o.a. dat een provinciaal volkshuisvestingsprogramma als bedoeld in artikel 3.8, vierde
lid, van de wet in ieder geval een beschrijving bevat van het beleid ter verwezenlijking
van de provinciale woningbouwopgave, waaronder in elk geval wordt verstaan beleid
gericht op het tot stand brengen van 130% bruto plancapaciteit in verhouding tot de
provinciale woningbouwopgave. In de eind 2024 aangenomen motie Mooiman (Kamerstuk
32 847, nr. 1272) werd de regering verzocht om alle provincies op te roepen om net als de provincie
Noord-Holland spoedig een realiteitscheck op de plancapaciteit uit te voeren, teneinde
tijdig tekorten te kunnen opsporen. De leden van de PVV-fractie willen de Minister
vragen of nu is gewaarborgd dat provincies periodiek (bijvoorbeeld elk kwartaal) hun
plancapaciteit onderwerpen aan een realiteitscheck.
Voldoende locaties zijn essentieel om de woningbouwopgave te realiseren. Voor de kortere
termijn (circa 5 jaar) is het van belang dat de ruimtelijke plannen voorzien in voldoende
realistische locaties met juridische zekerheid (harde plannen). Op deze locaties kan
de bouw van woningen relatief snel starten. Voor de langere termijn is het juist belangrijk
om flexibiliteit te behouden. Ik maak daarom in de instructie aan provincies ten aanzien
van de 130% bruto plancapaciteit in het ontwerpbesluit onderscheid tussen harde en
zachte plancapaciteit. Via de Landelijke Monitor Voortgang Woningbouw houd ik samen
met medeoverheden periodiek zicht op de totale plancapaciteit en het aandeel harde
plancapaciteit. Hierover voer ik halfjaarlijks overleg met provincies. Wanneer de
totale plancapaciteit of het aandeel harde plancapaciteit achterblijft, maken we afspraken
over wat er nodig is om deze naar het gewenste niveau te brengen.
12.
Op blz. 13 van het Besluit valt in lid 2 van artikel 4.36 (nationaal volkshuisvestingsprogramma)
te lezen dat het beleid, bedoeld in het eerste lid, onder b, voorziet wat betreft
de samenstelling van de woningvoorraad in ieder geval in de verwezenlijking van de
woningbouwopgave als het totale aantal te realiseren woningen: voor 30% uit sociale
huurwoningen bestaat; en b. voor twee derde uit betaalbare woningen bestaat. De leden
van de PVV-fractie willen de Minister vragen in hoeverre gemeenten en woningbouwregio’s
verantwoordelijk kunnen worden gehouden, als blijkt dat door onvoldoende beschikbare
rijksmiddelen genoemde ambities onhaalbaar zijn. Worden genoemde ambities dan naar
beneden bijgesteld?
De doelstelling van 2/3 betaalbaar en 30% sociaal sluit aan bij waar landelijk behoefte
aan is. Het langjarig vastleggen van deze betaalbaarheidsdoelstelling geeft duidelijkheid
aan overheden, marktpartijen en corporaties. De financiële haalbaarheid van de betaalbaarheidsdoelstelling
van 2/3 betaalbaar en 30% sociaal is in 2024 getoetst met medeoverheden, corporaties
en marktpartijen. De beschikbare middelen voor de komende vijf jaar zouden grotendeels
toereikend zijn om de meest directe kosten te dekken. Samen met medeoverheden, marktpartijen
en corporaties blijf ik in gesprek over de financiële haalbaarheid.3
Deze haalbaarheid wordt sterk beïnvloed op lokaal niveau. Zo hebben gemeenten invloed
hierop. Het gaat dan bijvoorbeeld over locatiekeuze en ambities voor groen, voorzieningen,
parkeeroplossingen en het soort woningen dat gebouwd wordt. Daarnaast is het belangrijk
dat gemeenten terughoudend zijn met aanvullende eisen en dat daar waar zij deze stellen,
zij flankerend beleid voeren. Een voorbeeld daarvan is het hanteren van lagere grondprijzen.
Om te voorkomen dat woningbouwprojecten stilvallen omdat ze financieel niet haalbaar
zijn, is het uitgangspunt dat gemeenten niet meer dan twee derde betaalbare woningen
programmeren. En daarnaast ook geen vaste betaalbaarheidspercentages hanteren per
project of per wijk. Wanneer gemeenten toch regels stellen die de financiële haalbaarheid
van projecten belemmeren waardoor de gemeente de opgave niet dreigt te realiseren,
kan ik via instructieregels of in een uiterst geval via een instructiebesluit ingrijpen.
13.
Op blz. 17 van het Besluit valt in artikel 7.8b, derde lid, te lezen dat een woningbouwregio
een voor de woningbouwopgave met het oog op een evenwichtige samenstelling van de
woningvoorraad als een eenheid aan te merken verzameling van gemeenten omvat binnen
het provinciale grondgebied en, voor zover van toepassing, nabijgelegen gemeenten
op het grondgebied van aangrenzende provincies. De leden van de PVV-fractie willen
aan de Minister vragen hoe kan worden gewaarborgd binnen een woningbouwregio dat woningbouwbelangen
van grote gemeenten niet de woningbouwbelangen van kleine gemeenten kunnen domineren.
Voor de realisatie van woningbouw is bestuurlijke samenwerking essentieel. Het wetsvoorstel
en het ontwerpbesluit bouwen voort op deze samenwerking. Onderdeel daarvan is dat
gemeenten niet alleen voldoende woningen bouwen gelet op hun eigen woningbehoefte
en lokale belangen, maar dat er ook wordt gekeken naar wat er regionaal nodig is.
Het ontwerpbesluit geeft daarbij heldere kaders voor het regionale doel waarbij iedere
gemeente moeten bijdragen. Binnen de woningbouwregio zijn alle gemeenten gelijkwaardig,
waarbij ook de provincie een belangrijke rol speelt om te komen tot een goede verdeling,
rekening houdend met de belangen van alle betrokken gemeenten.
14.
Op blz. 26 van de NvT staat dat op grond van de monitoringsplicht gemeenten informatie
moeten verzamelen en waar nodig aan de provincie kunnen verstrekken over het aantal
aanvragen voor indeling in een urgentiecategorie, het aantal besluiten tot indeling
in een urgentiecategorie (urgentieverklaringen), het aantal woonruimten dat in gebruik
is genomen op grond van een huisvestingsvergunning op basis van indeling in een urgentiecategorie
en de urgentiecategorieën waarvoor een huisvestingsvergunning op basis van urgentie
is verleend. De leden van de PVV-fractie willen aan de Minister vragen hoe de genoemde
gegevens moeten worden verzameld en verstrekt. En kan de Minister aangeven wat de
praktische gevolgen zijn voor particuliere sociale verhuurders en corporaties?
Gemeenten hebben een monitoringsplicht op basis van het nieuwe artikel 12, vijfde
lid van de Huisvestingswet 2014, in het wetsvoorstel. Het gaat daarbij om het aantal
verstrekte urgentieaanvragen en -toekenningen, en om het aantal huisvestingsvergunningen
dat is verstrekt aan de urgent woningzoekenden. De gemeente beschikt over deze gegevens
door haar wettelijke rol inzake urgentieaanvragen en -toekenningen, en door haar rol
inzake het verstrekken van huisvestingsvergunningen. Met deze gegevens kan de opgave
voor urgent woningzoekenden op termijn ook op landelijk, provinciaal en regionaal
niveau in kaart worden gebracht en kunnen alle overheden de beleidsmaatregelen in
hun volkshuisvestingsprogramma’s daarop laten aansluiten. Particuliere, sociale verhuurders
en corporaties hebben op het gebied van de monitoringsplicht geen rol; daardoor zijn
er voor hen geen praktische gevolgen te verwachten.
Bij het verzamelen en verstrekken van de genoemde gegevens is het wel van belang dat
duidelijk is om welke gegevens het exact gaat. Ook is van belang dat elke gemeente
de gegevens zodanig verstrekt dat deze gegevens op eenvoudige wijze kunnen leiden
tot overzichten op regionaal, provinciaal en landelijk niveau. Mocht daar aanleiding
toe zijn dan kan bij ministeriele regeling worden bepaald dat het college van burgemeester
en wethouders voor het overzicht gebruik maakt van een bij ministeriele regeling vastgelegd
formulier.
15.
Op blz. 31 van de NvT staat dat een beperkt aantal gemeenten een leegstandverordening
heeft. De leden van de PVV-fractie willen aan de Minister vragen hoeveel gemeenten
op dit moment een leegstandsverordening hebben, alsmede wat de toegevoegde waarde
kan zijn om een leegstandsverordening verplicht te stellen voor alle gemeenten.
Op dit moment hebben ongeveer dertig gemeenten een leegstandverordening vastgesteld.
Dit zijn veelal grote of middelgrote gemeenten. Enkele andere gemeenten hebben aangekondigd
in de nabije toekomst een leegstandverordening in te stellen. Niet alle gemeenten
hebben problemen met leegstand of bestrijden leegstand op een andere wijze. Bijvoorbeeld
door het aanstellen van een leegstandmanager. Het zou dus niet redelijk zijn alle
gemeenten te verplichten een leegstandverordening te implementeren. Daar waar leegstand
volgens de gemeente wel problematisch is, geef ik er de voorkeur aan dat zij een leegstandverordening
gebruiken. Een verplichting vind ik om bovengenoemde redenen niet wenselijk. Daarbij
komt dat ook het instrument van de leegstandbelasting op korte termijn beschikbaar
komt voor gemeenten. Zie hierover ook het antwoord op vraag 5.
16.
