Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda van de formele JBZ-Raad van 5 en 6 maart 2026 (Kamerstuk 32317-995)
32 317 JBZ-Raad
Nr. 999
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 4 maart 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de
volgende brieven geannoteerde agenda van de formele JBZ-Raad van 5 en 6 maart 2026
(Kamerstuk 32 317, nr. 995); antwoorden op vragen commissie over o.a. de geannoteerde agenda van de informele
JBZ-Raad van 22–23 januari 2026 (Kamerstuk 32 317-989) (Kamerstuk 32 317, nr. 991); verslag formele JBZ-Raad van 8 en 9 december 2025 (Kamerstuk 32 317, nr. 987); verslag informele JBZ Raad 22–23 januari 2026 (Kamerstuk 32 317, nr. 994); fiche: Mededeling Europese strategie justitiële opleiding 2025–2030 (Kamerstuk
22 112, nr. 4237); verlenging interim-derogatie van de EU-privacyregels om online kindermisbruik te
bestrijden (Kamerstuk 32 317, nr. 993); fiche: Mededeling DigitalJustice@2030 (Kamerstuk 22 112, nr. 4236); fiche: Mededeling over het EU actieplan tegen drugshandel (Kamerstuk 22 112, nr. 4243); fiche: EU-drugsstrategie (Kamerstuk 22 112, nr. 4246); fiche: Herziening precursorenwetgeving (Kamerstuk 22 112, nr. 4264).
De vragen en opmerkingen zijn op 2 maart 2026 aan de Minister en Staatssecretaris
van Justitie en Veiligheid voorgelegd. Bij brief van 4 maart 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Ellian
Adjunct-griffier van de commissie, Paauwe
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
7
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
13
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
15
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
17
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
EU-Anticorruptierichtlijn
De leden van de D66-fractie constateren dat de Raad en het Europees Parlement een
akkoord hebben bereikt over de Europese Anticorruptierichtlijn en dat deze naar verwachting
op korte termijn zal worden aangenomen. Nederland zal daaropvolgend tot de zomer van
2028 tijd krijgen voor het implementeren van de Richtlijn, waaronder de strafbaarstelling
van handelen in invloed. Deze leden vragen de Minister in hoeverre de regering voorbereidende
maatregelen treft in aanloop naar implementatie van de Richtlijn en welke stappen
daar tot dusver in zijn gezet. Daarbij vragen deze leden de Minister expliciet in
te gaan op de voorbereiding van de strafbaarstelling van handelen in invloed.
Antwoord:
Op dit moment wordt door de juristen-linguïsten van de Raad, de Europese Commissie
(hierna: Commissie) en het Europees Parlement gewerkt aan het finaliseren van de Engelse
tekst van de Richtlijn en vervolgens de vertaling daarvan naar de overige landstalen.
Nederland is actief betrokken bij deze afrondende werkzaamheden voor het tot stand
komen van de Richtlijn. Nationaal is op ambtelijk niveau reeds gestart met de voorbereiding
voor het implementatietraject waarbij ook zal worden bekeken of eventuele wetswijzigingen
noodzakelijk zijn. In deze voorbereidende fase is er nog geen duidelijkheid over de
wijze van implementatie van specifieke onderdelen van de nog aan te nemen Richtlijn.
Nadat de Richtlijn is aangenomen, zal voortvarend een begin worden gemaakt met de
implementatie.
Voorts merken de leden van de D66-fractie op dat de Anticorruptierichtlijn naast verplichte
ook diverse optionele bepalingen bevat op het terrein van preventieve maatregelen,
zoals aanvullende transparantieverplichtingen, integriteitsbeleid en institutionele
waarborgen. Deze leden vragen de Minister uiteen te zetten of hij voornemens is deze
optionele bepalingen te implementeren en welke afwegingen daarbij doorslaggevend zijn.
Tevens vragen deze leden of de Minister bereid is in de Raad nadrukkelijk aandacht
te vragen voor het belang van een zo breed mogelijke toepassing van preventieve maatregelen
door de lidstaten.
Antwoord:
Omdat de implementatie van de Richtlijn nog moet starten, kan niet met zekerheid worden
gesproken over het al dan niet implementeren van optionele bepalingen. Voor wat betreft
de preventieve bepalingen, geldt dat de Minister van Justitie en Veiligheid en de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van mening zijn dat voorkomen
van corruptie beter is dan het genezen daarvan. Preventieve maatregelen staan dan
ook centraal als één van de vier pijlers van de nationale aanpak van corruptie. In
dat kader zullen ook de niet-verplichte preventieve onderdelen van de voorgenomen
Richtlijn worden overwogen. De optionele bepalingen in de Richtlijn bieden de mogelijkheid
om de nationale context te betrekken bij de mogelijk te nemen maatregelen. Nederland
kent bijvoorbeeld een preventief integriteitsbeleid dat in zekere mate is toegespitst
op de context en de risico’s van de specifieke doelgroep. Een one-size-fits-all aanpak
is niet wenselijk. Nederland zal derhalve geen nadruk leggen op een zo breed mogelijke
toepassing maar zet zich wel in voor een zo effectief mogelijke toepassing. Overigens
staat tijdens aankomende JBZ-Raad deze Richtlijn niet op de agenda.
De leden van de D66-fractie zijn zich ervan bewust dat verschillende lidstaten reeds
verdergaande anticorruptiemaatregelen kennen dan Nederland. Zo is Nederland, met het
implementeren van de Richtlijn, het laatste EU-land dat handelen in invloed strafbaar
zal stellen. Deze leden vragen dan ook of de Minister bereid is in de Raad actief
best practices op te halen bij andere EU-lidstaten met betrekking tot het tegengaan
van corruptie en handelen in invloed, zodat deze tijdig en zorgvuldig kunnen worden
betrokken bij de Nederlandse implementatie.
Antwoord:
Nederland is altijd bereid om bij andere landen best practices op te halen met betrekking
tot het tegengaan van corruptie en doet dat ook. Zo neemt Nederland bijvoorbeeld deel
aan het EU Netwerk tegen corruptie, woont zij vergaderingen bij van de Implementation
Review Group van het VN-verdrag tegen corruptie en is zij actief betrokken bij de
Anti-omkopingswerkgroep van de OESO. In al deze gremia worden actief ervaringen en best practices
gedeeld die Nederland meeneemt bij de ontwikkeling van haar eigen corruptieaanpak.
Wat de huidige Nederlandse wetgeving betreft, is juist dat er geen afzonderlijke bepaling
bestaat waarin specifiek ongeoorloofde beïnvloeding strafbaar is gesteld. Dat wil
echter niet zeggen dat het onrechtmatig bevoordelen van partijen niet bestraft kan
worden, gelet op de ruime omkopingsbepalingen die het Nederlandse strafrecht kent.
Zie hiervoor ook het antwoord op de Kamervragen van het lid Van Nispen van februari
2025 op dit onderwerp.1
Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat de stelling dat Nederland het laatste
EU-land is dat handel in invloed strafbaar moet stellen, moet worden genuanceerd.
Het kabinet is bekend met de uitspraak van de Commissie dat 23 van de 25 Europese
lidstaten in mei 2023 ongeoorloofde beïnvloeding (of: handel in invloed) separaat
strafbaar hebben gesteld. De Commissie maakte hierbij echter de belangrijke kanttekening
dat de definities van deze strafbaarstelling soms sterk afwijken van de definitie
zoals gehanteerd in artikel 18 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen Corruptie
en dat sommige lidstaten de strafbaarstelling slechts gedeeltelijk hebben overgenomen
in hun nationale wetgeving.2
Tot slot hebben de leden van de D66-fractie kennisgenomen van het feit dat er nog
extra kansen liggen om het anticorruptiekader verder te versterken. Zo noemt Transparency
International ruimte om de regels betreft bedrijfsverantwoordelijkheid aan te scherpen,
minimumeisen te introduceren met betrekking tot de transparantie over lobbyactiviteiten
en politieke financiering en om de rol van het maatschappelijk middenveld te vergroten.3 Welke mogelijkheden ziet de Minister om op deze punten aanvullende nationale maatregelen
te treffen in aanvulling op de Europese Richtlijn, zo vragen de leden.
