Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Stoffer en Flach over het Landbouwbesluit
Vragen van de leden Stoffer en Flach (beiden SGP) aan de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het Landbouwbesluit (ingezonden 15 december 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Eerenberg (Financiën) (ontvangen 9 maart 2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Wiersma, roep uw BBB-collega tot de orde» inzake
de wijziging van de regels voor vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling
en de grote zorgen over de gevolgen voor de gewenste vruchtwisseling en kringlooplandbouw?1
Antwoord 1
Ja, wij onderschrijven het belang van noodzakelijke vruchtwisseling en, zoals in het
bericht genoemd, omarmen wij de kringloopgedachte. Gezien het verdere verloop van
de vragen willen we hieronder alvast een toelichting geven op de fiscale gevolgen
bij vruchtwisseling. We benadrukken graag dat vruchtwisseling zowel voor toepassing
van de landbouwvrijstelling als de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting
(BOR) en de doorschuifregeling voor het aanmerkelijk belang (DSR ab) relevant is.
Het effect van vruchtwisseling op deze faciliteiten is echter verschillend.
De landbouwvrijstelling is in beginsel niet van toepassing als de grond ter beschikking
wordt gesteld aan een ander. Hierop is in de jurisprudentie een uitzondering geformuleerd
in het geval van vruchtwisseling.2 Belangrijk is dat voor de toepassing van de landbouwvrijstelling beoordeeld moet
worden of vruchtwisseling noodzakelijk is vanuit het perspectief van de grondeigenaar
(of terbeschikkingsteller) bij de uitoefening van het landbouwbedrijf.3 Het recent gepubliceerde beleidsbesluit biedt hierover de gewenste duidelijkheid
voor de praktijk.4 Melkveehouders kunnen de landbouwvrijstelling niet toepassen over de periode dat
hun grasland ter beschikking wordt gesteld aan bijvoorbeeld een akkerbouwer. Voor
die melkveehouder is er geen noodzaak om het grasland tijdelijk te ruilen voor het
behoud van de bodemkwaliteit van die grond. Het ter beschikking stellen van grond
in het kader van bijvoorbeeld derogatie kwalificeert dus niet voor de landbouwvrijstelling.
Vruchtwisseling heeft een ander effect voor de BOR en DSR ab. Onroerende zaken die
ter beschikking worden gesteld aan een ander komen sinds 1 januari 2024 niet langer
in aanmerking voor de BOR en DSR ab, de zogenoemde vastgoedmaatregel. Er geldt echter
een uitzondering op deze maatregel voor de terbeschikkingstelling van los land in
het kader van teelten waarvoor vruchtwisseling noodzakelijk is als bedoeld in de teeltpachtwetgeving
zoals opgenomen in Titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).5 Teeltpacht wordt beoordeeld vanuit het perspectief van de pachter (of gebruiker van
de grond). Bepaalde gewassen zoals gras of maïs zijn uitgezonderd van de teeltpachtwetgeving,
omdat voor deze gewassen vruchtwisseling niet noodzakelijk is. Als een akkerbouwer
grond verpacht aan de melkveehouder die hier gras of maïs op teelt, kan geen teeltpachtovereenkomst
worden gesloten. De BOR en DSR ab zijn dan niet van toepassing. Momenteel wordt onderzocht
hoe een verruiming van de uitzondering op de vastgoedmaatregel kan worden vormgegeven
(zie ook de Kamerbrief naar aanleiding van de motie Stoffer6 en de motie Grinwis c.s.7 die tegelijkertijd met deze antwoorden naar de Tweede Kamer zijn verstuurd).
Vraag 2
Kunt u aangeven waarom u na het jarenlang functioneren van de werkafspraak uit 2014
met betrekking tot de beoordeling van vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling
niet alleen gekozen hebt voor het vastleggen van de werkafspraak in het Landbouwbesluit,
maar ook voor aanscherping van de voorwaarden?8
Antwoord 2
In het verleden heeft de Belastingdienst een werkafspraak gemaakt met Land- en Tuinbouw
Organisatie Nederland (LTO Nederland). In de bijlage bij de beantwoording van de vragen
is een kopie van die werkafspraak uit 2014 opgenomen.9 De afspraken uit deze werkafspraak zijn het vertrekpunt geweest voor de invulling
van het onderdeel over vruchtwisseling in het beleidsbesluit. De kern van die werkafspraak
is geweest dat gevallen waarbij de grond voor één jaar ter beschikking wordt gesteld
of voor één jaar wordt verpacht als vruchtwisseling is aan te merken. Dit wel onder
de strikte voorwaarde dat uit de feiten niet blijkt dat de grond om andere redenen
dan vruchtwisseling ter beschikking wordt gesteld (zoals dat het geval is bij derogatie).
