Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde Agenda Raad Algemene Zaken van 17 maart 2026 (Kamerstuk 21501-02-3356)
21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken
Nr. 3359
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 11 maart 2026
De vaste commissie voor Europese Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de brief van 5 maart 2026 over de geannoteerde
Agenda Raad Algemene Zaken van 17 maart 2026 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3356).
De vragen en opmerkingen zijn op 9 maart 2026 aan de Minister van Buitenlandse Zaken
voorgelegd. Bij brief van 11 maart 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Van der Werf
De griffier van de commissie, Blom
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
5
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3356) en het verslag van de vorige Raad Algemene Zaken (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3357). In het verslag lezen deze leden dat Nederland het belang heeft benadrukt van een
op merites gebaseerd toetredingsproces voor Oekraïne. Op welke manier is opvolging
gegeven aan het standpunt dat ook geopolitieke overwegingen een rol spelen en Nederland
voorstander is van een Europese Unie (EU) van verschillende snelheden? Welke concrete
opvolging heeft het kabinet tot dusver gegeven aan de motie-Klos c.s. over de (gefaseerde)
toetreding van Oekraïne tot de EU als onderdeel van een vredesakkoord (Kamerstuk 36 800 V, nr. 49)?
1. Antwoord van het kabinet
Vasthouden aan een toetredingsproces gebaseerd op merites en het erkennen van de geopolitieke
dimensie van uitbreiding sluiten elkaar niet uit. Aan de positie van de EU op het
wereldtoneel liggen een sterke rechtsstaat en gedeelde Europese waarden ten grondslag;
voor een volwaardig lidmaatschap moet aan deze voorwaarden zijn voldaan. De kwaliteit
en het tempo van hervormingen in kandidaat-lidstaten blijven voor het kabinet dan
ook leidend voor de voortgang in het toetredingsproces. Dat geldt ook voor Oekraïne.
Oekraïne bevindt zich op een onomkeerbaar pad richting EU lidmaatschap. In lijn met
de motie Klos c.s.1 staat het kabinet constructief tegenover het voeren van gesprekken over eventuele
gefaseerde toetreding door Oekraïne, indien dit nodig blijkt. Het is van belang dat
het proces reëel en werkbaar is. Het heeft daarom de voorkeur om eerst te kijken naar
manieren om vaart te houden in het reguliere toetredingsproces, ook door druk op landen
die bilaterale blokkades opwerpen, zodat de verschillende onderhandelingsclusters
formeel geopend kunnen worden. Daarnaast kan geïnvesteerd worden in verdere geleidelijke
integratie, zonder daarbij afbreuk te doen aan de voorwaarden voor EU toetreding.
Zie ook het antwoord op vraag 16. Deze boodschap geeft Nederland ook af in Brussel.
Het kabinet kan niet vooruit lopen op een mogelijk vredesakkoord en de inhoud daarvan.
Ook vragen deze leden welke opvolging er is gegeven aan de motie-Klos c.s. over draagvlak
zoeken voor een Europese veiligheidsraad (Kamerstuk 36 800 V, nr. 48).
2. Antwoord van het kabinet
Het idee van een Europese veiligheidsraad komt regelmatig ter sprake in gesprekken
met andere EU-lidstaten, maar heeft op dit moment weinig tractie in Brussel en bij
andere lidstaten. Uit de eerste gesprekken blijkt dan ook dat het draagvlak hiervoor
gering is. Het kabinet beziet momenteel hoe verder invulling kan worden gegeven aan
motie Klos.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de agenda
voor de Raad Algemene Zaken van 17 maart 2026. Deze leden constateren dat deze Raad
vooral in het teken zal staan van het Meerjarig Financieel Kader (MFK), de European Electoral act en het Europees Semester. Naar aanleiding hiervan en naar aanleiding van een aantal
overige relevante onderwerpen uit de geannoteerde agenda hebben deze leden nog een
aantal vragen.
MFK
De leden van de VVD-fractie constateren dat de discussie rond het MFK tijdens deze
Raad zich vooral zal toespitsen op governance. Hierbij onderschrijven deze leden het
uitgangspunt van het nieuwe MFK-voorstel dat lidstaten meer vrijheid moeten krijgen
in het besteden van de Europese Middelen. Tegelijkertijd merken deze leden op dat
deze vrijheid er ook toe kan leiden dat er meer fraude met Europese middelen kan worden
gepleegd. In hoeverre meent de Minister dat het huidige MFK-voorstel genoeg zekerheden
heeft ingebouwd om fraude met Europese middelen tegen te gaan?
