Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over o.a. geannoteerde agenda Milieuraad van 17 maart 2026 (Kamerstuk 21501-08-1026)
2026D10401 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat hebben verschillende fracties
de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat en de Minister van Klimaat en Groene Groei over de geannoteerde agenda
Milieuraad van 17 maart 2026 (Kamerstuk 21 501-08, nr. 1026), het verslag van de Informele Milieuraad op 5 en 6 februari 2026 (Kamerstuk 21 501-08, nr. 1025), het fiche Wijzigingsvoorstel Verordening CO2-emissienormen zware bedrijfsvoertuigen (Kamerstuk 22 112, nr. 4245), het fiche Verordening CO2-emissienormen en voertuiglabel voor personen- en bestelauto’s (Kamerstuk 22 112, nr. 4273) en het fiche Milieuomnibus (Kamerstuk 22 112, nr. 4278).
De fungerend voorzitter van de commissie,
P. de Groot
Adjunct-griffier van de commissie,
Meedendorp
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Inhoudsopgave
Inleiding
D66-fractie
VVD-fractie
GroenLinks-PvdA-fractie
CDA-fractie
JA21-fractie
Partij voor de Dieren-fractie
Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het verslag van de Informele
Milieuraad van 5 en 6 februari 2026 (Kamerstuk 21 501-08, nr. 1025), het fiche over het wijzigingsvoorstel voor de Verordening CO2-emissienormen zware bedrijfsvoertuigen (Kamerstuk 22 112, nr. 4245), het fiche over de Verordening CO2-emissienormen en het voertuiglabel voor personen- en bestelauto’s (Kamerstuk 22 112, nr. 4273) en het fiche over de Milieuomnibus. Deze leden onderschrijven het belang van een
sterke, innovatieve Europese automobielsector, maar constateren met grote zorg dat
de voorgestelde herzieningen de vorig jaar vastgestelde klimaatambities vroegtijdig
afzwakken. Hierover hebben deze leden nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de BNC-fiches die zijn gestuurd
ter voorbereiding op de Milieuraad van 17 maart en hebben daarover enkele vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geagendeerde stukken
voor de Milieuraad van 17 maart 2026 en hebben nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Milieuraad van 17 maart 2026 en hebben daarover enkele vragen.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de geagendeerde brieven voor
de aanstaande Milieuraad op 17 maart en willen graag enige vragen voorleggen aan het
kabinet.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie maken zich grote zorgen over de Milieuomnibus
die de Europese Commissie heeft gepubliceerd. Daarom hebben zij nog fundamentele vragen
aan het kabinet over de Milieuomnibus. Deze leden verzoeken om elke vraag afzonderlijk
en nauwkeurig te beantwoorden.
D66-fractie
De leden van de D66-fractie verzoeken het kabinet toe te lichten hoe het verlagen
van de 100%-norm naar 90% in 2035 zich verhoudt tot de Europese Klimaatwet, en in
hoeverre dit besluit de mondiale concurrentiepositie van de Europese industrie op
het gebied van nulemissie-technologie schaadt ten opzichte van fabrikanten van buiten
de Europese Unie (EU). Kan de Minister uiteenzetten op welke wijze wordt voorkomen
dat de voorgestelde brandstofkredieten leiden tot een dubbeltelling van emissiereductie
ten opzichte van de RED III-verplichtingen?
De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris om nader te onderbouwen waarom
een verlaging van het reductiedoel voor bestelauto’s in 2030 van 50% naar 40% noodzakelijk
wordt geacht, en of zij het risico deelt dat dit de beschikbaarheid van betaalbare
elektrische bestelwagens voor Nederlandse ondernemers in de weg staat.
De leden van de D66-fractie vragen of de Staatssecretaris kan reflecteren op de voorgestelde
«superkredieten» voor kleine elektrische voertuigen (M1E) en aangeven of zij bereid
is te pleiten voor een koppeling tussen deze kredieten en een maximale consumentenprijs,
om de toegankelijkheid van elektrische mobiliteit voor lagere inkomensgroepen te borgen?
Kan de Staatssecretaris uiteenzetten wat de gevolgen van de voorgestelde extra flexibiliteit
voor fabrikanten zijn voor de Nederlandse ambities op het gebied van zero-emissiezones
in steden, gezien de verwachte 30% lagere ingroei van emissievrije trucks in 2030?
