Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de toegankelijkheid van de huisartsenzorg en reacties op de aangenomen moties ingediend tijdens het notaoverleg “Stop de commercie, steun de huisarts. Een plan voor toekomstbestendige huisartsenzorg” (Kamerstuk 33578-167)
33 578 Eerstelijnszorg
36 666
Initiatiefnota van het lid Bushoff «Stop de commercie, steun de huisarts. Een plan
voor toekomstbestendige huisartsenzorg»
Nr. 171
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 3 maart 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over
de brief van 3 november 2025 over de toegankelijkheid van de huisartsenzorg en reacties
op de aangenomen moties ingediend tijdens het notaoverleg «Stop de commercie, steun
de huisarts. Een plan voor toekomstbestendige huisartsenzorg» (Kamerstuk 33 578, nr. 167).
De vragen en opmerkingen zijn op 21 januari 2026 aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 3 maart 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Heller
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
6
II.
Reactie van de Minister
7
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van
de Minister over de toegankelijkheid van de huisartsenzorg en de reactie op de aangenomen
moties bij het notaoverleg. Deze leden onderschrijven het belang van een sterke eerstelijnszorg
als fundament onder een toekomstbestendig zorgstelsel. Juist in een tijd van toenemende
zorgvraag, arbeidsmarktkrapte en druk op de toegankelijkheid is een goed functionerende
huisartsenzorg cruciaal. De huisarts vervult daarin een sleutelpositie als eerste
aanspreekpunt, vertrouwenspersoon en poortwachter van de zorg. Genoemde leden constateren
dat met de afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) belangrijke
stappen worden gezet en blijven deze nauwlettend volgen, om toe te zien op de mate
waarin deze initiatieven daadwerkelijk bijdragen aan betere toegankelijkheid voor
patiënten.
Daartoe vragen de leden van de D66-fractie de Minister of hij concreet kan aangeven
welke resultaten inmiddels zichtbaar zijn, bijvoorbeeld in het aantal mensen zonder
vaste huisarts, het aantal patiëntenstops per regio en de ervaren toegankelijkheid
voor patiënten. Kan de Minister daarnaast aangeven welke instrumenten hij concreet
beschikbaar heeft indien deze resultaten achter blijven?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de stukken over
de toegankelijkheid van huisartsenzorg. Zij onderschrijven het belang van de Minister
dat de huisartsenzorg in elke regio toegankelijk is, maar zij hebben enkele vragen
hiertoe.
De leden van de VVD-fractie lezen dat er veel actie wordt ondernomen om de huisvestingsproblematiek
van huisartsenpraktijken te verhelpen, maar lezen niet wat de stand van zaken is sinds
de eerste handreiking hierover is gepubliceerd in 2023. Kan de Minister aangeven of
en welke vooruitgang hij ziet in de huisvesting van huisartsenpraktijken? Denkt hij
dat de huisartsenhuisvestingproblematiek in de toekomst erger of beter wordt?
Verder lezen de leden van de VVD-fractie dat huisartsen bij huisvestingsproblematiek
de Regionale Huisartsenorganisatie (RHO) als eerste aanspreekpunt hebben. Zijn alle
huisartsen bij een RHO aangesloten? Als dit niet het geval is, kunnen de niet aangesloten
huisartsen dan alsnog gebruik maken van de expertise van de RHO? Hiernaast bestaat
op sommige plekken een Regionale Organisatiestructuur (ROS). Kan de Minister aangeven
wat hiermee bedoeld wordt? Op welke manier verschilt dit van een RHO? Versterken een
ROS en een RHO elkaar?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van
de voorliggende stukken en de brief van de Minister over de toegankelijkheid van de
huisartsenzorg en de reacties op de aangenomen moties die zijn ingediend tijdens het
notaoverleg «Stop de commercie, steun de huisarts. Een plan voor toekomstbestendige
huisartsenzorg». De problemen in de huisartsenzorg, ook wel de poortwachter van ons
zorgsysteem, baren de betreffende leden veel zorgen en verdienen dan ook prioriteit.
Zij hebben dan ook meerdere vragen over de stukken.
Allereerst onderschrijven de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ten zeerste het
belang van een toegankelijke huisartsenzorg voor iedereen in iedere regio. Zij vinden
het een goede zaak dat hier in het AZWA afspraken over zijn gemaakt. Wel hebben zij
nog enige zorgen over de uitvoering hiervan, bijvoorbeeld met betrekking tot de afspraken
die zijn gemaakt over het gesprek dat moet worden gevoerd met de Nederlandse Zorgautoriteit
(NZa) over de wijze waarop de bekostiging van de huisartsenzorg beter kan bijdragen
aan de gezamenlijke beleidsdoelen. Zo oordeelde het College van Beroep voor het Bedrijfsleven
(CBb) op 18 november 2025 dat de NZa niet aannemelijk heeft gemaakt dat de tarieven
voor huisartsen kostendekkend zijn. Welke stappen zijn er tot nu toe op dit gebied
gezet? Wat is de stand van de zaken met betrekking tot de uitvoering van de motie
van het lid Dijk over de NZa de opdracht geven om bij de nieuwe tariefberekeningen
voor 2026 ook toekomstscenario’s mee te nemen1 en de motie van de leden Bushoff en Van Dijk om in gesprek te gaan met de NZa over
een andere vorm van tariefberekening voor de huisartsenzorg waarbij ook toekomstscenario’s
worden meegenomen2? Kan de Minister nader toelichten waarom hij enerzijds schrijft dat hij de motie
van het lid Dijk in letterlijke zin niet uitvoert, maar wel handelt in de geest van
de motie? En wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de gesprekken met de NZa die
op basis van de motie Bushoff en Van Dijk worden gevoerd? Hebben deze gesprekken al
plaatsgevonden en zo ja, kan de Minister nader ingaan op de inhoud van de gesprekken?
