Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag schriftelijk overleg over het Fiche: [MFK] Landen en gebieden overzee (LGO)-besluit (Kamerstuk 22112-4187)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4292
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 12 maart 2026
Dee vaste commissie voor Koninkrijksrelaties heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over
de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 oktober 2025 inzake Fiche:
[MFK] Landen en gebieden overzee (LGO)-besluit (Kamerstuk 22 112, nr. 4187).
De vragen zijn op 22 januari 2026 aan de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties voorgeled. Bij brief van 12 maart 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Mutluer
De griffier van de commissie, Hessing-Puts
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties reactie van de Staatssecretaris van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorstel tot
wijziging van het bestaande kader voor Landen en Gebieden Overzee (LGO). Naar aanleiding
hiervan hebben zij nog enkele vragen.
1.
Deze leden lezen dat met betrekking tot de dialoogstructuur is besloten de frequentie
van het EU-LGO-forum te verlagen naar tweejaarlijks in plaats van jaarlijks, met als
doel de strategische waarde van dit gremium te versterken. Hoe verhoudt deze keuze
zich tot de politieke en veiligheidssituatie in het Caribisch gebied en tot de mogelijkheid
om, indien ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, tijdig bij te sturen?
Het voornemen om de strategische waarde van het forum te vergroten wordt ondersteund
door het kabinet. Hoewel hiermee de frequentie wordt verlaagd, komen de LGO, de Europese
Commissie en de betrokken lidstaten naast het tweejaarlijkse Forum op regelmatige
basis bij elkaar. Het nieuwe LGO-besluit stelt voor om net als nu ten minste drie
keer per jaar een tripartiet overleg te organiseren. Zo’n overleg kan echter ook ad-hoc
worden georganiseerd mocht het nodig zijn om recente ontwikkelingen te bespreken en
waar nodig bij te sturen.
2.
Welke voorbereidingen treffen de eilanden en Nederland zelf om te komen tot plannen
voor het nieuwe LGO-budget? Op welke wijze ondersteunt Nederland de eilanden hierbij?
Concrete projectvoorstellen kunnen na inwerkingtreding van het besluit in 2028 worden
ingediend. Voorbeelden van prioritaire thema’s die voor financiering in aanmerking
kunnen komen zijn klimaat, digitale connectiviteit, educatie en toerisme. Dit zijn
ook voor de LGO belangrijke thema’s.
Voor Saba en Sint Eustatius geldt dat zij, samen met het Ministerie van Binnenlandse
Zaken (BZK) en het Ministerie van Economische Zaken (EZ) werken aan een economische
ontwikkelstrategie. Bonaire heeft gekozen voor een eigen traject om te komen tot een
strategie. Mijn inzet is dat de projecten die voortkomen uit deze strategieën in aanmerking
kunnen komen voor EU-financiering. Ook voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten acht ik
het wenselijk dat de projectvoorstellen die worden ingediend aansluiten op de lange
termijn strategie van het land. Belangrijk om te benoemen is dat de LGO zelf afspraken
maken met de Europese Commissie over de uit te voeren projecten. Nederland ondersteunt
de LGO hierbij indien gewenst.
3.
Bestaan er tevens mogelijkheden voor de eilanden om gezamenlijke projecten in te dienen?
Zo ja, op welke manier faciliteert Nederland dit?
Ook onder het nieuwe LGO-besluit zal de mogelijkheid bestaan om financiering voor
regionale projecten aan te vragen. Hierbij kunnen eilanden gezamenlijk projecten indienen.
In het algemeen wordt samenwerking door de Europese Commissie gestimuleerd. Door de
eilanden op ambtelijk niveau bij elkaar te brengen in aanloop naar relevante overleggen
met de Europese Commissie faciliteert Nederland de dialoog hierover.
4.
Op welke wijze zal de Staatssecretaris het geopolitieke belang van investeringen in
het Caribisch gebied onderstrepen, mede gezien de situatie in Venezuela?
Ik zal het geopolitieke belang van investeringen vanuit de EU in het Caribische gebied
gedurende het gehele MFK traject blijven onderstrepen. Daarnaast zal Nederland dit
ook gedurende de reguliere overleggen met de Europese Commissie en de LGO benadrukken.