De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris of zij de mening deelt dat
het belonen van fabrikanten met extra kredieten vanwege een trage laadinfrastructuur
de druk op lidstaten om tijdig laadpunten aan te leggen juist wegneemt, in plaats
van de transitie te versnellen.
Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de rechtsongelijkheid die ontstaat voor transportondernemers
die reeds fors hebben geïnvesteerd in een emissievrije vloot op basis van de vorig
jaar vastgestelde normen, nu de spelregels voortijdig worden versoepeld?
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het Milieuomnibus-pakket
dat de Europese Commissie in december 2025 heeft gepubliceerd. Deze leden onderschrijven
het belang van regelvervanging om de administratieve lasten voor bedrijven te verminderen
en het Europese concurrentievermogen te versterken. Tegelijkertijd wensen zij de Staatssecretaris
enkele kritische vragen voor te leggen over de inzet tijdens de komende Milieuraad,
omdat vereenvoudiging niet ten koste mag gaan van de milieuambities die nodig zijn
voor een duurzame toekomst.
De leden van de D66-fractie vragen zich af hoe de Staatssecretaris reflecteert op
de aangekondigde herziening van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Opvallend is dat deze
richtlijn recent nog een zogenaamde «fitness check» heeft ondergaan. Deze leden willen
van de Staatssecretaris weten hoe het kabinet het risico inschat dat het openstellen
van de KRW voor wijzigingen leidt tot aanpassingen die veel verder gaan dan de Europese
Commissie zelf beoogt. Is de Staatssecretaris het eens met de vrees dat er sprake
kan zijn van een «doos van Pandora»-effect? En waarom is het kabinet in het Milieuomnibus-fiche
niet expliciet op deze KRW-herziening ingegaan, terwijl dit toch een substantieel
onderdeel van de omnibus vormt?
Deze leden willen ook van de Staatssecretaris weten wat de kabinetsaanwending op de
aankomende Milieuraad zal zijn ten aanzien van dit onderdeel. Hoe kan het kabinet
waarborgen dat mogelijke vereenvoudigingen in de KRW niet leiden tot afzwakking van
de bescherming van zoetwaterecosystemen, die veelal in kritieke toestand verkeren?
Dit is des te belangrijker aangezien de Nederlandse delta gevoed wordt met water uit
bijna tien andere landen. Europese samenwerking en een ambitieuze inzet op schoon
water is cruciaal voor de Nederlandse waterkwaliteit. Een ander belangrijk punt betreft
de gezondheidseffecten. Lagere beschermingsniveaus in de KRW kunnen directe gevolgen
hebben voor de waterkwaliteit die miljoenen Europeanen dagelijks gebruiken. Hoe voorkomt
het kabinet dat mogelijke versoepeling in de KRW leidt tot grotere gezondheidsrisico’s
voor burgers in Nederland en daarbuiten? Deze leden willen van de Minister vernemen
welke risicoanalyse het kabinet zelf heeft uitgevoerd en op welke gronden het kabinet
eventuele versoepeling zou kunnen rechtvaardigen.
De leden van de D66-fractie erkennen dat het voorstel op andere terreinen positieve
elementen bevat. Bijvoorbeeld de vereenvoudiging van INSPIRE en de versnelling van
milieubeoordelingen hebben potentie. Echter, deze versoepeling moet altijd hand in
hand gaan met kwaliteit. De termijnen die de Commissie voorstelt voor milieueffectrapportages
lijkt het kabinet ook kritisch te bezien, en deze leden sluiten zich daarbij aan.
Versnelling mag niet voorgaan op de zorgvuldigheid van de toetsingsprocedures.
Deze leden pleiten er tevens voor dat het kabinet op de Milieuraad aan de Commissie
vraagt om impactassessments in te dienen voor toekomstige regelgeving. Een degelijke
toetsing en analyse van eventuele gevolgen is nuttig om ervoor te zorgen dat beleidswijzigingen
niet onbedoeld beleidsafzwakkingen zijn.
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het fiche over de Milieuomnibus
en verzoeken de Staatssecretaris toe te lichten hoe de voorgestelde versoepeling in
de Richtlijn Industriële Emissies (RIE), zoals het vervallen van de chemische inventarisatie
en audits, zich verhoudt tot het recht van burgers op een gezonde leefomgeving en
het vermogen van toezichthouders om naleving van milieunormen te controleren.