Zo nee, wanneer vinden deze gesprekken plaats?
In aanvulling hierop hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog een aantal
vragen over de moties die zijn ingediend tijdens het notaoverleg van de initiatiefnota
Bushoff over het toekomstbestendig maken van onze huisartsenzorg. Deze leden lezen
in de brief van de Minister dat hij de unaniem aangenomen motie-Mohandis c.s. over
het opstellen van een uitvoeringsagenda in de huisartsenzorg3 naar eigen zeggen heeft uitgevoerd binnen afspraken die gemaakt zijn in het AZWA.
Hoewel een van de verzoekpunten uit de motie inderdaad was om de voorstellen in de
nota binnen de beschikbare mogelijkheden in het AZWA te implementeren, riep de motie
specifiek op tot het opstellen van een uitvoeringsagenda huisartsenzorg. Het implementeren
van de voorstellen van het AZWA is een van de drie voorstellen van die uitvoeringsagenda,
naast 1) het plegen van extra inzet op de voorstellen uit de nota die volgens de Minister
al staande praktijk zijn maar nog onvoldoende effect hebben en 2) het jaarlijks delen
van de voortgang en implementatie van deze uitvoeringsagenda met de Kamer. Hoewel
betreffende leden blij zijn met de extra inzet van de Minister in het AZWA naar aanleiding
van de motie en de initiatiefnota, lijken er nu een aantal losstaande toezeggingen
te zijn gedaan in plaats van dat er daadwerkelijk een uitvoeringsagenda is opgesteld
waarvan over de voortgang jaarlijks wordt gerapporteerd aan de Kamer. De motie verzocht
hier nadrukkelijk om, zodat de Kamer ook haar controlerende taak kan uitvoeren en
jaarlijks kan inzien welke stappen er zijn gezet en of er vooruitgang is geboekt.
Kan de Minister hierop reageren? Wordt de uitvoeringsagenda nog met de Kamer gedeeld
en zo ja, op welke termijn? Kan de Minister toezeggen dat deze vanaf dan jaarlijks
wordt geëvalueerd, geactualiseerd en gedeeld? En zo nee, kan hij dan toelichten waarom
hij tegen dit nadrukkelijke verzoekpunt van de motie ingaat waardoor hij de motie,
die met 150 Kamerzetels is aangenomen, in feite niet uitvoert?
Daarnaast lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat in de werkagenda huisartsenzorg,
die is opgesteld naar aanleiding van afspraken in het AZWA, afspraken zijn gemaakt
over het versterken van de kernwaarden in de huisartsenzorg en een stevigere aanpak
van huisvestigingsproblematiek van huisartsen met aandacht voor de financiële knelpunten
die zij kunnen ervaren. Kan de Minister nader ingaan op deze afspraken en wat deze
specifiek inhouden? Worden hierin ook de maatregelen meegenomen die zijn uitgewerkt
in de initiatiefnota van het lid Bushoff? En hoe wordt de voortgang van deze afspraken
gemonitord?
Tot slot hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog enkele vragen over de
Handreiking huisartsen en gezondheidscentra. Hierin staat dat van gemeenten wordt
verwacht dat zij referentienormen vaststellen voor maatschappelijke-, zorg- en sportvoorzieningen,
met daarin een vierkante meter norm voor eerstelijnszorg inclusief huisartsenzorg.
In hoeverre is dit vrijblijvend of juist een verplichting? In de handreiking staat
dat gemeenten de referentienormen naar eigen inzicht kunnen vaststellen. Is er een
reikwijdte waarbinnen gemeenten moeten opereren of kan een gemeente er ook voor kiezen
om deze referentienormen niet op te stellen of heel laag te houden? Zowel de handreiking
als de Minister benoemen het positieve voorbeeld van Leiden, waar de gemeente al rekening
houdt met ruimte voor eerstelijnszorg bij grotere bouwprojecten. Kan, eventueel in
samenwerking met departementen die betrokken zijn bij de Omgevingswet, worden gestimuleerd
dat andere gemeenten hierin volgen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben de brief inzake de toegankelijkheid van de huisartsenzorg
gelezen. Voor dit schriftelijk overleg hebben zij voor nu geen vragen en geen verdere
inbreng.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van de
Minister over de toekomst van de huisartsenzorg en hebben hierover nog enkele vragen.
Deze leden zien dat door allerlei betrokken partijen goede stappen worden gezet, maar
missen daarin op punten nog een concrete invulling van de rol van de Rijksoverheid.
Deze leden hebben daarom nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de nieuwe handreiking
voor huisvesting van huisartsen. Zij lezen dat een van de afspraken is dat zorgverzekeraars
financieel maatwerk bieden bij (dreigende) toegankelijkheidsproblematiek in de huisartsenzorg
door huisvestingsproblemen die samenhangen met financiële knelpunten. Deze leden missen
hierin nog een reflectie van de Minister op vraag hoe de bekostiging, die nu via segment
3 loopt, hier het beste op kan aansluiten. Dat is immers de verantwoordelijkheid van
de Minister. Deze leden vragen of en zo ja, welke mogelijkheden de Minister ziet om
de bekostiging verder te verbeteren, zodat zorgverzekeraars en huisartsen zo min mogelijk
drempels ervaren om tot financieel maatwerk te komen. In het algemeen vragen deze
leden wat de vervolgstappen van de Minister zijn ten aanzien van huisvesting, boven
op de goede stappen die nu genomen zijn en in de brief beschreven worden.