Hiervoor proberen wij ook samen met Frankrijk, waartoe ook 6 LGO behoren, waarvan
één in de Caribische regio, op te treden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het BNC-fiche en
hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
5.
Deze leden benadrukken het standpunt van het kabinet dat heldere criteria, transparante
besluitvorming en een actieve inzet in de Raad nodig is om te waarborgen dat Nederlandse
LGO’s kunnen profiteren van het beschikbare EU-budget. Waar gaat de Staatssecretaris
nu precies op inzetten?
Zoals in het fiche wordt benadrukt is het van belang dat deze toegang, waar gepast,
ook wordt geëffectueerd. Dat kan bijvoorbeeld door toepassing van zogenaamde «microcalls»
en door toegesneden formats voor kleine eilanden te hanteren. Nederland zal hier waar
gepast aandacht voor blijven vragen. Verder zullen ook een intensievere dialoog met
de Commissie en ondersteuning vanuit Nederland van initiatieven van de LGO hieraan
bijdragen.
6.
Hoe beoordeelt de Staatssecretaris het voorstel tot herziening van het LGO-besluit
in verhouding tot het huidige LGO-besluit?
De structuur van het voorstel voor het nieuwe LGO-besluit blijft grotendeels hetzelfde
in vergelijking met het bestaande LGO-besluit. Deze bestaat uit drie pijlers: politiek,
handel en financiële samenwerking. De aanpassingen, voortkomend uit de door de Commissie
uitgevoerde ex-ante evaluatie van het huidige LGO-besluit, richten zich op (1) het
stimuleren van de strategische investeringsagenda binnen de Global Gateway strategie,
(2) het versterken van de samenhang met de bredere EU-financieringsarchitectuur en
(3) het aanbrengen van meer focus en het verbeteren van de dialoog-structuur met de
LGO. Over de hoofdlijnen van het voorstel ben ik daarom positief. De inzet is hierbij
dat de eventuele verhoging van het totaalbudget zich navenant vertaalt in verhoging
van het budget voor de Nederlandse LGO, waarbij de onderlinge verhoudingen niet veranderen.
7.
Wat is de feitelijke benutting van EU-middelen door Nederlandse LGO’s geweest in de
afgelopen periode in relatie tot hun budget?
Voor de huidige periode (2021–2027) hebben de LGO uit de territoriale enveloppe € 52,1 miljoen
ter beschikking gesteld gekregen. Dit zijn per eiland geoormerkte budgetten. En hoewel
de projecten een verschillend implementatie tempo kennen, is de verwachting dat het
volledige budget uiteindelijk wordt benut.
8.
Hoe weegt de Staatssecretaris de verhoging van het LGO-budget binnen de totale MFK-onderhandelingen?
Ik steun de doelen van het LGO-besluit en de aandacht daarin voor de strategische
waarde van de LGO voor de EU. Ook voor de Caribische delen van het Koninkrijk is de
EU van belang als strategisch partner.1 In dat kader heeft de toegang van de Caribische delen van het Koninkrijk tot EU-financiering
en het aangekondigde instrument voor de Landen en Gebieden Overzee de nadrukkelijke
aandacht van het kabinet.2 Ik wil niet vooruitlopen op de integrale afweging van middelen na 2027.
9.
Voornoemde leden lezen dat met name de BES-eilanden beperkt zijn uitgerust om te voldoen
aan de hogere eisen die in het LGO-besluit worden gesteld. In hoeverre acht de Staatssecretaris
de huidige ondersteuning van de LGO’s toereikend om de verantwoordelijkheden die bij
de LGO’s zelf liggen waar te maken?
De invulling van die verantwoordelijkheden is voor de eilanden uitdagend, maar leidt
niet tot onoverkomelijke problemen. Sinds april 2023 is namens het Ministerie van
BZK een speciaal gezant in functie die de eilanden ondersteunt bij het aantrekken
van horizontale fondsen en het behartigen van belangen in Brussel. Dit en de ondersteuning
vanuit de PVEU en het departement zullen naar verwachting bijdragen aan het voldoen
aan de verplichtingen die EU-subsidies met zich meebrengen.
10.
Hoe borgt de Staatssecretaris dat voorspelbaarheid van financiering en begroting behouden
blijft zonder vaste meerjarige enveloppes «Multiannual Indicative Programmes» (MIP’s)?