3. Antwoord van het kabinet
Het huidig Financieel Reglement van de EU bevat een uitgebreid pakket van juridische,
administratieve en operationele waarborgen om misbruik van EU-gelden te voorkomen,
op te sporen en te corrigeren. Het Financieel Reglement blijft onder het volgend MFK
van toepassing.
Bestaat er volgens de Minister een risico dat lidstaten Nationale en Regionale Partnerschapsplannen
(NRPP’s) te vrij in gaan vullen waardoor Europese middelen gebruikt zullen worden
voor doelen die niet aansluiten bij gezamenlijke EU-prioriteiten? Hoe kijkt de Minister
naar de recente brief waarin twintig lidstaten oproepen om een groot deel van de NRPP-middelen
te oormerken voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid? Deelt de Minister de opvatting
dat hierdoor de financiering van andere onderdelen van de NRPP verordening, zoals
Frontex en Europol, in gevaar dreigt te komen?
4. Antwoord van het kabinet
Het kabinet is positief over het feit dat een deel van de NRPP middelen niet geoormerkt
is en vindt dat deze middelen gebruikt moeten worden voor gezamenlijke EU-prioriteiten.
In het geval dat een groter deel van de NRPP-middelen geoormerkt zou worden, kan dit
leiden tot minder financiering van andere onderdelen van het NRRP. Het kabinet is
hier geen voorstander van.
De leden van de VVD-fractie constateren voorts dat de Europese Commissie (EC) via
een nieuw sturingsmechanisme het democratisch toezicht op de jaarlijkse begrotingsprocedure
wil vergroten. Deze leden onderschrijven het doel van dit mechanisme, maar maken zich
wel zorgen over de eventuele complexiteit van dit mechanisme. Hoe kijkt de Minister
aan tegen deze zorg en hoe gaat de Minister voorkomen dat de voorgestelde triloog
ertoe leidt dat de besluitvorming rond de jaarlijkse begrotingsprocedure onnodige
vertraging oploopt?
5. Antwoord van het kabinet
Het kabinet is positief over de mogelijkheid die het nieuwe sturingsmechanisme biedt
aan de Raad en het Europees Parlement om in een vroeg stadium richting te geven aan
de strategische prioriteiten voor de nieuwe jaarbegroting. Omdat de voorgestelde triloog
zal plaatsvinden voorafgaand aan het formele voorstel van de Europese Commissie voor
de jaarbegroting, is de verwachting dat de besluitvorming rond de jaarlijkse begrotingsprocedure
geen onnodige vertraging oploopt.
European Electoral Act
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van een regeling voor zwanger-
of moederschapsverlof voor de leden van het Europees Parlement en erkennen dat het
stemmen per volmacht zo’n regeling zou kunnen zijn. Deze leden merken hierbij wel
op dat een voorstel uit 2022 om de European Electoral Ect dusdanig te wijzigen dat
Europarlementariërs voor een (hernieuwbare) periode van 16 weken kunnen worden vervangen
beter aan zou sluiten bij het voor Nederland belangrijke beginsel dat een volksvertegenwoordiger
alleen kan stemmen indien er sprake is van fysieke aanwezigheid. In hoeverre verwacht
de Minister dat dit voorstel uit 2022 op termijn door de Raad kan worden behandeld
en daardoor het plan om te stemmen per volmacht kan vervangen? Is de Minister bereid
om zich samen met gelijkgestemde lidstaten voor dit voorstel uit 2022 hard te blijven
maken?
6. Antwoord van het kabinet
Zoals eerder gecommuniceerd met uw Kamer,2 houdt het kabinet een voorkeur voor het voorstel uit 2022 voor een tijdelijke vervangingsregeling
wegens zwangerschap en ziekte. Momenteel is er geen zicht op draagvlak binnen de Raad
voor dit voorstel. Het is dan ook onduidelijk of en wanneer in de toekomst de regeling
voor stemoverdracht kan worden vervangen door een tijdelijke vervangingsregeling.
Het kabinet blijft hier echter wel voor pleiten. Daarom zal het kabinet in Raadsverband
een verklaring afleggen waarin wordt aangegeven dat het voorstel voor stemoverdracht
wat Nederland betreft gezien moet worden als opmaat naar een tijdelijke vervangingsregeling
en/of een uitbreiding voor vaderschapsverlof en ziekteverlof.