De leden van de CDA-fractie vinden de reactie op het onderzoek naar de regionale herkomst
van huisartsen (in opleiding) en de aanbevelingen te mager, zeker aangezien uit dit
onderzoek duidelijk blijkt dat er een grote overlap is tussen gebieden met tekorten
en gebieden met weinig geneeskundestudenten. Zij lezen dat de Minister verwijst naar
een brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), maar in deze
brief wordt niet specifiek op alle mogelijke vormen van selectiebeleid. Deze leden
vragen hoe de Minister het publieke belang van toegankelijkheid van de huisartsenzorg
weegt ten opzichte van de autonomie van onderwijsinstellingen als het gaat om selectie.
Deze leden vragen of de Minister per genoemde vorm van selectie wil ingaan op de mogelijkheden
en onmogelijkheden. Zij lezen ook dat de Minister aangeeft dat selectie op basis van
geboorte- of woonplaats wettelijk niet toegestaan is. Zij vragen waarom dat niet mogelijk
is en welke aanpassing van de wet hiervoor dan benodigd zou zijn. Verder vragen deze
leden of de gesprekken met het veld al andere kansrijke interventies hebben opgeleverd
en zo ja, welke dat dan zijn.
Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie naar de stand van zaken als het gaat om
de afwikkeling van het faillissement van Co-Med en de zorg voor (oud-)patiënten. Ook
vragen deze leden hoe de lessen uit deze casus zijn meegenomen in de stappen die nu
worden gezet in de huisartsenzorg.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbrief over de Toegankelijkheid
van de huisartsenzorg en reacties op de aangenomen moties ingediend tijdens het notaoverleg
«Stop de commercie». Deze leden hebben hierover de volgende vragen aan de Minister.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de toegankelijkheid van de huisartsenzorg
in veel regio’s onder druk staat en dat er sprake is van aanhoudende tekorten. Het
blijft onduidelijk hoe wordt voorkomen dat krimpregio’s en plattelandsgebieden opnieuw
structureel achterblijven. Welke regio’s worden door de Minister op dit moment aangemerkt
als regio’s met (dreigende) discontinuïteit van huisartsenzorg, en op basis van welke
indicatoren gebeurt dit? Hoe borgt de Minister dat ook krimpregio’s, dorpen en snelgroeiende
plattelandskernen toegang houden tot tijdige en nabij beschikbare huisartsenzorg,
inclusief ruimte voor praktijkuitbreiding? Waarom kiest de Minister er opnieuw voor
om geen landelijke norm vast te stellen voor maximale reistijd naar een huisarts,
terwijl dit in andere domeinen wel gebruikelijk is?
Verder lezen genoemde leden dat zorgverzekeraars een sterkere rol krijgen in het leveren
van regionaal maatwerk. Zij vragen de Minister of dit niet leidt tot verschillen in
aanpak en prioriteiten tussen regio’s. Hoe wordt voorkomen dat cruciale beslissingen
over regionale huisartsencapaciteit afhankelijk worden van individuele keuzes van
zorgverzekeraars, in plaats van landelijk geborgde regie? Welke mogelijkheden heeft
de NZa om in te grijpen wanneer een zorgverzekeraar onvoldoende invulling geeft aan
de zorgplicht of te weinig regionaal maatwerk levert? Op welke wijze wordt geborgd
dat regionale samenwerking niet resulteert in het «verdelen van patiënten», maar daadwerkelijk
in het realiseren van extra huisartsencapaciteit?
Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat de vernieuwde handreiking huisvesting
dezelfde knelpunten beschrijft als eerdere versies en opnieuw gebaseerd is op vrijwillige
afspraken. Waarom kiest de Minister opnieuw voor het principe «pas toe of leg uit»
in plaats van bindende afspraken, terwijl eerdere vrijwillige trajecten onvoldoende
effect hebben gehad? Hoeveel regio’s beschikken nog niet over een operationeel H-team,
en wanneer wordt landelijke dekking gerealiseerd? Is de Minister bereid gemeenten
te verplichten om bij ruimtelijke ontwikkeling structureel ruimte voor eerstelijnszorg,
inclusief huisartsenpraktijken, te reserveren?
Ook lezen genoemde leden dat veel huisartsen te maken hebben met forse financiële
risico’s bij praktijkstart, uitbreiding en huisvesting. Hoeveel praktijkovernames
en uitbreidingen zijn in 2024 en 2025 niet doorgegaan vanwege financieringsproblemen,
en op basis van welke gegevens wordt dit gemonitord? Waarom wordt niet gekozen voor
een landelijk garantiefonds om huisartsen te ondersteunen bij financieringsrisico’s,
zodat niet alles afhankelijk is van commerciële kredietverlening of incidenteel maatwerk?
Hoe wordt voorkomen dat hogere huisvestingskosten uiteindelijk bij patiënten terechtkomen
via huren, bijdragen of verzekeringspremies?
Verder wordt in het rapport selecteren voor de Toekomst duidelijk dat regio’s met
grote huisartsentekorten dezelfde regio’s zijn waar in 25 jaar nauwelijks geneeskundestudenten
vandaan komen. Erkent de Minister dat zonder een aanpassing in de selectie- en opleidingssystematiek
regionale huisartsentekorten structureel zullen blijven bestaan? Welke concrete maatregelen
worden voorbereid om instroom van studenten uit tekortregio’s te vergroten, en waarom
wordt het concept van «Bonded Medical Places» niet actief uitgewerkt? Waarom is er
nog geen openbaar landelijk dashboard waarin per regio inzichtelijk is hoeveel huisartsencapaciteit
beschikbaar is, welke praktijkruimten ontbreken, welke uitstroom wordt verwacht en
waar wachtlijsten ontstaan?
Ook hebben de leden van de BBB-fractie naar aanleiding van de door hen ingediende
motie-Van der Plas4 de volgende vraag. Kan de Minister toezeggen om alsnog te onderzoeken of, naar het
model van Beieren, ook in Nederland een regeling kan worden ingericht waarbij gemotiveerde
en aantoonbaar geïnteresseerde (huis)artsstudenten die buiten de loting vallen, toch
een opleidingsplek kunnen krijgen, mits zij zich verbinden om na afstuderen gedurende
tien jaar als (huis)arts werkzaam te blijven in vooraf aangewezen tekortregio’s?
