Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Clemminck en Ceulemans over de misstanden en onveiligheid in het wooncomplex Stek Oost met statushouders
Vragen van de leden Clemminck en Ceulemans (beiden JA21) aan de Ministers van Asiel en Migratie en voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over de misstanden en onveiligheid in het wooncomplex Stek Oost met statushouders. (ingezonden 20 januari 2026).
Antwoord van Minister van Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening)
(ontvangen 11 maart 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de berichtgeving over Stek Oost, waaronder de artikelen in het Parool
en op AT5 waaruit blijkt dat woningcorporatie Stadgenoot al jaren wil stoppen met
het gemengd wonen van statushouders en jongeren in Stek Oost vanwege ernstige onveiligheid,
maar dat de gemeente Amsterdam dit heeft tegengehouden?1
2
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Kunt u een volledig feitenrelaas geven over de situatie in Stek Oost sinds de start
in 2018, inclusief het aantal bewoners (onderscheid statushouders/jongeren) per jaar,
de aard en ernst van de incidenten, het aantal meldingen bij politie, het aantal aangiften
en het aantal huisuitzettingen?
Antwoord 2
Stek Oost is gestart in 2018 als tijdelijk woon- en gemeenschapshuisvestingproject,
waar Amsterdamse jongeren en statushouders in hetzelfde complex wonen. In 250 zelfstandige
studio’s werden deze doelgroepen aan elkaar gekoppeld, waar de jongeren zich inzetten
om de statushouders te ondersteunen. Bij de start was er een verhouding van 50% statushouders
en 50% Amsterdamse jongeren.
Op 20 januari 2026 heeft gemeenteraadslid Von Gerhardt (VVD) in Amsterdam schriftelijke
vragen gesteld aan het college van burgemeester en wethouders.3 Bij de beantwoording van deze vragen op 2 februari 2026, is in een bijlage ook een
tijdlijn aangeleverd van gebeurtenissen op Stek Oost tussen 2018 en 2025.4 Hierbij geeft het college aan dat incidenten in deze tijdlijn «zeer ernstige en acute
incidenten met een directe, grote impact op de omgeving betreft» en dat «reguliere
zorg- en overlastmeldingen daar niet onder vallen».
In deze tijdlijn staan tussen 2018 en 2025 meerdere ernstige incidenten beschreven,
zoals: steekincidenten, meldingen en aangifte van zedendelicten en veroordeling van
een toenmalig bewoner van Stek Oost voor een zedendelict. Verder staat in de tijdlijn
onder meer beschreven:
• Dat er verschillende (bestuurlijke) overleggen, bewonersbijeenkomsten, onderzoeken
en «veiligheidsschouwen» hebben plaatsgevonden.
• Stadgenoot in 2023 heeft aangegeven te willen stoppen met Stek Oost in haar toenmalige
vorm.
• Dat er na bestuurlijk overleg tussen gemeente Amsterdam en Stadgenoot, gezamenlijk
is besloten om niet volledig te stoppen maar om aanvullende afspraken te maken, waarmee
Stek Oost kon worden voortgezet. Te weten:
– Wijziging van de verhouding statushouders/woonstarters naar 30%-70%
– Het sociaal beheer komt bij een externe beheerpartij
– Met oog op veiligheid wordt het cameratoezicht uitgebreid.
• Eind 2023 zijn de gemaakte afspraken over continuering Stek Oost door de gemeente
in een afsprakenbrief bevestigd en in 2024 is het extern sociaal beheer gestart.
Voor de volledige tijdlijn verwijs ik naar de beantwoording van de schriftelijke vragen
aan het college van Amsterdam van 2 februari in het raadsinformatiesysteem van de
gemeente Amsterdam.5
De berichtgeving en beschikbare stukken schetsten een beeld van meerdere heftige incidenten
en ik leef mee met eenieder die slachtoffer is geworden van dergelijke incidenten.
Je thuis moet een veilige plek zijn.
Vraag 3
Klopt het dat er in een periode van circa anderhalf jaar minimaal twintig aangiften
zijn gedaan door bewoners en oud-bewoners, onder meer wegens aanranding, geweld, steek-
en vechtpartijen, stalking, diefstal, LHBTIQ+-gerelateerde intimidatie en andere vormen
van grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, wat zijn dan de exacte aantallen per delictcategorie
sinds de start van het project?