Europees Semester
De leden van de VVD-fractie ondersteunen de lijn van het kabinet dat schuldhoudbaarheid
in de lidstaten van fundamenteel belang is voor een economisch sterke Eurozone. Ook
is het gezien de geopolitieke situatie buiten Europa van belang dat de Europese én
Nederlandse defensie-industrie dusdanig functioneren dat Europa in staat is om zichzelf
te verdedigen. Hoe kijkt de Minister aan tegen de aanbeveling om knelpunten in de
defensie-industrie weg te werken? Geldt deze aanbeveling ook voor Nederland, of zijn
het vooral andere Europese lidstaten die te maken hebben met deze knelpunten?
7. Antwoord van het kabinet
Het kabinet ondersteunt de aanbeveling van de Commissie om knelpunten in de defensie-industrie
aan te pakken, in overeenstemming met de Defence Readiness Roadmap 2030, om ervoor te zorgen dat extra overheidsuitgaven worden omgezet in tijdige en
effectieve defensiecapaciteiten. Dit geldt ook voor Nederland. Daarom werkt het kabinet
aan het versterken van de Nederlandse defensie-industrie in lijn met de Defensie Strategie
voor Industrie en Innovatie.
EU-toetredingsproces Oekraïne en Moldavië
De leden van de VVD-fractie constateren dat Hongarije helaas nog steeds het formeel
laten beginnen van het toetredingsproces van Oekraïne blokkeert. Deze leden ondersteunen
de lijn van de EC om in de tussentijd de onderhandelingen al wel op technisch niveau
te laten plaatsvinden. Verwacht de Minister dat Hongarije op korte termijn bereid
is om de blokkade voor het formeel laten beginnen van onderhandelingen op te heffen?
Welke additionele stappen is de Minister bereid te zetten om de druk op Hongarije
maximaal op te voeren?
8. Antwoord van het kabinet
Hongarije heeft het zetten van formele stappen in het toetredingsproces van Oekraïne
tot nog toe geblokkeerd. Een dergelijke oneigenlijke bilaterale blokkade is zeer onwenselijk
voor Oekraïne, raakt in dit geval ook Moldavië en tast bovendien de geloofwaardigheid
van het uitbreidingsbeleid aan. In lijn met de motie Van Campen en Piri3 zet Nederland zich daarom in voor het in Europees verband opvoeren van de druk op
Hongarije. Samen met gelijkgezinde EU lidstaten spreekt Nederland zich actief uit
tegen de voortdurende oneigenlijke blokkade, zoals middels de door Nederland geïnitieerde,
gezamenlijke demarche in Boedapest in december jl. Het opvoeren van de druk op Hongarije
is alleen mogelijk in samenwerking met andere EU lidstaten en Nederland zal hieraan
een bijdrage blijven leveren. Over de toekomstige positie van Hongarije kan het kabinet
niet speculeren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Raad Algemene Zaken van 17 maart 2026, het verslag van de Raad Algemene Zaken van
24 februari 2026 en de aanvullende stukken over de associatieakkoorden met Zwitserland,
Andorra en San Marino. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
Meerjarig Financieel Kader 2028–2034
De leden van de CDA-fractie steunen de lijn van het kabinet dat Europese middelen
scherper moeten worden ingezet op de grote geopolitieke opgaven van deze tijd. Tegelijkertijd
vraagt een grotere rol voor lidstaten wel om duidelijke waarborgen voor democratische
controle, rechtsstatelijkheid en doelmatige besteding van middelen. Hierbij wordt
onder meer gewezen op nationale plannen en op het risico dat bundeling van fondsen
ten koste kan gaan van gemeenschappelijk beleid.
De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet concreet kan maken wat bedoeld wordt
met een grotere rol voor de Raad en de lidstaten in het volgende Meerjarig Financieel
Kader (MFK). Waar wil Nederland precies meer politieke sturing organiseren en op welke
punten juist niet? Met welke lidstaten trekt Nederland hierin op en waar zitten de
belangrijkste meningsverschillen?
9. Antwoord van het kabinet
Het voorstel van de Commissie voor een nieuw MFK zorgt voor meer flexibilisering.