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie de Minister om een tijdlijn waaruit blijkt
wanneer de knelpunten rondom huisvesting, capaciteit en regionale spreiding aantoonbaar
zijn verminderd, en welke indicatoren hij daarvoor hanteert.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de Toegankelijkheid
van de huisartsenzorg en reacties op de aangenomen moties ingediend tijdens het notaoverleg
«Stop de commercie, steun de huisarts. Een plan voor toekomstbestendige huisartsenzorg».
Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de SP-fractie merken op dat de Minister veel aangenomen moties zegt te
uitvoeren als onderdeel van bestaand beleid, zoals de afspraken uit het AZWA. Daarmee
bestaat wel het risico dat de effecten die huisartsen in de praktijk ervaren van het
beleid minder groot zijn dan wat de Kamer had gewild. Hoe is de Minister van plan
dit te voorkomen? Wordt er voldoende gemonitord of de toegankelijkheid van de huisartsenzorg
en de beschikbaarheid van huisvesting voor huisartsenpraktijken verbetert?
De leden van de SP-fractie merken daarnaast op dat de Minister de motie-Dijk5 waarin de regering wordt verzocht «een regeling op te zetten vanuit provincies waarbij
huisartsen subsidie kunnen krijgen voor het (ver)bouwen van huisartsenpraktijken om
beginnende huisartsen te stimuleren een eigen praktijk te beginnen», helemaal niet
uitvoert. De Minister stelt dat er al veel andere partijen betrokken zijn bij dit
vraagstuk en dat het regelen van voldoende financiering een taak van de zorgverzekeraars
is. De leden van de SP-fractie wijzen er echter op dat deze verantwoordelijkheid van
de zorgverzekeraars en de betrokkenheid van andere partijen er in praktijk niet toe
heeft geleid dat dit probleem is opgelost.
Desalniettemin voert de Minister de motie helemaal niet uit. Waarom heeft hij niet
gekeken naar manieren om een subsidieregeling op een andere manier in te richten,
als het probleem ligt bij de rol van de provincie? Is hij bereid dit alsnog te doen?
II. Reactie van de Minister
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van
de Minister over de toegankelijkheid van de huisartsenzorg en de reactie op de aangenomen
moties bij het notaoverleg. Deze leden onderschrijven het belang van een sterke eerstelijnszorg
als fundament onder een toekomstbestendig zorgstelsel. Juist in een tijd van toenemende
zorgvraag, arbeidsmarktkrapte en druk op de toegankelijkheid is een goed functionerende
huisartsenzorg cruciaal. De huisarts vervult daarin een sleutelpositie als eerste
aanspreekpunt, vertrouwenspersoon en poortwachter van de zorg. Genoemde leden constateren
dat met de afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) belangrijke
stappen worden gezet en blijven deze nauwlettend volgen, om toe te zien op de mate
waarin deze initiatieven daadwerkelijk bijdragen aan betere toegankelijkheid voor
patiënten.
Daartoe vragen de leden van de D66-fractie de Minister of hij concreet kan aangeven
welke resultaten inmiddels zichtbaar zijn, bijvoorbeeld in het aantal mensen zonder
vaste huisarts, het aantal patiëntenstops per regio en de ervaren toegankelijkheid
voor patiënten. Kan de Minister daarnaast aangeven welke instrumenten hij concreet
beschikbaar heeft indien deze resultaten achter blijven?
Het kabinet is het eens met de leden van de D66-fractie eens dat een sterke eerstelijnszorg
het fundament onder het zorgstelsel is, nu en in de toekomst. Daarin speelt de huisartsenzorg
een belangrijke rol. Het is van groot belang dat iedere inwoner zich kan inschrijven
bij een vaste huisarts(enpraktijk) in de buurt. We zien echter dat de toegankelijkheid
en continuïteit van huisartsenzorg op dit moment onder druk staat. Daarom zijn met
de betrokken partijen afspraken gemaakt in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord
(AZWA) om de toegankelijkheid en continuïteit van de huisartsenzorg in Nederland te
borgen. Kort samengevat betreft het de volgende afspraken:
1. De werkagenda huisartsenzorg met als doel dat werken met een vaste patiëntenpopulatie
weer de norm wordt in de huisartsenzorg. In deze werkagenda staan o.a. afspraken over
een landelijk ruil- en inschrijfsysteem voor mensen die een (nieuwe) huisarts zoeken,
over de aanpak van huisvestingsproblematiek van huisartsenpraktijken en gezondheidscentra,
over een betere spreiding van huisartsen over Nederland en over het versterken van
de kernwaarden van de huisartsenzorg.
2. Inzet op regionaal (financieel) maatwerk door zorgverzekeraars om gericht regionale
en lokale knelpunten rondom continuïteit van zorg aan te pakken.
Samen met de partijen zijn we voortvarend aan de slag gegaan met het uitvoeren van
de afspraken. Twee afspraken zijn reeds uitgevoerd. Dit heeft geresulteerd in het
opleveren van de nieuwe Handreiking Huisvesting huisartsen en gezondheidscentra, waarover
u reeds bent geïnformeerd6 en ligt er inmiddels een leidraad continuïteit en toegankelijkheid van de huisartsenzorg
2027/2028 (hierna: leidraad continuïteit) die is ontwikkeld door Zorgverzekeraars
Nederland (ZN) in samenwerking met de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), InEen,
Patiëntenfederatie Nederland (PFNL) en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport (VWS). In een brief die u gelijktijdig met deze antwoorden ontvangt wordt
de Kamer nader geïnformeerd over deze leidraad continuïteit, op basis waarvan zorgverzekeraars
met regionaal (financieel) maatwerk in de contractering inzetten op continuïteit van
huisartsenzorg in elke regio. Naast deze landelijke acties zijn er vele goede regionale
en lokale goede voorbeelden in het land waar huisartsen, regionale huisartsenorganisaties
(RHO’s) en zorgverzekeraars de handen ineenslaan.