Op blz. 32 van de NvT staat dat het raadzaam is dat gemeenten in hun volkshuisvestingsprogramma
ook ingaan op de inspanningen die zij leveren op het gebied van doorstroming. Met
betrekking tot ouderen, kunnen gemeenten in het volkshuisvestingsprogramma onder meer
beschrijven hoe zij ouderen informeren en voorlichten, bijvoorbeeld over het vrijkomende
woningaanbod, of welke inspanningen zij leveren om ouderen van financieel advies te
voorzien. De leden van de PVV-fractie willen aan de Minister vragen of gemeenten verplicht
zijn om doorstroming als aandachtspunt op te nemen in het volkshuisvestingsprogramma.
En wat is de visie van de Minister om doorstroming van ouderen (wat de PVV betreft
altijd gebaseerd op volledige vrijwilligheid) ook te benoemen in het nationaal volkshuisvestingsprogramma
en daar een ruimhartige, landelijke stimuleringsregeling voor beschikbaar te stellen?
Het ontwerpbesluit verlangt dat gemeenten in hun volkshuisvestingsprogramma beschrijven
welke beleidsmaatregelen zij treffen om binnen de bestaande woningvoorraad in de woonbehoefte
te voorzien. Hierbij brengen ze specifiek de woonbehoefte van ouderen, starters en
andere aandachtsgroepen in kaart. Doorstroming is één van de instrumenten waarmee
gemeenten in de woonbehoefte kunnen voorzien, net als woningdeling, splitsen, optoppen
of vastgoedtransformatie. Gemeenten kunnen dus kiezen uit een breed palet aan mogelijkheden
en zijn niet verplicht specifieke beleidsinstrumenten gericht op doorstroming te hebben.
In het nationale volkshuisvestingsprogramma zal ook aandacht worden besteed aan het
belang van maatregelen om doorstroming te stimuleren. Samen met IPO, VNG en Aedes
kijk ik welke ondersteuning en informatie provincies, gemeenten en corporaties nodig
hebben bij een effectieve lokale doorstroomaanpak, zodat dit verwerkt kan worden in
de provinciale en lokale volkshuisvestingsprogramma’s. Daarnaast ben ik voornemens
informatie over haalbare en effectieve doorstroomaanpakken te verstrekken. Het ligt
niet voor de hand een landelijke stimuleringsregeling op te zetten omdat passend wonen
en effectief doorstroombeleid echt lokaal maatwerk zijn. Zoals in het coalitieakkoord
vermeld kijk ik naar de mogelijkheden voor een doorstroombank of -hypotheek. Over
de uitwerking hiervan zal ik uw Kamer rond de zomer informeren, samen met de evaluatie
van het convenant «Ouderen & Toekomstbestending Wonen».
17.
Op blz. 38 van de NvT valt te lezen dat provincies worden geacht de woonbehoefte van
ouderen, starters en andere in artikel 4.33 van het Besluit kwaliteit leefomgeving
opgenomen aandachtsgroepen expliciet te maken als onderdeel van de totale regionale
en provinciale woonbehoefte. De leden van de PVV-fractie willen voor de zekerheid
aan de Minister vragen of de aandachtsgroep «economisch daklozen» hierbij wordt meegenomen.
Op welke manier heeft de Minister rekening gehouden met de inzet van tijdelijke huurcontracten
door gemeenten en corporaties om «economisch daklozen» te helpen?
De aandachtsgroepen worden aangewezen in het voorgestelde artikel 4.33 van het Besluit
kwaliteit leefomgeving van het ontwerpbesluit. Economisch daklozen vallen hieronder
als zij dreigend dakloos zijn conform het bepaalde onder d: personen die dreigen dakloos
te worden, waaronder begrepen woningzoekenden die buitenslapen, woningzoekenden in
niet-conventionele woonplekken en woningzoekenden die uit nood verblijven bij familie
en vrienden. Op grond van het Besluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst
kunnen tijdelijke huurcontracten ingezet worden om economisch daklozen te huisvesten
in de gevallen dat een vast huurcontract niet past of niet mogelijk is. Dit besluit
maakt het mogelijk om tijdelijke huurcontracten aan te bieden aan personen die direct
voorafgaand aan de ingangsdatum van de huurovereenkomst urgent woningzoekenden waren
als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet 2014.
18.
Op blz. 46 van de NvT valt te lezen dat het voor het realiseren van de regionale doelen
noodzakelijk kan zijn dat een gemeente meer dan twee derde betaalbare woningen realiseert.
Op dezelfde bladzijde staat ook dat een programmering van meer dan twee derde betaalbare
woningen ook kan leiden tot een lagere toekenning aan gemeenten van rijksmiddelen
die worden ingezet voor de stimulering van betaalbare woningbouw. De leden van de
PVV-fractie willen de Minister vragen of dit betekent dat individuele gemeenten die
gaan voor meer dan twee derde betaalbaar bouwen op basis van in de regio gemaakte
afspraken, gekort kunnen worden op rijksmiddelen voor de stimulering van betaalbare
woningbouw.
Het kan voor het realiseren van de regionale doelen noodzakelijk zijn dat een gemeente
meer dan twee derde betaalbare woningen realiseert. Daar moet dus ook ruimte voor
zijn. Wel ontmoedig ik bovenmatige betaalbaarheidseisen bij de inzet van financiële
regelingen wanneer deze eisen niet noodzakelijk zijn om de regionale doelen te bereiken.
Bovenmatige betaalbaarheidseisen kunnen immers een negatief effect hebben op de financiële
haalbaarheid van woningbouwprojecten. Ik wil voorkomen dat projecten stilvallen doordat
deze financieel onhaalbaar zijn.
In de Realisatiestimulans is er rekening mee gehouden dat de hoogte van uitkeringen
voor betaalbare woningen aan een gemeente met maximaal 33% kan worden verlaagd als
de gemeentelijke woningbouwprogrammering van die gemeente leidt tot een evidente overschrijding
van de nationale of regionale betaalbaarheidsdoelstellingen.4 In de Woningbouwimpuls is de bijdrage van een project aan de doelstellingen ten aanzien
van de betaalbaarheidsopgave in de regio in relatie tot de landelijke betaalbaarheidsprogrammering
meegenomen in het beoordelingskader voor aanvragen. Zo kan flankerend worden gestuurd
op een landelijk evenwichtiger verdeling van de middelen voor betaalbare woningen
en wordt er rekening gehouden met wat er regionaal nodig is.
19.
Op blz. 51 en 52 van de NvT valt te lezen dat de Monitor Huisvesting Aandachtsgroepen
nog niet alle data over de aandachtsgroepen bevat. Zo zijn mensen met een beperking,
medisch urgenten, uittredende sekswerkers, mantelzorgverleners en ontvangers, uitstroom
uit jeugddetentie en justitiële jeugdinstellingen en dakloze mensen die geen toegang
tot de maatschappelijke opvang hebben gekregen op grond van de Wet maatschappelijke
ondersteuning 2015 niet in beeld. De leden van de PVV-fractie willen aan de Minister
vragen of er een specifieke deadline is gesteld om genoemde data in beeld te krijgen
en wat de Minister aan instrumenten tot haar beschikking heeft om partners te stimuleren
genoemde data zo snel mogelijk in kaart te brengen.
Het klopt dat gegevens over sommige aandachtsgroepen op dit moment niet goed in beeld
te brengen zijn, soms omdat er geen kwantitatieve gegevens op het niveau van de provincie
of regio verzameld kunnen worden, soms omdat juist de kwalitatieve gegevens, zoals
informatie over de woonwensen, beperkt voorhanden zijn. Om die reden dient het verslag
waarin het Rijk op grond van dit ontwerpbesluit gegevens publiceert, als uitgangspunt
voor gemeenten bij het vaststellen van de woningbouwopgave voor die aandachtsgroepen
waarvan de gegevens niet voorhanden zijn. Gemeenten en provincies kunnen de gegevens
aanvullen met eigen gegevens en zo de opgave voor aandachtsgroepen beter in beeld
brengen. Het is de bedoeling dat de Monitor Huisvesting Aandachtsgroepen met deze
informatie van gemeenten en provincies aangevuld wordt en deze groepen op termijn
voor Nederland, per provincie, per regio en gemeente in kaart worden gebracht.
20.
Op blz. 63 van de NvT staat dat, gelet op de maatschappelijke belangen die hiermee
zijn gediend, de regering het gerechtvaardigd acht om landelijk te waarborgen dat
woningen op het achtererfgebied voor mantelzorg en voor familieleden in de eerste
graad – onder voorwaarden – vergunningsvrij zijn. De leden van de PVV-fractie willen
aan de Minister vragen waarom vergunningsvrije familiewoningen alleen worden toegestaan
voor familieleden van de eerste graad. Wat betekent dit bijvoorbeeld voor kleinkinderen
die een familiewoning willen realiseren op eigen achtererf voor hun grootouders?
De vergunningvrije regeling voor familiewoningen is bewust beperkt tot eerstegraads
familieleden, om de regeling helder en in ruimte en tijd afgebakend te houden. In
het voorbeeld van een kleinkind dat een woning wil realiseren voor zijn grootouders
geldt dat dit niet onder de vergunningvrije regeling valt tenzij sprake is van een
mantelzorgrelatie, maar dat het mogelijk blijft om dit te realiseren via een reguliere
omgevingsvergunning of via het omgevingsplan.
Een verdere verruiming zou het risico vergroten dat de regeling wordt gebruikt voor
reguliere extra bewoning, in situaties die daar niet voor geschikt zijn. Dat is een
lokale ruimtelijke afwegingen die gemeenten zelf moeten maken. Het staat het gemeenten
vrij om – binnen de geldende wettelijke kaders – een ruimere lokale regeling vast
te stellen, inclusief een eventuele verbreding van de doelgroep.
21.