Antwoord:
De rol van het maatschappelijk middenveld bij de adequate aanpak van corruptie ziet
dit kabinet als belangrijk. In dit kader heeft Nederland zich onder andere aangesloten
bij de Transparency Pledge van de UNCAC Coalition, op grond waarvan zij heeft toegezegd
het maatschappelijk middenveld te betrekken bij de opvolging van de evaluatie van
de implementatie van het VN verdrag tegen corruptie, en trekt zij regelmatig met het
maatschappelijk middenveld op door afgevaardigden uit te nodigen voor VN vergaderingen
maar bijvoorbeeld ook door het organiseren van een gezamenlijke sessie tussen Transparency
International Nederland, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(BZK) en het Ministerie van Justitie en Veiligheid op het tweejaarlijkse JenV anti-corruptiecongres.
Daarnaast heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid in 2025 een subsidie verstrekt
aan Transparency International Nederland om hun werk in het Caribisch deel van het
Koninkrijk te ondersteunen.
Ten aanzien van de politieke partij financiering gelden in Nederland middels de Wet
financiering politieke partijen reeds strenge eisen voor de financiering van politieke
partijen en hun kandidaten. Giften aan politieke partijen zijn bijvoorbeeld gemaximeerd
op € 100.000, waarbij giften groter dan € 10.000 binnen drie dagen gemeld moeten worden
aan het Ministerie van BZK en worden openbaar gemaakt. Ook is niet toegestaan om anonieme
giften van meer dan € 250 aan politieke partijen geven en wordt van politieke partijen
en hun kandidaten in de aanloop naar verkiezingen gevraagd om een overzicht aan te
leveren van alle giften van meer dan € 1.000. Met het wetsvoorstel Wet op de politieke
partijen dat nu in de Tweede Kamer ligt worden deze regels aangescherpt. Zo verdwijnt
de mogelijkheid om anonieme giften te doen en gaat een deel van deze regels ook gelden
voor decentrale politieke partijen. Voorts staat in het Coalitieakkoord dat er een
lobbyregister zal worden ingevoerd dat praktisch en werkbaar is voor zowel overheid
als belangenbehartigers. De Minister van BZK zal de Tweede Kamer binnen afzienbare
tijd informeren over de uitvoering van dit voornemen.
EU-Drugsstrategie
De leden van de D66-fractie constateren dat het EU-actieplan onder meer inzet op het
dichten van juridische mazen met betrekking tot designerprecursoren en het verbeteren
van de identificatie van drugsgerelateerde stoffen. Deze leden wijzen er in dit verband
op dat de Kamer in mei 2022 de motie-Sneller (Kamerstuk 35 954, nr. 7) heeft aangenomen, waarin de regering werd verzocht te onderzoeken op welke manier
de mogelijkheid kan worden gecreëerd om de verkoop en het bezit van nieuwe risicovolle
middelen sneller en doelmatiger te reguleren. Deze leden vragen de Minister wat de
stand van zaken is van de uitvoering van deze motie en in hoeverre de bevindingen
uit dit onderzoek zijn betrokken bij de totstandkoming van de Nederlandse inzet op
het EU-actieplan. Specifiek vernemen deze leden graag welke inspanningen zijn verricht
om bij andere lidstaten steun te verkrijgen om werk te maken van aanpassing van de
regelgeving.
De leden van de D66-fractie vragen de Minister op welke wijze de voorgestelde EU-aanpak
van designerprecursoren en synthetische drugs concreet kan bijdragen aan snellere
en doelmatiger regulering van nieuwe risicovolle middelen in Nederland en of de EU-aanpak
aanleiding geeft het nationale instrumentarium, waaronder de mogelijkheid van een
«lijst 0» zoals verkend naar aanleiding van de motie-Sneller, te heroverwegen of te
actualiseren.
Antwoord:
De Kamer is per brief op 26 juni 20234 geïnformeerd over de motie Sneller met betrekking tot het sneller en doelmatiger
reguleren van nieuwe risicovolle middelen. Ondanks de positieve grondhouding van het
kabinet, is in die brief geschetst dat de er vrijwel geen ruimte is voor zowel bestaande
als nieuwe middelen voor andere vormen van regulering. De EU Drugs Strategie geeft
geen aanleiding om deze conclusies te herzien.
Het kabinet is positief over het recente EU-voorstel voor herziening van de precursorenwetgeving,5 nu dit goed aansluit bij de Nederlandse prioriteit om synthetische drugsproductie
te voorkomen en effectief terug te dringen. Het kabinet blijft zoeken naar manieren
om nieuwe risicovolle middelen zo snel mogelijk onder controle te brengen. Op nationaal
niveau is met de introductie van lijst IA een belangrijke, positieve stap gezet. Lijst
IA bestaat uit een drietal stofgroepen die zijn afgeleid van meerdere lijst I middelen.
Met dit stofgroepenverbod zijn nieuwe varianten die onder de stofgroep vallen op basis
van de chemische structuur automatisch verboden. Dit voorkomt dat we steeds achter
de feiten aanlopen. Voorheen verscheen er na een verbod op bijvoorbeeld 3-MMC vrij
snel een nieuwe (nog legale) variant zoals 2-MMC. Door de stofgroep waar deze middelen
onder vallen (cathinonen) te verbieden, voorkomen we deze praktijk. Op dit moment
wordt gewerkt aan de toevoeging van een vierde stofgroep, de nitazenen, waarvan inmiddels
meerdere soorten zijn verboden maar ook steeds nieuwe varianten op de markt verschijnen.
Door het stofgroepenverbod en de aanstaande uitbreiding daarvan, hebben we in Nederland
een belangrijke stap gezet in het ons verweren tegen nieuwe middelen die op de markt
verschijnen. Als er nieuwe stoffen op de markt komen die buiten de generieke wetgeving
vallen, dan kunnen we deze wanneer er sprake is van een acuut gezondheidsgevaar met
spoed onder de Opiumwet brengen.
De leden van de D66-fractie vragen de Minister voorts of hij bereid is in de Raad
te bepleiten dat het EU-actieplan een expliciete actie opneemt gericht op het harmoniseren
van nationale early warning- en snelreguleringsmechanismen voor nieuwe psychoactieve
stoffen, zodat lidstaten niet steeds achter de feiten aanlopen wanneer nieuwe middelen
op de markt verschijnen.
Antwoord:
Zowel de nieuwe EU Drugs Strategie als het EU Actieplan tegen drugshandel zijn door
de Commissie gepubliceerd in de vorm van mededelingen. De Commissie is verantwoordelijk
voor de inhoud daarvan. Lidstaten, waaronder Nederland, hebben in de voorbereiding
op verschillende momenten meegedacht en input gegeven.
Het kabinet hecht groot belang aan effectieve vroegsignalering van nieuwe psychoactieve
stoffen om onnodige gezondheids- en maatschappelijke schade te voorkomen. Dit onderwerp
komt regelmatig aan de orde in de Raad. Binnen de EU wordt hieraan gewerkt via het
bestaande early warning system en in samenwerking met EUDA. Nederland blijft zich
actief inzetten voor versterking van informatie-uitwisseling en een snelle respons,
zowel nationaal als in EU- en VN-verband.
De leden van de D66-fractie lezen in het BNC-fiche6 dat het kabinet binnen het EU-actieplan meer aandacht vraagt voor de aanpak van criminele
geldstromen. Deze leden onderschrijven dit, maar vragen de Minister of hij ook bereid
is in Europees verband te pleiten voor meer aandacht voor de vraagkant, te weten preventie
en het voorkomen van gebruik van nieuwe risicovolle middelen, naast de aanbod- en
handhavingskant waarop het actieplan primair is gericht. Deze leden wijzen op de scheefgroei
tussen de uitgaven aan de repressieve aanpak ten opzichte van de preventieve kant
in het Nederlandse drugsbeleid. Ook op EU-niveau zien deze leden onvoldoende aandacht
voor harm reduction en een beleid dat het beschermen van de volksgezondheid vooropzet, terwijl in steeds
meer lidstaten de exclusieve focus op het verbieden van drugs als meest effectieve
strategie om de problemen aan te pakken, wordt verlaten.