Tevens vragen deze leden of de Staatssecretaris kan uiteenzetten op welke wijze het
schrappen van de plicht voor een gemachtigd vertegenwoordiger binnen de EU voor de
Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid (UPV) de handhaving beïnvloedt, en hoe
wordt voorkomen dat dit leidt tot een «race to the bottom» waarbij producenten uit
andere lidstaten hun verantwoordelijkheid voor afvalbeheer ontlopen. Ten slotte vragen
deze leden hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen de introductie van een «grondentrechter»
in verhouding tot het Verdrag van Aarhus en de Nederlandse rechtstraditie. Is de Staatssecretaris
bereid in Brussel te pleiten voor het behoud van volledige rechtsbescherming, ook
wanneer er wordt ingezet op procedurele versnelling voor strategische projecten zoals
woningbouw?
VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie onderstrepen het belang van een sterke en concurrerende
Europese transport- en voertuigsector die bijdraagt aan de klimaatdoelen. Zij constateren
dat de Europese Commissie extra flexibiliteit wil introduceren via emissiekredieten
voor de periode 2025–2029.
Deze leden vragen hoe het kabinet de impact van deze flexibiliteit beoordeelt op de
concurrentiepositie van Europese truckfabrikanten. Ook vragen zij hoe groot de knelpunten
rond laadinfrastructuur voor zwaar vervoer volgens het kabinet zijn en in hoeverre
deze een aanpassing van de regelgeving rechtvaardigen. Daarnaast vernemen zij graag
hoe de Nederlandse positie zich verhoudt tot die van andere lidstaten. Tot slot vragen
deze leden hoe het kabinet het ontbreken van een impactassessment weegt en of het
kabinet zal aandringen op meer inzicht in de klimaateffecten van het voorstel.
De leden van de VVD-fractie hebben tevens kennisgenomen van het voorstel tot herziening
van de CO2-emissienormen voor personen- en bestelauto’s, waaronder het voorstel om het reductiedoel
voor 2035 te wijzigen van 100% naar 90% emissiereductie aan de uitlaat. Deze leden
vragen hoe het kabinet de gevolgen hiervan beoordeelt voor investeringszekerheid en
innovatie in de Europese auto-industrie en in hoeverre het voorstel ruimte laat voor
verschillende aandrijftechnologieën. Daarnaast vragen zij hoe het kabinet kijkt naar
de uitvoerbaarheid van het voorgestelde voertuiglabel, met name bij tweedehands voertuigen,
en welke mogelijkheden er zijn om regeldruk te beperken, bijvoorbeeld via digitale
oplossingen.
Verder vragen deze leden of het «Made in the EU»-element onbedoelde gevolgen kan hebben
voor nationale fiscale regelingen of het gelijke speelveld. Ook vragen zij hoe het
kabinet aankijkt tegen de mogelijke gevolgen van het voorstel rond «Clean Corporate
Vehicles» voor mkb-bedrijven die voertuigen via leasemaatschappijen gebruiken.
De leden van de VVD-fractie hebben daarnaast kennisgenomen van het Milieuomnibus-pakket,
dat gericht is op vereenvoudiging van milieuwetgeving en vermindering van administratieve
lasten voor bedrijven.
Deze leden vragen welke onderdelen van het pakket volgens het kabinet daadwerkelijk
tot merkbare lastenverlichting leiden en hoe daarbij het beschermingsniveau voor mens
en milieu wordt gewaarborgd. Ook vragen zij hoe wordt voorkomen dat het opschorten
van de verplichting om een gemachtigd vertegenwoordiger aan te wijzen bij uitgebreide
producentenverantwoordelijkheid leidt tot een ongelijk speelveld.
Voorts vragen de leden van de VVD-fractie hoe het kabinet de voorgestelde wijzigingen
in de batterijenverordening beoordeelt, met name waar het gaat om de repareerbaarheid
van batterijen van elektrische voertuigen en de gevolgen voor circulariteit en innovatie.
Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie aandacht voor de Europese ontwikkelingen
rond het PFAS-restrictievoorstel. Zij begrijpen dat voor sommige industriële toepassingen,
waaronder bepaalde afdichtingstoepassingen in de maritieme sector, momenteel een derogatieperiode
is voorgesteld omdat alternatieven nog ontbreken. Deze leden vragen hoe het kabinet
aankijkt tegen dergelijke overgangsperioden voor toepassingen waarvoor op korte termijn
geen werkbare alternatieven beschikbaar zijn. Ook vragen zij hoe het kabinet de recente
studies in Europees verband over sectorale afhankelijkheid van PFAS weegt en hoe deze
zich verhouden tot het lopende restrictievoorstel. Tot slot vragen deze leden hoe
het kabinet de Nederlandse inzet in dit dossier vormgeeft, mede gezien de rol van
Nederland als kar-trekkend land in de Europese PFAS-discussie.