Op blz. 120 van de NvT staat dat voor zover het gaat om het bouwen, gebruiken en in
stand houden van de aangewezen bouwwerken voor huisvesting in verband met mantelzorg
en huisvesting van familieleden geen omgevingsvergunning nodig is voor een omgevingsplanactiviteit.
De leden van de PVV-fractie vinden het belangrijk dat ook de huursector haar steentje
kan bijdragen en daarom willen zij aan de Minister vragen of er mogelijk extra belemmeringen
zijn voor een verhuurder in vergelijking met een grondeigenaar die zelf op de kavel
woonachtig is.
Dit ontwerpbesluit regelt uitsluitend het omgevingsrechtelijke kader. Het huurrecht
en privaatrechtelijke verhoudingen worden hierdoor niet gewijzigd. Bij het realiseren
van een vergunningvrije mantelzorg- of familiewoning gelden voor een verhuurder/huurder
derhalve dezelfde voorwaarden als voor iedere andere eigenaar of gebruiker; het ontwerpbesluit
maakt daarin geen onderscheid. Er zijn dan ook geen extra publiekrechtelijke beperkingen
specifiek voor verhuurders opgenomen. Dat neemt echter niet weg dat in de praktijk
wel privaatrechtelijke aspecten een rol kunnen spelen, zoals afspraken met huurders,
eigendoms- of aansprakelijkheidskwesties of intern beleid van een verhuurder. Voor
huurders geldt dat in veel gevallen toestemming van de verhuurder vereist zal zijn,
aangezien het realiseren van een dergelijke woning een ingrijpende wijziging van het
gehuurde betreft. Dit is eveneens het geval wanneer een huurder zelf voorzieningen
aan het gehuurde wil aanbrengen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
22.
De leden van de CDA-fractie hebben over de regionale verdeling van twee derde betaalbare
woningen enkele vragen. Deze leden constateren dat het ontwerpbesluit uitgaat van
regionale afspraken, zonder dat een minimale bijdrage per individuele gemeente wordt
vastgelegd. Zij vragen hoe wordt gewaarborgd dat binnen een regio niet structureel
grote verschillen ontstaan tussen gemeenten in hun bijdrage aan betaalbare woningbouw.
Welke norm of bandbreedte geldt voor individuele gemeenten indien regionale afspraken
leiden tot sterk uiteenlopende percentages betaalbare woningen? Welke correctiemogelijkheden
bestaan indien regionale afspraken naar het oordeel van provincie of Rijk onvoldoende
bijdragen aan een evenwichtige verdeling?
In het ontwerpbesluit is geborgd dat elke gemeente een evenredige bijdrage levert
aan de realisatie van de wettelijk verankerde doelstelling van 2/3 betaalbaar en 30%
sociaal op regionaal niveau. In mijn antwoord op vraag 1 licht ik toe op welke wijze
dit is geborgd in het ontwerpbesluit. De wijze waarop gemeenten onder regie van de
provincie afspraken maken in de woningbouwregio heb ik toegelicht in mijn antwoord
onder vraag 2. Daarbij ga ik ook in op de interventiemogelijkheden die provincie en
rijk hebben.
23.
De leden van de CDA-fractie hebben over de norm van 30% sociale huur enkele vragen.
Deze leden vragen waarom ervoor is gekozen deze norm te koppelen aan het landelijk
gemiddelde aandeel sociale huur, terwijl dit gemiddelde dalend is. Op basis van welke
analyse acht de Minister dit criterium stabiel en toekomstbestendig? Hoe wordt voorkomen
dat gemeenten met een lage sociale huurvoorraad structureel onder het niveau blijven
dat nodig is voor een evenwichtige regionale verdeling? Welke rol heeft de provincie
bij de beoordeling van deze bijdrage per gemeente?
Het doel van het kabinet is om 30% sociale huur te realiseren, zodat er in absolute
zin meer betaalbare woningen worden gerealiseerd. In de wijze waarop gemeenten daaraan
bijdragen, streven we ook naar meer balans in de voorraad tussen gemeenten zodat mensen
met een laag en met een middeninkomen in alle gemeenten meer kans maken op een betaalbare
woning. Voor gemeenten met weinig sociale huurwoningen wordt die balans verbeterd
en de lage voorraad verhoogd doordat zij de komende tien jaar 30% sociale huurwoningen
moeten bouwen. Een verplichting van een hoger percentage dan 30% sociale huurwoningen
voor gemeenten met een zeer kleine voorraad sociale huurwoningen is niet realistisch
en niet wenselijk: het zou er toe leiden dat dit óf ten koste gaat van de bouw van
woningen voor mensen met een middeninkomen óf dat het niet financieel uitvoerbaar
is.
24.
De leden van de CDA-fractie hebben over de samenhang tussen regionale programmering
en rijksmiddelen enkele vragen. Op welke wijze worden de uitkomsten van regionale
afspraken betrokken bij de toekenning van rijksmiddelen voor betaalbare woningbouw?
Is het mogelijk dat een gemeente die conform regionale afspraken meer dan twee derde
betaalbaar bouwt desalniettemin minder aanspraak maakt op rijksmiddelen dan een gemeente
die minder bijdraagt? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het uitgangspunt van regionale
solidariteit? Zo nee, hoe wordt dit geborgd?
Met de rijksmiddelen voor woningbouw wordt flankerend gestuurd op een evenwichtige
verdeling van betaalbare woningen tussen gemeenten, waarbij iedere gemeente bijdraagt
aan de bouw van twee derde betaalbare woningen op regionale schaal. Onderdeel van
een evenwichtige verdeling is ook dat het stellen van bovenmatige lokale betaalbaarheidseisen
door gemeenten wordt voorkomen. Bovenmatige betaalbaarheidseisen kunnen er namelijk
toe leiden dat woningbouwprojecten financieel niet meer rondrekenen. In de Realisatiestimulans
is er rekening mee gehouden dat de hoogte van uitkeringen voor het bouwen van betaalbare
woningen aan een gemeente met maximaal 33% kan worden verlaagd als de gemeentelijke
woningbouwprogrammering van die gemeente leidt tot een evidente overschrijding van
de nationale of regionale betaalbaarheidsdoelstellingen.5 Verder wordt verwezen naar het antwoord op vraag 18.
25.
Deze leden hebben over bestuurlijke regie en doorzettingsmacht enkele vragen. Welke
concrete criteria gelden voor inzet van provinciale of rijksdoorzettingsmacht indien
regionale afspraken uitblijven of onvoldoende bijdragen aan de landelijke doelstellingen?
Binnen welke termijn wordt vastgesteld dat regionale afstemming is vastgelopen en
welke stappen volgen daarna? Hoe wordt voorkomen dat de gelaagde bestuurlijke structuur
leidt tot vertraging van woningbouwprojecten?
Het inzetten van provinciale of rijksdoorzettingsmacht kan op grond van de Omgevingswet
door middel van een instructiebesluit. Een instructiebesluit kan door de provincie
of het Rijk worden gegeven op het omgevingsplan of het volkshuisvestingsprogramma
als er sprake is van een provinciaal of nationaal belang en dit belang niet op een
doelmatige en een doeltreffende wijze wordt behartigd. De instructie moet verder noodzakelijk
zijn en niet verder gaan dan nodig (proportionaliteit en subsidiariteit) en de beoogde
ontwikkeling moet ruimtelijk aanvaardbaar en (financieel) uitvoerbaar zijn. Een instructie
moet worden voorafgegaan door bestuurlijk overleg. Een instructie vergt, gegeven de
omstandigheden van het geval, de nodige nadere onderbouwing over de noodzakelijkheid
en aanvaardbaarheid van die instructie om stand te houden bij de rechterlijke toets.
Er zijn dan ook geen generieke concrete criteria en termijnen te geven die in alle
gevallen toepasbaar zijn.
Wordt het instructiebesluit niet of niet volledig opgevolgd dan kan het Rijk of de
provincie via interbestuurlijk toezicht ingrijpen. Ingrijpen kan via indeplaatsstelling
vanwege taakverwaarlozing waarbij op kosten van de betreffende provincie of gemeente
het instructiebesluit uitgevoerd zal worden. Bijvoorbeeld door in plaats van de gemeenteraad
of provinciale staten het omgevingsplan respectievelijk de omgevingsverordening te
wijzigen. Voor de inzet van dit instrument gelden procedurestappen in de vorm van
een interventieladder. Deze bestaat uit 6 stappen: van signaleren tot en met het definitief
toepassen van indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing of schorsing en vernietiging.
26.
De leden van de CDA-fractie hebben over de gegevensverzameling en monitoring enkele
vragen. Hoe wordt gewaarborgd dat de verplichtingen tot gegevensverzameling proportioneel
en uitvoerbaar zijn voor gemeenten? Welke administratieve lasten worden voorzien en
hoe worden deze gemonitord? Op welke wijze wordt de regionale verdeling van betaalbare
woningen inzichtelijk gemaakt, zodat transparantie en vergelijkbaarheid tussen regio’s
gewaarborgd zijn?
In het ontwerpbesluit is vastgelegd dat het Rijk verantwoordelijk is voor de periodieke
gegevensverzameling die ziet op de totale woningbehoefte en woningbouwopgave die nodig
is voor de beleidsmaatregelen in de volkshuisvestingsprogramma’s. Gemeenten en provincies
hebben die wettelijke taak niet. Het Rijk verzamelt bijvoorbeeld gegevens over het
huidige woningtekort, de toename van het aantal huishoudens en hoeveel woningen er
gesloopt worden. Voor zover mogelijk wordt ook de woonbehoefte van ouderen, starters
en andere aandachtsgroepen in beeld gebracht. Hiervoor worden verschillende bronnen
gebruikt, bestaande uit prognoses en monitors. Het Rijk publiceert deze gegevens vervolgens
in verslagen die voor alle overheden het vertrekpunt zijn bij het opstellen van hun
volkshuisvestingsprogramma.