Antwoord:
Hoewel het huidige EU Actieplan zich in belangrijke mate richt op de bestrijding van
drugshandel, zijn in de EU Drugs Strategie zowel de vraag- als de aanbodzijde verankerd.
Bij de verdere uitwerking van de Strategie, zal het Kabinet bij het Voorzitterschap
van de Raad van de EU en de andere lidstaten benadrukken dat deze gebalanceerde benadering
dient te worden behouden en dat volksgezondheid, preventie en handhaving in samenhang
worden bezien.
Nederland draagt in internationaal verband uit dat een effectieve drugsaanpak vraagt
om zowel een inzet op preventie, vraagreductie, behandeling, het beperken van gezondheids-
en sociale schade als op opsporing en handhaving. Nederland deelt actief kennis en
ervaringen op dit terrein met andere lidstaten en internationale partners.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Verlenging interim-derogatie van de EU-privacyregels om online kindermisbruik te bestrijden
De leden van de VVD-fractie hebben in het schriftelijk overleg voorafgaand aan de
informele Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 22–23 januari 2026 vragen gesteld
aan het toenmalige kabinet over de verlenging van de tijdelijke regels over detectie
van Child Sexual Abuse Material (hierna: CSAM), zodat aanbieders vrijwillig kunnen blijven scannen en dergelijk walgelijk
materiaal kunnen verwijderen. Kan de Minister aangeven wat het standpunt van Nederland
hierover is en kunnen de eerder gestelde vragen van januari 2026 alsnog worden beantwoord?
En wanneer kan de Kamer de toegezegde brief hierover ontvangen?
Antwoord:
Zoals toegezegd, is uw Kamer op 23 januari jl. geïnformeerd inzake de Nederlandse
positie ten aanzien van de verlenging van de interim-derogatie op de ePrivacy-richtlijn
ten behoeve van de aanpak van de verspreiding van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik:
Verordening (EU) 21/1232.7
In deze brief is uw Kamer medegedeeld dat het kabinet de tijdelijke verlenging van
de interim-derogatie steunt, die een voortzetting is van de huidige praktijk. Vrijwillige
detectie speelt een essentiële rol in de aanpak van online seksueel kindermisbruik
in Nederland. Het voorstel dat nu voorligt, heeft tot gevolg dat de bestaande praktijk
waarbij dienstverleners de mogelijkheid krijgen dit materiaal te detecteren de komende
twee jaar kan worden voortgezet. Gezien de ernst, omvang en gevolgen van deze vreselijke
vorm van criminaliteit is deze vrijwillige detectie noodzakelijk. Daarbij hecht het
kabinet aan een periodiek weegmoment ten aanzien van de mogelijkheid van vrijwillige
detectie.
Vrijwillige detectie levert in Nederland al jarenlang een effectieve bijdrage kan
aan het tegengaan van de online verspreiding seksueel kindermisbruik. Dat neemt niet
weg dat Nederland kritisch is op onderdelen van het voorstel. Wij hebben ons in de
onderhandelingen ingezet voor het waarborgen van grondrechten en betere en meer uniforme
rapportage over vrijwillige detectie, zodat meer inzicht ontstaat in aantallen meldingen
en gebruikte methoden.
Daarnaast is Nederland geen voorstander van het inzetten van technologie voor het
detecteren van onbekend materiaal of voor het opsporen van grooming. Het kabinet moedigt
bedrijven wél aan om proportionele en effectieve maatregelen te nemen om de verspreiding
van onbekend materiaal en grooming te voorkomen.
Kan de Minister hierin ook meenemen wat het standpunt is van Nederland ten aanzien
van de taken, bevoegdheden en locatie van het EU-CSAM-centrum waarover wordt gesproken
tijdens de trilogen over de CSAM-verordening? Kan de Minister voorts de laatste stand
van zaken geven van de voortgang van de trilogen?
Antwoord:
Het EU Centrum kan een centrale rol spelen in een gezamenlijke aanpak tegen de verspreiding
van online seksueel kindermisbruik. Volgens het kabinet ligt de meerwaarde van een
EU Centrum zowel in de uitwisseling van best practices tussen de lidstaten en aanbieders
van internetdiensten op het gebied van preventie, slachtofferhulp en het verwijderen
van materiaal van het internet, als in het aanjagen van innovatie en het doen van
onderzoek naar nieuwere fenomenen.
Nederland vindt het van belang dat de taken en bevoegdheden van het centrum duidelijk
zijn afgebakend. Het centrum moet aanvullend zijn aan nationale bevoegdheden en mag
geen onduidelijkheid veroorzaken over verantwoordelijkheden. Daarnaast moeten vanaf
de oprichting adequate waarborgen voor gegevensbescherming en andere fundamentele
rechten aanwezig zijn. In eerdere onderhandelingsfases is Den Haag als beoogde locatie
genoemd, maar de definitieve besluitvorming moet verlopen via de gebruikelijke procedure
bij de toekenning van vestigingslocaties van EU-agentschappen. Om deze reden wordt
gesproken van een «gedeeltelijk» onderhandelingsmandaat.
Per 1 januari jl. is het Cypriotische EU-voorzitterschap gestart. Onder hun leiding
hebben inmiddels meerdere Raadswerkgroepen plaatsgevonden in het kader van de triloog.
Tot op heden zijn de politiek meest gevoelige bepalingen, met name de artikelen inzake
detectie, nog niet inhoudelijk besproken. De Nederlandse inzet in de triloog is conform
het kabinetsstandpunt van uit de Kamerbrief van 18 november 2025 en in lijn met de
motie Kathmann c.s.8
Fiche: Mededeling over het EU-actieplan tegen drugshandel
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche over het EU-actieplan
tegen drugshandel. Kan de Minister aangeven wat voor Nederland de allerbelangrijkste
prioriteiten zijn in het actieplan?
Antwoord:
Allereerst juicht het kabinet toe dat het actieplan synergie nastreeft tussen alle
betrokken platforms (zoals EMPACT en de Europese havenalliantie), fora en agentschappen
op JBZ terrein. Alleen door goed samen te werken kan alles uit de kast worden gehaald
om transnationale georganiseerde drugscriminaliteit het hoofd te bieden. Zonder afbreuk
te willen doen aan de andere prioriteiten in het actieplan, die samen een geheel vormen
en allemaal nodig zijn, kan het kabinet de volgende prioriteiten uitlichten:
Met actie 6 wil de Commissie een platform oprichten voor meer publiek private samenwerking
in het tegengaan van drugssmokkel via post en pakket diensten. Nederland had de Commissie
in 2024 al opgeroepen tot een soortgelijk initiatief.9 Met actie 7 zal de Commissie een toolbox inrichten voor het tegengaan van het (online)
rekruteren van jongeren. Nederland heeft altijd gepleit voor een gebalanceerde aanpak
van georganiseerde criminaliteit binnen de EU met voldoende aandacht voor preventie.
Tot slot is het kabinet verheugd over de aandacht voor voortgezet crimineel handelen
in detentie en de bijbehorende actie 11. Ook hiertoe riep het kabinet de Commissie
al eerder op in een non-paper on continued criminal behaviour in detention.10
Deze leden lezen dat het kabinet van mening is dat de brede, multidisciplinaire en
gebalanceerde drugsaanpak op het gebied van gezondheid, veiligheid, maatschappij en
schadebeperking slechts in zeer beperkte mate terugkomt in het actieplan. Deze leden
lezen ook dat het kabinet stelt dat in de samenwerking met derde landen de nadruk
ligt op repressieve maatregelen, terwijl derde landen vragen voor aandacht voor de
gezondheidsaspecten van de drugsproblematiek. Deze leden vragen hierover nadere verduidelijking
van het kabinet. Welke derde landen hebben dit gevraagd en waarom? Wat is de wettelijke
grondslag op grond waarvan de EU gezondheidsaspecten van drugsproblematiek zou moeten
aanpakken?
Antwoord:
Het kabinet heeft in het BNC-fiche geconstateerd dat het huidige EU Aactieplan tegen
drugshandel zich primair richt op repressie en er geen relatie wordt gelegd met de
bredere, multidisciplinaire aanpak waar zowel aandacht is voor veiligheid als gezondheid.