Het kabinet heeft er vertrouwen in dat de combinatie van de gemaakte afspraken zal
bijdragen aan de toegankelijkheid van de huisartsenzorg. Via onder meer data van het
Nivel en Vektis monitort VWS samen met AZWA-partijen of dit ook daadwerkelijk gebeurt.
Deze informatie is ook onderdeel van de IZA-monitor. Indien de gewenste resultaten
achterblijven, zal ik daarover in gesprek treden met genoemde partijen en bezien of
extra acties nodig en mogelijk zijn.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de stukken over
de toegankelijkheid van huisartsenzorg. Zij onderschrijven het belang van de Minister
dat de huisartsenzorg in elke regio toegankelijk is, maar zij hebben enkele vragen
hiertoe.
De leden van de VVD-fractie lezen dat er veel actie wordt ondernomen om de huisvestingsproblematiek
van huisartsenpraktijken te verhelpen, maar lezen niet wat de stand van zaken is sinds
de eerste handreiking hierover is gepubliceerd in 2023. Kan de Minister aangeven of
en welke vooruitgang hij ziet in de huisvesting van huisartsenpraktijken? Denkt hij
dat de huisartsenhuisvestingproblematiek in de toekomst erger of beter wordt?
Sinds de publicatie van de eerste Handreiking Huisvesting huisartsen en gezondheidscentra
(hierna: Handreiking Huisvesting) zijn veel positieve ontwikkelingen te zien in het
veld. Steeds vaker zetten gemeenten een stap naar voren door bijvoorbeeld rekening
te houden met eerstelijnszorgvoorzieningen bij nieuwbouwprojecten, zoals mijn eerder
genoemde voorbeeld over Leiden7. Ook hebben inmiddels veel zorgverzekeraars een inkoopmodule ten behoeve van de toegankelijkheid
van de huisartsenzorg in hun inkoopbeleid opgenomen, bijvoorbeeld als sprake is van
huisvestingsproblematiek. Met de afspraken over regionaal (financieel) maatwerk en
de bijbehorende leidraad zetten we ook stevig in op het oplossen van financiële knelpunten
bij huisvestingsproblematiek. Met deze combinatie van afspraken doet het kabinet er
samen met betrokken partijen alles aan om dit vraagstuk op te lossen.
Verder lezen de leden van de VVD-fractie dat huisartsen bij huisvestingsproblematiek
de Regionale Huisartsenorganisatie (RHO) als eerste aanspreekpunt hebben. Zijn alle
huisartsen bij een RHO aangesloten? Als dit niet het geval is, kunnen de niet aangesloten
huisartsen dan alsnog gebruik maken van de expertise van de RHO?
Er worden landelijk geen cijfers bijgehouden van het aantal aangesloten huisartsen
bij Regionale Huisartsenorganisaties (RHO’s). Navraag bij InEen – de koepelorganisatie
van de RHO’s – leert dat merendeel van de praktijkhoudende huisartsen en gezondheidscentra
is aangesloten bij een RHO. De praktijkhoudende huisartsen die zich nog niet hebben
aangesloten, kunnen dat alsnog doen. RHO’s stimuleren alle huisartsen in de regio
om zich aan te sluiten en volgens InEen zijn er ook steeds meer niet-praktijkhouders
aangesloten bij de RHO’s.
Verder heeft InEen laten weten dat in zijn algemeenheid RHO’s huisartsen die (nog)
geen lid zijn de mogelijkheid bieden om gebruik te maken van ondersteuning bij huisvestingsvraagstukken
in hun regio en kennis te nemen van het RHO-huisvestingsplan.
Hiernaast bestaat op sommige plekken een Regionale Organisatiestructuur (ROS). Kan
de Minister aangeven wat hiermee bedoeld wordt? Op welke manier verschilt dit van
een RHO? Versterken een ROS en een RHO elkaar?
Een Regionale Ondersteuningsstructuur (ROS) is een regionale organisatie die zich
richt op het ondersteunen van samenwerking en organisatieontwikkeling in de eerstelijnszorg.
Zij zijn organisatorisch en financieel onafhankelijk van zorgaanbieders en/of beroepsgroepen
en worden (deels) gefinancierd door zorgverzekeraars, waarmee inhoudelijke activiteiten
worden afgesproken. ROS’en verlenen een netwerk- en procesrol richting de brede eerstelijnszorg,
zoals de paramedische sector en ook de samenwerking in de geboortezorg en met gemeenten.
Daarbij richten ze zich onder meer op netwerkvorming in de regio, de implementatie
van beleid en programma’s en het uitvoeren en ondersteunen van thematische projecten.
De ROS’en verschillen per regio in taken, schaal en positionering.
Een Regionale Huisartsenorganisatie (RHO) is primair ingericht voor en door huisartsen
en richt zich op de organisatie en ondersteuning van de huisartsenzorg, zoals administratie,
ICT, arbeidsmarktvraagstukken en innovatie. De RHO is vertegenwoordiger van de huisartsen
in de regio die hiervoor hun mandaat geven. Daarnaast beheert een RHO vaak de huisartsenspoedpost(en)
in de regio en organiseert zij programmatische zorg voor mensen met chronische aandoeningen,
zoals diabetes, hart- en vaatziekten, astma en COPD. De basis voor de bekostiging
van RHO’s ligt in de beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg, en dan
met name in segment 2 van die bekostiging (Organisatie & Infrastructuur en Multidisciplinaire
Zorg).