Omdat niet over alle aandachtsgroepen gegevens op nationaal, provinciaal en regionaal
beschikbaar zijn, zullen gemeenten voor een deel van die groepen een eigen inschatting
van de specifieke woonbehoefte en hun aandeel in het benodigde aandeel woningen en
wooneenheden moeten maken, als onderdeel van de totale gemeentelijke woningbouwopgave.
Het ontwerpbesluit stelt geen nadere eisen aan deze inschatting. Zo wordt gewaarborgd
dat de verplichtingen ten aanzien van gegevensverzameling proportioneel en uitvoerbaar
zijn voor gemeenten en worden administratieve lasten zo beperkt mogelijk gehouden.
Het wettelijk stelsel zal na een periode van vijf jaar ook worden geëvalueerd. De
regionale verdeling van betaalbare woningen wordt bestuurlijk afgesproken in de woningbouwregio,
en leidt ertoe dat elke gemeente haar eigen aandeel in de regionale opgave opneemt
in het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma. De provincie ziet erop toe dat de
uitkomsten op regionaal niveau optellen tot wat provinciaal nodig is, namelijk dat
in elke regio 2/3e betaalbaar en 30% sociaal wordt gerealiseerd.
27.
Deze leden hebben ook over de regionale verantwoordelijkheid bij uitstroom uit instellingen
enkele vragen. In signalen vanuit gemeenten wordt de zorg geuit dat regio’s waar verblijfsinstellingen
zijn gevestigd verantwoordelijk zouden worden voor de huisvesting van personen die
daar verblijven, ook indien zij van buiten de regio afkomstig zijn. Zij vragen hoe
het ontwerpbesluit en de daarop gebaseerde ministeriële regeling zich verhouden tot
deze zorg. Kan de Minister toelichten of en op welke wijze wordt voorkomen dat regionale
programmeringsafspraken feitelijk leiden tot structurele toerekening van uitstroom
aan de regio van verblijf, zonder dat herkomstgemeenten daarin een rol blijven spelen?
Het wetsvoorstel zorgt ervoor dat alle gemeenten verplicht een urgentieregeling moeten
opstellen met daarin de wettelijk verplichte urgente groepen. Gemeenten maken afspraken
over de evenwichtige verdeling van deze urgent woningzoekenden over de woningmarktregio.
Daarnaast maken ze afspraken over welk percentage van de vrijkomende huurwoningen
zij beschikbaar stellen voor toewijzing aan de urgent woningzoekenden. Daarmee wordt
de huisvesting van urgent woningzoekenden beter over de woningmarktregio verspreid
en draagt iedere gemeente bij. Het onderwerp waar de leden van de CDA-fractie aan
refereren wordt geregeld in de ontwerpregeling versterking regie volkshuisvesting
(hierna: ontwerpregeling). In de ontwerpregeling wordt nader bepaald wanneer een woningzoekende
maatschappelijke binding heeft met een regio. Het wetsvoorstel verplicht gemeenten
om een huisvestingsverordening met daarin ten minste een urgentieregeling vast te
stellen en regionale afspraken te maken over de evenwichtige verdeling van urgent
woningzoekenden.
Voor een goede re-integratie is de aanwezigheid van een goed netwerk gericht op hulp
en ondersteuning zonder eigenbelang van grote meerwaarde. Daarom is in de ontwerpregeling
rekening gehouden met de mogelijkheid dat elke woningzoekende die uitstroomt uit een
instelling, zich zal kunnen wenden tot de regio van herkomst voor een aanvraag voor
urgentie. Er kunnen echter zwaarwegende redenen zijn om juist niet terug te keren
naar de regio van herkomst, bijvoorbeeld vanwege de belangen van slachtoffers van
huiselijk geweld of de aanwezigheid van een crimineel netwerk. Gemeenten en woningmarktregio’s
kunnen afspraken maken over de wijze waarop een overdracht van urgent woningzoekenden
plaatsvindt. Daarmee kan maatwerk worden geleverd, dat blijft met de ontwerpregeling
mogelijk. Juist met regionale programmeringsafspraken kan er een evenwichtige verdeling
van urgent woningzoekenden tot stand komen.
28.
De leden van de CDA-fractie hebben ook over de positie van herkomstgemeenten bij uitstroom
enkele vragen. In signalen wordt gesteld dat er geen grondslag meer zou bestaan voor
uitstroom naar de herkomstgemeente. Deze leden vragen de Minister uiteen te zetten
hoe het ontwerpbesluit zich verhoudt tot bestaande regionale en bovenregionale afspraken
over terugkeer naar de herkomstgemeente.
Naar aanleiding van het signaal van gemeenten dat druk wordt gelegd bij gemeenten
met bovenregionale voorzieningen, zoals beschermd wonen instellingen, is gesproken
met de VNG. Dit heeft geleid tot een aanpassing van de ontwerpregeling ten opzichte
van de eerder geconsulteerde versie. Hiermee is een onderdeel toegevoegd aan de uitwerking
van het begrip «maatschappelijke binding». Hierdoor is het mogelijk voor urgent woningzoekenden
om binding te behouden met de woningmarktregio van herkomst, ondanks langer verblijf
in een instelling in een andere regio. Zo wordt geborgd dat een woningzoekende zich,
wanneer deze zich gedurende een bepaalde termijn in die regio heeft bevonden, zal
kunnen wenden tot de regio van herkomst voor een aanvraag voor een urgentie; ook een
woningzoekende die uitstroomt uit een instelling in een andere regio. Sommige urgent
woningzoekenden kunnen er belang bij hebben zich niet in de regio van herkomst te
vestigen, ook daar wordt met de ontwerpregeling in voorzien. Hiermee wordt voorkomen
dat een woningzoekende tussen wal en schip kan vallen en in geen enkele regio in aanmerking
komt voor urgentie.
29.
Zij hebben ook over de samenhang met het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet enkele
vragen. Gemeenten geven aan spanning te ervaren tussen regionale woningbouwprogrammering
en het woonplaatsbeginsel dat bepalend is voor financiële en bestuurlijke verantwoordelijkheid
in het zorgdomein. Deze leden vragen de Minister toe te lichten hoe bij de uitwerking
van het ontwerpbesluit en de ministeriële regeling rekening wordt gehouden met dit
woonplaatsbeginsel.
Het beoogde woonplaatsbeginsel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning
2015 bepaalt welke gemeente de kosten voor opvang draagt (namelijk de gemeente van
herkomst) en bepaalt niet welke gemeente verantwoordelijk is voor (vervolg)huisvesting.
Het wordt daarom niet logisch geacht om dit principe te hanteren voor dit onderdeel
van de ontwerpregeling.
30.
De leden van de CDA-fractie hebben ook over de mogelijke uitvoeringsgevolgen voor
gemeenten met grote verblijfsvoorzieningen enkele vragen. In signalen wordt gewezen
op het risico dat gemeenten met relatief veel instellingen onevenredig worden belast
en dat de landelijke spreiding van aandachtsgroepen daardoor onder druk kan komen
te staan. Deze leden vragen de Minister hoe bij de toepassing en monitoring van het
ontwerpbesluit wordt voorkomen dat verschillen in concentratie van instellingen leiden
tot een onevenwichtige woningbouw- of huisvestingsopgave. Kan de Minister toelichten
welke correctiemechanismen of verdeelprincipes beschikbaar zijn om te waarborgen dat
de beoogde evenwichtige spreiding daadwerkelijk wordt gerealiseerd.
Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar vraag 27.
31.
Zij hebben tot slot over de uitvoerbaarheid in de tijd enkele vragen. Acht de Minister
de termijn waarbinnen regionale afspraken moeten worden afgerond realistisch, mede
gelet op de benodigde afstemming tussen gemeenten en provincies? Welke gevolgen heeft
het niet tijdig bereiken van overeenstemming voor de voortgang van de woningbouwprogrammering?
Het is van belang dat de termijn voor het maken van afspraken over betaalbare woningen
binnen de regio goed uitvoerbaar is. Tegelijkertijd wil ik voorkomen dat het overleg
te lang duurt. Ook uw Kamer heeft het belang van tijdige afronding van de afspraken
over betaalbare woningen benadrukt in de aangenomen motie Vijlbrief c.s6. Gebaseerd op ervaringen en samenwerking binnen de regionale woondeals acht ik de
termijn van een half jaar waarbinnen de regionale woningbouwafspraken moeten worden
afgerond realistisch. Ik zie ook dat diverse provincies inmiddels hiermee ook volop
aan de slag zijn. Waar nodig zal daarbij ondersteuning worden geboden vanuit het Rijk.
In mijn antwoord op vraag 2 ga ik nader in op de gevolgen van het niet tijdig bereiken
van overeenstemming en de mogelijkheden die provincies en het Rijk hebben om de knoop
door te hakken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
32.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister waarom niet gekozen is voor een grotere
rol van de gemeenteraad bij de voorbereiding en/of vaststelling van het lokale volkshuisvestingsprogramma.
Wetende dat de meeste vigerende omgevingsvisies zijn opgesteld in een periode waarin
«volkshuisvesting» nog geen beleidsdoel was van de Omgevingswet, en de actuele woonbeleidskaders
in de woonvisie bij de vaststelling van het lokale Volkshuisvestingsprogramma vervallen.