De leden van de VVD-fractie zien uit naar de reactie van de regering en een toelichting
op de Nederlandse inzet tijdens de Milieuraad van 17 maart.
GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen om de voorstellen die de
Europese Commissie doet om de bescherming van onze natuur af te zwakken. Zij wijzen
erop dat omnibussen zijn bedoeld voor technische aanpassingen terwijl deze in hun
ogen nu worden aangegrepen voor systematische wijzigingen. Is het kabinet het hiermee
eens en is hij bereid om dit bij de Commissie aan te kaarten?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinet de versnelling van milieubeoordelingen
verwelkomt. Deze leden zijn benieuwd naar in hoeverre de risico’s voor gezondheid,
natuur en milieu in kaart zijn gebracht. Het kabinet laat weten dat zulke versnelling
gepaard moet gaan met zorgvuldigheid en juridische houdbaarheid. Heeft het kabinet
in kaart gebracht hoe zo een versnelling op juridisch houdbare wijze mogelijk is,
en zonder extra risico’s voor gezondheid, natuur en milieu? Zo ja, kan deze analyse
met de Kamer gedeeld worden? Zo niet, is het kabinet van plan in te stemmen met de
omnibus zonder zo’n analyse te hebben verricht? Welk standpunt neemt het kabinet in
tijdens de komende Milieuraad, mocht het onderwerp aan bod komen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het BNC-fiche niks over het aangekondigde
voorstel van een herziening van de Kaderrichtlijn Water, die nog dit jaar moet plaatsvinden,
en over de aangekondigde stresstest van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Waarom zegt
het kabinet hier niets over in het BNC-fiche? Kan het kabinet uitgebreid ingaan op
de gevolgen van deze deregulering op de bescherming die vanuit deze richtlijnen uitgaat,
en op zijn standpunt hierover?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben verder nog enkele vragen en opmerkingen
over het Europese autobeleid, het afzwakken van de emissiedoelen en daarmee het einde
van de Europese auto-industrie. Het voorstel om de emissienormen af te zwakken en
het einde van fossiel uit te stellen haalt de druk op de auto-industrie weg en zal
daarmee de innovatie en transitie vertragen. Het bespaart op de korte termijn investeringskosten
en de noodzakelijke uitbouw van de batterijsector en ombouw van bestaande fabrieken.
Deze uitgestelde investeringen kunnen worden omgezet in dividend voor de aandeelhouders,
maar de vertraging zal de concurrentiekracht van de Europese auto-industrie, ten opzichte
van bijvoorbeeld China, verder verzwakken. Is de Staatssecretaris het met deze leden
eens dat dit niet alleen nadelig is voor het klimaat en volksgezondheid, maar ook
voor de toekomst van de auto-industrie in Europa? Is de Staatssecretaris het met deze
leden eens dat we juist voor de lange termijn moeten kiezen en daarom op de korte
termijn moeten innoveren en transformeren? Is de Staatssecretaris het met deze leden
eens dat we deze beslissingen niet kunnen overlaten aan de sector zelf? Wat wordt
de inzet van Nederland hierop bij de Milieuraad? Wat gaat de Staatssecretaris doen
om alsnog een de facto einde van fossiele nieuwverkoop in Nederland te bewerkstellingen,
als dit EU-uitstel doorgaat? Komen er extra zware belastingen op de aanschaf van fossiele
auto’s?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen verder dat de Europese Commissie (EC)
voornemens is om alle steun voor fossiel per 2028 te verbieden. Wat wordt allemaal
gezien als steun? Kan de Staatssecretaris toelichten wat hier allemaal onder gaat
vallen en wat de verwachte effecten zijn? Gaat dit gelden voor belastingverschillen,
accijnzen, en dergelijke? Of ook voor het faciliteren van fossiele voertuigen via
gratis toegankelijke infrastructuur, overheidsopdrachten of aanbestedingen? Gaat het
alleen om fossiel versus elektrisch of om alles wat het gebruik van fossiel vergemakkelijkt?