De focus van een RHO ligt dus nadrukkelijk op de (organisatie van) huisartsenzorg,
terwijl een ROS zich breder richt op de eerstelijnszorg. Zo kunnen een ROS en een
RHO elkaar aanvullen en versterken. De mate waarin dit het geval is verschilt per
regio en is afhankelijk van de lokale inrichting en taakverdeling. Op dit moment vinden
in het kader van de implementatie van de visie eerstelijnszorg 2030 gesprekken met
betrokken partijen plaats over de toekomstige regionale organisatie van eerstelijnszorg
en welke (samenhangende) ondersteuningsstructuren deze vraagt. De regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden
(RESV’s) die momenteel in elke regio worden opgezet spelen hierbij in ieder geval
een centrale rol.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van
de voorliggende stukken en de brief van de Minister over de toegankelijkheid van de
huisartsenzorg en de reacties op de aangenomen moties die zijn ingediend tijdens het
notaoverleg «Stop de commercie, steun de huisarts. Een plan voor toekomstbestendige
huisartsenzorg». De problemen in de huisartsenzorg, ook wel de poortwachter van ons
zorgsysteem, baren de betreffende leden veel zorgen en verdienen dan ook prioriteit.
Zij hebben dan ook meerdere vragen over de stukken.
Allereerst onderschrijven de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ten zeerste het
belang van een toegankelijke huisartsenzorg voor iedereen in iedere regio. Zij vinden
het een goede zaak dat hier in het AZWA afspraken over zijn gemaakt. Wel hebben zij
nog enige zorgen over de uitvoering hiervan, bijvoorbeeld met betrekking tot de afspraken
die zijn gemaakt over het gesprek dat moet worden gevoerd met de Nederlandse Zorgautoriteit
(NZa) over de wijze waarop de bekostiging van de huisartsenzorg beter kan bijdragen
aan de gezamenlijke beleidsdoelen. Zo oordeelde het College van Beroep voor het Bedrijfsleven
(CBb) op 18 november 2025 dat de NZa niet aannemelijk heeft gemaakt dat de tarieven
voor huisartsen kostendekkend zijn. Welke stappen zijn er tot nu toe op dit gebied
gezet?
De uitwerking van de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb)
is aan de NZa. Het CBb heeft de NZa opgedragen om binnen zes maanden gevolg te geven
aan de uitspraak. De NZa heeft een proces opgestart waarbij zij onder meer gesprekken
voert met de betrokken partijen.
Wat is de stand van de zaken met betrekking tot de uitvoering van de motie van het
lid Dijk over de NZa de opdracht geven om bij de nieuwe tariefberekeningen voor 2026
ook toekomstscenario’s mee te nemen8 en de motie van de leden Bushoff en Van Dijk om in gesprek te gaan met de NZa over
een andere vorm van tariefberekening voor de huisartsenzorg waarbij ook toekomstscenario’s
worden meegenomen9? Kan de Minister nader toelichten waarom hij enerzijds schrijft dat hij de motie
van het lid Dijk in letterlijke zin niet uitvoert, maar wel handelt in de geest van
de motie? En wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de gesprekken met de NZa die
op basis van de motie Bushoff en Van Dijk worden gevoerd? Hebben deze gesprekken al
plaatsgevonden en zo ja, kan de Minister nader ingaan op de inhoud van de gesprekken?
Zo nee, wanneer vinden deze gesprekken plaats?
De motie Dijk vraagt het kabinet om de NZa een opdracht te geven om de tariefberekening
voor 2026 te wijzigen. Het is de bevoegdheid van de NZa als zelfstandig bestuursorgaan
om prestatiebeschrijvingen en tarieven vast te stellen. Die tarieven moeten redelijkerwijs
kostendekkend zijn. Ingrijpen in de bevoegdheden van de NZa kan alleen voor zover
geldende wetgeving dat mogelijk maakt. Zo kan de Minister aan de NZa algemene aanwijzingen
geven over de onderwerpen waarover de NZa regels of beleidsregels kan vaststellen.
Het is de zelfstandige bevoegdheid van de NZa om binnen de kaders van deze aanwijzingen
voor verschillende sectoren de daadwerkelijke prestatiebeschrijvingen en (kostendekkende)
tarieven vast te stellen. De Minister van VWS heeft hier dus geen rol in en dat is
de reden dat het kabinet de oproep in de motie om met de NZa in gesprek te gaan over
een «andere vorm van tariefberekening» niet letterlijk uitvoert. Bovendien heeft het
CBb recent geoordeeld dat de wijze waarop de NZa het tariefonderzoek in de huisartsenzorg
uitvoert niet onrechtmatig is10. Het is dus niet mogelijk deze motie in letterlijke zin uit te voeren.
Wel ga ik vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid als Minister van VWS in gesprek
met AZWA-partijen en de NZa over toekomstbestendige bekostiging in de huisartsenzorg.
De eerste inhoudelijke gesprekken zijn ambtelijk inmiddels gevoerd. Hiermee geeft
het kabinet invulling aan de motie van de leden Bushoff en Dijk, die vraagt om met
de NZa in gesprek te gaan over een andere vorm van tariefberekening waarbij ook toekomstscenario’s
worden meegenomen. De gesprekken richten zich, vanwege de hierboven beschreven wettelijke
rolverdeling tussen NZa en VWS, niet primair op de tariefberekening maar op de bekostigingssystematiek
in de huisartsenzorg als geheel. Dit is tevens in de geest van de eerdergenoemde motie
Dijk, omdat we samen met de betrokken partijen analyseren of er elementen zijn in
de huidige bekostiging die het realiseren van toekomstbestendige huisartsenzorg kunnen
bemoeilijken. Indien uit deze analyse blijkt dat wijzigingen noodzakelijk zijn, zal
dit leiden tot een opdracht of aanwijzing van het kabinet aan de NZa. In de parallel
verzonden brief over de huisartsenzorg wordt de Kamer uitgebreider geïnformeerd over
dit proces. Voor de zomer ontvangt de Kamer de inhoudelijke uitkomsten van de analysefase
en de vervolgstappen die gezet zullen worden.
