Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Ellian over aanhangers van het Iraanse Islamitische regime in Nederland
Vragen van het lid Ellian (VVD) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over aanhangers van het Iraanse Islamitische regime in Nederland (ingezonden 11 maart 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 12 maart 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met diverse gevallen van personen in Nederland die zich positief over
het Iraanse Islamitische regime uitlaten of zelfs publiekelijk dit regime steunen?
Antwoord 1
Het is bekend dat de Iraanse diaspora scheidslijnen kent. Uit de nieuwsberichten over
demonstraties waarmee steun aan het Iraanse regime wordt betuigd, kan worden geconcludeerd
dat zich personen in Nederland bevinden die zich positief over dit regime uitlaten.
Vraag 2
Op welke wijze kan volgens u het strafrecht worden ingezet indien personen zich positief
uitlaten over de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) of deze zelfs steunen, nu
de IRGC in de EU is aangemerkt als terroristische organisatie?
Antwoord 2
Het kabinet is er alles aan gelegen om de Nederlandse democratische rechtsstaat en
vrijheden te beschermen tegen terrorisme en extremisme. De Islamitische Revolutionaire
Garde (IRGC) is sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931)
geplaatst. De IRGC is als terroristische organisatie gekwalificeerd en er zijn verschillende
sancties opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding.
Hierdoor is eventuele deelname aan deze terroristische organisatie strafbaar en publieke
steunbetuigingen aan IRGC worden met grote zorgen bezien.
Of er in een specifieke casus sprake is van (een verdenking van) een strafbaar feit
– en dus of het strafrecht ingezet kan worden –, hangt af van de feiten en omstandigheden
van dat geval. Het is dus van belang waaruit het «positief uitlaten» of «steunen»
bestaat en met welke feitelijkheden dit gepaard gaat. Indien een persoon bijvoorbeeld
een terroristische organisatie steunt door middel van financiële middelen, kan sprake
zijn van terrorismefinanciering, hetgeen een misdrijf is.
Plaatsing van een organisatie op de nationale en/of Europese sanctielijst heeft tot
gevolg dat de tegoeden van de betreffende persoon of organisatie worden bevroren.
Tegelijkertijd is het verboden om financiële tegoeden/diensten en (op geld waardeerbare)
middelen aan deze persoon of organisatie ter beschikking te stellen. Plaatsing van
een persoon of organisatie op de EU-terrorisme sanctielijst heeft tot gevolg dat die
persoon of organisatie van rechtswege in Nederland is verboden (artikel 2:20, vierde
lid, Burgerlijk Wetboek). Op grond van artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van
Strafrecht is het «voortzetten van de werkzaamheid van een van rechtswege verboden
organisatie» strafbaar. Het «voortzetten van de werkzaamheid» moet ruim worden geïnterpreteerd;
het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van
de verboden organisatie. Dit kan bijvoorbeeld zijn het organiseren van een betoging,
evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie,
het «in de lucht» houden van een website of het houden van fondsenwervingsacties ten
behoeve van een verboden rechtspersoon. Een enkele handeling kan al bijdragen aan
het voortbestaan van de organisatie. Of daar in een specifieke situatie sprake van
is, zal afhangen van de feiten en omstandigheden van het geval. Dat is aan het Openbaar
Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Ook het «positief uitlaten» (in de brede zin van het woord) kan onder omstandigheden
een strafbaar feit opleveren. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten
tot haat en geweld, maar dat zal per geval aan de hand van de feiten en omstandigheden
moeten worden beoordeeld. Hierbij speelt ook de context waarbinnen de uiting is gedaan
een rol. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat of geweld.
Om dergelijke laakbare uitingen met betrekking tot terrorisme nog beter en gerichter
aan te kunnen pakken, heeft het kabinet een wetsvoorstel in voorbereiding waarin twee
nieuwe strafbaarstellingen zijn opgenomen, te weten de strafbaarstelling van het verheerlijken
van terrorisme en de strafbaarstelling van het openlijk betuigen van steun aan een
terroristische organisatie. Dit wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij de
Raad van State.
Vraag 3
Wat vindt u ervan dat personen in Nederland het Iraanse Islamitische Regime en/of
de Islamitische Revolutionaire Garde publiekelijk steunen?
Antwoord 3
De IRGC staat sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931)
waardoor er beperkende sancties zijn opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling
voor terrorismebestrijding. Nederland heeft zich hiervoor onverminderd ingezet en
een voortrekkende rol vervuld. Deze Nederlandse inzet is ook in een brief aan uw Kamer
geïnformeerd.1 Het kabinet vindt het uitspreken van steun aan deze organisatie dan ook absoluut
verwerpelijk. De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel onderdeel van onze
democratie, maar dit recht kent wel grenzen. Zoals in het bovenstaande antwoord benoemd
zal per geval beoordeeld moeten worden of deze grenzen zijn overschreden en of er
mogelijk sprake is van een strafbaar feit. Dit is aan het Openbaar Ministerie, en
uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Vraag 4 en 5
Op welke wijze worden aangiften behandeld indien zij zien op bedreigingen richting
Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran?
Worden deze aangiften voortvarend behandeld vanwege de huidige internationale situatie
en de mogelijkheid tot tegenacties van het Iraanse regime?
Antwoord 4 en 5
Bij vermoedens van bijvoorbeeld bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten
en hun familieleden in Iran kan er melding of aangifte worden gedaan bij de politie.
De politie behandelt deze meldingen en aangiftes zorgvuldig en heeft daarbij oog voor
de huidige internationale situatie.
Vraag 6
Wordt op dit moment daadwerkelijk grondig onderzoek gedaan welke personen in Nederland
feitelijk verlengstukken van het Iraanse Islamitische Regime (en/of de IRGC) zijn
en op welke wijze wordt actie tegen deze personen ondernomen? Zo ja/nee, waarom?
Antwoord 6
Uw vraag betreft het kennisniveau en het functioneren van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Daarover worden in het openbaar geen mededelingen gedaan. In algemene zin kan ik uw
Kamer mededelen dat voortdurend en op basis van het dreigingsbeeld wordt bezien wat
mogelijk is om ongewenste buitenlandse inmenging te voorzien, verstoren, verijdelen
en/of mitigeren. Voor een actueel overzicht verwijs ik uw Kamer naar de meest recente
publicaties over dit thema.2
Vraag 7
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het plenaire debat over Iran op 12 maart 2026
beantwoorden?
Antwoord 7
Ja.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.