Het kabinet is hier voorstander van, maar daarbij moet de rol van de Raad en de lidstaten
goed geborgd zijn. Tegelijkertijd moeten administratieve processen niet onnodig zwaar
worden en vraagt de inrichting van governance om maatwerk. Het kabinet zet in op een
beleidsbepalende rol voor de Raad door sturing aan de voorkant, onder meer via het
zogenaamde sturingsmechanisme in het kader van de jaarbegroting, als via jaarlijkse
politieke dialogen in het kader van Global Europe en het Europees Concurrentievermogenfonds
(ECF). Het kabinet zet ook in op invloed van lidstaten aan de achterkant door middel
van comitologie. De wens voor een stevige rol voor de Raad en de lidstaten wordt breed
gedeeld onder de lidstaten, met aandacht voor het belang van snelle processen en het
beperken van administratieve lasten.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe het kabinet voorkomt dat meer nationale
zeggenschap leidt tot meer versnippering, minder transparantie of een zwakkere koppeling
met gezamenlijke Europese doelen. Kan het kabinet aangeven hoe geborgd zou kunnen
worden dat een gemoderniseerd MFK niet alleen eenvoudiger wordt, maar dat het ook
strenger wordt op rechtsstaat, doelmatigheid en uitvoerbaarheid?
10. Antwoord van het kabinet
Het kabinet is van mening dat meer nationale zeggenschap niet automatisch leidt tot
meer versnippering, minder transparantie of een zwakkere koppeling met gezamenlijke
Europese doelen. Zo bevat het Commissievoorstel meerdere elementen die de administratieve
lasten en regeldruk moeten verlichten, waaronder de voorgestelde vereenvoudiging van
de fondsenstructuur, onder meer via de Nationale en Regionale Partnerschap Plannen
(NRPP). Deze vereenvoudiging kan leiden tot een betere borging van de financiële belangen
van de Unie en helpt versnippering te voorkomen, doordat beleidsdoelstellingen integraal
en gecoördineerd worden opgepakt. Ook voorziet de moderniseringsslag van de Commissie
in een versterking van de waarborgen op het gebied van rechtsstaat en naleving van
het EU Handvest. Tevens stelt de Europese Commissie voor om de huidige versnipperde
systemen (met duizenden indicatoren per programma) te vervangen door één gemeenschappelijk
kader voor prestatiemeting voor alle uitgaven (prestatiekader). Doelstellingen en
indicatoren worden vooraf vastgelegd, er is sprake doorlopende monitoring en evaluaties
achteraf bepalen of EU-uitgaven hun doel bereikt hebben.
Voorbereiding agenda Europese Raad van 19 en 20 maart 2026
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Europese Raad onder meer zal spreken over
Oekraïne, het Midden-Oosten, concurrentievermogen en interne markt, het MFK, Europese
veiligheid en defensie en migratie.
De leden van de CDA-fractie vinden het van belang dat Nederland in Brussel koersvast
optreedt: principieel waar het gaat om rechtsstaat en internationale rechtsorde en
tegelijk realistisch waar het gaat om veiligheid, weerbaarheid en economisch belang.
Deze leden vinden dat Europa sterker, slagvaardiger en minder afhankelijk moet worden,
juist op het terrein van veiligheid, defensie en strategische autonomie.
De leden van de CDA-fractie vragen daarom ten eerste op welke onderdelen het kabinet
tijdens de Raad Algemene Zaken al actief wil sturen op de conceptconclusies van de
Europese Raad. Hoe zet Nederland in op versterking van het Europees concurrentievermogen
en de interne markt, juist ook in het licht van de noodzaak om afhankelijkheden af
te bouwen en de Europese defensie-industrie op te schalen? Welke concrete Nederlandse
voorstellen liggen er om interne marktbelemmeringen en regeldruk verder terug te dringen?
11. Antwoord van het kabinet
De nadruk van de kabinetsinzet tijdens de a.s. Europese Raad zal, zoals respectievelijk
benoemd in de Geannoteerde Agenda,4 liggen op 1) het aanpakken van structurele ongerechtvaardigde belemmeringen op de
interne markt en regeldruk; 2) het stimuleren van Europees technologisch leiderschap;
3) verbinding van EU concurrentievermogen, weerbaarheid, en decarbonisatie en energieprijzen;
en 4) versterking van het concurrentievermogen door een coherent economisch buitenlandbeleid
gestoeld op economische veiligheid, open handel en partnerschappen.
Met betrekking tot het verder terugdringen van interne markt belemmeringen en regeldruk
doet het kabinet concrete voorstellen zoals het verbinden van concrete deadlines aan
aanpak van «terrible ten», snelle afronding van het kapitaalmarktintegratie- en toezichtscentralisatiepakket
(KTP Pakket) ter vervolmaking van de kapitaalmarktunie, reguliere monitoring van totale
toe- en afname van regeldruk en minder nationale koppen (goldplating) door lidstaten.