In de werkafspraak is door de Belastingdienst aangegeven dat duidelijk uit de feiten
moet blijken dat het perceel in beginsel om het jaar in gebruik moet zijn geweest
in het kader van de eigen landbouwonderneming. De invulling die in het recent gepubliceerde
beleidsbesluit aan het begrip vruchtwisseling wordt gegeven, is op hoofdlijnen hieraan
gelijk. De werkwijze die het beleidsbesluit voorschrijft verschilt dus niet wezenlijk
van de werkwijze die al sinds de genoemde werkafspraak wordt gehanteerd. Zoals hiervoor
benoemd, is de werkafspraak met één van de vertegenwoordigers van de agrarische sector
afgesloten. Op bepaalde onderdelen bestond verschil van inzicht tussen LTO Nederland
en de Belastingdienst. Omdat behoefte bestaat aan duidelijkheid en transparantie over
het standpunt van de Belastingdienst over de toepassing van de landbouwvrijstelling
als sprake is van vruchtwisseling, is dit standpunt opgenomen in deze actualisatie
van het beleidsbesluit. Op de website van de Belastingdienst zal een verwijzing worden
opgenomen naar de vindplaats van het beleidsbesluit. Een beleidsbesluit heeft een
bredere werking dan een werkafspraak. De verschillen tussen de werkafspraak en het
beleidsbesluit komen tot uitdrukking in de vormgeving van de voorwaarden in het beleidsbesluit.
Een aantal van deze voorwaarden lijkt op het eerste gezicht strikter dan die in de
werkafspraak, maar hoeven dat – afhankelijk van de feiten en omstandigheden – niet
te zijn. Zoals hiervoor aangegeven, is in de werkafspraak opgenomen dat bij een periode
van ter beschikking stellen van de grond aangesloten wordt bij een periode van één
jaar. In het beleidsbesluit geldt echter als uitgangspunt dat de periode van ter beschikking
stellen vanuit het perspectief van de grondeigenaar niet langer mag zijn dan één teeltseizoen
(in één jaar kan sprake zijn van meerdere teeltseizoenen). Op dit punt lijkt het beleidsbesluit
dus strikter. Vervolgens geldt dit uitgangspunt niet als de teeltduur van het in het
kader van vruchtwisseling geteelde gewas bij de gebruiker van de grond langer is dan
één jaar (dus soepeler dan de werkafspraak). Daarbij geldt verder nog de uitzondering
dat de termijn van terbeschikkingstelling niet langer mag zijn dan strikt noodzakelijk
is voor de teelt van het gewas in de eigen landbouwonderneming van de grondeigenaar.
Daarmee kan de termijn dus ook langer zijn dan één jaar. Verder wordt, om onduidelijkheid
tussen partijen te voorkomen en om de bewijspositie van de agrariërs te verbeteren
in het beleidsbesluit tot uitdrukking gebracht dat de onderhandse overeenkomst tussen
de terbeschikkingsteller en de gebruiker, die vereist is voor toepassing van de landbouwvrijstelling,
schriftelijk moet zijn vastgelegd. De voorwaarden in het beleidsbesluit bieden de
inspecteur meer ruimte om met de concrete feiten en omstandigheden van het specifieke
geval rekening te houden. Op die manier wordt naar onze mening meer recht aan de praktijk
gedaan dan eerder in de werkafspraak het geval was.
Vraag 3, 4 en 5
Komen de voorgestelde aanpassingen voort uit de wens om de landbouwvrijstelling te
beperken, of liggen er andere redenen aan de wijziging ten grondslag?
In hoeverre is de wijziging in het Landbouwbesluit in overleg met sectorpartijen opgesteld?
Zijn de uitvoeringsgevolgen vooraf in kaart gebracht? Zo nee, waarom niet? Zo ja,
kunt u hier meer inzicht in geven?
