Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Duijvenvoorde over het diversiteits- en inclusiebeleid in relatie tot kunstsubsidies
Vragen van het lid Van Duijvenvoorde (FVD) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over kunstsubsidies (ingezonden 29 januari 2026).
Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 9 maart
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1068.
Vraag 1
Bent u bekend met het diversiteits- en inclusiebeleid van gesubsidieerde musea, waaronder
het Stedelijk Museum Amsterdam, en de wijze waarop dit beleid doorwerkt in het aankoopbeleid
van museale collecties?
Antwoord 1
Ik ben bekend met de inzet op het gebied van diversiteit en inclusie door musea die
subsidie van het Ministerie van OCW ontvangen. Deze instellingen rapporteren aan het
ministerie over de uitgevoerde activiteiten en de voor de collectie verworven objecten
in het jaarverslag. Hierin wordt ook een reflectie op de inzet in het kader van de
Code Diversiteit & Inclusie opgenomen. Ook andere musea nemen vaak een reflectie over
diversiteit en inclusie op in het jaarverslag, zo ook het Stedelijk Museum Amsterdam.
Deze jaarverslagen worden doorgaans online gepubliceerd.
Vraag 2
Deelt u de opvatting dat kunstsubsidies nooit mogen leiden tot (directe of indirecte)
uitsluiting van kunstenaars op basis van persoonskenmerken zoals huidskleur, afkomst
of seksuele geaardheid?
Antwoord 2
In Nederland geldt artikel 1 van de Grondwet, dat het gelijkheidsbeginsel verankert,
en is discriminatie verboden. Op basis van wettelijke kaders mag er in sommige gevallen
en onder bepaalde voorwaarden sprake zijn van een voorkeursbeleid om feitelijke achterstanden
van groepen tegen te gaan.
Vraag 3
Is het u bekend dat binnen de culturele sector de perceptie bestaat dat het niet actief
voeren van diversiteitsbeleid kan leiden tot een lagere subsidiebeoordeling? Acht
u deze perceptie wenselijk?
Antwoord 3
Culturele organisaties die voor de periode 2025–2028 subsidie in het kader van de
Culturele basisinfrastructuur aanvroegen werd gevraagd de Code Diversiteit & Inclusie
(net als de Governance Code Cultuur en de Fair Practice Code) te onderschrijven. Daarbij
is gemeld dat het aan instellingen zelf is om te bepalen welke doelstellingen zij
hebben om de code (al dan niet verder) te implementeren en hoe zij die doelstellingen
willen bereiken. Het culturele veld is op verschillende manieren geïnformeerd over
de periode 2025–2028. Onder andere door middel van de website cultuursubsidie.nl,
de kamerbrief Uitgangspunten Cultuursubsidies 2025–2028 en uiteraard door het publiceren
van de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2025–2028. De omgang met en
status van de codes is hierbij geduid. Overigens is de code door de sector zelf en
op eigen initiatief opgesteld en uitgewerkt.
Vraag 4
Kunt u bevestigen, ja of nee, dat «diversiteit en inclusie» een formeel beoordelingscriterium
is bij subsidies die via de Raad voor Cultuur en het Mondriaan Fonds worden toegekend?
Antwoord 4
Zoals gezegd onder vraag 3 is aan instellingen voor de periode 2025–2028 van de Culturele
basisinfrastructuur gevraagd de codes te onderschrijven en uit te leggen hoe zij deze
toepassen. Het Mondriaan Fonds vroeg instellingen ook om de codes te onderschrijven.
Zowel voor de subsidies die door de Raad voor Cultuur als het Mondriaan Fonds zijn
beoordeeld geldt dat organisaties vrij zijn in de keuzes die zij maken in het vertalen
van de principes uit de Code Diversiteit & Inclusie naar een eigen visie, doelen en
bijpassende acties.
De Raad voor Cultuur heeft subsidieaanvragen beoordeeld aan de hand van de volgende
set beoordelingscriteria: de artistieke en/of inhoudelijke kwaliteit, maatschappelijke
betekenis, toegankelijkheid, bedrijfsmatige gezondheid en geografische spreiding van
de instelling. Hierbij heeft de Raad voor Cultuur onder twee beoordelingscriteria
specifiek naar de toepassing van de Code Diversiteit & Inclusie gekeken, namelijk
onder «maatschappelijke betekenis» (voor wat betreft de aspecten «Programma», «Partners»
en «Personeel») en «toegankelijkheid» (voor wat betreft het aspect «Publiek»). Voor
het Mondriaan Fonds geldt dat diversiteit en inclusie geen inhoudelijk beoordelingscriterium
is bij de subsidies die worden toegekend aan musea. De manier waarop musea invulling
geven aan het toepassen van de code Diversiteit & Inclusie wordt niet beoordeeld en
heeft geen invloed op het al dan niet toekennen van de subsidie. Alleen voor de meerjarenregeling
Programma’s Kunstpodia is naar het totale beleid dat kunstpodia op de drie geldende
codes hebben gekeken, als een van de beoordelingscriteria. Dit omdat binnen deze regeling
subsidie wordt toegekend voor de exploitatie en programma van de instelling als geheel
en niet alleen voor een los project.