European Electoral Act
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Raad een wijziging van de Europese Kiesakte
bespreekt waarmee stemoverdracht tijdens zwangerschap en na geboorte mogelijk wordt
voor Europarlementariërs. Het kabinet ziet dit als een aanvaardbaar alternatief, maar
wil daarbij een nationale verklaring afleggen dat dit voor Nederland een opmaat moet
zijn naar een tijdelijke vervangingsregeling en/of uitbreiding naar vaderschaps- en
ziekteverlof. Ook moet het beginsel van stemmen zonder last worden gewaarborgd.
De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet voornemens is met dit besluit in
te stemmen. Is de tekst waarover de Raad nu een akkoord wil bereiken inhoudelijk gewijzigd
ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel waarover de Kamer eerder is geïnformeerd?
Zo ja, op welke punten? Hoe groot acht het kabinet de kans dat deze wijziging daadwerkelijk
een opstap kan zijn naar een structurelere vervangingsregeling?
12. Antwoord van het kabinet
Het kabinet onderstreept het belang van een regeling die leden van het Europees Parlement
in staat stelt deel te nemen aan plenaire stemmingen tijdens de late zwangerschap
en in de eerste maanden na de bevalling. Binnen deze context verwelkomt het kabinet
het voorstel en is dan ook voornemens in te stemmen. Het kabinet ziet stemoverdracht
als opmaat naar een tijdelijke vervangingsregeling en/of uitbreiding naar vaderschapsverlof
en ziekteverlof, en zal dit via een verklaring in de Raad kenbaar maken, zoals ook
vermeld in het kabinetsstandpunt en hiervoor is toegelicht.5
Zoals eerder gecommuniceerd met uw Kamer,6 hebben veel lidstaten tijdens de besprekingen in de Raad vragen gesteld over de praktische
uitwerking van de stemoverdracht. Om die reden heeft het EU-voorzitterschap voorgesteld
om de algemene voorwaarden en modaliteiten aangaande stemoverdracht verder uit te
werken in het Statuut voor leden van het Europees Parlement en in het Reglement van
het Europees Parlement. Deze twee zaken zijn door het voorzitterschap toegevoegd aan
het initiatiefvoorstel (via de nieuwe leden 3 en 4 van artikel 6 van de Europese Kiesakte).
Het kabinet kan deze aanpak volgen, maar het leidt wel tot een aantal vragen, zoals
hoe de nadere uitwerking in het Statuut er precies uit komt te zien. Het kabinet zal
hier aandacht voor blijven vragen in Raadsverband.
Europees Semester 2026
De leden van de CDA-fractie lezen dat in de Euro Area Recommendation voor 2026 en
2027 veel nadruk ligt op schuldhoudbaarheid, investeringen in defensie, concurrentievermogen,
innovatie, interne markt, regeldruk, kapitaalmarktunie en vaardigheden. Deze leden
herkennen veel van deze prioriteiten.
De leden van de CDA-fractie vragen welke kansen het kabinet ziet om het Europees Semester
meer te gebruiken als instrument voor economische weerbaarheid, vermindering van strategische
afhankelijkheden en versterking van de interne markt.
13. Antwoord van het kabinet
Het Europees Semester is een belangrijk instrument om lidstaten te wijzen op de mogelijkheden
om hun financieel-economische beleid te verbeteren en zo ook het functioneren en stabiliteit
van de Economische en Monetaire Unie te versterken. Sinds de publicatie van het Draghi-rapport
is in het Europees Semester meer nadruk komen te liggen op concurrentievermogen. Het
kabinet verwelkomt deze toegenomen aandacht voor concurrentievermogen, waar economische
weerbaarheid, vermindering van strategische afhankelijkheden en versterking van de
interne markt een onderdeel van zijn. De verwachting is dat het lentepakket van dit
jaar, in het kader van het Europees Semester, nadere aanbevelingen bevat om het concurrentievermogen
en de interne markt te versterken met ook aandacht voor het verminderen van strategische
afhankelijkheden.
De leden van de CDA-fractie constateren dat het Europees Parlement pleit voor nieuwe
eigen middelen en sterkere EU-investeringsinstrumenten. Deze leden vragen hoe het
kabinet deze wens beoordeelt, mede in relatie tot de komende MFK-discussie.