Antwoord 3, 4 en 5
Het beleidsbesluit is een actualisering van het besluit van 23 november 201810 en bevat beleid op het terrein van de fiscale behandeling van ondernemers in de agrarische
sector. Beleidsbesluiten worden regelmatig geactualiseerd. Een beleidsbesluit geeft
een invulling van de zienswijze die de Staatssecretaris van Financiën heeft als uitvoerder
van belastingwetgeving over – in dit geval – landbouwgerelateerde vraagstukken. Meer
specifiek is het een leidraad voor de belastinginspecteur hoe om te gaan met de genoemde
vraagstukken. Dit beleidsbesluit biedt de praktijk onder andere de gewenste duidelijkheid
over de standpunten van de Belastingdienst bij de toepassing van de landbouwvrijstelling
als sprake is van vruchtwisseling. Bovendien wordt met het beleidsbesluit concrete
invulling gegeven aan de eerdere niet-gepubliceerde werkafspraak uit 2014 met LTO
Nederland. Het beleidsbesluit geeft belastingplichtigen nog steeds de mogelijkheid
om een andersluidend standpunt in te nemen en dat te laten toetsen door de rechter.
Binnen de bestaande wet en jurisprudentie geeft dit beleidsbesluit een zo ruim mogelijke
uitleg van het begrip vruchtwisseling voor toepassing van de landbouwvrijstelling.
Een conceptversie van het beleidsbesluit is in de zomer van 2025 voorgelegd aan de
Werkgroep Fiscaal Uitvoeringsbeleid (FUB). Namens de Werkgroep FUB hebben fiscale
vertegenwoordigers van de agrarische sector (belastingadviseurs) gereageerd. Het commentaar
vanuit de Werkgroep FUB is dat een aantal voorwaarden uit het besluit te beperkend
wordt uitgelegd. Naar aanleiding van dat commentaar is het besluit op een aantal punten
aangepast (verduidelijkt en versoepeld). Gelet op de wettekst, jurisprudentie en de
doelstelling van de landbouwvrijstelling kon niet aan alle punten tegemoet worden
gekomen.
Het beleidsbesluit is in nauw overleg met de inspecteurs tot stand gekomen die in
hun dagelijkse praktijk te maken hebben met de landbouwgerelateerde vraagstukken.
Het beleidsbesluit blijft binnen de kaders van bestaande wetgeving en jurisprudentie.
Aan het beleid – dat grotendeels een codificatie is van de bestaande werkafspraak
met LTO Nederland – werd voor publicatie van dit beleidsbesluit ook al uitvoering
gegeven door de Belastingdienst. Er zijn geen uitvoeringsgevolgen voor de Belastingdienst,
omdat het beleidsbesluit binnen de bestaande kaders van wetgeving en jurisprudentie
past. Wanneer eventueel sprake is van aanpassing van wetgeving zal in de regel een
uitvoeringstoets plaatsvinden.
Vraag 6
Is de veronderstelling juist dat het overgangsrecht ook voor mondelinge overeenkomsten
geldt?
Antwoord 6
Voor het toepassen van de landbouwvrijstelling op grond die in het kader van vruchtwisseling
aan een ander ter beschikking is gesteld, is vereist dat tussen de gebruiker en de
terbeschikkingsteller van de grond een onderhandse overeenkomst is gesloten. Daarbij
moet ook aan de overige voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn voldaan. Een onderhandse
overeenkomst vereenvoudigt de beoordeling voor de betrokken partijen en de inspecteur.
In de werkafspraak met LTO Nederland is destijds niets opgenomen over de wijze van
vastlegging van de overeenkomst. In het beleidsbesluit is een overgangsbepaling opgenomen
voor (vaststellings)overeenkomsten tussen de terbeschikkingsteller en de gebruiker
met inachtneming van de werkafspraak. Voor aantoonbare bestaande (vaststellings)overeenkomsten
geldt onder meer dat deze ongemoeid blijven als deze beschikken over een einddatum
tot en met twee jaar na datum van de publicatie van het beleidsbesluit. Dat kunnen
ook mondelinge overeenkomsten zijn. In de praktijk is het complexer om aan te tonen
of grond ter beschikking wordt gesteld in het kader van vruchtwisseling als geen schriftelijke
overeenkomst is opgesteld. Echter, als de aanwezigheid van een mondelinge overeenkomst
aannemelijk kan worden gemaakt dan is het overgangsrecht uiteraard ook van toepassing
op die mondelinge overeenkomst. De overgangsbepaling zal in de praktijk in alle redelijkheid
worden toegepast door de inspecteur.