In aanvulling hierop hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog een aantal
vragen over de moties die zijn ingediend tijdens het notaoverleg van de initiatiefnota
Bushoff over het toekomstbestendig maken van onze huisartsenzorg. Deze leden lezen
in de brief van de Minister dat hij de unaniem aangenomen motie-Mohandis c.s. over
het opstellen van een uitvoeringsagenda in de huisartsenzorg11 naar eigen zeggen heeft uitgevoerd binnen afspraken die gemaakt zijn in het AZWA.
Hoewel een van de verzoekpunten uit de motie inderdaad was om de voorstellen in de
nota binnen de beschikbare mogelijkheden in het AZWA te implementeren, riep de motie
specifiek op tot het opstellen van een uitvoeringsagenda huisartsenzorg. Het implementeren
van de voorstellen van het AZWA is een van de drie voorstellen van die uitvoeringsagenda,
naast 1) het plegen van extra inzet op de voorstellen uit de nota die volgens de Minister
al staande praktijk zijn maar nog onvoldoende effect hebben en 2) het jaarlijks delen
van de voortgang en implementatie van deze uitvoeringsagenda met de Kamer. Hoewel
betreffende leden blij zijn met de extra inzet van de Minister in het AZWA naar aanleiding
van de motie en de initiatiefnota, lijken er nu een aantal losstaande toezeggingen
te zijn gedaan in plaats van dat er daadwerkelijk een uitvoeringsagenda is opgesteld
waarvan over de voortgang jaarlijks wordt gerapporteerd aan de Kamer. De motie verzocht
hier nadrukkelijk om, zodat de Kamer ook haar controlerende taak kan uitvoeren en
jaarlijks kan inzien welke stappen er zijn gezet en of er vooruitgang is geboekt.
Kan de Minister hierop reageren? Wordt de uitvoeringsagenda nog met de Kamer gedeeld
en zo ja, op welke termijn? Kan de Minister toezeggen dat deze vanaf dan jaarlijks
wordt geëvalueerd, geactualiseerd en gedeeld? En zo nee, kan hij dan toelichten waarom
hij tegen dit nadrukkelijke verzoekpunt van de motie ingaat waardoor hij de motie,
die met 150 Kamerzetels is aangenomen, in feite niet uitvoert?
De leden van de GL-PvdA-fractie zien net als het kabinet het belang van een toegankelijke
huisartsenzorg voor iedere inwoner in Nederland. De motie Mohandis over het opstellen
van een uitvoeringsagenda beschouwt het kabinet dan ook als een grote steun voor de
werkagenda huisartsenzorg in het AZWA. De werkagenda huisartsenzorg in het AZWA is
juist bedoeld als de gevraagde uitvoeringsagenda en in deze agenda is een groot deel
van de concrete voorstellen uit de initiatiefnota van het lid Bushoff opgenomen. In
de uitgebreide reactie12 op de initiatiefnota van het lid Bushoff heeft het kabinet reeds toegelicht hoe dit
is gebeurd. Met de werkagenda zetten we ook extra in op voorstellen die al staande
praktijk zijn. Een voorbeeld hiervan is de aanvullende inzet op (financieel) maatwerk
door zorgverzekeraars. Waar de staande praktijk is dat verschillende zorgverzekeraars
al maatwerk in de huisartsenzorg toepassen, is met deze afspraak landelijk vastgelegd
dat alle zorgverzekeraars dit gaan doen en zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop.
Middels de IZA/AZWA-monitoring wordt de Kamer meerdere keren per jaar geïnformeerd
over de voortgang op de gemaakte afspraken en de situatie in de huisartsenzorg.
Daarnaast lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat in de werkagenda huisartsenzorg,
die is opgesteld naar aanleiding van afspraken in het AZWA, afspraken zijn gemaakt
over het versterken van de kernwaarden in de huisartsenzorg en een stevigere aanpak
van huisvestigingsproblematiek van huisartsen met aandacht voor de financiële knelpunten
die zij kunnen ervaren. Kan de Minister nader ingaan op deze afspraken en wat deze
specifiek inhouden? Worden hierin ook de maatregelen meegenomen die zijn uitgewerkt
in de initiatiefnota van het lid Bushoff? En hoe wordt de voortgang van deze afspraken
gemonitord?
Via de werkgroep die opvolging geeft aan de aanbevelingen van de IGJ en NZa over bedrijfsketenvorming
in de huisartsenzorg, hebben de LHV en NHG verkend in hoeverre de kernwaarden van
de huisartsenzorg te vertalen zijn naar werkbare en toetsbare uitgangspunten of normen.
Deze verkenning is afgerond en vastgesteld in de vorm van een handreiking. Tijdens
de verkenning hebben de partijen de balans opgezocht tussen enerzijds het voorkomen
van excessen en anderzijds het behouden van ruimte voor innovatie (en niet onnodig
klemzetten van het overgrote deel van de huisartsen waar het goed gaat). In de brief
die gelijktijdig met deze beantwoording is verzonden, wordt de Kamer hier verder over
geïnformeerd.