14. Antwoord van het kabinet
In de Kamerbrief van 12 september jl. is aangegeven dat het kabinet voorstellen voor
nieuwe eigen middelen op eigen merites zal beoordelen. Hierin is tevens aangegeven
dat het kabinet zeer kritisch staat tegenover het voorgestelde nieuwe eigen middel
«CORE», dat gebaseerd is op een afdracht die lidstaten innen bij ondernemingen met
een omzet van meer dan EUR 100 miljoen in het kader van het opereren op de interne
markt. De Minister van Financiën heeft in het Commissiedebat van 4 maart jl. van de
Eurogroep/Ecofinraad (d.d. 9 en 10 maart 2026) toegezegd om vóór de zomer de nadere
kabinetsappreciatie van de voorstellen rond het Eigenmiddelbesluit (EMB) naar de Kamer
te sturen.
Het kabinet steunt de verschuiving van middelen ten gunste van de pilaar in de begroting
die betrekking heeft op het Europees concurrentievermogen, zodat er meer ruimte in
de begroting wordt gemaakt voor EU-investeringsinstrumenten. Het kabinet steunt ook
het voorstel om verschillende programma’s samen te voegen onder het Europees Concurrentievermogenfonds
(ECF) en om InvestEU als centraal investeringsinstrument te gebruiken om zo de slagkracht
van de EU-begroting te vergroten.
Montenegro
De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland het onder voorbehoud sluiten van hoofdstuk
21 met Montenegro kan steunen, mits aan de benchmarks is voldaan en blijvend wordt
geïnvesteerd in administratieve en personele capaciteit. Ook vraagt Nederland om blijvende
monitoring van hervormingen.
De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet nader kan toelichten hoe het de
bredere rechtsstaatsituatie in Montenegro nu weegt. Welke concrete hervormingen moeten
volgens Nederland nog aantoonbaar worden bestendigd voordat verdere stappen verantwoord
zijn? Hoe wordt voorkomen dat het onder voorbehoud sluiten van een hoofdstuk politiek
wordt uitgelegd als een automatisme richting afronding van onderhandelingen?
15. Antwoord van het kabinet
Een hoofdstuk kan onder voorbehoud gesloten worden als er voldoende voortgang is in
de bredere rechtsstaatsituatie en de kandidaat-lidstaat voldoet aan de beleidsinhoudelijke
closing benchmarks. De vereiste beleidsinhoudelijke hervormingen verschillen per hoofdstuk. Uw Kamer
ontvangt voor elk voorstel van de Commissie tot het onder voorbehoud sluiten van een
hoofdstuk een kabinetsappreciatie waarin op de closing benchmarks wordt ingegaan. Het onder voorbehoud sluiten van een hoofdstuk vereist nauwkeurige
analyse en behandeling en is zeker geen automatisme.
De Commissie apprecieert de algehele hervormingsvoortgang in Montenegro jaarlijks
via het reguliere uitbreidingsrapport. Van alle kandidaat-lidstaten heeft Montenegro
de hoogste mate van voorbereiding op het EU-lidmaatschap. Hoewel de Commissie in november
signaleerde dat het hervormingstempo op rechtsstaatsgebied wat afnam, bleef Montenegro
stappen zetten en was de Commissie positief. Zo was er enige voortgang op corruptiebestrijding
en het functioneren van de rechtspraak. Zoals aangegeven in de kabinetsappreciatie
van het uitbreidingspakket, weegt het kabinet de bredere rechtsstaatsituatie in Montenegro
daardoor zodanig dat het een kritisch-constructieve grondhouding heeft ten aanzien
van voorstellen tot het onder voorbehoud sluiten van individuele hoofdstukken, mits
Montenegro blijvend investeert in versterking van administratieve en personele capaciteit,
en aan de specifieke voorwaarden voor desbetreffende hoofdstukken is voldaan. Implementatie
en bestendiging van hervormingen blijft van belang, zoals aangegeven in de kabinetsappreciatie.7 Het gaat dan bijvoorbeeld om verdere investeringen in het functioneren van de rechtspraak,
en het bestendigen van een track record in bestrijding van corruptie en de georganiseerde misdaad.
Oekraïne en Moldavië
De leden van de CDA-fractie lezen dat voorbereidend technisch werk doorgaat voor het
openen van onderhandelingsclusters met Oekraïne en Moldavië, ondanks de Hongaarse
blokkade. Ook lezen deze leden dat de Europese Commissie (EC) nu van oordeel is dat
Oekraïne en Moldavië voldoen aan de vereisten om ook de overige clusters te openen.