In het vorige EU Drugs Actieplan werd zowel aandacht besteed aan de aanbod- als aan
de vraagzijde van de drugsproblematiek, inclusief preventie en verslavingszorg. In
dat licht heeft het kabinet gewezen op het belang van een gebalanceerde benadering.
Met de genoemde passage is niet beoogd te wijzen op een uitbreiding van bevoegdheden,
maar op de inhoudelijke invulling van de bestaande dialoog over drugsbeleid binnen
de geldende Europese kaders.
In de samenwerking met derde landen en in multilaterale fora, zoals de VN Commissie
voor Verdovende Middelen (CND), wordt het drugsbeleid traditioneel in brede zin besproken.
Deelnemende landen benadrukken daarbij dat naast repressieve maatregelen ook aandacht
nodig is voor preventie, behandeling en het beperken van gezondheids- en sociale schade,
mede gelet op de maatschappelijke en gezondheidsgevolgen waarmee zij worden geconfronteerd.
Deelt de Minister de mening van deze leden dat juist in het kader van opsporing, vervolging,
berechting en bestraffing van drugscriminelen internationaal effectiever moet worden
samengewerkt? Deze leden missen in het actieplan concrete wetgevende initiatieven
die juist dat bevorderen. Deelt de Minister dat?
Antwoord:
Het EU actieplan drugs moet volgens het kabinet worden gezien als onderdeel van een
breder pakket aan reeds bestaande initiatieven, beleid en wetgeving en ook nieuwe
maatregelen en voorgenomen wetgeving die de Commissie in voorbereiding heeft. De aanpak
van zware georganiseerde criminaliteit binnen de EU dient in de ogen van het kabinet
juist een samenspel van enerzijds repressie (opsporing, vervolging, berechting en
bestraffing) en van anderzijds preventie (zoals de bestuurlijke aanpak, voorkomen
rekruteren van jongeren, publiek private samenwerking, voorkomen van voortgezet crimineel
handelen in detentie, enz.) te zijn. Waarbij de druk niet alleen bij de opsporings-
en rechtshandhavingsdiensten terecht komt, maar juist ook elders in de keten wordt
opgevangen. Het EU actieplan tegen drugs laat zien dat de Commissie dit inzicht nu
ook deelt.
Daarnaast werken nationale diensten al intensief onderling tegen georganiseerde criminaliteit
samen via EMPACT, het EU multidisciplinaire platform tegen criminele dreigingen, dat
haar werkplanning baseert op het SOCTA (Serious and Organised Crime Threat Assessment)
dat eens in de vier jaar uitkomt. Met nieuwe wetgeving op het gebied van confiscatie
(De EU confiscatierichtlijn en het EU antiwitwaspakket (AML Package) inclusief de
oprichting van de EU anti-witwasautoriteit in Frankfurt (AMLA) is ook aan de aanpak
van criminele geldstromen een impuls gegeven. Ook op het gebied van het weerbaar maken
van de logistieke knooppunten in de EU heeft de Commissie stappen gezet met het oprichten
van de Europese Havenalliantie waarbinnen de samenwerking wordt gezocht met publieke
en private partners zoals rederijen en havenbedrijven. En de Commissie heeft in haar
interne veiligheidsstrategie voor de EU uit 2025, de ProtectEU: a internal security
strategy, verschillende zaken aangekondigd. Zo zal de Commissie in de herfst van dit
jaar een voorstel doen voor een modernisering van het huidige kaderbesluit uit 2008
voor de strafbaarstelling van deelname aan een criminele organisatie.
Tot slot maakt Nederland deel uit van de coalitie van zeven landen tegen georganiseerde
criminaliteit, bestaande uit de Ministers van zowel justitie als binnenlandse zaken
van België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en Zweden. Met deze coalitie is Nederland
er de laatste jaren in geslaagd veel prioriteiten op de EU agenda te krijgen, en zal
ook de komende jaren de EU-wetgevingsagenda zoveel mogelijk beïnvloeden.
De leden van de VVD-fractie constateren voorts dat het kabinet terecht kritisch is
dat de doelen in de vorige EU-drugsstrategie en het EU-drugsactieplan weinig concreet
en meetbaar zijn. Welke voorstellen doet het kabinet zelf om meer SMART11-geformuleerde concrete meetbare doelen in het EU-drugsactieplan op te nemen? Welke
indicatoren stelt het kabinet voor? Worden er nulmetingen gedaan? En zo niet, waarom
niet? Hoe gaat het kabinet beoordelen of de doelen uit het actieplan straks daadwerkelijk
zijn bereikt?
Antwoord:
De EU Drugs Strategie en het EU Actieplan tegen drugshandel zijn door de Commissie
gepubliceerd in de vorm van mededelingen. De Commissie is verantwoordelijk voor de
inhoud daarvan. Het Voorzitterschap heeft ervoor gekozen om hierop te reageren middels
Raadsconclusies en daarbij richting te geven aan de verdere uitwerking. In de Raadsconclusies
over de EU Drugs Strategie is onder meer een verzoek opgenomen aan de Commissie om
uiterlijk eind 2032 een implementatierapport dient voor te leggen dat is gebaseerd
op deugdelijke en relevante indicatoren. De verdere concretisering van indicatoren
en eventuele aanvullende (nul)metingen vindt plaats in het kader van de uitwerking
en monitoring door de Commissie. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen nauwgezet en
zal in de Raad, onder meer in de Horizontale Raadswerkgroep Drugs, aandacht blijven
vragen voor heldere indicatoren en transparante monitoring. Daarbij ligt het voor
de hand om aan te sluiten bij bestaande gegevens en rapportages van onder meer het
EU Drugsagentschap (EUDA), Europol en de informatie die door lidstaten wordt aangeleverd,
zodat resultaten in de tijd gevolgd en vergeleken kunnen worden. Het kabinet zal de
mate waarin de doelen worden bereikt beoordelen aan de hand van de (periodieke) rapportages
van de Commissie en de EU-agentschappen, waaronder het implementatierapport dat naar
verwachting eind 2032 aan de Raad en het Europees Parlement wordt voorgelegd.
Deze leden merken op dat de wens van het kabinet om het actieplan te verbreden naar
«gezondheidsaspecten van drugsbeleid» etc., ook ertoe leidt dat het lastiger wordt
om SMART-geformuleerde doelen op te nemen en indicatoren op te nemen om te meten of
de doelen worden bereikt. Is het kabinet dat met deze leden eens? Graag ontvangen
deze leden een reactie hierop.
Antwoord:
Het kabinet is niet van oordeel dat het betrekken van gezondheidsaspecten per definitie
leidt tot minder meetbare doelstellingen. Inzet op vraagvermindering en het beperken
van gezondheids- en sociale schade kan bovendien bijdragen aan het verminderen van
de omvang van de illegale markt en daarmee aan de veiligheidsdoelstellingen van het
drugsbeleid. Binnen het volksgezondheidsdomein wordt gewerkt met concrete indicatoren
en systematische monitoring, zoals gegevens over middelengebruik, problematisch gebruik,
druggerelateerde sterfte en infectieziekten. Preventiebeleid richt zich vaak op brede
populaties en op het voorkomen van schade die zich anders zou voordoen. Effecten worden
daarom niet altijd zichtbaar in individuele casuïstiek, maar in trends op populatieniveau
en over langere termijn. Dat vraagt om passende indicatoren en monitoring, maar maakt
doelstellingen niet minder toetsbaar. Het kabinet acht het van belang dat binnen het
EU-drugsbeleid, zowel op het terrein van veiligheid als gezondheid, waar mogelijk
wordt gewerkt met duidelijke doelstellingen en betrouwbare indicatoren.
De leden van de VVD-fractie zijn het eens met het initiatief van de Commissie om samen
met lidstaten en de transportsector de mogelijkheden te onderzoeken voor het verder
versterken van het bestaande Europese Advance Passenger Information (API)/Passenger
Name Records (PNR)-raamwerk, als maatregel om grensoverschrijdende samenwerking bij
de aanpak van georganiseerde misdaad te intensiveren. Kan de Minister concreet aangeven
aan welke uitbreidingen wordt gedacht?