Hoewel wordt voorgesteld om de territoriale (bilaterale) en regionale enveloppe samen
te brengen in één enveloppe, betekent dat niet dat er geen MIPs meer zullen zijn.
Een MIP is het format waarin projectvoorstellen worden ingediend. Daarin worden de
afspraken vastgelegd over een specifiek project, of dit territoriaal, regionaal of
intraregionaal is. In de Annex wordt verder beschreven dat de middelen voor territoriale
samenwerking zullen worden gebaseerd op een aantal specifieke criteria, zoals populatie,
BBP en armoede. Het Koninkrijk zal er als lidstaat via het LGO-Comité op toezien dat
de verdeling van de middelen op basis van transparante en objectieve criteria wordt
uitgevoerd.
11.
Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat nationale middelen worden gereserveerd zonder
zekerheid dat EU-cofinanciering volgt?
Bij het reserveren van middelen zal niet worden uitgegaan van EU-cofinanciering, tenzij
deze reeds is toegekend.
12.
Hoe beoordeelt de Staatssecretaris het risico dat de BES-eilanden minder toegang krijgen
tot het niet-toegewezen fonds dan grotere LGO’s?
Nederland zal in het reguliere contact met de Europese Commissie het strategisch belang
van Bonaire, Saba en Sint-Eustatius voor de EU blijven benadrukken om er zeker van
te zijn dat ook de eilanden toegang krijgen tot de niet-toegewezen middelen. Daarnaast
is Nederland ook lid van het LGO-comité waar besloten over het toewijzen van deze
middelen.
13.
Daarnaast zijn de aan het woord zijnde leden benieuwd naar de verhouding tussen de
leenfaciliteit tot de wet FinBES. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe de leenfaciliteit
invloed heeft op de afspraken over financieel toezicht bij Aruba, Curaçao en Sint-Maarten?
Bestaat het risico dat de Nederlandse Staat (mede) aansprakelijk wordt voor de door
LGO’s aangegane EU-leningen. Deze leden zouden dit onwenselijk vinden. Zo ja, hoe
wordt dit voorkomen?
Onder de huidige FinBES is het voor Bonaire, Saba en Sint Eustatius niet mogelijk
te lenen, daarom zullen zij ook niet kunnen lenen bij de Europese Commissie indien
deze leenfaciliteit opgenomen wordt in het nieuwe LGO-besluit. Ik zal nog bezien welke
gevolgen de beoogde wijziging van de FinBES hierop zal hebben, maar ik kan niet vooruitlopen
op het ontwerp. Voor Curaçao en Sint Maarten geldt dat Nederland een zogenaamde lopende
inschrijving op leningen heeft. Dat wil zeggen dat als de landen een lening voor de
kapitaaldienst willen uitschrijven, Nederland zal inschrijven (als voldaan wordt aan
de normen van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten) tegen het dan
actuele rendement op staatsleningen van de betreffende looptijd. Voor Aruba geldt
dat in het voorstel van de Rijkswet Houdbare overheidsfinanciën Aruba (HOFA) een leenfaciliteit
is opgenomen met gelijksoortige voorwaarden. De rente die Nederland in rekening brengt
zal naar verwachting altijd lager zijn dan de rente die de Europese Commissie zal
kunnen aanbieden. Hierdoor is het niet te verwachten dat de eilanden een lening aan
zullen gaan bij de Europese Commissie.
Mocht er toch een lening aan worden gegaan bij de Europese Commissie, en er wordt
niet voldoen aan de verplichtingen die horen bij de lening, dan zal het Koninkrijk
(als lidstaat) verantwoordelijk worden gehouden. Overigens voldoen Aruba, Curaçao
en Sint Maarten aan de verplichtingen verbonden aan de bij Nederland aangegane leningen,
waardoor een bovenstaand scenario niet te verwachten is.
14.
Hoe wordt de Tweede Kamer gedurende de onderhandelingen en bij de uitvoering van het
nieuw LGO-besluit geïnformeerd? Is de Staatssecretaris bereid de Kamer structureel
te informeren op de momenten dat er aanleiding toe is, dus los van geannoteerde agenda’s
en dergelijke?
Ik zal de Kamer informeren over het LGO-besluit, conform de bestaande informatieafspraken.