Ten slotte vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie aandacht voor de repareerbaarheid
van batterijen. Voor veel nieuwe auto’s is de accu het meest kostbare onderdeel en
het onderdeel dat door gebruik het meest aan waarde verliest. Een defecte of versleten
accu is zeer kostbaar om te vervangen. Repareerbare accu’s kunnen helpen om elektrische
voertuigen langer op de weg te houden, versterken de tweedehands markt en besparen
kritieke grondstoffen. Is de Staatssecretaris bereid zich hiervoor in te zetten?
CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie delen de opvatting van het kabinet dat (industriële) koolstofverwijdering
een belangrijke bijdrage kan leveren aan de overgang naar een klimaatneutrale EU in
2050 en negatieve emissies daarna. Door negatieve-emissietechnologie en innovatie
tijdig op te schalen, kan Nederland profiteren van first-mover voordelen. Deze leden
vragen de Minister om dieper in te gaan op hoe Nederland deze first-mover voordelen
concreet kan benutten, en welk aanvullend beleid of welke stimulering vanuit de overheid
nodig is om de opschaling van deze technologieën te ondersteunen.
De leden van de CDA-fractie constateren dat het kabinet bij de mogelijke inzet van
internationale koolstofkredieten het belang van duidelijke randvoorwaarden, robuuste
kredieten en de samenwerking met strategische partners op het gebied van klimaat en
energie benadrukt. Deze leden vragen de Minister met welke strategische partners zij
de samenwerking op zal zoeken bij de inzet van internationale koolstofkredieten, en
welke concrete stappen er nu al worden gezet om deze samenwerking vorm te geven en
optimaal gebruik te kunnen maken van dergelijke kredieten.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet het belang van een consistent EU-kader
voor biogrondstoffen, met duidelijke duurzaamheidscriteria voor alle toepassingen
benadrukt. Deze leden vragen of de Minister de mening deelt dat het dat het voor duurzaam
gebruik van biogrondstoffen niet alleen van belang is om deze op zo efficiënt mogelijke
wijze in te zetten, maar dat er ook aandacht moet zijn voor het aanbod van duurzame
biogrondstoffen. Zij vragen het kabinet welke concrete acties zij inzet om ook de
duurzame productie en voldoende beschikbaarheid van biogrondstoffen op Europees niveau
te stimuleren.
JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie constateren dat in het verslag van de informele bijeenkomst
van de Milieuministers (Kamerstuk 21 501-08, nr. 1025) is gesproken over het financieren van klimaatweerbaarheidsuitgaven via private investeringen
en de Europese Investeringsbank.
Deze leden vragen de Staatssecretaris op welke wijze private partijen gestimuleerd
kunnen worden om te investeren in klimaatadaptatie, waar geen inherent verdienmodel
aan verbonden is. Hoe verhoudt het financieren van klimaatweerbaarheidsuitgaven via
de Europese Investeringsbank, waar de lidstaten gezamenlijk garant voor staan, zich
tot de wens van de Kamer om geen gezamenlijke Europese leningen aan te gaan?
De leden van de JA21-fractie constateren dat in het verslag van de informele bijeenkomst
van de Milieuministers is gesproken over het inzetten van het handelsinstrumentarium
van de EU en ontwikkelingssamenwerking in de context van internationale klimaatprocessen.
Kan de Minister toelichten wat het Nederlandse standpunt is ten aanzien van het inzetten
van het handelsinstrumentarium met betrekking tot internationale klimaatprocessen?
Is de Minister van mening dat het stimuleren van (vrij)handel met ontwikkelende economieën
wenselijk is, ook ter bevordering van samenwerking op andere kwesties?
De leden van de JA21-fractie constateren dat in het verslag van de informele bijeenkomst
van de Milieuministers is gesproken over het Circulaire Economie Winterpakket. Hoe
beoordeelt de Minister dit maatregelenpakket? Hoe beoordeelt de Minister de vraag
vanuit de plastic-recycling-sector om meer vraagstimulerende maatregelen?
De leden van de JA21-fractie constateren dat in het fiche Verordening CO2-emissienormen en voertuiglabel voor personen- en bestelauto’s (Kamerstuk 22 12, nr. 4273) doelen voor emissiereductie zijn opgenomen. Om deze doelen te halen zal het Europese
aandeel aan elektrische voertuigen sterk moeten stijgen. Hoe beoordeelt de Minister
het streven naar snelle elektrificatie van het Europese autogebruik in relatie tot
de achterblijvende ontwikkeling en verspreiding van laadinfrastructuur, met name in
Oost-Europese lidstaten? Hoe beoordeelt de Minister het streven naar snelle elektrificatie
van het Europese autogebruik in relatie tot de aanhoudende netcongestieproblematiek
in Nederland? Ziet de Minister kansen om de productie en aanschaf aantrekkelijker
te maken door middel van het verminderen van regeldruk op Europees niveau?