Antwoord:
In 2025 heeft de Commissie twee studies uitgevoerd naar het uitbreiden van het gebruik
van passagiersgegevens voor rechtshandhavingsdoeleinden naar maritieme – en land-vervoerders
(bus en trein). De conclusie uit deze studies is dat het huidige model dat gebruikt
wordt voor het verzamelen van Passenger Name Record (PNR) gegevens niet één op één
toepasbaar is op deze vervoersmodaliteiten, met name vanwege de verschillen in de
bedrijfsvoering van de betrokken maatschappijen (te denken valt aan bijvoorbeeld cruiseschepen
en veerdienstmaatschappijen) ten opzichte van de luchtvaartmaatschappijen. Op dit
moment wordt op Europees niveau verder verkend wat de mogelijkheden zijn voor vervoersmodaliteiten
via zee.
Dit past in een bredere benadering dan alleen de aanpak van georganiseerde misdaad.
De «ProtectEU: Agenda to prevent and counter terrorism» van 26 februari jl.12 Benoemt ook dat de Commissie de mogelijkheden verkent om het bestaande instrumentarium
voor het gebruik van passagiersgegevens uit te breiden naar andere vervoersmodaliteiten.
Nederland volgt de Europese ontwikkelingen nauwlettend. Op dit moment is het kabinet
niet voornemens om, vooruitlopend op de Europese ontwikkelingen, hier aanvullende
nationale wetgeving voor op te stellen.
Toekomst van Europol
De leden van de VVD-fractie stellen dat Europol belangrijk werk verricht bij informatie-uitwisseling
tussen lidstaten in diverse grensoverschrijdende politieonderzoeken. Deze leden vragen
of de Minister de inzet van Nederland nader kan verduidelijken bij het agendapunt
over de toekomst van Europol. Is de Minister van mening dat Europol ook een explicietere
rol moet krijgen bij de aanpak van hybride dreigingen? Hoe staat hij tegenover uitbreiding
van het mandaat van Europol? Welke uitbreidingen hebben lidstaten recentelijk voorgesteld?
Antwoord:
Het kabinet steunt de dringende noodzaak tot nauwere samenwerking in de strijd tegen
opkomende criminele dreigingen die verschillende middelen combineren en een ernstige
uitdaging vormen voor onze gezamenlijke Europese veiligheid. Nauwere samenwerking
met betrekking tot hybride dreigingen kan onder meer bestaan uit een gezamenlijke
situationele bewustwording. Herkennen van zulke signalen van hybride conflictvoering
is van belang voor rechtshandhavingsinstanties, zowel op straat als online. Van belang
daarbij is wel dat de verschillende verantwoordelijkheden van de politiediensten in
de lidstaten in acht worden genomen, en dat nationale veiligheid uitsluitend onder
de verantwoordelijkheid van de lidstaten valt. Een eventuele mandaatherziening moet
gestoeld zijn op een duidelijke behoeftestelling: hoe groot is de rol van hybride
dreigingen uitgevoerd door criminele netwerken (crime as a service), welke toegevoegde
waarde kan een grotere rol van Europol hierop spelen en is een mandaatherziening nodig
om in die behoefte te voorzien?
De scope van een voorstel op dit terrein zou zich specifiek moeten focussen op aspecten
die zich bevinden binnen het strafrechtelijke domein en waarbij de betrokkenheid van
Europol voortkomt uit een specifieke vraagarticulatie van nationale politiediensten.
Europol dient zich hierbij niet in het statelijke domein (o.a. inlichtingenverzameling
en attributie) te begeven.
Informatieverzameling door Europol rond hybride dreigingen dient daarnaast strikt
afgebakend te zijn. Het is immers van belang een onderscheid te maken tussen opsporingsinformatie
en inlichtingen. Het Nederlandse bestel kent deze strikte, principiële scheiding tussen
opsporing en inlichtingen; een mogelijke inzet van Europol op hybride dreigingen dient
zich te verhouden tot deze scheiding. Europol ontvangt voor het uitvoeren van deze
taken opsporingsinformatie uit de rechtshandhavingsketen, terwijl Single Intelligence Analysis Capacity (SIAC) het unieke toegangskanaal voor inlichtingen blijft. Europol zou kunnen ondersteunen
met signalering van trends, het delen van dreigingsanalyses, technische analyse, en
het afgeven van «early warnings». Het delen van «best practices», o.a. inzake het
monitoren en bestrijden van informatie-manipulatie en buitenlandse inmenging, wordt
aangemoedigd.
Er zijn verschillende bijeenkomsten georganiseerd waarbij lidstaten uitleg konden
vragen en input konden leveren voor de toekomstige rol van Europol. Nederland denkt
constructief mee over de vormgeving van ideeën.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda
en de bijbehorende stukken. Deze leden hebben vragen en opmerkingen over de Europese
CSAM-verordening en zaken op het gebied van privacy en rechtsbescherming.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie blijven onverminderd kritisch op het voorstel
voor de CSAM-verordening. Massasurveillance maakt iedereen digitaal onveiliger en
is nooit een oplossing voor zaken als grooming en onlinemisbruik. Deze leden vragen
de Minister om de stand van zaken van de CSAM-verordening. Hoe ver is de triloogfase
gevorderd? Op welke manieren oefent de Minister invloed uit op deze onderhandelingen,
zodat ook de zorgpunten rondom privacy – genoemd door de Algemene Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) – worden weggenomen? Hoe voert de regering de aangenomen
motie-Kathmann c.s. (Kamerstuk 32 317, nr. 981) uit, die vraagt om blijvend verzet tegen de CSAM-verordening én om zich in te zetten
om kwalijke verplichtingen uit het voorstel te slopen?
Antwoord:
Nederland zal zich tijdens de trilogen blijven inzetten binnen de kaders van het kabinetsstandpunt
en de door uw Kamer aangenomen moties, waaronder de motie Kathmann met Kamerstuk
32 317, nr. 981.13 Zorgen en aandachtspunten die Nederland heeft, zullen dan ook ingebracht worden in
bijvoorbeeld de Radengroepen. Conform de gebruikelijke werkwijze zal de Tweede Kamer
worden geïnformeerd over de voortgang en eventuele wijzigingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben zorgen over het verlengen van de derogatie
op de e-Privacyrichtlijn. Met deze voorziening kunnen providers van onlinediensten
nog langer, als uitzondering op de Europese privacyregels, hun netwerk scannen op
verdacht gedrag. Dit is een verstrekkende bevoegdheid die nu niet wordt beperkt door
de wet. Hoe kijkt de Minister naar deze verlenging van twee jaar? Enerzijds benadrukken
deze leden dat er betrouwbare Europese regelgeving nodig is om onlinemisbruik te voorkomen,
met keiharde grenzen aan hoe gegevens hiertoe verzameld en gedeeld mogen worden. Anderzijds
begrijpen deze leden dat het aflopen van de derogatie ook extra druk zet op de onderhandelingen
over de CSAM-verordening, waardoor de druk toeneemt om deze gemankeerde regelgeving
onzorgvuldig aan te nemen. Hoe kijkt de Minister naar de spanning tussen de verlengde
derogatie en de CSAM-verordening?
Antwoord:
Voor het antwoord op de positie van het kabinet ten aanzien van de verlenging van
de derogatie op de e-privacyrichtlijn wordt verwezen naar de beantwoording van de
vragen van de fracties VVD en de Groep Markuszower.
Het kabinet wil benadrukken dat het hier niet gaat om het scannen op «verdacht gedrag»
in algemene zin. De tijdelijke derogatie ziet uitsluitend op de mogelijkheid voor
aanbieders van communicatiediensten om vrijwillig online seksueel kindermisbruik te
detecteren, te melden bij rechtshandhavingsinstanties of organisaties die in het algemeen
belang optreden tegen seksueel misbruik van kinderen en het betreffende materiaal
te verwijderen. Het betreft daarmee een specifieke en zwaarwegende categorie van strafbaar
materiaal.
Een nieuwe verlenging van de interim-derogatie voorkomt dat dienstverleners moeten
stoppen met vrijwillige detectieactiviteiten op seksueel kindermisbruik zolang er
nog geen permanent Europees wettelijk kader is vastgesteld. Voor diensten die vrijwillige
detecteren geldt dat: de gebruikte technologische toepassingen proportioneel, gerenommeerd
en betrouwbaar moeten zijn; de verwerking moet beperkt blijven tot wat strikt noodzakelijk
is; het materiaal moet onmiddellijk worden verwijderd; zij jaarlijks rapporteren over
de ingezette technologieën en de wijze van verwerking.