Vraag 5
Indien ja, kunt u exact aangeven welk gewicht dit criterium heeft ten opzichte van
artistieke kwaliteit in de beoordelingssystematiek (bijvoorbeeld in punten, wegingsfactoren
of drempelcriteria)?
Antwoord 5
Voor de periode 2025–2028 heeft de Raad voor Cultuur de aanvragen van instellingen
beoordeeld aan de hand van vijf samenhangende beoordelingscriteria. Onder twee beoordelingscriteria
is specifiek naar de toepassing van de code Diversiteit & Inclusie gekeken. Het criterium
«toegankelijkheid» werd onder andere beoordeeld aan de hand van landelijke spreiding,
digitale beschikbaarheid van het aanbod en een goed prijsbeleid. Daarbij is o.a. het
aspect «Publiek» van de code meegewogen. Als onderdeel van het criterium «maatschappelijke
betekenis» werd beoordeeld in hoeverre de artistieke of inhoudelijke activiteiten
van de instelling bijdragen aan maatschappelijke vraagstukken of aan andere maatschappelijke
sectoren en in hoeverre de instelling regionaal of lokaal geworteld is. Ten aanzien
van de Code Diversiteit & Inclusie is binnen dit criterium meegewogen hoe instellingen
deze code naleven met betrekking tot de aspecten «Programma» en «Partners» (voor zover
betrekking hebbend op de artistieke of inhoudelijke activiteiten) uit deze code. Ook
het aspect «Personeel» uit de Code Diversiteit & Inclusie is in het kader van dit
criterium meegewogen.
Vraag 6
Kunt u bevestigen, ja of nee, dat subsidieaanvragen zonder expliciete doelstellingen
op het gebied van diversiteit en inclusie structureel lager worden beoordeeld dan
aanvragen die deze wel bevatten?
Antwoord 6
Nee. Zoals bij vraag 4 aangegeven heeft de Raad voor Cultuur op basis van een geheel
aan beoordelingscriteria een afweging gemaakt, waar het toepassen van de Code Diversiteit
& Inclusie één onderdeel van was.
Vraag 7
Indien nee, kunt u de beoordelingsrichtlijnen overleggen waaruit dit blijkt?
Antwoord 7
De beoordelingsrichtlijnen zijn vastgelegd in de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur
2025–2028 en toegelicht in de kamerbrief Uitgangspunten Cultuursubsidies 2025–2028.
De Raad voor Cultuur heeft de richtlijnen verder uitgewerkt in het Beoordelingskader
BIS 2025–2028 en toegepast zoals gerapporteerd in het Advies Culturele basisinfrastructuur
2025–2028.
Vraag 8
Kunt u bevestigen, ja of nee, dat instellingen die expliciet stellen uitsluitend artistieke
kwaliteit als leidend criterium te hanteren, zonder aanvullende maatschappelijke doelstellingen,
geen verhoogd risico lopen op afwijzing of korting?
Antwoord 8
Zoals bij vraag 5 beantwoord heeft de Raad voor Cultuur op basis van een geheel aan
beoordelingscriteria een afweging gemaakt, waar artistieke en/of inhoudelijke kwaliteit
één onderdeel van was. Naast dit criterium is gekeken naar de maatschappelijke betekenis,
toegankelijkheid, bedrijfsmatige gezondheid en geografische spreiding van de instelling.
De beoordeling sluit hiermee aan op de doelstellingen van het cultuurbeleid zoals
die zijn vastgelegd in de Wet op het specifiek cultuurbeleid.
Vraag 9
Indien u dit niet kunt bevestigen: erkent u dan dat er sprake is van indirecte beleidssturing
vanuit de overheid op artistieke keuzes van musea?