Met dit wetsvoorstel wordt ingezet op een geïntegreerd volkshuisvestingsbeleid, als
vast onderdeel van het beleid voor de fysieke leefomgeving, zoals dat op grond van
de Omgevingswet moet worden vastgesteld in een omgevingsvisie. Met het wetsvoorstel
komt eerst de woonvisie op grond van de Woningwet te vervallen en komen de hoofdlijnen
van het het volkshuisvestelijk beleid in de omgevingsvisie én het op uitvoering gerichte
gemeentelijk volkshuisvestelijke beleid in het volkshuisvestingsprogramma. In lijn
met de uitgangspunten van de Omgevingswet wordt de bevoegdheid voor programma’s belegd
bij het dagelijks bestuur, dus voor de gemeenten bij het college van B&W. Daar kan
de gemeenteraad wel bij betrokken worden. Op basis van het wetsvoorstel moeten in
de omgevingsvisie de hoofdlijnen van het volkshuisvestingsbeleid voor de langere termijn
worden beschreven. Dat betekent dat de gemeenteraad op het terrein van de volkshuisvesting
de kaders en de hoofdlijnen van het te voeren beleid blijven vaststellen. Deze kaders
zijn ook van toepassing voor het volkshuisvestingsprogramma. Daarnaast kan de gemeenteraad
ook bij de totstandkoming van het volkshuisvestingsprogramma worden betrokken.
33.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister of zij op de hoogte is van de publicatie
«Raad van State ziet berg bezwaren tegen nieuwbouw groeien» van 23 april 2025 op het
mediaplatform Vastgoed Actueel.7 Daarin staat dat de Minister op de Woontop in december 2025 aangaf dat ze de vergunningverlening
wil versnellen. Maar dat zou de Raad van State juist meer werk opleveren. Bezwaar
tegen de omgevingsvergunning zou zonder tussenkomst van een rechtbank, direct naar
de Raad van State moeten gaan. Die zou binnen zes maanden uitspraak moeten doen. Uylenburg:
«Maar dat is wensdenken. We moeten eerlijk zijn: die zes maanden halen we nu al niet.»
Kan de Minister aangeven op welke wijze de zes maanden termijn voor aangewezen zaken
(wel) gewaarborgd kan worden. Bijvoorbeeld, met hoeveel mensen zou de personele capaciteit
toe moeten nemen zodat de zes maanden termijn (wel) gewaarborgd kan worden? Kan de
Minister aangeven wat het verband is tussen de behandeltermijnen van de relevante
beroepsprocedures en de personele capaciteit bij de relevante afdelingen van de Raad
van State. Met hoeveel FTE’s is die personele capaciteit toegenomen tussen 1 januari
2020 en 1 januari 2025? Indien waarborging een toename van personele capaciteit vraagt,
overweegt de Minister dan een dergelijke uitbreiding van de personele capaciteit?
En/of welke andere maatregelen (in aanvulling op de in het te wijzigen Omgevingsbesluit
voorgenomen maatregelen) zou de Minister willen onderzoeken om de uitgesproken ambities
te realiseren?
De doorlooptijden van woningbouwzaken zijn met het nieuwe project van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State aanzienlijk verkort. Bij deze aanpak worden
woningbouwzaken sinds de zomer van 2024 met een team van gespecialiseerde staatsraden
en griffiers met voorrang behandeld. Op de website8 van de Raad van State zijn daarover alle gegevens te vinden.9 Daaruit volgt dat sinds de zomer van 2024 ruim 415 woningbouwprojecten met voorrang
zijn behandeld, samen goed voor ongeveer 86.650 woningen. In 299 woningbouwzaken die
voorrang kregen, is al uitspraak gedaan, samen goed voor ruim 65.600 woningen. In
zo’n 50 zaken die samen 7.750 woningen mogelijk maken, is al wel een rechtszitting
gehouden, maar wordt nog gewerkt aan de uitspraak. En 67 woningbouwzaken die voorrang
kregen, samen goed voor zo’n 13.300 woningen, werden vlak voor de zitting of de uitspraak
ingetrokken.
Het met voorrang behandelen van woningbouwzaken leidt ook tot snellere uitspraken,
met name voor de woningbouwzaken die in 2024 zijn ingediend. Deze zaken zouden voorlopig
nog niet op zitting zijn behandeld als zij op hun beurt hadden moeten wachten. De
doorlooptijd in woningbouwzaken is gemiddeld een stuk korter dan de doorlooptijd in
de overige omgevingszaken. Uit het project, waarmee vooruit werd gelopen op de in
dit ontwerpbesluit aanvankelijk voorgenomen aanwijzing van woningbouwprojecten van
twaalf of meer woningen, blijkt dus dat de Afdeling bestuursrechtspraak daadwerkelijk
een versnelling van de beroepsprocedures over woningbouwprojecten kan realiseren.
Deze resultaten bieden eveneens een positief vooruitzicht dat ook voor kleinere woningbouwprojecten
van minder dan twaalf woningen een versnelling kan worden gerealiseerd. Wel moet bedacht
worden dat als meer zaken prioriteit moeten krijgen dat ten koste gaat van andere
zaken op het terrein van het omgevingsrecht.
Hoewel de doorlooptijden met deze nieuwe aanpak aanzienlijk zijn verkort, wordt om
verschillende redenen de zes maanden termijn niet in alle gevallen waarvoor deze is
voorgeschreven, gehaald. In veel gevallen is er sprake van uitloop vanwege de complexiteit
van het beroep of door «incidenten» in de procedure. Het komt best vaak voor dat bestuursorganen
tijdens de procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak een nieuw besluit nemen.
De Afdeling bestuursrechtspraak is verplicht om dat nieuwe besluit mee te nemen in
haar beoordeling. Dat leidt tot vertraging waardoor de doorlooptijden onder druk komen
te staan. In andere gevallen wordt de zes maanden termijn niet gehaald vanwege personele
capaciteiten. Van de Afdeling bestuursrechtspraak heb ik begrepen dat het gelukt is
een aantal openstaande vacatures te vervullen en dat er de afgelopen periode meer
juristen zijn aangenomen dan vertrokken, maar ook dat er nog steeds een tekort is.
Er is dus nog steeds behoefte aan meer juristen voor de ondersteuning van de staatsraden
bij het afdoen van zaken. Van het aantal op dit moment openstaande vacatures ben ik
op dit moment niet op de hoogte.
34.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister of zij parallellen ziet tussen het
Deltaprogramma en de woningcrisis, beide een existentieel belang vertegenwoordigend.
Voor de opzet en uitvoering van het (succesvolle) Deltaprogramma is een regeringscommissaris
aangesteld. Op dit moment zijn er (nog) geen plannen voor een regeringscommissaris
woningbouwproductie. Kan de Minister aangeven hoe een regeringscommissaris woningbouwproductie
(met voldoende bevoegdheden) behulpzaam zou kunnen bij het (helpen) oplossen van de
woningcrisis?
Er is een aantal redenen waarom nut en noodzaak van een regeringscommissaris voor
de woningbouw niet geheel vergelijkbaar is met een regeringscommissaris voor het Deltaprogramma.
Een belangrijke reden voor het aanstellen van een Deltacommissaris was destijds gelegen
in langjarige borging van het belang van het waterbeheer. Deze borging van het belang
van het waterbeheer was destijds nog niet vanzelfsprekend. Daarnaast zijn Rijk en
medeoverheden zelf opdrachtgever en financier voor de uitvoering van het Deltaprogramma
met publieke investeringen in de waterveiligheid zoals dijkversterking.
Voor de realisatie van woningbouw zijn er vooral private opdrachtgevers met veel inzet
van private middelen. De uitvoering van de woningbouw vraagt dus vooral ook om publiek-private
samenwerking. Het is de vraag wat de aanstelling van een regeringscommissaris bijdraagt
aan het bereiken van de volkshuisvestelijke opgave. Ik zit boven op de realisatie
van de woningbouwopgave. Dit doe ik door te versnellen in alle fasen. Het inrichten
en ondersteunen van de commissaris kost ook veel ambtelijke capaciteit en tijd. De
introductie van een regeringscommissaris voor volkshuisvesting zou mogelijk tot gevolg
hebben dat we elkaar voor de voeten gaan lopen. Het kabinet heeft gekozen voor een
gecoördineerde interdepartementale aanpak, door een ministeriële taskforce versnellen
woningbouw in te stellen onder voorzitterschap van de Minister-President. Ook dat
draagt bij aan het versnellen van doorbraken voor de woningbouw.
35.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister waarom zij de mogelijkheden van de
Crisis- en herstelwet niet benut om projecten voor woningbouw of infrastructuur als
dringend belang aan te wijzen en (tijdelijk) vrij te stellen van de stikstofregels.
Is de Minister bereid de Crisis- en herstelwet zo nodig aan te passen opdat deze mogelijkheid
ten volle benut kan worden?
Het instrumentarium van de voormalige Chw is grotendeels in de Omgevingswet opgegaan
en wordt nu al gebruikt om de realisatie van woningbouwlocaties en infrastructuur
te versnellen. Uw Kamer is in de nota naar aanleiding van het verslag behorende bij
de novelle tot wijziging van het wetsvoorstel recent geïnformeerd over de wijze waarop
de instrumenten uit de Chw zijn overgegaan in de Omgevingswet en hoe deze instrumenten
kunnen worden ingezet.10 Het is dan ook aan provincies en gemeenten om daar nu al mee aan de slag te gaan.
De Omgevingswet kent een experimenteerbepaling ter opvolging van de huidige regeling
uit de Crisis- en herstelwet. Met deze bepaling kan – evenals onder de Chw – niet
van het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn worden afgeweken.
Stikstof is een belangrijk knelpunt voor de realisatie van woningbouwprojecten. Er
wordt hard gewerkt aan een oplossing. De Minister van LVVN is het aanspreekpunt voor
het stikstofdossier en is verantwoordelijk voor de uitwerking van de plannen uit het
coalitieakkoord. De Minister van LVVN zal uw Kamer over de voortgang informeren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
36.
