Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Oosterhuis over de uitspraak van de rechtbank Amsterdam in de zaak Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V.
Vragen van het lid Oosterhuis (D66) aan de Minister van Financiën over de uitspraak van de rechtbank Amsterdam in de zaak Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V. (ingezonden 11 februari 2026).
Antwoord van Minister Heinen (Financiën) (ontvangen 9 maart 2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 5 februari
2026 in de zaak van Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V.?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat is uw reactie op het oordeel van de rechtbank dat DNB in 2017 bedrog heeft gepleegd
door ten onrechte de rechtbank niet in te lichten over de met het overdrachtsplan
van Conservatrix aan Trier verbonden herverzekering bij Colorado Bankers Life Insurance
Company?
Antwoord 2
Het is niet aan het kabinet om uitspraken van de rechtbank te beoordelen. Wel vind
ik het relevant om op te merken dat deze zaak niet op zichzelf staat.
Zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 6 hieronder, loopt er zowel een herroepingsprocedure
tussen Conservatrix Groep (de voormalig aandeelhouder van levensverzekeraar Conservatrix
N.V.) en DNB, als tussen Conservatrix Groep en de Staat. Beide procedures zijn aangespannen
door Conservatrix Groep en zijn qua inhoud vrijwel gelijk. De Ondernemingskamer van
het Gerechtshof Amsterdam heeft op 31 juli 2025 al een uitspraak gedaan over de herroepingsprocedure
tussen Conservatrix Groep en de Staat.2 In deze vergelijkbare herroepingsprocedure heeft de Ondernemingskamer het herroepingsverzoek
van Conservatrix Groep afgewezen en dat uitgebreid onderbouwd. Conservatrix Groep
heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.
In haar beschikking van 5 februari jl. in de herroepingsprocedure tussen Conservatrix
Groep en DNB, waarnaar in deze vraag wordt verwezen, heeft de rechtbank Conservatrix
Groep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de aard van de oorspronkelijke beschikking
zich tegen herroeping verzet. De overdracht van de aandelen is onomkeerbaar en levensverzekeraar
Conservatrix N.V. verkeert inmiddels in staat van faillissement. De beschikking uit
2017 waarbij het overdrachtsplan van DNB om levensverzekeraar Conservatrix over te
dragen is goedgekeurd, blijft daarmee onverkort in stand. De rechtbank heeft zich
desondanks uitgelaten over de vraag of DNB in 2017 «bedrog in het geding» zou hebben
gepleegd door niet toe te lichten dat de benodigde kapitaalversterking door de koper
mede op basis van een herverzekering zou geschieden. De rechtbank oordeelde dat dit
het geval was, waarbij van belang is om hierbij nog te vermelden dat het gaat om gesteld
bedrog in processuele zin, wat een andere betekenis heeft dan bedrog in het normale
spraakgebruik. DNB is tegen dit oordeel van de rechtbank in cassatie gegaan (zie ook
het antwoord op vraag 4). Het is nu aan de Hoge Raad om zich over deze uitspraak – en
de hiervoor genoemde uitspraak in de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep
en de Staat – te buigen.
Vraag 3
Bent u van mening dat de in 2021 uitgevoerde evaluatie door de Evaluatiecommissie
Conservatrix het gepleegde bedrog voldoende heeft kunnen evalueren, aangezien het
rapport van de Evaluatiecommissie in de uitspraak van 5 februari 2026 een belangrijke
bron was om te komen tot het oordeel dat er sprake is geweest van bedrog? Leidt deze
uitspraak van de rechtbank nog tot aanvullende inzichten en lessen voor DNB?