Een mogelijke verlenging van de tijdelijke derogatie biedt juist ademruimte in de
onderhandelingen over de CSAM-verordening, omdat er geen juridische leemte ontstaat.
Dat geeft het kabinet meer tijd om zich in te zetten om de waarborgen zo stevig mogelijk
te verankeren in de definitieve wetgeving.
Tot slot zijn de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie waakzaam voor de decryptiemogelijkheden
die in het kader van ProtectEU ontwikkeld worden bij Europol. Deze leden menen dat
elke poging om het recht op end-to-endencryptie te omzeilen, te doorbreken, of onmogelijk
te maken, afbreuk doet aan de cyberveiligheid van burgers. Dit is echter wel een van
de doelen van de ProtectEU-agenda alsmede van de Commissie haar «Roadmap for effective
and lawful access to data for law enforcement.» Dit zou verplichtingen stellen aan
onder andere Meta WhatsApp en Apple iMessage om encryptie te verzwakken. Dit is technisch
en cryptologisch een enorme uitdaging, maar gaat ook uit van medewerking door bedrijven
als Meta en Apple. Deze leden achten het onvoorstelbaar om in dit tijdsgewricht te
rekenen op de medewerking van Amerika, om zijn versleutelde chattoepassingen toegankelijk
te maken voor de EU. Hoe schat de Minister dit in? Deelt hij de opvatting dat dit
een doodlopend en onwerkbaar spoor zal blijken? Ook vragen deze leden aan de Minister
wat in algemene zin het standpunt van dit kabinet is over encryptie en het ontwikkelen
van decryptiemogelijkheden en op welke wijze Nederland invloed zal uitoefenen op deze
plannen.
Antwoord:
De ProtectEU strategie14 roept niet op om encryptie te doorbreken. Daar waar de Commissie het in de strategie
heeft over «decryptie», betreft het een oproep tot samenwerking op reeds bestaande
technische voorzieningen van de lidstaten om toegang te verkrijgen tot in beslag genomen
telefoons in strafzaken. Voor wat betreft encryptie geeft de Commissie in haar ProtectEU
het volgende aan:
«Om gevolg te geven aan de aanbevelingen van de [High Level Group, hierna «HLG»] zal
de Commissie in de eerste helft van 2025 een routekaart presenteren met de juridische
en praktische maatregelen die zij voorstelt te nemen om een rechtmatige en effectieve
toegang tot gegevens te waarborgen. In het kader van de follow-up van deze routekaart
zal de Commissie prioriteit geven aan een beoordeling van het effect van de regels
inzake gegevensbewaring op EU-niveau en aan de voorbereiding van een technologieroutekaart
inzake encryptie, teneinde technologische oplossingen te vinden en te beoordelen die
rechtshandhavingsinstanties in staat zouden stellen op rechtmatige wijze toegang te
krijgen tot versleutelde gegevens, waarbij de cyberbeveiliging en de grondrechten
worden gewaarborgd.«
Op 24 juni 2025 heeft de Commissie deze routekaart gepresenteerd. In deze routekaart
kondigde de Commissie tevens aan, conform de aanbevelingen van de HLG, dat zij een
technologische routekaart zal uitwerken. Hiermee zal, waar nodig, de mogelijkheid
en haalbaarheid worden onderzocht van gerichte rechtmatige toegang tot versleutelde
informatie, waarbij cybersecurity en de bescherming van grondrechten gewaarborgd blijven.
Met betrekking tot de routekaart van 24 juni heeft het kabinet een BNC-fiche gezonden
aan de Kamer d.d. 29 augustus 2025. Hierin schreef het kabinet, indachtig de aanbevelingen
van de HLG om een voorzichtige aanpak te hanteren bij het ontwerpen van oplossingen
voor rechtmatige toegang tot systemen – dat de industrie mag niet worden gevraagd
systemen te integreren die de encryptie op een algemene of systematische manier voor
alle gebruikers van een dienst kunnen verzwakken.
Rechtmatige toegang tot gegevens moet in dit kader gericht blijven en beperkt blijven
tot specifieke communicatie, van geval tot geval. Ook schreef het kabinet dat dergelijke
regulering vorm krijgen met inachtneming van grondrechten (waaronder privacy en vertrouwelijkheid
van communicatie), de jurisprudentie van het EU-Hof en relevante wetgeving inzake
gegevensbescherming – en op proportionele en evenwichtige wijze, met betrokkenheid
van alle relevante stakeholders. Daarbij is het belangrijk om digitale en nationale
veiligheidsrisico’s te voorkomen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken op 5 en 6 maart 2026 te Brussel.
Deze leden maken van de gelegenheid gebruik om nog een enkele vraag te stellen aan
de Minister hierover.
Werklunch: voortgezet crimineel handelen in detentie
De leden van de CDA-fractie lezen dat tijdens de werklunch zal worden gesproken over
voortgezet crimineel handelen vanuit detentie, mede in het licht van het EU-actieplan
tegen drugshandel (2026–2030). Deze leden onderschrijven dat detentie daadwerkelijk
moet leiden tot het doorbreken van criminele netwerken. Deze leden vragen de Minister
welke concrete aanvullende Europese maatregelen hij wenselijk acht om te voorkomen
dat high-risk gedetineerden hun criminele activiteiten vanuit detentie blijven aansturen.
Antwoord:
Ondermijnende criminaliteit stopt niet bij de landsgrenzen. Het kabinet vindt het
daarom belangrijk dat DJI ook ten aanzien van voortgezet crimineel handelen vanuit
detentie (VCHD) over de grenzen heen kan samenwerken.
Daar speelt informatie-uitwisseling een belangrijke rol in. DJI heeft door het oprichten
van een internationaal operationeel netwerk het initiatief genomen om meer gegevensdeling
over gedetineerden mogelijk te maken, waarmee de internationale samenwerking tussen
gevangenissen wordt versterkt. Ook is er in november 2025 door het Ministerie van
Justitie en Veiligheid samen met het Italiaanse Ministerie van Justitie en Europris
in Rome een internationale conferentie georganiseerd over VCHD.
Acht de Minister het huidige instrumentarium toereikend of is verdere aanscherping,
bijvoorbeeld ten aanzien van communicatiebeperkingen en informatie-uitwisseling, noodzakelijk?
Antwoord:
Wat betreft communicatiebeperkingen, zetten wij in Nederland hier op nationaal niveau
op in door o.a. de gewijzigde penitentiaire beginselenwet (PBW). Deze wet zorgt onder
meer voor communicatiebeperkingen van hoogrisicogedetineerden op de Extra Beveiligde
Inrichting en de Afdelingen Intensief Toezicht. Dit komt neer maximaal toezicht en
minimaal contact. Door middel van de invoeringstoets van deze wet worden de eerste
effecten van deze nieuwe maatregelen bezien. Op basis daarvan kan besloten worden
of er meer nodig is om communicatie van hoogrisicogedetineerden verder te beperken.
Daarnaast hebben we in Nederland de Detention Intelligence Unit (DIU) geoperationaliseerd.
Binnen de DIU werken DJI, het Openbaar Ministerie en het Gedetineerden Recherche Informatie
Punt (GRIP) samen aan analyses en informatieproducten over gedetineerden. Deze worden
benut bij plaatsingsbeslissingen, het treffen van passende maatregelen gedurende detentie
en bij de opsporing van strafbare feiten, zowel binnen als buiten de inrichting. Er
wordt sinds de oprichting van DIU door DJI, OM en politie intensiever samen gewerkt
aan informatieproducten met de nadruk op VCHD. Hiermee wordt eerder en effectiever
opgetreden, waarbij de informatiepositie van alle partners optimaal wordt benut. Deze
ervaringen bevestigen het belang van de DIU in de aanpak van crimineel handelen binnen
en buiten detentie. Op EU-level is het belangrijk dat we blijven inzetten op het stimuleren
van internationale samenwerking om informatie-uitwisseling tussen lidstaten te vergemakkelijken.