De leden van de JA21-fractie constateren dat het fiche Wijzigingsvoorstel Verordening
CO2-emissienormen zware bedrijfsvoertuigen (Kamerstuk 22 112, nr. 4245) meer flexibiliteit biedt wat betreft de nalevingsverplichting voor zware voertuigen,
en dat deze onderbouwt wordt met de trage uitrol van laadinfrastructuur voor zwaar
vervoer. Steunt de Staatssecretaris dit voorstel voor meer tijdelijke flexibiliteit?
Erkent de Staatssecretaris dat het behalen van sectorbrede emissienormen afhangt van
een stijgend marktaandeel van elektrische zware bedrijfsvoertuigen?
Erkent de Staatssecretaris dat een betrouwbaar en EU-breed verspreide laadinfrastructuur
een randvoorwaarde is voor het succes van elektrische zware bedrijfsvoertuigen op
de markt, en daarmee het behalen van de emissiereductiedoelen van de sector? Wat zijn
de consequenties als de laadinfrastructuur achterblijft op wat nodig is voor het behalen
van de emissiereductiedoelen? Is er in de toekomst bij achterblijvende laadinfrastructuur
meer flexibiliteit mogelijk?
Partij voor de Dieren-fractie
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie maken zich grote zorgen over de Milieuomnibus
die de Europese Commissie heeft gepubliceerd. Zij zien niet hoe deze rijmt met de
groeiende roep vanuit burgers, wetenschappers en medeoverheden om juist striktere
regels te stellen aan bescherming van mens, dier en milieu tegen schadelijke stoffen.
De richting van de Milieuomnibus rijmt ook niet met de ambities die het nieuwe kabinet
zegt te hebben op het gebied van preventie, gezonde leefomgeving en het streven naar
de gezondste generatie ooit. Europa staat op het punt om zwaar bevochten belangrijke
wet- en regelgeving, die de gezondheid van burgers en hun leefomgeving moet beschermen,
roekeloos in de prullenbak te gooien. Deze leden verwachten dat het kabinet zijn verantwoordelijkheid
neemt en dit niet laat gebeuren.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de Milieuomnibus, onder
het mom van versimpeling, de deuren open zet voor stelselmatige afzwakking van bescherming
van waterkwaliteit, natuur en volksgezondheid. Europa is ooit, na jarenlang zorgvuldig
overleg en onderzoek, gekomen tot wetgeving die mensen, dieren en hun leefomgeving
beter zou moeten beschermen, zoals de Kaderrichtlijn Water en de Vogel- en Habitatrichtlijn.
Juist die zorgvuldig opgebouwde wetgeving dreigt nu klakkeloos afgebroken te worden.
Hoe reageert de Staatssecretaris op juristen en maatschappelijke organisaties die
concluderen dat de omnibus ingrijpende wijzigingen voorstelt op de fundamenten van
het EU-milieurecht over beoordeling van effecten van beleid, over behandeling van
beschermde soorten, over de toegang tot de rechter en over de definitie van algemeen
belang? Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat zulke fundamentele systeemwijzigingen
niet via een omnibus zouden moeten plaatsvinden, die eigenlijk bedoeld is voor kleine
technische wijzigingen? Wat is de wetenschappelijk onderbouwde noodzaak en proportionaliteit
van de voorgestelde wijzigingen precies en op welk onderzoek is onderbouwing precies
gebaseerd?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat het wijzigingsproces
rond de omnibus niet duidelijk en niet transparant is en te ver wordt gehouden van
niet alleen nationale en lokale volksvertegenwoordigers, maar zeker ook van Nederlandse
burgers. Deze leden vragen de Staatssecretaris om precies te schetsen hoe het wijzigingsproces
eruitziet, wat de tijdlijn is, wat de cruciale beslismomenten zijn, op welke wijze
knopen worden doorgehakt en op welke wijze de Kamer de omnibus eventueel zou kunnen
tegenhouden. Deze leden zien dat het erop lijkt dat de Europese Commissie de omnibus
snel erdoorheen wil drukken, zonder zorgvuldig proces en toets door wetenschap op
effecten. Deze leden zien dat de democratische controle wordt ondermijnd. Zij vragen
de Staatssecretaris waarom zorgen van burgers en experts over de omnibus worden genegeerd,
zoals blijkt uit het oordeel van de Europese Ombudsman en uit de bijna 200.000 bezorgde