Zoals opgenomen in de brief over de Nederlandse inzet op het MFK 20283 zal Uw Kamer, zoals gebruikelijk, doorlopend worden geïnformeerd over het verloop
van de MFK- en EMB onderhandelingen. Voorafgaand aan besprekingen in Raden zal uw
Kamer worden geïnformeerd over de voorgenomen kabinetsinzet via de Geannoteerde Agenda
van de Raad Algemene Zaken (MFK), de Ecofinraad (EMB) en Europese Raad. Na afloop
van de Raden wordt u geïnformeerd over de voortgang middels het verslag van de Raad
Algemene Zaken, Ecofinraad en Europese Raad. Tevens zal de Minister-President tijdens
het gebruikelijke debat voorafgaand aan een Europese Raad met uw Kamer hierover van
gedachten wisselen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
het Fiche Landen en gebieden overzee (LGO)-besluit. Zij hebben hierover een aantal
vragen en opmerkingen.
15.
Allereerst vragen deze leden of de Staatssecretaris verwacht dat het voorstel van
de Europese Commissie de komende tijd nog zal wijzigen nu besloten is dat er, gelet
op de geopolitieke situatie, meer aandacht komt voor Groenland? Zo ja, wat zou dit
betekenen voor de eilanden in het Caribisch deel van het Koninkrijk?
Een wijziging van het voorstel tot wijziging van het LGO-besluit verwacht ik niet.
Mede naar aanleiding van de geopolitieke situatie is het voorgestelde budget al verdubbeld
ten opzichte van de huidige periode van het bestaande LGO-besluit. De voorgestelde
verhoudingen binnen het budget blijven daarbij op hoofdlijnen ongewijzigd. Tijdens
de onderhandelingen wordt blijvend aandacht gevraagd voor het Caribische deel van
het Koninkrijk.
16.
Voornoemde leden lezen dat er voor de LGO-gebieden die bij Nederland en Frankrijk
horen 425 miljoen euro beschikbaar zou komen. Kan worden toegelicht wanneer bekend
wordt hoe dit precies verdeeld wordt en wat de precieze voorwaarden zijn? Wat is de
inzet van de Staatssecretaris hierbij? En kan daarbij ook aangegeven worden hoe precies
tot dit bedrag gekomen is? Is de Staatssecretaris van mening dat met dit bedrag voldoende
opgaven kunnen worden gefinancierd?
De verdeling van beschikbare middelen vindt op een later moment plaats als onderdeel
van de lopende onderhandelingen over het volgend MFK (2028–2034). Het is op dit moment
niet exact te zeggen wanneer een akkoord over het MFK en eigenmiddelenbesluit (EMB)
zal worden bereikt.
De Nederlandse inzet ten aanzien van de LGO-gebieden (als onderdeel van de overkoepelende
MFK-inzet) is dat (intra-) regionale enveloppe niet mag worden verhoogd ten koste
van de territoriale enveloppe, zodat er per eiland voldoende budget blijft voor projecten
van enige omvang. Dit resulteert in een verdeling over de eilanden die afhankelijk
van het totaal budget kan worden omgerekend naar bedragen per LGO. In de huidige periode
is het totaal voor de Nederlandse LGO ongeveer € 80 mln. Dit bedrag is opgebouwd uit
de drie enveloppen: territoriaal, regionaal (Caribische regio) en intraregionaal (voor
alle drie regio’s onder het besluit).
17.
De Franse overzeese gebieden behoren, in tegenstelling tot de Nederlandse, tot de
EU. Kan de Staatssecretaris nader duiden wat de precieze formele en praktische verschillen
hiervan zijn? De aan het woord zijnde leden begrijpen dat de Caribische delen van
het Koninkrijk niet in Europa liggen en dat de schaal van de eilanden een hele andere
is dan het Europese deel van Nederland. Dit geldt echter ook voor Frankrijk. Daarom
ontvangen deze leden dus graag een uitgebreide analyse van de voor- en nadelen van
het formeel onderdeel zijn van de EU van de Caribische delen van het Koninkrijk. En
in het verlengde hiervan zijn deze leden benieuwd of de Staatssecretaris recent met
de eilanden hierover heeft gesproken? Zo nee, is de Staatssecretaris bereid dit de
komende periode alsnog te doen?