Antwoord 3
Voor de volledige tijdlijn verwijs ik naar de beantwoording van de schriftelijke vragen
aan het college van Amsterdam van 2 februari in het raadsinformatiesysteem van de
gemeente Amsterdam.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u het oordeel van Stadgenoot dat de veiligheid in Stek Oost niet gegarandeerd
kon worden en dat de corporatie daarom heeft willen stoppen met het gemengd wonen
op deze locatie?
Antwoord 4
Dit gaat om gesprekken die hebben plaatsgevonden tussen de gemeente en de corporatie,
het Ministerie van VRO heeft hier geen rol in gespeeld.
Vraag 5
Deelt u de zorg dat de gemeente Amsterdam, door beëindiging van het gemengd wonen
in Stek Oost tegen te houden, de veiligheid van (met name vrouwelijke en LHBTIQ+-)
Nederlandse bewoners en andere omwonenden ondergeschikt heeft gemaakt aan haar eigen
beleidsdoel om statushouders gemengd te huisvesten?
Antwoord 5
Ik beschik niet over voldoende informatie om hierover een inhoudelijk oordeel te geven.
Het gemeentebestuur van Amsterdam geeft aan dat de wettelijke taakstelling om statushouders
te huisvesten nooit doorslaggevend is geweest bij afwegingen die zijn gemaakt over
Stek Oost. Bij incidenten is gehandeld zoals zij dat altijd en overal doen. Er is
daarbij steeds gekeken naar wat nodig was en er zijn maatregelen genomen om de leefbaarheid
en veiligheid voor de bewoners van Stek Oost te verbeteren.
Voor een nadere toelichting verwijs ik naar de raadsinformatiebrief van de Gemeente
Amsterdam van 16 februari 20266.
Vraag 6
Heeft u of uw voorgangers signalen ontvangen van Stadgenoot, bewoners, politie, de
Arbeidsinspectie of andere instanties over structurele onveiligheid en overlast in
Stek Oost en vergelijkbare projecten? Zo ja, om welke signalen ging het concreet,
op welke data zijn deze signalen ontvangen en welke acties zijn daarop door het Rijk
ondernomen?
Antwoord 6
Er zijn mij geen signalen bekend vanuit genoemde partijen richting mij of mijn voorgangers
over de situatie op Stek Oost.
Vraag 7
Kunt u een overzicht geven van alle gemengde wooncomplexen in Nederland waar statushouders
samen met Nederlandse jongeren of andere doelgroepen wonen, uitgesplitst naar gemeente,
omvang (aantal bewoners) en samenstelling (percentage statushouders)?
Antwoord 7
Nee, ik heb geen totaaloverzicht van gemengde wooncomplexen tot mijn beschikking.
Er zijn allerlei manieren waarop gemengde wooncomplexen tot stand komen, dit is een
lokale aangelegenheid. Wel geldt voor projecten die met de Stimuleringsregeling Flex-
en Transformatiewoningen tot stand komen, een eis om 30% van de woningen in het project
te reserveren voor statushouders of Oekraïense ontheemden. Gemeenten kunnen er echter
ook voor kiezen om deze eis buiten het SFT project in te vullen door elders in de
gemeente woningen voor deze groep beschikbaar te stellen.
Vraag 8
In hoeveel van deze complexen zijn de afgelopen vijf jaar incidenten geregistreerd
die betrekking hebben op geweld, zedendelicten, intimidatie/stalking, drugshandel,
ernstige overlast en LHBTIQ+-gerelateerde discriminatie of geweld? Kunt u dit per
complex en per delictcategorie specificeren, inclusief aantallen meldingen en, voor
zover bekend, het aantal incidenten waarbij LHBTIQ+-bewoners betrokken waren als slachtoffer?
Antwoord 8
Hier heb ik geen informatie over.