Antwoord 3
De toets die de rechtbank in 2017 diende uit te voeren op basis van de wet en het
onderzoek dat de Evaluatiecommissie Conservatrix heeft verricht naar de gebeurtenissen
in de aanloop naar het faillissement van Conservatrix N.V. in 2020, hebben een verschillend
doel en een andere reikwijdte. Dat gezegd hebbende, blijkt uit de toelichting bij
het Instellingsbesluit Evaluatiecommissie Conservatrix3 dat de Evaluatiecommissie Conservatrix nadrukkelijk is gevraagd de herverzekering
te onderzoeken. De Evaluatiecommissie Conservatrix, haar juridisch adviseur en secretaris
hebben via een dataroom toegang gekregen tot alle relevante toezichtvertrouwelijke
stukken, waaronder de afspraken die zijn gemaakt tussen toezichthouder DNB en de koper
over de kapitaalversterking.
De Evaluatiecommissie Conservatrix schrijft in haar rapport onder meer dat een herverzekering
een risicobeperkende techniek is die verzekeraars mogen toepassen bij berekening van
de Solvency Capital Requirement (SCR). Zij bespreekt in haar rapport hoe de kapitaalstorting van Trier Holding B.V.
zou worden opgebouwd, inclusief een herverzekering.4 Ook beoordeelt de Evaluatiecommissie in haar rapport of de herverzekering, achteraf bezien, goed heeft uitgepakt en of daar lessen uit te trekken zijn.5 Dit rapport is op 14 december 2021 aan uw Kamer aangeboden en openbaar geworden.6 DNB heeft mijn ambtsvoorganger geïnformeerd hoe zij opvolging heeft gegeven aan de
aanbevelingen van de Evaluatiecommissie Conservatrix. Deze informatie is met uw Kamer
gedeeld via de Kamerbrief «Reactie op het rapport van de Evaluatiecommissie Conservatrix»
d.d. 5 april 2022.7
Vraag 4
Wat zijn de (mogelijke) gevolgen van deze uitspraak voor DNB en de Staat?
Antwoord 4
DNB is het inhoudelijk eens met de verwerping van het herroepingsverzoek door de rechtbank.
DNB kan zich echter niet vinden in de overwegingen van de rechtbank dat DNB in de
overdrachtsprocedure onvoldoende informatie heeft gegeven over de wijze waarop de
koper de kapitaalspositie zou versterken en dat daarom sprake zou zijn van processueel
bedrog. DNB heeft daarom tegen onder meer dat onderdeel van de uitspraak cassatieberoep
ingesteld bij de Hoge Raad. Daarnaast heeft DNB hoger beroep ingesteld tegen de opdracht
van de rechtbank om bepaalde toezichtvertrouwelijke documenten aan Conservatrix Groep
te verstrekken.
In de herroepingsprocedure tussen de Staat en Conservatrix Groep zullen de Advocaat-Generaal
en de Hoge Raad ook kunnen kennisnemen van de openbare uitspraak van de rechtbank
Amsterdam. De overwegingen van de rechtbank over het bedrog zijn echter niet juridisch
bindend voor deze herroepingsprocedure in cassatie of in een andere procedure.
Conservatrix Groep heeft in de media aangegeven dat zij van mening is dat de uitspraak
van de rechtbank grondslag biedt voor (nadere) schadevergoeding aan Conservatrix Groep.
Voor een eventuele nieuwe schadeclaim zou Conservatrix Groep verder moeten aanvoeren
en onderbouwen welke schade dit «bedrog in het geding» precies heeft veroorzaakt.
Vraag 5
Welke financiële gevolgen kunnen zich hierdoor voordoen en op welke wijze wordt hier
door DNB en de Staat rekening mee gehouden?
Antwoord 5
Zoals hiervoor gezegd, kan een eventuele nieuwe schadevergoeding niet worden gevorderd
van DNB (of de Staat) louter op basis van deze overwegingen van de rechtbank Amsterdam.
Daarvoor zou Conservatrix Groep moeten aanvoeren en aantonen dat aan meerdere juridische
vereisten voor een schadevergoeding is voldaan.
Vraag 6
Welke juridische procedures lopen er op dit moment nog tussen Conservatrix Groep en
DNB of de Staat? Wat is de stand van zaken in deze procedures?