Tegelijkertijd benadrukte Nederland tijdens de Raad van 24 februari 2026 dat toetreding
op merites moet gebeuren. Deze leden delen de lijn dat landen die lid willen worden
van de EU moeten voldoen aan voorwaarden van democratie, rechtsstaat en burgerschap.
De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet per cluster kan aangeven welke Nederlandse
aandachtspunten nog expliciet moeten worden verankerd voordat Nederland kan instemmen
met verdere stappen voor Oekraïne en Moldavië. Hoe beoordeelt het kabinet de voortgang
op de kernpunten rechtsstaat, corruptiebestrijding, onafhankelijke rechtspraak en
bestuurlijke uitvoeringskracht?
16. Antwoord van het kabinet
Het voorbereidende technische werk kende een informeel karakter aangezien er wegens
de Hongaarse blokkade tot op heden geen formele besluitvorming mogelijk is. De input
die Nederland in de technische behandelingen van de clusters heeft ingebracht is nochtans
adequaat verwerkt en richtte zich met name op de hervormingen van de rechtstaat, corruptiebestrijding
en onafhankelijke rechtspraak. Hierdoor is het kabinet voornemens in te stemmen met
het openen van alle zes onderhandelingsclusters, te beginnen met Cluster 1, wanneer
het tot formele besluitvorming komt in de Raad. Deze boodschap zal het kabinet indien
opportuun ook afgeven tijdens de Raad Algemene Zaken wanneer over de voortgang van
de EU toetredingstrajecten van Oekraïne en Moldavië wordt gesproken. Naar aanleiding
van de door de Commissie gepresenteerde uitbreidingsrapportages is een uitgebreide
appreciatie8 van de voortgang van de hervormingen in de kandidaat-lidstaten uw Kamer toegekomen.
De leden van de CDA-fractie vragen welke gevolgen de aanhoudende Hongaarse blokkade
heeft voor de planning en welke diplomatieke inzet Nederland pleegt om voortgang mogelijk
te maken zonder afbreuk te doen aan het merites-beginsel.
Er zou daarnaast ook discussie zijn over een zogenoemd omgekeerd uitbreidingsvoorstel
voor Oekraïne. Deze leden vragen hoe het kabinet dit idee beoordeelt.
17. Antwoord van het kabinet
Vanwege de Hongaarse blokkade is het niet mogelijk om de onderhandelingsclusters te
openen. Nederland heeft zich constructief opgesteld bij het voorbereidende technische
werk en zet daarbij consequent in op een op merites gebaseerd proces. Zie ook het
antwoord op vraag 8.
Het kabinet houdt vast aan de eisen voor EU-toetreding, waaronder de Kopenhagencriteria.
Ook staat het kabinet, in lijn met de motie Klos c.s.9, constructief tegenover het voeren van gesprekken over eventuele gefaseerde toetreding
door Oekraïne, indien dit nodig blijkt. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Associatieakkoord EU-Zwitserland
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsbrief over het brede
pakket akkoorden met Zwitserland. Het kabinet steunt modernisering van de relatie,
mits de integriteit van de interne markt en een gelijk speelveld worden geborgd. Ook
heeft Nederland zich ingezet voor Zwitserse associatie bij Unieprogramma’s zoals Horizon
Europe.
De leden van de CDA-fractie vragen wat de actuele stand van zaken is van de besluitvorming
over het Zwitserland-pakket, nu in de brief nog werd uitgegaan van besluitvorming
eind februari 2026. Welke concrete waarborgen zijn er uiteindelijk afgesproken op
het punt van dynamische overname van EU-acquis, staatssteun, handhaving en geschillenbeslechting?
18. Antwoord van het kabinet
Op 24 februari jl. stemde de Raad in met de ondertekening van het brede pakket van
akkoorden tussen de EU en Zwitserland. Vervolgens werd op 2 maart jl. het pakket ondertekend
door de Zwitserse bondspresident Guy Parmelin en de voorzitter van de Europese Commissie
Ursula von der Leyen. Het pakket zal naar verwachting deze zomer in het Europees Parlement
voorliggen ter goedkeuring. Daarna zal een besluit tot sluiting aan de Raad voorgelegd
worden. Ook aan Zwitserse zijde dient besluitvorming plaats te vinden. Pas na het
doorlopen van deze stappen treedt het pakket van akkoorden in werking.