Niet alle Franse overzeese gebieden behoren tot de Europese Unie. Frankrijk kent naast
LGO ook zogenaamde Ultra Perifere Gebieden (UPG), net als Spanje en Portugal. Het
belangrijkste verschil tussen LGO en UPG is dat in de UPG het gehele EU-acquis van
kracht is en zij onderdeel zijn van de Europese interne markt. De UPG hebben toegang
tot meer Europese fondsen en ontvangen daardoor meer Europese subsidies. Op dit moment
wordt naar aanleiding van de motie White/Paternotte4 in opdracht van het Ministerie van BZK een integrale analyse van de voor- en nadelen
van de LGO versus de UPG-status uitgevoerd. Ik verwacht het rapport vóór het zomerreces
met uw Kamer te kunnen delen.
18.
Tot slot horen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie graag op welke wijze de drie
zelfstandige landen en de drie bijzondere openbare lichamen door de Staatssecretaris
betrokken worden bij de onderhandelingen over het voorliggende voorstel.
De Nederlandse LGO worden gedurende het traject (op ambtelijk niveau) geïnformeerd
over de Nederlandse inzet en de voortgang van de onderhandelingen. Daarbij worden
zij in de gelegenheid gesteld inbreng te leveren op de Nederlandse inzet. De Nederlandse
inzet sluit aan op de gezamenlijke inbreng van alle dertien LGO, waarnaar ik heb verwezen
in het antwoord op vraag 2, hebben geleverd aan de Commissie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het fiche en danken het kabinet
hiervoor. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen
aan de Staatssecretaris hierover.
19.
Voornoemde leden constateren dat de Europese Commissie de LGO’s nadrukkelijk positioneert
als «strategische buitenposten» van de Europese Unie. Zij vragen wat deze strategische
positionering in de praktijk concreet betekent voor de Caribische delen van het Koninkrijk,
bijvoorbeeld op het terrein van veiligheid, weerbaarheid en regionale samenwerking.
Hoe wordt voorkomen dat deze geopolitieke ambitie vooral beleidsmatig blijft zonder
voldoende uitvoeringskracht?
In de praktijk komt dit neer op een voorgestelde verhoging van het budget onder het
LGO-besluit en op het actief betrekken van de LGO bij de activiteiten van de Europese
Unie in de regio, zoals onder het Global Gateway programma. De aanwezigheid van de
Europese Unie in de regio wordt zo vergroot.
20.
De aan het woord zijnde leden merken op dat het fiche expliciet wijst op de beperkte
uitvoeringscapaciteit van de LGO en de geringe slagingskans bij het benutten van EU-fondsen.
Zij vragen welke concrete en afdwingbare vereenvoudigingen zijn inzet om te voorkomen
dat middelen opnieuw onvoldoende worden benut en vooral terechtkomen bij beter toegeruste
gebieden.
Zie antwoord op vraag 5.
21.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Staatssecretaris borgt dat middelen uit
het LGO-besluit aanvullend zijn op nationale middelen en de Koninkrijksmiddelen en
niet leiden tot verdringing van bestaande investeringen. Op welke wijze wordt de samenhang
tussen EU-financiering en Koninkrijksbeleid in de praktijk georganiseerd en bewaakt?
Deze behoefte aan samenhang onderschrijf ik en ik wil samen met de LGO nagaan hoe
de aansluiting kan worden geborgd. Ik streef naar meer georganiseerde samenwerking
binnen het Koninkrijk richting de Europese Unie. Op deze manier wordt ervoor gezorgd
dat de middelen aanvullend zijn waardoor van verdringing naar mijn inzicht geen sprake
is.
22.
Voornoemde leden constateren dat het budget voor de Nederlandse en Franse LGO stijgt
naar 425 miljoen euro, terwijl nog onduidelijk is op basis van welke criteria en verdeelsleutels
deze middelen worden toegekend. Zij vragen hoe wordt geborgd dat deze middelen transparant,
voorspelbaar en evenwichtig over de verschillende eilanden worden verdeeld, zodat
ongelijke behandeling en beperkte Kamercontrole worden voorkomen. Ook vragen deze
leden of de Staatssecretaris al een overzicht kan geven hoe deze middelen worden verdeeld.
Zie het antwoord op vraag 16. Zodra de verdeling bekend is, zal ik die met uw Kamer
delen.