reacties op eerdere signalen om natuurbescherming af te zwakken. Welke lidstaten zijn
ook kritisch op de omnibusvoorstellen?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien dat de omnibus voorstellen bevat
die milieueffectbeoordelingen versnellen bij «strategische» projecten. Deze voorstellen
zorgen voor afzwakking van milieueffectbeoordelingen en doen afbreuk aan zorgvuldige
processen en dat alles voor zogenaamd «strategische» projecten terwijl onduidelijk
is wat precies allemaal onder die projecten valt. Kan de Staatssecretaris de exacte
definitie van strategische projecten delen met de Kamer? Ziet de Staatssecretaris,
net als milieuexperts, dat hierdoor een grotere kans is op schade voor gezondheid
van mens, dier en milieu? Zo nee, op welk wetenschappelijk onderzoek en toets baseert
de Staatssecretaris zich dan precies? Ziet de Staatssecretaris dat de voorstellen
op gespannen voet staan met de bestaande natuur- en milieuwetgeving, de Kaderrichtlijn
Water en de Vogel- en Habitatrichtlijn? Kan de Staatssecretaris toezeggen zich te
verzetten tegen deze weg naar oppervlakkige toetsing en snelle vergunningverlening
bij «strategische» projecten, waarbij geen afbakening is van wat strategische projecten
precies zijn?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien dat de omnibus het mogelijk maakt
dat lidstaten bij milieuprocedures bepalen dat in de beroepsfase geen nieuwe argumenten
mogen worden geïntroduceerd ten opzichte van de eerdere bezwaar- en zienswijzefase.
Snapt de Staatssecretaris de zorgen dat dit de toegang van burgers beperkt tot de
rechter? Is er een toets gedaan of dit in strijd is met het Verdrag van Aarhus? Zo
nee, gaat de Staatssecretaris dat alsnog laten toetsen?
Hoe gaat de Staatssecretaris voorkomen dat burgers, niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) en maatschappelijke organisaties in de praktijk worden belemmerd
in hun recht om juridische procedures te voeren over milieuschade?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de Minister of hij ook ziet dat
er een groeiende roep vanuit burgers, wetenschappers en medeoverheden is om juist
striktere regels te stellen aan bescherming van mens, dier en milieu tegen schadelijke
stoffen. Is de Staatssecretaris zich ervan bewust dat er afgelopen jaren veel rechterlijke
uitspraken zijn geweest die concluderen dat de overheid de gezondheid van burgers
en hun leefomgeving onvoldoende beschermt, zoals in het geval van landbouwgif en stankoverlast
door veehouderijen? Is de Staatssecretaris bereid om het advies van het Nationaal
Burgerberaad op te volgen en vervuiling meer te beprijzen? Luistert de Staatssecretaris
naar wetenschappers en burgers die om betere bescherming van milieu en gezondheid
vragen, of laat hij zich leiden door economische belangen van grote vervuilers? Erkent
de Staatssecretaris dat de Milieuomnibus ook niet rijmt met de ambities die het nieuwe
kabinet zegt te hebben op het gebied van preventie, gezonde leefomgeving en het streven
naar de gezondste generatie ooit?
De aangenomen motie-Kostić (Kamerstuk 21 501-08, nr. 1020) verzoekt de regering om te borgen dat vereenvoudigingen in Europese wet- en regelgeving
niet zullen leiden tot extra schade aan gezondheid, natuur en milieu. Daarnaast zegt
het kabinet in het BNC-fiche dat «milieudoelstellingen en -standaarden noodzakelijk
zijn voor het waarborgen van een gezonde fysieke leefomgeving en de gezondheid van
burgers». Hoe gaat de Staatssecretaris er zorg voor dragen dat de omnibus niet leidt
tot extra schade en afbraak van bescherming? Hoe gaat de Staatssecretaris binnen de
Milieuraad en richting de Europese Commissie de zorgen aankaarten dat de omnibus neerkomt
op afbraak ten koste van de Europese leefomgeving en volksgezondheid?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat er op de voorstellen
in de Milieuomnibus geen effectbeoordeling plaatsvindt. Deze leden vinden het ontbreken
hiervan problematisch gezien de fundamentele wijzigingen die voorliggen.