Voorts vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen dat verschillen tussen
detentieregimes in lidstaten leiden tot verplaatsing van criminele aansturing naar
landen met minder strenge regimes.
Antwoord:
Er bestaat geen EU-bevoegdheid om detentieregimes volledig te harmoniseren. Gevangenisbeleid
valt grotendeels onder nationale wetgeving. Wel wordt, zoals hierboven al in de beantwoording
aangegeven, samengewerkt binnen EU-verband om criminele aansturing vanuit detentie
te stoppen.
Conclusies over de toepassing van het Handvest van de grondrechten van de Europese
Unie 2026
De leden van de CDA-fractie lezen dat in de Raadsconclusies wordt benadrukt dat naleving
van rechtsstaat en grondrechten voorwaarde is voor ontvangst van EU-middelen. Deze
leden vragen de Minister hoe deze koppeling in de praktijk functioneert en of dit
instrument volgens hem effectief wordt ingezet wanneer lidstaten structureel tekortschieten
in de naleving van rechtsstatelijke beginselen.
Antwoord:
De Raadsconclusies betreffen de EU-strategie ter bevordering van het respect voor
het EU Handvest van de grondrechten en wijzen op het verband tussen enerzijds respect
voor de rechtsstaat en het Handvest en anderzijds EU-financiering, onder verwijzing
naar het Financieel Reglement.15 Artikel 6 van dat Reglement stelt dat bij implementatie van de EU-begroting, lidstaten
en de Commissie naleving van het Handvest moeten waarborgen en de EU-waarden van artikel
2 VEU dienen te respecteren voor zover relevant in de implementatie van de EU-begroting.
Er bestaan verschillende instrumenten om in het bijzonder bij de uitvoering van EU-fondsen
de naleving van zowel de rechtsstaat (een in artikel 2 VEU verankerde Europese waarde)
als de grondrechten van het EU-Handvest te waarborgen. Dit zijn de MFK-rechtsstaatverordening,
de De Herstel en Veerkracht Faciliteit (HVF) verordening en de Gemeenschappelijke Bepalingen verordening (Common Provisions Regulation).16 De laatste verordening ziet specifiek toe op respect voor het Handvest van de grondrechten,
het onderwerp van de Raadsconclusies. Lidstaten dienen effectieve mechanismen in te
richten die ervoor zorgen dat de EU-gefinancierde programma’s onder de verordening
gedurende de hele financieringsperiode aan relevante grondrechten van het Handvest
voldoen.
Het kabinet acht het van belang dat de Europese Unie snel en effectief optreedt om
rechtsstatelijke terugval en aantasting van grondrechten te voorkomen en aan te pakken,
met inzet van het volledige rechtsstaatinstrumentarium, inclusief het financiële instrumentarium.
Het roept de Commissie voortdurend op financiële instrumenten strikt en volledig toe
te passen en naleving te toetsen, en zet zich in voor een sterke koppeling tussen
EU-financiering en respect voor rechtsstaat en Handvest in het volgende MFK.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de stukken die zijn geagendeerd
voor het schriftelijk overleg over de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-raad).
Deze leden vinden het belangrijk om duidelijk te maken dat zij online seksueel kindermisbruik
en georganiseerde drugscriminaliteit hard willen aanpakken. Slachtoffers moeten worden
beschermd en daders moeten worden opgespoord en vervolgd. Tegelijkertijd mag de aanpak
van zware criminaliteit er niet toe leiden dat onschuldige burgers hun fundamentele
rechten kwijtraken. Zeker wanneer Europese voorstellen raken aan digitale communicatie
en dataverzameling, is voorzichtigheid nodig.
De leden van de Groep Markuszower hebben met zorg kennisgenomen van de brief van de
Minister van Justitie en Veiligheid van 23 januari 2026 over de verlenging van de
interim-derogatie op de ePrivacyrichtlijn. Deze leden zien dat opnieuw wordt voorgesteld
om een tijdelijke uitzondering op privacyregels te verlengen. Die uitzondering is
inmiddels al meerdere keren verlengd. Daardoor krijgt zij steeds meer een vast karakter.
Dat roept de vraag op hoe tijdelijk deze regeling nu eigenlijk nog is en waar de Minister
de grens trekt.
In de brief spreekt de Minister over vrijwillige detectie door aanbieders van communicatiediensten.
De leden van de Groep Markuszower zetten daar vraagtekens bij. In de praktijk moeten
aanbieders risico’s inschatten, maatregelen nemen en meldingen doen. Doen zij dat
niet, dan kunnen zij daarvoor aansprakelijk worden gesteld. Deze leden vragen in hoeverre
er dan nog echt sprake is van vrijwilligheid. Is er voor bedrijven nog een echte keuze
of worden zij door regels en risico’s in feite gedwongen om te detecteren?
Antwoord:
Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen de EU-Verordening ter bestrijding
van online seksueel kindermisbruik («CSAM-Verordening») en de verlenging van de interim-derogatie
op de ePrivacy-richtlijn ten behoeve van de aanpak van de verspreiding van beeldmateriaal
van seksueel kindermisbruik: Verordening (EU) 21/1232 («de interim-derogatie»).
De Kamerbrief van 23 januari 2026 gaat in op de Nederlandse positie inzake de interim-derogatie.
17
Deze derogatie betreft een tijdelijke afwijking van sommige bepalingen uit de eprivacy-richtlijn
en maakt het voor aanbieders van elektronische communicatiediensten mogelijk om vrijwillig
materiaal van seksueel kindermisbruik (CSAM) op hun platforms op te sporen, te rapporteren
en te verwijderen. Hier gaat, zoals gesuggereerd in de vraagstelling, geen vereiste
risicoanalyse aan vooraf. Communicatiediensten mogen, onder voorwaarden, vrijwillig
detecteren. De bestaande derogatie is geldig tot en met april 2026 en vervalt daardoor
spoedig. Om deze reden is het voorstel gedaan om deze nogmaals te verlengen totdat
in de CSAM-Verordening voorzien wordt in een permanent kader voor de bescherming van
kinderen tegen de verspreiding van CSAM.
De Raad, waar Nederland als lidstaat deel van uitmaakt, heeft inmiddels een steun
positie ingenomen ten aanzien van dit voorstel. Het Europees Parlement zal op 6 maart
stemmen over hun positie.
De onderhandelingen van de CSAM-Verordening bevinden zich momenteel in de triloogfase.
De CSAM-Verordening bevat een uitgebreid stelsel aan maatregelen om internetbedrijven
te verplichten om risico’s op de verspreiding van kinderpornografisch materiaal tegen
te gaan en om dit materiaal, indien onderkend, snel te verwijderen. In november jl.
is een (gedeeltelijke) Algemene Oriëntatie (AO) van de Raad bereikt. Nederland heeft
dit AO, in uitvoering van de motie Kathmann, niet kunnen steunen. In het AO is het
verplichte detectiebevelgeschrapt. In plaats daarvan wordt de huidige, tijdelijke
mogelijkheid voor bedrijven om op vrijwillige basis te detecteren, permanent gemaakt.
Op verzoek van Nederland is, vanwege het Nederlandse kabinetsstandpunt, aan het voorstel
een extra overweging toegevoegd die onderstreept dat niets in deze verordening mag
leiden tot of mag worden opgevat als het opleggen van detectieverplichtingen aan aanbieders.
Met het vaststellen van een Raadspositie (AO) is formeel de triloogfase met het Europees
Parlement en de Commissie aangevangen.
Ook maken de leden van de Groep Markuszower zich zorgen over het steeds opnieuw verlengen
van een maatregel die ooit nadrukkelijk tijdelijk was bedoeld. Wat maakt deze verlenging
anders dan eerdere verlengingen, behalve dat zij opnieuw twee jaar duurt? Kan de Minister
uitsluiten dat over twee jaar weer wordt gezegd dat verlenging nodig is, omdat de
CSAM-verordening nog steeds niet is afgerond? En hoe voorkomt de Minister dat een
tijdelijke uitzondering op het briefgeheim langzaam als normaal wordt gezien?