23.
De aan het woord zijnde leden hebben zorgen over de voorgestelde leenfaciliteit, nu
voorwaarden zoals rente, looptijd en garanties nog onduidelijk zijn. Zij vragen hoe
de Staatssecretaris de risico’s van deze leenfaciliteit beoordeelt in het licht van
schuldenproblematiek, financieel toezicht en de autonomie van landen binnen het Koninkrijk,
en of kan worden uitgesloten dat hieruit impliciete financiële verplichtingen voor
Nederland voortvloeien.
Zoals gesteld is er nog onduidelijkheid over de vormgeving van de leenfaciliteit.
Naast dialoog met de LGO en de Commissie over die vormgeving, zullen met de (rijks-)wetgeving
gericht op het bereiken en behouden van houdbare overheidsfinanciën en het financieel
toezicht dat daarin wordt geregeld, de eventuele risico’s naar verwachting kunnen
worden beheerst. Zie ook het antwoord op vraag 13.
24.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de rol van lidstaten bij de totstandkoming
en uitvoering van de MIP’s beperkt is uitgewerkt, terwijl lidstaten wel worden aangesproken
bij knelpunten. Zij vragen hoe de Staatssecretaris de positie van Nederland als lidstaat
wil versterken, zodat verantwoordelijkheid en zeggenschap beter in balans worden gebracht.
De inzet van het kabinet is om de positie als lidstaat in het proces te versterken.
Dit kan door meer duidelijkheid over de rollen en verantwoordelijkheid en daarbij
een vroegtijdiger betrokkenheid in de afstemming van de MIP’s. Hierover willen wij
in gesprek met de Commissie en de LGO.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie lezen dat er 425 miljoen euro beschikbaar is voor de Nederlandse
en Franse LGO samen, maar dat het nog onbekend is hoe dit bedrag over de verschillende
gebieden verdeeld gaat worden.
25.
Hoe gaat de Staatssecretaris garanderen dat de Nederlandse eilanden, en specifiek
de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius, een eerlijk en proportioneel
deel van dit budget ontvangen ten opzichte van de Franse gebieden?
Zie het antwoord op vraag 16. Zodra de verdeling bekend is, zal ik die met uw Kamer
delen.
26.
De leden van de BBB-fractie lezen dat er wordt ingezet op «voedselzekerheid» als onderdeel
van de brede aanpak. Kan de Staatssecretaris specifiek toelichten hoe dit geld zal
worden ingezet om de zelfredzaamheid van lokale boeren en vissers op de eilanden te
vergroten en in hoeverre hierbij gebruik zal worden gemaakt van Nederlandse agrarische
expertise?
Op dit moment kan nog niets worden gezegd over de exacte inzet van de middelen uit
het nieuwe LGO besluit. Dit wordt namelijk pas na de inwerkingtreding van het nieuwe
LGO-besluit in 2028 aan de hand van dialoog en ingediende voorstellen vastgelegd.
De LGO kunnen daarbij inzetten op verschillende prioriteiten, waaronder voedselzekerheid.
Bij de Nederlandse inzet op voedselzekerheid van de eilanden vormt kennisuitwisseling
een belangrijke bouwsteen. Beoogt wordt een kennisplatform, de (Agri-)academy, gericht
op verspreiding en ontwikkeling van innovatieve werkwijzen tot stand te brengen5.
27.
De leden van de BBB-fractie lezen dat er een nieuwe leenfaciliteit wordt voorgesteld,
maar de voorwaarden voor deze leningen zijn nog onduidelijk. Welke risico’s loopt
de Nederlandse Staat als een LGO de rente of aflossing van een dergelijke EU-lening
niet kan betalen, aangezien de lidstaat in het proces vaak als aanspreekpunt fungeert?
Zie het antwoord op vraag 13.
Tot slot maak ik van de gelegenheid gebruik om te reageren op een verzoek dat ik op
12 februari jl. ontving van uw Kamer om geïnformeerd te worden over de uitkomsten
van het LGO-EU Forum. Het komende Forum is van 9 t/m 14 april a.s. in Aruba. Ik zal
u nadien over de uitkomsten informeren.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S. Mutluer, voorzitter van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties -
Mede ondertekenaar
A.E.A.J. Hessing-Puts, griffier