De leden van de BBB-fractie hebben zorgvuldig het ontwerpbesluit gelezen en hebben
nog enkele vragen. Deze leden lezen dat in het ontwerpbesluit, in artikel 2.30b, expliciet
wordt gesteld dat vergunningsvrije mantelzorg- en familiewoningen uitsluitend in het
achtererfgebied mogen worden geplaatst. Kan de Minister uitgebreid motiveren waarom
deze regeling strikt beperkt blijft tot het achtererf? En is er overwogen dat, zeker
in landelijke gebieden of bij monumentale boerderijen, de plaatsing op een zij-erf
of voorerf soms ruimtelijk wenselijker of praktischer kan zijn zonder dat dit de omgeving
onredelijk schaadt?
De regeling is van toepassing op de delen van het erf die kunnen worden aangemerkt
als achtererfgebied. Het achtererfgebied omvat een zeer groot deel van het erf en
betreft het deel dat achter een denkbeeldige lijn ligt. Die lijn doorkruist het hoofdgebouw
op een meter achter de voorkant en loopt vanuit daar evenwijdig met het aangrenzend
openbaar toegankelijk gebied. Op basis van deze definitie kunnen vergunningvrije mantelzorg-
en familiewoningen derhalve ook op een feitelijk gesitueerd zij-erf worden gebouwd,
mits dat zij-erf is gelegen op ten minste een meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw.
Deze regeling sluit aan bij de landelijke regeling, zoals die ook gold met het Besluit
omgevingsrecht en de huidige regels in de zogenoemde bruidsschat (naar de gemeente
overgedragen milieuregels welke van rechtswege onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan).
Daarmee wordt aangesloten bij een bestendige en herkenbare systematiek.
Ik erken evenwel dat zich situaties kunnen voordoen – bijvoorbeeld bij grote erven
of monumentale boerderijen in landelijk gebied – waarin plaatsing op een zij- of zelfs
voorerf, in afwijking van de landelijke regeling, ruimtelijk passend kan zijn. In
dergelijke gevallen blijft lokaal maatwerk mogelijk via een reguliere omgevingsvergunning
die de gemeente verleent of via een wijziging van het omgevingsplan. De landelijke
vergunningvrije regeling kan dus aangevuld worden met lokale regels die voorzien in
vergunningvrije situaties.
De leden van de BBB-fractie lezen dat een mantelzorg- of familiewoning geen eigen
adres krijgt en bewoners op hetzelfde adres als de hoofdbewoner worden ingeschreven.
Erkent de Minister dat dit grote financiële gevolgen kan hebben voor de AOW- of nabestaandenuitkering
(de zogenoemde mantelzorgboete)? Welke stappen onderneemt de Minister met de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om te voorkomen dat deze regeling financieel
ongunstig uitpakt voor families die zorg voor elkaar dragen?
Een vergunningvrije gerealiseerde mantelzorg- of familiewoning kan een eigen nummeraanduiding
krijgen, indien zij kwalificeert als een zelfstandig verblijfsobject in de zin van
de Wet basisregistratie adressen en gebouwen (BAG-eisen). Daarvan is sprake wanneer
de woonruimte feitelijk als zelfstandige eenheid functioneert, beschikt over eigen
essentiële voorzieningen (zoals keuken en sanitair) en via een afsluitbare toegang
rechtstreeks bereikbaar is zonder de hoofdwoning te betreden. De beoordeling hiervan
vindt plaats door de gemeente op basis van een melding of op basis van de feitelijke
situatie. Indien aan de BAG-eisen wordt voldaan, moet de woonruimte als zelfstandig
verblijfsobject in de BAG worden geregistreerd en krijgt het een afzonderlijke nummeraanduiding.
Het al dan niet toekennen van een eigen adres kan financiële en administratieve gevolgen
hebben voor betrokkenen. Voor regelingen waarbij de huishoudsituatie bepalend is voor
de hoogte van een uitkering of toeslag, zoals bij de AOW, kan dit verschil maken voor
de uitkomst van de beoordeling. Toekenning van een afzonderlijk adres kan daarnaast
leiden tot een afzonderlijke WOZ-beschikking en daarmee samenhangende gemeentelijke
heffingen.
Deze systematiek is niet nieuw en gold ook onder eerdere regelingen, zoals het voormalige
Besluit omgevingsrecht en de bruidsschat die in het gemeentelijk omgevingsplan is
opgenomen. De invoering van het besluit wijzigt deze uitgangspunten niet. De nota
van toelichting bij het ontwerpbesluit zal op dit punt worden verduidelijkt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
37.
Allereerst zijn de leden van de SGP-fractie verheugd te lezen dat in de gemeentelijke
volkshuisvestingsprogramma’s aandacht moet zijn voor de woningbehoefte en -opgaven
van starters. Deze leden lezen echter dat de starter een woningzoekende persoon is
tussen de 18 en 30 jaar. Waarom is niet gekozen voor een maximumleeftijd 34 jaar,
kortom «jonger dan 35 jaar»? Wordt hiermee niet beter aangesloten bij de reeds geldende
definitie van starters, zoals bij de startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting?
Is de Minister bereid de definitie van een starters in artikel 4.33 sub j te veranderen
in «woningzoekende personen tussen de 18 en 35 jaar»?
Bij aandachtsgroepen vraagt de woonopgave expliciete aandacht, bijvoorbeeld omdat
hun huisvesting specifieke eisen stelt aan de woning, of omdat anders onvoldoende
wordt voorzien in de woonbehoefte van deze groepen. Dit kan leiden tot specifieke
programmering, bijvoorbeeld van woningen in geclusterde woonvormen. Maar ook van programmering
van relatief kleinere woonruimten met een bescheiden huurprijs tot aan de zogenaamde
kwaliteitskortingsgrens of de eerste aftoppingsgrens. In het algemeen vraagt de groep
starters van 30 tot 35 jaar niet om expliciete aandacht in de programmering. Starters
zijn toegevoegd als aandachtsgroep, waardoor gemeenten aan deze groep wel aandacht
moeten besteden in het volkshuisvestingsprogramma. Daarbij geldt dat de groep tussen
18 en 30 jaar veelal niet beschikt over een zelfstandige woonruimte, terwijl de groep
tussen 30 en 35 jaar vaak wel over een eigen huurwoning beschikt en een deel daarvan
vervolgens doorstroomt als koopstarter. Daarom is die groep geen starter op de woningmarkt.
Hierbij geldt dat het bij de startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting gaat
om starters die voor de eerste keer een woning kopen.
38.
De leden van de SGP-fractie constateren dat het coalitieakkoord «Aan de slag» voorstellen
bevat die raken aan de inhoud van het Besluit. Kan de Minister aangeven in hoeverre
het Besluit aangepast moet worden aan de inhoud van het voorliggende Besluit.
Een aantal doelstellingen in het coalitieakkoord heeft ook betrekking op de onderwerpen
die worden uitgewerkt in dit ontwerpbesluit. Onderdeel daarvan zijn de doelstellingen
over betaalbaar bouwen. Bij de uitwerking kijk ik ook heel goed naar de uitvoerbaarheid
en consistentie van beleid. Ik zal uw Kamer op korte termijn, maar in ieder geval
voor het meireces over deze uitwerking informeren. Duidelijkheid hierover is ook van
belang voor de medeoverheden.
39.
Deze leden zijn voorstander van het verruimen van de mogelijkheden om mantelzorgwoningen
te plaatsen. Als gevolg van het voorliggende Besluit mag dit, onder voorwaarden, vergunningsvrij.
Hoe wordt toegezien op de naleving van deze voorwaarden? Welke ruimte krijgen gemeenten
daarin?
Vergunningvrij betekent niet regelvrij: er moet worden voldaan aan de voorwaarden
uit het ontwerpbesluit zelf, zoals de familie- of mantelzorgrelatie en de bebouwings-
en stedenbouwkundige voorwaarden. Ook moet voldaan worden aan de bouwtechnische voorschriften
uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Net als in situaties waarin er sprake is
van een vergunningplicht moet worden toegezien op de naleving. Gemeenten hebben daarvoor
toezicht- en handhavingsbevoegdheden. Zij kunnen informatie opvragen om te controleren
of nog aan de voorwaarden wordt voldaan, bijvoorbeeld om na te gaan of er nog sprake
is van een mantelzorg- of familierelatie. Wordt er niet aan de voorwaarden voldaan,
dan is er geen sprake van een vergunningvrije situatie en kan worden overwogen of
legalisatie in het onderhavige geval wenselijk is of dat handhavend zal worden opgetreden.
Met dit besluit worden regels landelijk geborgd die eerder al golden onder het voormalige
Besluit omgevingsrecht, en via de bruidsschat in het tijdelijke deel van het omgevingsplan
zijn opgenomen. Inhoudelijk wordt dus grotendeels aangesloten bij reeds bestaande
mogelijkheden, met verruiming naar eerstegraads familieleden. Toezicht vindt plaats
binnen het bestaande instrumentarium.
40.
Op grond van artikel 7.8c kunnen gemeenten een afwijkend percentage betaalbare woningbouw
in het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma opnemen, als de voorgeschreven percentages
aantoonbaar niet passend zijn, zo lezen de leden van de SGP-fractie. Hoe wordt voorkomen
dat de voorwaarden hiervoor te hoog worden, waardoor afwijkende percentages in de
praktijk nauwelijks zullen voorkomen? Aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om de
«aantoonbare niet passendheid» aan te tonen?