Antwoord:
Een nieuwe verlenging van de interim-derogatie is noodzakelijk omdat de huidige tijdelijke
derogatie binnenkort vervalt. Zonder deze verlenging zou er een leemte ontstaan, waardoor
aanbieders niet langer op rechtmatige wijze vrijwillig online kindermisbruikmateriaal
kunnen detecteren. Dat acht het kabinet onwenselijk, omdat vrijwillige detectie speelt
een belangrijke rol speelt in de huidige Nederlandse aanpak in de bestrijding van
online seksueel kindermisbruik in Nederland.
Op dit moment zijn de onderhandelingen over de CSAM-verordening in de triloogfase. De voortgang en uitkomst van deze onderhandelingen zijn
afhankelijk van overeenstemming tussen de lidstaten, het Europees Parlement en de
Commissie. De Nederlandse invloed daarop is daarmee per definitie beperkt.
Het is niet uit te sluiten dat over twee jaar opnieuw over een verlenging wordt gesproken,
omdat een dergelijke beslissing op EU-niveau wordt genomen en Nederland daarin afhankelijk
is van de positie van andere lidstaten en de voortgang van de onderhandelingen. Wel
lijkt een nieuwe verlenging op dit moment minder waarschijnlijk, aangezien de onderhandelingen
over de CSAM-verordening zich inmiddels in de triloogfase bevinden.
De Minister erkent in de brief dat er zorgen blijven bestaan over privacy, grondrechten
en digitale veiligheid. De leden van de Groep Markuszower delen die zorgen. Deze leden
vragen de Minister om concreet te maken welke risico’s het kabinet ziet bij deze verlenging
en hoe zwaar die risico’s hebben meegewogen in de besluitvorming. Ook vragen deze
leden welke rol het oordeel van de AIVD hierbij heeft gespeeld. Daarbij vragen deze
leden hoe het steunen van deze verlenging past bij eerdere waarschuwingen van het
kabinet over massasurveillance en druk op end-to-endencryptie.
Antwoord:
Zoals in de eerdere beantwoording is aangegeven, acht het kabinet een nieuwe verlenging
van de interim-derogatie noodzakelijk. Zonder verlenging ontstaat een leemte, waardoor
aanbieders niet langer op rechtmatige wijze vrijwillig maatregelen kunnen nemen tegen
de verspreiding van online kindermisbruikmateriaal. Dat acht het kabinet onwenselijk,
mede gelet op de directe gevolgen voor de bescherming van minderjarigen.
Tegelijkertijd erkent het kabinet, zoals ook in de brief is uiteengezet, dat er blijvende
zorgen bestaan over privacy, grondrechten en digitale veiligheid, waar het gaat om
(vrijwillige) detectie van CSAM. Die risico’s zijn nadrukkelijk meegewogen in de besluitvorming.
Het kabinet heeft daarom steeds benadrukt dat inzet van technologie moet voldoen aan
de eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit. Ook het advies van de AIVD heeft
hierbij een rol gespeeld. De AIVD wijst in algemene zin op risico’s voor digitale
veiligheid. Die aandachtspunten zijn betrokken bij de Nederlandse inzet in Brussel
en onderstrepen het belang van strikte waarborgen.
Per saldo is het kabinet tot de conclusie gekomen dat het laten vervallen van de huidige
vrijwillige detectiemogelijkheden, zonder dat er een definitief Europees kader gereed
is, op dit moment zwaarder weegt dan de risico’s die met een tijdelijke verlenging
gepaard gaan. Daarbij blijft het kabinet zich inzetten om in de definitieve wetgeving,
zoals die wordt beoogd in de CSAM-Verordening, te verankeren met onze positie.
Verder merken de leden van de Groep Markuszower op dat het kabinet zelf stelt dat
er geen goede en proportionele technologie bestaat om grooming en onbekend materiaal
te detecteren. Toch blijft het gebruik van dergelijke technologie onder de derogatie
toegestaan. Deze leden vragen waarom daarvoor is gekozen en hoe wordt voorkomen dat
aanbieders deze middelen alsnog inzetten, met het risico dat grote groepen onschuldige
gebruikers worden geraakt.
Antwoord:
Nederland heeft, conform de Kamerbrief van 23 januari jl.,18 via een schriftelijke verklaring bij haar steunpositie in Brussel voor de tijdelijke
derogatie de zorgen geuit over de (vrijwillige) inzet van detectie op grooming en
onbekend materiaal. Daarbij heeft Nederland expliciet de wens uitgesproken om deze
vormen van detectie geen onderdeel te laten uitmaken van het voorstel, omdat er wat
het kabinet betreft nog geen proportionele technologie beschikbaar is.
Het voorstel tot verlenging is nog niet definitief aangenomen; het Europees Parlement
stemt eerst over haar positie, waarna de triloog plaats zal vinden. Nederland zal
in de verdere onderhandelingen blijven benadrukken dat steeds moet worden voldaan
aan de eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit.
Bovendien vragen de leden van de Groep Markuszower hoe geloofwaardig het is dat deze
verlenging los zou staan van de CSAM-verordening. In de praktijk draagt het voortzetten van vrijwillige detectie bij aan het
steeds normaler maken van toezicht op privécommunicatie. Waarom kiest het kabinet
er dan niet voor om tegen te stemmen en een duidelijk signaal af te geven dat Nederland
deze richting niet acceptabel vindt?
Antwoord:
Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar de beantwoording op voorgaande
vragen waarin het kabinetsstandpunt inzake de verlenging wordt toegelicht.
De leden van de Groep Markuszower vinden het daarnaast belangrijk om de discussie
over CSAM te verbinden met de voorstellen over het EU-actieplan tegen drugshandel
en de EU-drugsstrategie. In het CSAM-dossier wijst het kabinet terecht op de risico’s
van grootschalige dataverzameling en toezicht. Tegelijkertijd zien deze leden dat
in de aanpak van drugscriminaliteit steeds vaker wordt ingezet op het verzamelen en
analyseren van grote hoeveelheden gegevens, zoals passagiersinformatie, logistieke
data en onlinegegevens, vaak zonder dat sprake is van een concrete verdenking.
Deze leden vragen daarom hoe de Minister voorkomt dat onder het mom van drugsbestrijding
opnieuw grootschalige dataverzameling van onschuldige burgers plaatsvindt, vergelijkbaar
met de zorgen die het kabinet zelf uit bij de CSAM-voorstellen. Hoe wordt voorkomen
dat losse maatregelen binnen het JBZ-domein samen uitgroeien tot een systeem van permanent
toezicht, zonder dat daar ooit expliciet politiek voor is gekozen?
Antwoord:
Alle voorstellen binnen het JBZ-domein zijn afkomstig van de Commissie. Wetgevende
voorstellen gaan een uitgebreid EU-wetgevingsproces door. Hierbij zijn het Europees
Parlement en de Raad, en daarmee de lidstaten, medewetgever. Nederland neemt na politieke
besluitvorming in de Raad positie in.
Uw Kamer wordt over nieuwe voorstellen en de kabinetspositie geïnformeerd via de BNC-procedure.
Het kabinet weegt bij de positiebepaling ook hoe verschillende EU-voorstellen zich
tot elkaar verhouden.
Ook vragen de leden van de Groep Markuszower aandacht voor de rol van Europese agentschappen.
In de stukken wordt gesproken over intensieve samenwerking en het delen van informatie,
terwijl tegelijk wordt erkend dat sommige organisaties formeel geen bevoegdheid hebben
op dit terrein. Hoe voorkomt de Minister dat bevoegdheden op deze manier stap voor
stap worden uitgebreid, zonder duidelijke politieke besluitvorming en zonder voldoende
controle?
Antwoord:
Een EU-agentschap heeft enkel die bevoegdheden die het is toegekend in de oprichtingswetgeving.
De EU-wetgever kan besluiten om de bevoegdheden van een agentschap uit te breiden,
maar dit vereist een nieuw EU-wetgevingsproces met voor regering en parlement vergelijkbare
beïnvloedingsmogelijkheden als bij de oprichting van dat agentschap.
Uitbreiding van de bevoegdheden van agentschappen kan dus niet zomaar en is een proces
waarbij de lidstaten nauw betrokken bij zijn. Het kabinet bekijkt bij voorstellen
tot uitbreiding van de bevoegdheden van agentschappen zorgvuldig de noodzaak daarvan.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
U. Ellian, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
B.A. Paauwe, adjunct-griffier