Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Westerveld over spraakherkenningshulpmiddelen en tolken in relatie tot het onderwijs
Vragen van het lid Westerveld (GroenLinks-PvdA) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over spraakherkenningshulpmiddelen en tolken in relatie tot het onderwijs (ingezonden 21 januari 2026).
Antwoord van Minister Sterk (Langdurige Zorg, Jeugd en Sport), mede namens de Staatssecretaris
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (ontvangen 6 maart 2026). Zie ook Aanhangsel
Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1113.
Vraag 1
Wat is er gebeurd met uw toezegging in antwoord op onze Kamervragen in augustus 20251 waarin u zegt «VWS en OCW gaan samen met UWV, zorgverzekeraars en de vertegenwoordiging
van Siméa, FODOK en Dovenschap in gesprek over welke (aanvullende) behoefte er bij
leerlingen en studenten is voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen in het
onderwijsdomein en bekijken wat er eventueel nodig is om dat mogelijk te maken.»?
Hebben deze gesprekken plaatsgevonden? Welke (aanvullende) behoeften zijn er bij leerlingen
en studenten? Hoe gaat u hier samen met genoemde instanties aan werken?
Antwoord 1
De contacten voor deze gesprekken zijn gelegd. De inzet is om hier dit voorjaar met
elkaar afspraken over te maken, zoals eerder toegezegd in de antwoorden op de vragen
van uw Kamer van augustus jl.2 Voor de zomer zullen de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik uw Kamer
informeren over de opbrengst van deze gesprekken.
Vraag 2
Zijn in deze gesprekken ook slechthorende en dove leerlingen en studenten zelf bevraagd
zodat hun ervaringen meegenomen worden? Bent u bereid ervaringsdeskundige leerlingen
en studenten ook structureel te betrekken bij uw beleid rondom toegankelijkheid van
het onderwijs? Zo ja, op welke manier?
Antwoord 2
Zeker, het is heel belangrijk om bij de gesprekken in het voorjaar het perspectief
van ervaringsdeskundigen – bijvoorbeeld via Dovenschap en Fodok – mee te nemen. Zij
brengen ervaringskennis in van de gebruikers van spraakherkenningshulpmiddelen.
Vraag 3
Bent u het met ons eens dat zowel de toegang tot spraakherkenningshulpmiddelen als
het meepraten van ervaringsdeskundigen over beleid dat hen aangaat, een verplichting
is die voortvloeit uit het VN-Verdrag Handicap, maar ook gewoon in ons aller belang
is?
Antwoord 3
Zoals bij de beantwoording van vraag 1 is aangegeven, gaan de Ministeries van VWS
en OCW samen met UWV, zorgverzekeraars en de vertegenwoordiging van Siméa, FODOK en
Dovenschap in gesprek over welke (aanvullende) behoefte er bij leerlingen en studenten
is voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen in het onderwijsdomein. De Staatssecretaris
van Onderwijs en Emancipatie en ik bekijken wat er eventueel nodig en mogelijk is
om in die behoeften te voorzien.
Vraag 4
Kunt u toelichten waarom het UWV schrijftolken wél vergoedt voor het volgen van onderwijs,
terwijl spraakherkenningshulpmiddelen, die dezelfde functionele behoefte vervullen
(namelijk het omzetten van spraak naar tekst) voor werk wél, maar voor onderwijs niet
door het UWV worden vergoed? Acht u deze ongelijke behandeling van functioneel gelijkwaardige
voorzieningen logisch en uitlegbaar?
Antwoord 4
UWV kan inderdaad geen hulpmiddelen verstrekken die onder de Regeling zorgverzekering
vallen. Vanuit UWV kunnen spraakherkenningshulpmiddelen alleen worden aangeboden aan
mensen die een voorziening aanvragen voor werk. Spraakherkenningshulpmiddelen worden
in het onderwijs wel vergoed door zorgverzekeraars, als deze onderdeel zijn van de
volledige hooroplossing. Vergoeding is afhankelijk van de individuele situatie en
de beoordeling daarvan.
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik vinden het belangrijk dat kinderen
en jongeren met een gehoorbeperking ook goed kunnen meedoen in het onderwijs. De Ministeries
van VWS en OCW gaan dit voorjaar samen met UWV, zorgverzekeraars en de vertegenwoordiging
van Siméa, FODOK en Dovenschap in kaart brengen welke (aanvullende) behoefte er bij
leerlingen en studenten is voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen in het
onderwijs. Afhankelijk van de uitkomsten van deze gesprekken wordt bekeken wat er
nodig is en mogelijk is om in die behoeften te voorzien.
Vraag 5
Kunt u aanvullend ook uitleggen hoe uw antwoord op de vragen 5 en 6 in onze vorige
Kamervragen (waarin u stelt dat mensen die doof en slechthorend zijn toegang moeten
hebben tot hulpmiddelen die passen bij hun situatie en u stelt dat de toegang tot
onderwijs voor deze groep geborgd moet zijn) zich verhoudt tot de complexe regelgeving
waarbij vergoedingen voor hulpmiddelen afhankelijk zijn van de situatie en allemaal
op een verschillende manier geregeld worden? Is het niet veel effectiever, gebruiksvriendelijker
en uiteindelijk ook goedkoper als dit drastisch wordt versimpeld?
Antwoord 5
Het is vooral belangrijk dat hulpmiddelen aansluiten bij wat een leerling of student
nodig heeft om deel te nemen aan het onderwijs. Niet iedere situatie in het onderwijs
leent zich even goed voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen en niet voor
ieder persoon is een dergelijk hulpmiddel passend. Het vinden van een passend hulpmiddel
is en blijft maatwerk, waardoor versimpelen van regelgeving niet altijd eenvoudig
is. Deze nuance nemen we mee in de gesprekken.