Antwoord 9
Nee. Musea die op grond van de Erfgoedwet zijn belast met zorg voor de Rijkscollectie,
ontvangen van het Ministerie van OCW subsidie voor het beheer van de collectie en
het organiseren van publieksactiviteiten. Deze subsidie wordt ambtshalve – zonder
advies van de Raad voor Cultuur – verstrekt op grond van de Regeling beheer rijkscollectie
en subsidiering museale instellingen. In deze regeling is, in lijn met de regeling
van de Culturele basisinfrastructuur, als voorwaarde gesteld dat de instelling in
zijn activiteitenplan voor de periode 2025–2028 de Code Diversiteit & Inclusie onderschrijft.
Vraag 10
Acht u het verenigbaar met de publieke taak van musea dat zij in hun aankoopbeleid
expliciete prioriteiten communiceren die gebaseerd zijn op identiteitskenmerken van
kunstenaars?
Antwoord 10
Ik vind het van belang dat de collecties van musea voor zover mogelijk een afspiegeling
zijn van Nederland, nu en in het verleden. Het is aan het museum om te besluiten welke
objecten worden verworven. Musea kunnen daarbij besluiten om werken van bepaalde kunstenaars
of genres te verwerven, omdat deze werken nu nog niet vertegenwoordigd zijn in de
collectie. Dit gebeurt veelal op basis van een collectieplan, waarin het museum artistiek
inhoudelijke en/of maatschappelijke aandachtsgebieden en lacunes in de collectie identificeert.
Vraag 11
Acht u het verenigbaar met het gelijkheidsbeginsel dat musea in subsidieaanvragen
kwantitatieve doelen formuleren voor aankopen op basis van kenmerken van kunstenaars,
zoals afkomst of gender?
Antwoord 11
Ik ben niet bekend met kwantitatieve doelen bij het aankoopbeleid van musea. Het is
aan musea om te besluiten over aankopen voor de collectie.
Vraag 12
Kunt u uitsluiten, ja of nee, dat dergelijke kwantitatieve doelen in de praktijk functioneren
als de facto quota, ondanks het ontbreken van die term in beleidsdocumenten?
Antwoord 12
Zoals bij vraag 9 beantwoord, is het aan musea om te besluiten over aankopen voor
de collectie. Vanuit het ministerie worden er geen quota gehanteerd.
Vraag 13
Bent u bereid alle beoordelingskaders, handreikingen en interne richtlijnen die subsidiecommissies
gebruiken bij de beoordeling van diversiteit en inclusie openbaar te maken?
Antwoord 13
Zowel de beoordelingskaders als de toegelichte adviezen van de Raad voor Cultuur en
de beoordelingskaders van de rijkscultuurfondsen zijn openbaar. Deze documenten maken
duidelijk op welke manier de toepassing van de Code Diversiteit & Inclusie is meegenomen
bij de beoordeling van subsidieaanvragen.
Vraag 14
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige subsidiekader voldoende waarborgen bevat
om ideologische eenzijdigheid bij gesubsidieerde culturele instellingen te voorkomen?
Antwoord 14
Nee, hier zie ik geen aanleiding voor. De beoordelingsprocessen van de Raad voor Cultuur
en de rijkscultuurfondsen bevatten gezien de mix aan beoordelingscriteria voldoende
waarborgen om ervoor te zorgen dat de sector in de periode 2025–2028 ruimte geeft
aan verschillende stemmen.
Vraag 15
Hoe ziet u uw rol als Minister in het bewaken van pluriformiteit in de kunstsector,
zowel inhoudelijk als institutioneel?
Antwoord 15
De Wet op het specifiek cultuurbeleid bevat meerdere doelen. Eén van de doelen is
om cultuuruitingen sociaal en geografisch te spreiden. Een ander doel is om de verscheidenheid
van culturele uitingen in stand te houden. Het toepassen van de door de sector opgestelde
Code Diversiteit & Inclusie draagt wat mij betreft bij aan het realiseren van de verschillende
doelen van het cultuurbeleid. Ik vind het belangrijk dat mijn beleid bijdraagt aan
het vergroten van de sociale en geografische spreiding, zodat er ruimte is voor meerstemmigheid
en zoveel mogelijk mensen van cultuur kunnen genieten.
Vraag 16
Bent u bereid een onafhankelijke evaluatie te laten uitvoeren naar de effecten van
diversiteitscriteria op artistieke vrijheid en pluriformiteit binnen de gesubsidieerde
cultuursector?
Antwoord 16
Nee, hier zie ik geen aanleiding voor. Zoals bij vraag 12 beantwoord bevat het beoordelingsproces
door de Raad voor Cultuur en de rijkscultuurfondsen voldoende waarborgen om ervoor
te zorgen dat de artistieke vrijheid en pluriformiteit binnen de sector behouden blijven.
Vraag 17
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
Antwoord 17
Ja.
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.