Antwoord 6
Het Conservatrix-dossier is een langlopend traject. Naast de herroepingsprocedure
tussen Conservatrix Groep en DNB, waarin op 5 februari 2026 door de rechtbank uitspraak
is gedaan, lopen er momenteel twee procedures tussen Conservatrix Groep en de Staat.
Voor de goede orde benadruk ik hier dat de procedures worden gevoerd tussen de Staat
en de voormalig aandeelhouder van Conservatrix N.V. De procedures gaan niet over de
vraag of polishouders recht hebben op compensatie, omdat later met de nieuwe aandeelhouder
ook problemen ontstonden en de levensverzekeraar in 2020 alsnog failliet is gegaan.
Het ingrijpen van DNB in 2017 was juist gericht op het beschermen van de polishouders
en de financiële stabiliteit.
De eerste procedure betreft een schadeloosstellingsprocedure tegen de Staat, gestart in 2017. Op 26 juni 2017 heeft Conservatrix Groep bij de Ondernemingskamer
een verzoekschrift ingediend tot vaststelling van een aanvullende schadeloosstelling
op de voet van artikel 3:159ab Wft (oud). Dit artikel bood Conservatrix Groep de mogelijkheid
om schadevergoeding te vragen in aanvulling op de EUR 1,– die zij heeft ontvangen
toen zij haar aandelen in de noodlijdende levensverzekeraar Conservatrix N.V. moest
overdragen op last van DNB en de rechtbank. De Ondernemingskamer heeft vastgesteld
dat er twee scenario’s resteerden op de relevante peildatum, namelijk een liquidatiescenario
(noodregeling of faillissement)8 en een overnamescenario.9, 10 De Hoge Raad heeft dat in een tussentijds cassatieberoep bevestigd. Vervolgens heeft
de Ondernemingskamer een deskundigenonderzoek gelast ter beantwoording van de vraag
wat de waarde van de aandelen in Conservatrix N.V. op de peildatum in het overnamescenario
zou zijn geweest. De Ondernemingskamer heeft een drietal deskundigen benoemd om dit
waarderingsonderzoek te verrichten. De Ondernemingskamer heeft vervolgens het voorschot
van de kosten van het deskundigenonderzoek vastgesteld en bepaald dat dit voorschot
ieder voor de helft door Conservatrix Groep en de Staat dient te worden voldaan. De
Staat heeft zijn deel van het voorschot betaald. Conservatrix Groep heeft geweigerd
haar deel van het voorschot te voldoen. De Ondernemingskamer heeft vervolgens besloten
dat het deskundigenonderzoek daarom niet kan plaatsvinden. De Ondernemingskamer verwacht
op 2 april 2026 een einduitspraak te doen in de schadeloosstellingsprocedure.
De tweede nog lopende procedure is de hiervoor reeds genoemde herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat, die is gestart in 2025. Op 20 mei 2025 heeft Conservatrix Groep bij de Ondernemingskamer
een verzoek ingediend tot herroeping van haar eerdere tussenbeschikkingen in de schadeloosstellingsprocedure.
Aan dit verzoek heeft Conservatrix Groep ten grondslag gelegd dat de Staat (of DNB)
bedrog zou hebben gepleegd door eerder in de schadeloosstellingsprocedure te verzwijgen
dat de door Trier Holding B.V. op grond van het overdrachtsplan te verschaffen kapitaalversterking
mede bestond uit een herverzekeringsovereenkomst. Partijen hebben hun standpunten
over dit verzoek uitvoerig uiteengezet, zowel schriftelijk als tijdens een zitting
bij de Ondernemingskamer. Bij beschikking van 31 juli 2025 heeft de Ondernemingskamer
vervolgens alle verzoeken van Conservatrix Groep afgewezen en deze beslissing uitvoerig
gemotiveerd.11 Tegen deze beschikking van de Ondernemingskamer heeft Conservatrix Groep op 31 oktober
2025 cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. De cassatieprocedure loopt momenteel.
Ondertekenaars
E. Heinen, minister van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.