Vraag 7
Is de veronderstelling juist dat zodra een teler zelf een niet uitputtend gewas of
rustgewas in de vruchtwisseling heeft opgenomen bij uitgebruikgeving geen beroep meer
gedaan kan worden op de landbouwvrijstelling? Zo ja, wat betekent dit dan voor de
maatschappelijk gewenste teelt van rustgewassen? Zo nee, kunt u precies aangeven welke
ruimte er blijft voor eigen teelt van rustgewassen zonder bij uitgebruikgeving de
landbouwvrijstelling te verliezen?
Antwoord 7
In het beleidsbesluit is de voorwaarde opgenomen dat het ter beschikking stellen van
de grond noodzakelijk moet zijn voor de bodemgesteldheid en de verbetering van de
grond met als doel de kwaliteit van de daarop door de terbeschikkingsteller van de
grond te telen gewassen in stand te houden of te verbeteren. Als de terbeschikkingsteller
van de grond om hem moverende redenen zelf een niet-uitputtend gewas of rustgewas
in de vruchtwisseling heeft opgenomen, is er niet langer de noodzaak om de grond ter
beschikking te stellen ten behoeve van de bodemgesteldheid en kwaliteit van de grond.
Mocht de eigenaar de grond toch ter beschikking stellen, dan is de landbouwvrijstelling
niet van toepassing over de waardeontwikkeling van de grond over de periode dat de
grond niet in het eigen landbouwbedrijf is aangewend. Als de grondeigenaar dus zelf
aan de (maatschappelijk) gewenste vruchtwisseling doet, is er vanuit dat perspectief
geen reden om ruimere terbeschikkingstellingsregels te hanteren.
Vraag 8
Hoe moeten telers aantonen dat het uit gebruik geven van de grond noodzakelijk is
voor de bodemgesteldheid en de verbetering van de grond met als doel de kwaliteit
van de daarop te telen gewassen in stand te houden of te verbeteren?
Antwoord 8
In het beleidsbesluit is als toelichting op de voorwaarden opgenomen dat de terbeschikkingsteller
de noodzaak van het ter beschikking stellen van de grond of de toepassing van een
uitzondering aannemelijk moet maken. In het beleidsbesluit is als voorbeeld genoemd
dat dit kan door middel van (vak)studies met betrekking tot de termijn van de terbeschikkingstelling
die noodzakelijk is voor de teelt in de eigen landbouwonderneming. De manier waarop
bewijs kan worden aangeleverd is vormvrij. Een andere manier dan met (vak)studies
is ook mogelijk. Gedacht kan worden aan het overleggen van het bouwplan, mits daaruit
blijkt dat sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling. De inspecteur neemt alle feiten
van het geval in ogenschouw en beoordeelt in alle redelijkheid of de landbouwvrijstelling
op de ter beschikking gestelde grond van toepassing is.
Vraag 9
Hoe waardeert u de analyse dat het vastgestelde besluit zal leiden tot aanzienlijke
regeldruk? Dit omdat alle uitgebruikgevingen in het kader van vruchtwisseling schriftelijk
vastgelegd moeten worden, terwijl dat eerder veel op basis van mondelinge afspraken
werd gedaan, en de noodzakelijkheid voor bodemgesteldheid en plantgezondheid aangetoond
moet worden?
Antwoord 9
Het vereiste dat sprake moet zijn van een onderhandse (schriftelijke) overeenkomst
heeft een praktische achtergrond. Zoals aangegeven, is het in de praktijk complexer
om aan te tonen of grond ter beschikking wordt gesteld in het kader van vruchtwisseling
als er geen schriftelijke overeenkomst is. Een schriftelijke overeenkomst is voor
de inspecteur eenvoudig te toetsen. Het betekent ook dat de belastingplichtige beter
kan aantonen dat de grond ter beschikking wordt gesteld in het kader van vruchtwisseling.