Op het gebied van dynamische overname van EU-acquis, staatssteun, handhaving en geschillenbeslechting
zijn de teksten niet gewijzigd ten opzichte van het onderhandelaarsakkoord en de voorgestelde
Raadsbesluiten op basis waarvan de kabinetspositie werd vastgesteld.10 Bepalingen over deze onderwerpen zijn opgenomen in de genoemde bestaande overeenkomsten
inzake de interne markt en in de nieuwe conceptovereenkomsten.
Associatieakkoord EU-Andorra en EU-San Marino
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Raad op 17 maart 2026 naar verwachting besluit
over ondertekening en voorlopige toepassing van het associatieakkoord met Andorra
en San Marino. Het kabinet is positief, onder meer omdat dit akkoord de relatie met
de microstaten verdiept, de homogeniteit van de interne markt versterkt en waarborgen
bevat voor integriteit en een gelijk speelveld.
De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet nader kan toelichten welke onderdelen
van het akkoord voorlopig zullen worden toegepast en waarom. Hoe wordt bij de voorlopige
toepassing het gelijke speelveld op de interne markt bewaakt, in het bijzonder bij
financiële diensten, waar een lange overgangstermijn geldt?
19. Antwoord van het kabinet
Het komt geregeld voor dat de onderdelen van een associatieakkoord waar de EU bevoegd
is voorlopig worden toegepast. Dit stelt de EU en derde landen in staat om, vooruitlopend
op de inwerkingtreding van het akkoord, reeds van deze onderdelen gebruik te maken.
De voorlopige toepassing van het akkoord tussen de EU en San Marino en Andorra geldt
voor onderdelen die onder EU-bevoegdheid vallen, niet voor de onderdelen waar lidstaten
hun bevoegdheden uitoefenen. Dit betreft vrijwel het gehele akkoord, met uitzondering
van enkele artikelen die zien op niet-directe investeringen.11 Voorlopige toepassing kan, naast dat het moet worden vastgesteld door de Raad, pas
plaatsvinden als Andorra en/of San Marino ook aan de voorwaarden voor voorlopige toepassing
voldoen.
Het gelijke speelveld op de interne markt ten aanzien van financiële diensten wordt
bewaakt, doordat de toegang hiertoe pas wordt geboden wanneer de overname van EU acquis
en toezicht hierop in de microstaten door de EU als robuust is erkend. In het protocol
over financiële diensten zijn voorwaarden vastgelegd die de integriteit van de interne
markt op dit terrein waarborgen. Maximaal 15 jaar na inwerkingtreding van het associatieakkoord
kan toegang tot de financiële dienstenmarkt worden verkregen.
Hoe beoordeelt het kabinet de gekozen uitzonderingen en kwantitatieve limieten rond
vrij verkeer van personen in het licht van de integriteit van de interne markt?
20. Antwoord van het kabinet
Het associatieakkoord heeft als doel de integratie van Andorra en San Marino in de
interne markt. Dit associatieakkoord verzekert dat het EU beginsel van non-discriminatie
op grond van nationaliteit van werknemers uitgebreid wordt naar de microstaten. Wanneer
het akkoord voorlopig wordt toegepast is vrij verkeer van personen, werknemers en
zelfstandigen mogelijk. Hierop zijn uitzonderingen mogelijk ter bescherming van de
publiek openbare orde, openbare veiligheid en openbare gezondheid. Daarnaast bevat
het akkoord afspraken over vrijheid van vestiging, waarvoor een zelfde reeks uitzonderingsgronden
geldt. Er zijn afspraken gemaakt over korte en lange termijn verblijfsvergunningen
voor EU burgers in de microstaten. Het totale aantal nieuwe vergunningen voor een
verblijf per jaar mag niet lager zijn dan een bepaald percentage van het gemiddelde
aantal verblijfsvergunningen in de jaren daarvoor. Hiermee wordt rekening gehouden
met de geografische en demografische specificiteit van de micro-staten, naar voorbeeld
van de afspraken met Liechtenstein als onderdeel van de Europese Economische Ruimte.
Gezien de populatiegrootte van deze landen, in combinatie met hun geografische ligging,
is deze overeenkomst niet te vergelijken met afspraken met andere derde landen. Ervan
uitgaande dat de overeenkomst geen precedent schept, acht het kabinet dit acceptabel.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.J. van der Werf, voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken -
Mede ondertekenaar
L.B. Blom, griffier