Uitgangspunt is dat alle gemeenten bijdragen aan de realisatie van voldoende betaalbare
woningen. Dat is ook wat ik ook terugzie in de vragen van uw Kamer over het waarborgen
van een fair share verdeling onder gemeenten van de betaalbaarheidsopgave. Om die
reden is de mogelijkheid tot ontheffing die in het ontwerpbesluit is opgenomen ook
expliciet bedoeld als uitzondering op de regel. Anderzijds moet de lat niet zo hoog
liggen dat de regeling niet toegepast kan worden in situaties waarvoor de regeling
is bedoeld. Namelijk situaties waarin de afwijkende volkshuisvestelijke context aanleiding
geven voor een lager percentage. Ik voorzie in voldoende ruimte door niet op voorhand
uitputtend vast te leggen welke volkshuisvestelijke omstandigheden aanleiding zouden
kunnen zijn om een beroep te doen op de regeling. Ook wordt niet voorgeschreven op
welke wijze de afwijkende situatie onderbouwd kan worden. Een indicatie kan bijvoorbeeld
zijn wanneer de wachtlijsten voor sociale huurwoningen in een gemeente of regio kort
zijn en er ook geen verwachting is dat deze op enige termijn langer zullen worden.
Het kan ook gaan om regio’s waarin koopwoningen voor een deel voorzien in de woonbehoefte
van lage of middeninkomens gezien het zeer lage prijsniveau in die regio.
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
41.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien in de uitwerking van de nadere regels voor
het gemeentelijk en provinciaal volkshuisvestingsprogramma een bevestiging van de
zorgen die er al waren bij de behandeling van de Wet versterking regie volkshuisvesting,
namelijk dat de Minister ervoor kiest om alleen op regionaal, provinciaal en nationaal
niveau de eis van twee derde betaalbare woningen aan het volkshuisvestingsbeleid te
verbinden en dit niet voor het gemeentelijke niveau te verlangen. Deze leden zien
niet in hoe dit kan leiden tot voldoende betaalbare woningen verspreid over heel Nederland
en tot voldoende gemengd bouwen in alle wijken en dorpen. Zij nemen de bezwaren én
de voorstellen van de VNG, IPO, Aedes en de Woonbond dan ook zeer serieus. Op welke
manier heeft de Minister deze inbreng serieus genomen?
Uiteraard neem ik de inbreng van VNG, IPO, Aedes en de Woonbond serieus. Ik lees in
de voorstellen van VNG, IPO, Aedes en de Woonbond allereerst de wens om goed te borgen
dat alle gemeenten bijdragen aan betaalbare woningen maar ook om te waarborgen dat
er 30% sociale huurwoningen worden gerealiseerd. In de uitwerking houdt ik daarbij
rekening met zowel lokale verschillen als met het goed borgen van de betaalbaarheidsdoelstelling.
Ook dat zijn beide wensen van uw Kamer. In mijn antwoord op vraag 1 heb ik toegelicht
hoe het halen van de betaalbaarheidsdoelstelling in het ontwerpbesluit is geborgd
en hoe in het ontwerpbesluit geregeld is dat elke gemeente een eerlijke bijdrage levert.
Ik onderschrijf volledig dat het overleg tussen gemeenten over de verdeling van betaalbare
woningen te lang duurt. Daarom is in de nota van toelichting van het ontwerpbesluit
verduidelijkt dat binnen een half jaar na inwerkingtreding van de wet afspraken gemaakt
moeten zijn om op tijd in het verplichte volkshuisvestingsprogramma te kunnen landen.
Waar nodig zal ik daarbij provincies en gemeenten ondersteunen.
42.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen zich af of de Minister geen risico ziet
op trage besluitvorming en het ontwijken van verantwoordelijkheden in de keuze om
gemeenten op regionaal niveau samen te laten afstemmen hoe twee derde betaalbare woningen
wordt bereikt. Ziet de Minister ook dat er een groot risico is dat als een grote gemeente
in een regio minder dan twee derde betaalbaar bouwt, de andere gemeenten al verplicht
zijn om flink meer dan twee derde betaalbaar te bouwen? Hoe lang hebben gemeenten
om gezamenlijke afspraken te maken over het regionale programma? Is dat realistisch
wat de Minister betreft, als er veel moet worden overlegd en afgestemd? En als zij
persisteert, hoe voorkomt ze vertraging door te lang slepende afstemming tussen gemeenten
en op regionaal niveau?
Ik onderschrijf het belang volledig dat elke gemeente haar bijdrage levert maar ook
dat het overleg over de regionale verdeling van betaalbare woningen daarover niet
te lang duurt. Ik ben mij ervan bewust dat het bieden van lokale ruimte ook betekent
dat gemeenten in goed overleg en onder regie van de provincie afspraken moeten maken
over de onderlinge verdeling van de betaalbare woningen in de woningbouwregio. Het
maken van dergelijke afspraken is niet nieuw. Ook bij de totstandkoming van afspraken
in de regionale woondeals zijn eerder afspraken gemaakt over hoeveel, waar en voor
wie er wordt gebouwd. Daarnaast is in de nota van toelichting van het ontwerpbesluit
verduidelijkt dat binnen een half jaar na inwerkingtreding van de wet afspraken gemaakt
moeten zijn om deze op tijd in het volkshuisvestingsprogramma te laten landen. Waar
tijdige afspraken over de verdeling van de betaalbare woningen in de woningbouwregio
uitblijven, zal de provincie knopen doorhakken. Waar nodig kan ik ook zelf de knoop
doorhakken. In alle bestuurlijke overleggen van de afgelopen periode over de woondeals
is bovenstaand onderwerp aan de orde gekomen. Ik zie daarbij dat diverse medeoverheden
inmiddels aan de slag zijn gegaan met de voorbereiding van deze afspraken.
43.
Deze leden vragen waarom de Minister kiest voor het landelijk gemiddelde sociale huur
als ijkpunt voor gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma’s. Dit gemiddelde laat een
dalende trend zien. Waarom is het eerder gekozen percentage van 30% losgelaten? De
leden van de ChristenUnie-fractie vragen voorts waarom er niet is gekozen voor «ten
minste» 30% sociale huur en «ten minste» twee derde betaalbaar bouwen. Geeft de marktdynamiek
niet voldoende zekerheid dat er altijd wel genoeg dure woningen zullen zijn?
Zie de beantwoording op vraag 2. Het eerder gekozen vaste percentage van 30% te programmeren
sociale huurwoningen per gemeente is losgelaten om de gewenste ruimte voor lokaal
maatwerk te bieden. Een gemeente dient op basis van het ontwerpbesluit afhankelijk
van de gemeentelijke voorraad in relatie tot de landelijke voorraad in haar nieuwbouwprogrammering
te focussen op sociale huur of middenhuur. Zie hierover ook het antwoord op vraag 1.
44.
Welke ruimte laat de Minister aan maatwerk voor gemeenten en regio’s? In welke gevallen
kan de Minister ingrijpen en wanneer niet, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
Waarom kiest de Minister ervoor in te kunnen grijpen als er gemeenten meer betaalbaar
bouwen dan voorgeschreven wordt? Hoe rijmt de Minister dit met de grote nood aan betaalbare
woningen die Nederland nu kent?
In het ontwerpbesluit is de balans gezocht tussen enerzijds het waarborgen van het
halen van de doelstellingen en anderzijds voldoende ruimte te bieden om aan te kunnen
sluiten bij de verschillende lokale situaties. Die ruimte voor maatwerk is vooral
op lokaal niveau noodzakelijk. De woningbehoefte is niet in elke gemeente exact hetzelfde,
ook niet de behoefte aan betaalbare woningen. Om die reden zijn de doelstellingen
van twee derde betaalbare woningen en 30% sociale huurwoningen niet geregeld op het
niveau van een gemeente, project of wijk, maar op regionaal, provinciaal en landelijk
niveau. Voor een antwoord op de vraag wanneer en waarom ik kan ingrijpen als gemeenten
meer dan 2/3e betaalbaar programmeren, verwijs ik naar de beantwoording van vraag 18.
45.
Ten aanzien van de groep urgente woningzoekenden hebben de leden van de ChristenUnie-fractie
vragen over de huisvesting van ex-gedetineerden. Is de Minister het ermee eens dat
de gemeente van herkomst in beginsel het meest aangewezen is voor huisvesting van
ex-gedetineerden, vanwege bestaande (zorg)relaties, toezichtstructuren en kennis van
de persoon in kwestie? Deze leden vragen of de Minister bereid is om expliciet te
borgen dat alleen in situaties waarin aantoonbaar sprake is van een negatief of criminogeen
netwerk in de gemeente van herkomst, het mogelijk blijft om gemotiveerd af te wijken
en een urgentieverklaring te verlenen in de gemeente waar de penitentiaire inrichting
is gevestigd of in een andere passende gemeente. Zo ja, is de Minister bereid om gemeenten
en woningbouwcorporaties mee te laten beoordelen in de toetsingscriteria voor het
aantoonbaar maken van een negatief netwerk in de herkomstgemeente?
Voor een goede re-integratie is de aanwezigheid van een goed pro-sociaal netwerk van
grote meerwaarde. Daarom is in de ontwerpregeling rekening gehouden met de mogelijkheid
dat elke woningzoekende die uitstroomt uit een instelling, zich zal kunnen wenden
tot de regio van herkomst voor een aanvraag voor urgentie. Er kunnen echter zwaarwegende
redenen zijn juist niet terug te keren naar de regio van herkomst, bijvoorbeeld vanwege
de belangen van slachtoffers of de aanwezigheid van een crimineel netwerk. Gemeenten
onderling binnen een woningmarktregio en over de woningmarktregio’s heen kunnen afspraken
maken over de wijze waarop een overdracht van urgent woningzoekenden plaatsvindt.
Daarmee kan maatwerk worden geleverd, dat blijft met de ontwerpregeling mogelijk.
Ik zie dan ook geen reden om in de ontwerpregeling op te nemen dat alleen bij zwaarwegende
reden urgentie aangevraagd kan worden in de regio waar de instelling is gevestigd.