Daarmee heeft de belastingplichtige een sterkere positie om aan zijn bewijslast te
voldoen. Daarnaast geeft deze voorwaarde duidelijkheid voor alle partijen. Wij realiseren
ons dat deze voorwaarde kan worden ervaren als verzwaring van de administratieve lasten
in die gevallen dat eerst alleen een mondelinge overeenkomst bestond. Daarbij gaat
het echter wel om een fiscale faciliteit waarvan mag worden verwacht dat de belastingplichtige
die kan onderbouwen. In situaties waarin sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling
kunnen de terbeschikkingsteller en gebruiker van de grond relatief eenvoudig een overeenkomst
opstellen. Er gelden, naast schriftelijke vastlegging, geen bijzondere vereisten voor
deze overeenkomst. Ter vergelijking: voor de teeltpachtwetgeving is vereist dat sprake
is van een bij de grondkamer geregistreerde pachtovereenkomst. Voor de landbouwvrijstelling
is een onderhandse overeenkomst al voldoende. Bij bedrijfsoverdracht spelen echter
de BOR en DSR ab een rol (zie het antwoord op vraag 1). In dat geval zal de overdrager
van het landbouwbedrijf moeten voldoen aan de teeltpachtwetgeving zoals opgenomen
in het BW om de zogenoemde vastgoedmaatregel achterwege te laten. Achtergrond van
die maatregel is dat een dergelijke uitzondering op de zogenoemde vastgoedmaatregel
voor de Belastingdienst goed is te toetsen door aan te sluiten bij de bestaande teeltpachtwetgeving.11
Vraag 10, 11, 12 en 13
Deelt u de analyse dat de gevolgen voor telers groot kunnen zijn, zeker ook bij bedrijfsoverdracht,
omdat vanwege de economische druk sprake is van forse stijgingen van grondprijzen?
Hoe waardeert u de analyse dat de vastgelegde, aangescherpte voorwaarden negatieve
gevolgen zullen hebben voor de gewenste vruchtwisseling, teelt van rustgewassen en
kringlooplandbouw, omdat eerder sprake zal zijn van het verliezen van de landbouwvrijstelling
bij uitgebruikgevingen?
Deelt u de analyse dat, gelet op de dynamiek in de landbouw en de veelzijdige vormen
van samenwerking tussen telers, de aangescherpte voorwaarden in de praktijk voor veel
onduidelijkheid zullen zorgen en mogelijk lastig werkbaar zullen blijken te zijn?
Bent u bereid het vastgestelde kader voor vruchtwisseling in het kader van de landbouwvrijstelling
in overleg met de sector te heroverwegen?
Antwoord 10, 11, 12 en 13
Zoals aangegeven, is de landbouwvrijstelling niet van toepassing voor de periode dat
de grond die ter beschikking wordt gesteld aan een ander zonder noodzaak tot vruchtwisseling.
Daarbij wordt opgemerkt dat de eigenaar van de grond dus niet de toepassing van de
landbouwvrijstelling verliest voor de waardeontwikkeling van de grond voor de tijd
dat deze in het eigen landbouwbedrijf werd gebruikt. Aan de landbouwvrijstelling is
inherent dat de beoordeling of de grond in het eigen landbouwbedrijf wordt gebruikt,
wordt beoordeeld vanuit de positie van de eigenaar van de grond. Het beleidsbesluit
geeft daarover naar onze mening duidelijkheid binnen de geschetste kaders en is inhoudelijk
niet wezenlijk anders dan de uitgangspunten uit de werkafspraak die sinds 2014 door
de Belastingdienst worden gehanteerd. Het ligt niet voor de hand om deze uitzondering
op de reikwijdte van de landbouwvrijstelling verder uit te breiden voor situaties
waarbij de grond ook ter beschikking wordt gesteld maar waarin geen sprake is van
noodzakelijke vruchtwisseling vanuit het perspectief van de agrariër die de grond
bezit.12 Dit doet afbreuk aan de systematiek dat waardeaangroei belast wordt op het moment
dat landbouwgronden niet meer aan de eigen onderneming ter beschikking staan (zie
ook de Kamerbrief naar aanleiding van de motie Stoffer13 en de motie Grinwis c.s.14 die tegelijkertijd met deze antwoorden naar de Tweede Kamer zijn verstuurd). Tot
slot hechten we er aan op te merken dat voortdurend overleg plaatsvindt tussen de
Belastingdienst en vertegenwoordigers van de agrarische sector door middel van het
zogenoemde Platform Landbouw. In het Platform Landbouw worden fiscale vraagstukken
behandeld over landbouwgerelateerde zaken. Daarin bestaat ook ruimte voor overleg
en discussie over de invulling van het onderdeel vruchtwisseling in het recent gepubliceerde
beleidsbesluit. Dit overleg kan aanleiding zijn om het beleidsbesluit op punten te
verduidelijken of aan te passen, mits dat uiteraard past binnen de kaders van bestaande
wetgeving en jurisprudentie.
Ondertekenaars
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.