Vraag 6
Bent u het met ons eens dat spraak-naar-teksthulpmiddelen op dit moment een belangrijke
aanvullende rol vervullen in het onderwijs, met name wanneer er geen tolk beschikbaar
is, en dat dit een reden zou moeten zijn om deze middelen te vergoeden voor degenen
die dat nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen?
Antwoord 6
Spraakherkenningshulpmiddelen kunnen een passende oplossing zijn, maar dit is afhankelijk
van de persoon en situatie. Een passende oplossing is maatwerk. De Staatssecretaris
van Onderwijs en Emancipatie en ik zijn het met u eens dat het zeer vervelend is wanneer
er geen tolk beschikbaar is en dat spraak-naar-teksthulpmiddelen in dat geval een
aanvullende rol zou kunnen vervullen in het onderwijs.
Om de kans op een tolk te vergroten is er sprake van een (al bestaande) hardheidsclausule
met betrekking tot de reiskosten. Hierdoor kunnen extra kilometers worden vergoed,
bovenop de reguliere maximaal te declareren kilometers aan de tolk, als er wordt voldaan
aan de volgende voorwaarden. Er is in het persoonlijk netwerk geen tolk gevonden,
er een bemiddelingsopdracht bij Tolkcontact3 is uitgezet en er geen tolk is gevonden. Daarnaast is door Berengroep in opdracht
van UWV en de Ministeries van OCW, SZW en VWS per 1 april de «achterwacht»-functie
op vernieuwde wijze ingevuld. Hierdoor is er meer zekerheid dat er een tolk ingezet
kan worden bij calamiteiten in het onderwijs-, werk- of leefdomein. De Staatssecretaris
van Onderwijs en Emancipatie en ik nemen deze context mee in de gesprekken met betrokken
partijen.
Vraag 7
Is de vraag naar schrijf- en gebarentolken in het (hoger) onderwijs bekend? Zo ja,
kunt u ons deze overzichten verstrekken? Zo nee, bent u bereid deze vraag structureel
te monitoren?
Antwoord 7
Op dit moment zijn hier geen precieze cijfers over bekend. De Staatssecretaris van
Onderwijs en Emancipatie gaat in gesprek met de sector voor meer inzicht hierover.
Vraag 8
Is bekend of naast de opleiding AD schrijftolk van de Hogeschool Utrecht4 nog meer opleidingen gaan stoppen? Kunt u de ontwikkeling van het aantal opleidingen
en studenten in de afgelopen 5 jaar uiteenzetten?
Erkent u dat het tekort aan schrijf- en gebarentolken niet wordt veroorzaakt door
gebrek aan vraag of werk, maar door lage instroom en het dreigende verdwijnen van
de opleiding tot schrijftolk, en dat dit vraagt om gericht opleidings- en instroombeleid?
Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Antwoord 8
Er zijn bij de Ministeries van VWS en OCW geen signalen bekend over het stoppen van
het opleidingen van tolken. Wanneer hogescholen en universiteiten een opleiding willen
beëindigen, dienen zij dit aan DUO, de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van
OCW, door te geven. Informatie over de ontwikkelingen van het aantal opleidingen en
het aantal studenten is beschikbaar op de website OCW in cijfers.5 Het Ministerie van OCW verschaft deze gegevens op stelselniveau.
Het onderwijs is altijd in beweging. Dit betekent dat er voortdurend opleidingen starten
en stoppen. Het stoppen van een opleiding betekent echter niet per definitie dat het
onderwijs ook verdwijnt. Onderwijs kan in vele vormen worden aangeboden door hogescholen
en universiteiten. Door dalende studentaantallen kunnen niet altijd alle opleidingen
blijven bestaan. Dit vraagt om strategische en gecoördineerde keuzes. De onderwijsinstellingen
spreken hier al regelmatig met elkaar over. Het Ministerie van OCW wil deze manier
van werken bestendigen en verder mogelijk maken, zodat hogescholen en universiteiten
collectief de verantwoordelijkheid kunnen nemen voor een dekkend onderwijsaanbod dat
aansluit bij maatschappelijke behoeften.
Hogescholen en universiteiten zijn daarnaast zelf verantwoordelijk voor de voorlichting
en werving van studenten voor hun opleidingen. Het Ministerie van OCW vindt het belangrijk
dat studenten een studie kiezen die past bij hun talenten. Een gericht instroombeleid
past daar niet bij.
Vraag 9
Bent u bekend met de oproep van Terry Koper op LinkedIn6 die beschrijft hoe hij misschien geen passende masteropleiding kan volgen vanwege
de beschikbaarheid van schrijftolken die Engels kunnen tolken? Wat zijn volgens u
geschikte oplossingen voor studenten die tegen soortgelijke problemen aanlopen?
Antwoord 9
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik zijn bekend met deze oproep
en we begrijpen de zorgen. In de gesprekken gaan we op zoek naar mogelijke geschikte
oplossingen voor studenten in situaties dat er geen schrijftolken beschikbaar zijn
die Engels kunnen tolken.
Vraag 10
Hoe gaat u borgen dat de toegankelijkheid voor dove en slechthorende studenten niet
verder onder druk komt te staan, gezien de beperkte beschikbaarheid van Engelstalige
schrijftolken? Bent u bereid om samen met het onderwijsveld extra inspanning te verrichten
om te zorgen dat er voldoende aanbod is?
Antwoord 10
Zoals toegezegd wordt een gesprek met betrokken partijen gepland en daarin zal dit
aspect worden meegenomen.
Vraag 11
Wilt u deze vragen vóór het Wetgevingsoverleg Gehandicaptenbeleid beantwoorden?
Antwoord 11
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport -
Mede namens
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.