De ontwerpregeling borgt dat de gemeente rekening kan houden met een negatief of crimineel
netwerk. Het is namelijk mogelijk om te bepalen dat de urgentie alleen geldt voor
een specifiek gebied; dus niet geldt voor het gebied waar zich het negatief of misdaad
bevorderende netwerk bevindt van de woningzoekende.
46.
Is de Minister bereid om verplichte zorg, begeleiding of ondersteuning als voorwaarde
te verbinden aan woningtoewijzing voor ex-gedetineerden die een straf langer dan drie
maanden hebben uitgezeten? Zo nee, hoe voorkomt de Minister dat gemeenten en woningcorporaties
geconfronteerd worden met onnodige overlast en maatschappelijke problemen als gevolg
van het huisvesten van personen die aantoonbaar nog niet in staat zijn zelfstandig
te wonen?
In de ontwerpregeling is een aantal algemene en specifieke voorwaarden opgenomen waar
woningzoekenden aan moeten voldoen om in aanmerking te komen voor indeling in een
urgentiecategorie. Hieronder valt onder meer de weigeringsgrond die het college kan
gebruiken om een aanvraag af te wijzen, indien de aanvrager nog niet in staat is om
langdurig zelfstandig te wonen. Om die reden zie ik geen reden om verplichte zorg,
begeleiding of ondersteuning te verbinden aan woningtoewijzing voor ex-gedetineerden.
47.
Ten aanzien van de familie- en mantelzorgwoningen vragen de leden van de ChristenUnie-fractie
welke instrumenten gemeenten hebben of krijgen om dit in goede banen te leiden.
Dit ontwerpbesluit introduceert geen nieuwe specifieke instrumenten voor gemeenten.
Zij beschikken reeds over hun reguliere toezicht- en handhavingsinstrumentarium en
kunnen informatie opvragen om te controleren of aan de voorwaarden binnen het ontwerpbesluit
wordt voldaan, bijvoorbeeld om na te gaan of er nog sprake is van een mantelzorg-
of familierelatie. Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, kan handhavend worden
opgetreden. Daarnaast kunnen gemeenten bij een eerstvolgende wijziging van het omgevingsplan
een ruimere lokale regeling opnemen, binnen de kaders van het ontwerpbesluit. Naast
hun toezichtrol kunnen gemeenten ook een ondersteunende en faciliterende rol vervullen,
bijvoorbeeld door inwoners binnen hun bestaande woon- en zorgbeleid te informeren
en te begeleiden bij het realiseren van mantelzorg- of familiewoningen.
48.
Welke potentie heeft het vergunningsvrij bouwen van een mantelzorg- of familiewoning
in de huursector?
Er zijn geen landelijke cijfers beschikbaar over de specifieke potentie in de huursector,
omdat het om vergunningvrije gevallen gaat die doorgaans niet afzonderlijk worden
geregistreerd. In de praktijk zal de toepassing in de huursector beperkter zijn dan
bij koopwoningen, omdat voor plaatsing op een gehuurd perceel naar verwachting in
beginsel toestemming van de verhuurder vereist zal zijn. Het ontwerpbesluit regelt
uitsluitend het omgevingsrechtelijke kader; privaatrechtelijke verhoudingen, zoals
het huurrecht, blijven onveranderd. Dat betekent dat plaatsing bij een huurwoning
in beginsel enkel mogelijk is als de verhuurder daarmee instemt en dit past binnen
de huurovereenkomst. Zie ook de beantwoording van vraag 21.
49.
Heeft de Minister in beeld welk effect het zou hebben op toeslagen en uitkeringen
als een mantelzorger op hetzelfde adres woont als de mantelzorgontvanger?
Zie het antwoord op vraag 36.
50.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen op welke manier de gemeente kan controleren
dat huisvesting in verband met mantelzorg of huisvesting van familieleden is beëindigd.
Er geldt geen meld- of informatieplicht bij aanvang of beëindiging bij de bouw of
ingebruikname van een mantelzorg- of familiewoning, juist om het vergunningvrije karakter
te behouden. Gemeenten kunnen echter in het kader van regulier toezicht informatie
opvragen als er signalen of gerede twijfel bestaan. Bijvoorbeeld wanneer uit inschrijving
in de BRP, klachten of controles blijkt dat mogelijk geen sprake meer is van een mantelzorg-
of eerstegraads familierelatie. Zodra die relatie ontbreekt, eindigt automatisch de
vergunningvrije situatie. Indien het gebruik na beëindiging van de vergunningvrije
situatie niet in overeenstemming wordt gebracht met het omgevingsplan of wordt gelegaliseerd
door middel van verlening van een omgevingsvergunning, kan handhavend worden opgetreden
met het bestaande handhavingsinstrumentarium.
51.
Deze leden vragen de Minister nader in te gaan op het expliciet maken van de woonbehoefte
van aandachtsgroepen, als onderdeel van de totale gemeentelijke woonbehoefte in het
gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma. Aan welke voorwaarden moet dit «expliciet
maken» voldoen? Of zijn gemeenten hierin vrij?
Met het expliciet maken van de woonbehoefte van aandachtsgroepen wordt bedoeld dat
gemeenten en provincies in hun volkshuisvestingsprogramma inzicht moeten bieden in
de specifieke woonbehoefte die een deel van deze aandachtsgroepen heeft, zoals tijdelijke
arbeidsmigranten die kortdurend in Nederland verblijven of ouderen die behoefte hebben
aan specifieke woningtypes als geclusterde woonvormen of zorggeschikte woningen. De
gemeentelijke woonbehoefte moet worden bepaald met inbegrip van het aandeel in de
woningbouwregio waartoe de gemeente behoort. Het gaat daarbij niet alleen om het in
kaart brengen van de aantallen, maar ook om inzicht in woonwensen en passende woonconcepten.
Aanvullend daarop wordt van gemeenten gevraagd om de maatregelen in kaart te brengen
waarmee zij in deze woonbehoefte gaan voorzien. Het ontwerpbesluit stelt hier geen
nadere eisen aan, maar vereist wel dat gemeenten en provincies de verslagen, waarin
het Rijk gegevens verzamelt en die periodiek gepubliceerd worden, als uitgangspunt
te nemen.
52.
Ten aanzien van artikel 2.30c lid 1 onder o. vragen de leden van de ChristenUnie-fractie
waarom is gekozen voor een vrijstelling van archeologisch vooronderzoek bij een bouwwerk
(familie- of mantelzorgwoning) minder dan 50 m2, terwijl gemeenten op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving voor alle bouwwerken
van minder dan 100 m2 zijn uitgegaan van een vrijstelling. Waarom vindt de Minister het passend om dit
ten aanzien van familie- en mantelzorgwoningen te veranderen?
Ik acht het van belang te onderstrepen dat artikel 2.30c, eerste lid, onder j, onder
1⁰, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zoals in te voegen met het voorgenomen
ontwerpbesluit, geen verandering behelst maar een voortzetting is van het oude recht
onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Monumentenwet 1988/Erfgoedwet.
De verruiming met eerstegraads familieleden is nieuw.
De plicht tot het doen van archeologisch onderzoek kan, afhankelijk van wat in het
omgevingsplan is bepaald, aan de orde zijn bij bouwactiviteiten, de sloop van bouwwerken
of het uitvoeren van andere werken in de bodem, zoals graafwerkzaamheden. De gemeenteraad
kan op grond van artikel 5.130, derde lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving
een passend «vrijstellingsbeleid» voeren door – afhankelijk van de omvang of de diepte
van een bodemverstorende ingreep – in het omgevingsplan te bepalen dat (nader) archeologisch
onderzoek of het opleggen van daartoe strekkende verplichtingen achterwege kan blijven.
Dit kan voor bijvoorbeeld zogenoemde «kruimelgevallen» of in gevallen waarin is vastgesteld
dat de bodem al tot een bepaalde diepte is verstoord door eerdere grondwerkzaamheden.
Dit is een voortzetting van het oude recht onder de Monumentenwet 1988.
De vrijstellingsgrens van 100 m2 waar de leden van de ChristenUnie op wijzen, staat in artikel 5.130, vierde lid,
van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarvan mag de gemeente op grond van het vijfde
lid van datzelfde artikel een afwijkende andere oppervlakte vaststellen. Het vierde
en vijfde lid zijn een voortzetting van artikel 41a van de Monumentenwet 1988.
Het vaststellen van een andere vrijstellingsoppervlakte gebeurt in de praktijk regelmatig.
Welke vrijstellingsoppervlakte (en diepte) verantwoord is, is afhankelijk van de archeologische
verwachting ter plaatse. Die kan per locatie verschillen. In historische binnensteden
geldt er vanwege een hoge archeologische verwachting vaak een vrijstellingsoppervlakte
van 50 m2 of 0 m2.
De vrijstellingsgrens van 50 m2 voor de activiteit bouwen is ook overgenomen uit het oude recht. Deze stond in artikel
5, vierde lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Als een gemeente op
achtererfgebied een archeologisch onderzoek verlangt voor bodemverstorende activiteiten
met een oppervlakte kleiner dan 50 m2, zal deze onderzoeksplicht niet aan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit
kunnen zijn verbonden, maar alleen aan de omgevingsvergunning voor eventuele voor
het bouwen vereiste graafwerkzaamheden (ook wel: «het uitvoeren van een werk, geen
bouwwerk zijnde», of «aanlegwerkzaamheden»). Dit komt tot uitdrukking in artikel 2.30,
eerste lid, onder j, onder 2⁰, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, zoals in te
voegen met het voorgenomen Besluit versterking regie volkshuisvesting.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.M. Beckerman, voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Mede ondertekenaar
J. Beekmans, adjunct-griffier