Ook zien zij geen aanvullende informatie over wat de urgentie waar de Commissie zich
op beroept feitelijk inhoudt. Kan de Staatssecretaris hierover uitweiden? Wie heeft
onafhankelijk bepaald dat er sprake is van urgentie en wat die urgentie dan precies
is? Kan de Staatssecretaris ook vertellen waar de spoed voor deze wijziging vandaan
komt en wie precies het hardst heeft gepleit voor die wijziging?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat ook de Europese ombudsman
zich afvraagt of het beroep op «urgentie» om milieuregelgevingen af te zwakken, zonder
bijvoorbeeld eerst een effectbeoordeling, aanvaardbaar is. Deelt de Staatssecretaris
de zorgen van de Ombudsman? Hoe reflecteert de Staatssecretaris op het ontbreken van
een effectbeoordeling bij een pakket met mogelijk grote, systemische gevolgen?
Belangrijker nog, vinden de leden van de Partij voor de Dieren-fractie, is het feit
dat het onmogelijk is om te stellen dat de bescherming van gezondheid van mens, dier
en milieu in stand blijft als er geen effectbeoordeling plaatsvindt door wetenschap.
Hoe gaat het kabinet precies toetsen of de omnibus niet zorgt voor meer schade aan
de fysieke leefomgeving en de gezondheid van burgers? Gaat de Staatssecretaris in
de EU uitdragen dat Nederland zo niet akkoord gaat met de omnibus en dat er een uitgebreide
wetenschappelijke toets moet komen die de effecten van de omnibus voor gezondheid
van mens, dier en milieu in kaart kan brengen, zodat het kabinet en de Kamer geïnformeerd
kunnen beslissen? Zo nee, waarom gaat de Staatssecretaris in tegen haar eigen ambities
uit het coalitieakkoord voor gezonde leefomgeving, gezondste generatie ooit en preventie?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de Staatssecretaris of zij ervoor
kan zorgen dat in kaart wordt gebracht wat de eventuele maatschappelijke schade en
kosten (in euro’s) zijn van de voorgestelde omnibus.
Deze leden hebben nog wat specifieke vragen over de Vogel- en Habitatrichtlijn. De
Vogel- en Habitatrichtlijn vormt de harde juridische kern voor het behoud en herstel
van ecosystemen, kwetsbare soorten en leefgebieden in de EU. Deze richtlijnen zullen
worden onderworpen aan een stresstest. Wat houdt deze stresstest exact in en wie voert
het precies uit? Wie zijn de betrokken partijen? Wat zijn de vragen en de tijdlijn?
En waarom is deze stresstest precies nodig? Tien jaar geleden is de Vogel- en Habitatrichtlijn
onderworpen aan een zware fitnesscheck en is «fit for purpose» verklaard. Er is wetenschappelijk
en juridisch gezien geen reden om weer te proberen te morrelen aan deze richtlijnen.
Ziet het kabinet dat ook? Zo nee, op welk wetenschappelijk advies baseert hij zich?
Deze leden zien ook dat de Milieuomnibus soepeler omgaat met de verboden met betrekking
tot het doden en verstoren van beschermde soorten en dat de focus van preventie naar
schade-acceptatie verschuift. Deelt het kabinet de conclusie dat dit in strijd is
met de Vogel- en Habitatrichtlijn en de jurisprudentie van het Hof van Justitie? Zo
niet, kan het kabinet de juridische toets sturen waar hij zich op baseert?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben ook nog wat vragen over de invloed
van de omnibus op de Kaderrichtlijn Water. Erkent de Staatssecretaris dat zoetwaterecosystemen
al in kritieke toestanden verkeren en verdere verslechtering gezondheidsrisico’s verder
vergroot en klimaatadaptatie bemoeilijkt? Zo niet, op welke wetenschappelijke rapporten
baseert zij zich dan? Ziet de Staatssecretaris dat de laatste fitnesscheck van de
KRW concludeert dat de regels van de KRW goed zijn, maar dat de implementatie achterblijft?
Is zij het met deze leden eens dat het de omgekeerde wereld is om regels te versoepelen
omdat lidstaten de afgelopen jaren te weinig moeite hebben gedaan om ze te implementeren?
Zal de KRW ook worden onderworpen aan een stresstest? Zo ja, hoe ziet dat proces er
precies uit, wie is daarbij betrokken en wat is de tijdlijn?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
M. Meedendorp, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.