Vraag 9
Erkent u dat de combinatie van een grote schaal, een hoge concentratie statushouders
(circa 50% of meer) en een relatief homogene groep statushouders (zelfde herkomstlanden,
leeftijd, alleenstaande mannen) een belangrijke risicofactor is voor onveiligheid
en mislukte integratie, zoals onder meer door Stadgenoot is geschetst? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 9
Laat ik vooropstellen dat ik het voor de slachtoffers en overige bewoners van Stek
Oost verschrikkelijk vind wat er gebeurd is. Ik wil echter geen algemene conclusies
trekken over dat de genoemde factoren per definitie maken dat dit leidt tot onveiligheid
en mislukte integratie, of dat statushouders per definitie voor overlast of onveiligheid
zouden zorgen. Veel statushouders gedragen zich als een goede huurder en er zijn verschillende
goede en geslaagde voorbeelden van soortgelijke woonprojecten. Het is hierbij belangrijk
te kijken naar de randvoorwaarden die aanwezig zijn, zoals de opzet van het complex
en aanwezigheid van sociaal beheer en ondersteuning.
Vraag 10
Hoe waarborgt u dat Nederlandse jongeren, studenten en starters niet opnieuw in feitelijk
onveilige pilotprojecten of experimenten terechtkomen, waarbij zij als het ware proefpersonen
zijn voor integratiebeleid en de nadelige gevolgen van verkeerde beleidskeuzes dragen?
Antwoord 10
Gezien de ernst van de incidenten op Stek Oost, begrijp ik de ontstane onrust. Er
zijn echter, ook binnen de gemeente Amsterdam, meerdere gemengd wonen projecten bekend
die wel goed functioneren. Inmiddels zijn er lessen geleerd en procedures en werkwijzen
bij gemeenten aangepast. Daarnaast zet ik in op meer sociaal beheer, onder andere
door de aanpassing van de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen (SFT+),
waarbij gemeenten nu ook een bijdrage van € 6.000 (bij zelfstandige woonruimte) of
€ 4.000 (bij onzelfstandige woonruimte) per woonruimte voor sociaal beheer ontvangen.
Vraag 11
Bent u, gelet op de jarenlange signalen over ernstige onveiligheid in Stek Oost en
andere gemengde wooncomplexen en de waarschuwingen van woningcorporaties, bereid bewoners,
in het bijzonder vrouwelijke en LHBTIQ+-bewoners, die daar slachtoffer zijn geworden
van zedenmisdrijven, geweld, stalking of andere ernstige feiten te compenseren en/of
hen prioritaire toegang tot andere, wél veilige huisvesting te geven, bijvoorbeeld
door hen een vorm van urgentie of voorrang bij herhuisvesting toe te kennen?
Antwoord 11
Hiertoe heb ik geen mogelijkheden. Het toekennen van urgentie of voorrang bij herhuisvesting
is een keuze die de gemeente samen met de corporatie kan maken.
Vraag 12
Hoe verhouden de ervaringen en incidenten bij gemengde complexen zoals Stek Oost zich
tot het wetsvoorstel om de voorrang voor statushouders in de sociale huur te schrappen
en gemeenten te stimuleren om «doorstroomlocaties» te openen waar ook andere woningzoekenden
een plek kunnen krijgen? Acht u het, in het licht van de misstanden in Stek Oost en
andere projecten, verantwoord om juist dit type gemengde, tijdelijke woonvormen als
oplossing te presenteren en welke extra waarborgen voor veiligheid, in het bijzonder
voor vrouwen en LHBTIQ+-bewoners, bent u voornemens hierin wettelijk vast te leggen?
Antwoord 12
Zie hiervoor het antwoord op vraag 10.
Vraag 13
Bent u bereid een onafhankelijke, landelijke evaluatie te laten uitvoeren van alle
gemengde woonprojecten met statushouders, inclusief de veiligheidssituatie en ervaringen
van bewoners, op basis daarvan scenario’s uit te werken waarin met gemengde projecten
wordt gestopt of deze drastisch worden beperkt tot kleinschalige, strikt gereguleerde
initiatieven en de Kamer hierover uiterlijk vóór het zomerreces 2026 te informeren?
Antwoord 13
Nee, dit blijft een lokale afweging. Wel probeer ik op de hoogte te blijven van ontwikkelingen
rondom gemengd wonen en kijk ik waar mogelijk aanvullend beleid voor nodig is.
Vraag 14
Wilt u deze vragen uiterlijk maandag 2 februari 2026, één voor één beantwoorden?
Antwoord 14
In verband met de benodigde afstemming met partijen is dit niet gelukt.
Ondertekenaars
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.