In diezelfde brief ontvangt de Kamer een nadere toelichting op de afspraken die zijn
gemaakt over (financieel) regionaal maatwerk door zorgverzekeraars als de toegankelijkheid
van de huisartsenzorg in de regio onder druk staat. Hiervoor is de landelijke leidraad
continuïteit vastgesteld. Dit maatwerk kan ook een oplossing bieden voor de financiële
knelpunten die huisartsen kunnen ervaren bij het opstarten, verbouwen of verhuizen
van hun praktijk. De leidraad continuïteit geeft huisartsen, RHO’s en zorgverzekeraars
een landelijk gedragen kader en stappenplan voor het ontwikkelen van regionale maatwerkafspraken
die helpen om de continuïteit en toegankelijkheid van de huisartsenzorg te borgen.
De RHO’s ontwikkelen in samenwerking met de zorgverzekeraars een regionale analyse
van de toegankelijkheidsproblematiek en een daarbij passend maatwerkplan met interventies
die de toegankelijkheid van de huisartsenzorg moeten vergroten. Omdat dit maatwerkplan
altijd afhankelijk is van de regionale problematiek, is er geen vaste set aan interventies
maar hebben de RHO’s en zorgverzekeraars de vrijheid om samen deze set samen te stellen.
Voorbeelden hiervan zijn interventies gericht op geschikte huisvesting, innovatieve
werkvormen en versterking van het lokale vestigingsklimaat van huisartsen. In de beleidsreactie13 op de initiatiefnota Bushoff is reeds aangegeven welke voorstellen uit de initiatiefnota
voorbeelden zijn van dit maatwerk. In brede zin wordt de voortgang op de huisartsenafspraken
uit het AZWA gemonitord middels de IZA-monitoring. De Kamer wordt hierover meermaals
per jaar geïnformeerd.
Tot slot hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog enkele vragen over de
Handreiking huisartsen en gezondheidscentra. Hierin staat dat van gemeenten wordt
verwacht dat zij referentienormen vaststellen voor maatschappelijke-, zorg- en sportvoorzieningen,
met daarin een vierkante meter norm voor eerstelijnszorg inclusief huisartsenzorg.
In hoeverre is dit vrijblijvend of juist een verplichting? In de handreiking staat
dat gemeenten de referentienormen naar eigen inzicht kunnen vaststellen. Is er een
reikwijdte waarbinnen gemeenten moeten opereren of kan een gemeente er ook voor kiezen
om deze referentienormen niet op te stellen of heel laag te houden? Zowel de handreiking
als de Minister benoemen het positieve voorbeeld van Leiden, waar de gemeente al rekening
houdt met ruimte voor eerstelijnszorg bij grotere bouwprojecten. Kan, eventueel in
samenwerking met departementen die betrokken zijn bij de Omgevingswet, worden gestimuleerd
dat andere gemeenten hierin volgen?
Niet in elke gemeente is er sprake van huisvestingsproblematiek voor huisartsen en
gezondheidscentra. Het staat gemeenten zelf vrij om eerstelijnszorgvoorzieningen,
waaronder huisartsenzorg, mee te nemen in het opstellen van referentienormen voor
maatschappelijke voorzieningen. Gezien elk college van burgemeester en wethouders
verantwoording aflegt aan haar gemeenteraad, gaat het kabinet er vanuit dat als de
urgentie hoog is, deze gemeenteraad zelf vraagt om het opstellen van referentienormen
voor zorgvoorzieningen. Dit is ook in lijn met de afspraak in het AZWA dat partijen,
waaronder gemeenten, de handreiking gebruiken volgens het principe «pas toe of leg
uit».
Het inhoudelijk opstellen van deze referentienormen laat het kabinet dus aan de gemeenten.
In de Handreiking Huisvesting zijn een aantal parameters en voorbeelden meegegeven
waar gemeenten gebruik van kunnen maken als zij referentiewaarden willen opstellen.
Indien nodig kan de VNG gemeenten hierover meer informatie of hen naar andere gemeenten
en relevante partijen doorverwijzen.
Dit onderwerp is inderdaad ook besproken met departementen die betrokken zijn bij
de Omgevingswet. Het belang van ruimte voor voorzieningen, waaronder huisartsen, is
om die reden opgenomen in de ontwerp-Nota Ruimte (hoofdstuk 10.13).
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben de brief inzake de toegankelijkheid van de huisartsenzorg
gelezen. Voor dit schriftelijk overleg hebben zij voor nu geen vragen en geen verdere
inbreng.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van de
Minister over de toekomst van de huisartsenzorg en hebben hierover nog enkele vragen.
Deze leden zien dat door allerlei betrokken partijen goede stappen worden gezet, maar
missen daarin op punten nog een concrete invulling van de rol van de Rijksoverheid.
Deze leden hebben daarom nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de nieuwe handreiking
voor huisvesting van huisartsen. Zij lezen dat een van de afspraken is dat zorgverzekeraars
financieel maatwerk bieden bij (dreigende) toegankelijkheidsproblematiek in de huisartsenzorg
door huisvestingsproblemen die samenhangen met financiële knelpunten. Deze leden missen
hierin nog een reflectie van de Minister op vraag hoe de bekostiging, die nu via segment
3 loopt, hier het beste op kan aansluiten. Dat is immers de verantwoordelijkheid van
de Minister. Deze leden vragen of en zo ja, welke mogelijkheden de Minister ziet om
de bekostiging verder te verbeteren, zodat zorgverzekeraars en huisartsen zo min mogelijk
drempels ervaren om tot financieel maatwerk te komen.
Partijen kunnen nu al in de contractering aan de slag met de uitvoering van de leidraad
continuïteit. Daarnaast vinden gesprekken plaats met de betrokken partijen of de bekostiging
verder kan worden verbeterd. Indien blijkt dat aanpassingen nodig zijn zal de Kamer
hierover voor de zomer worden geïnformeerd.
In het algemeen vragen deze leden wat de vervolgstappen van de Minister zijn ten aanzien
van huisvesting, boven op de goede stappen die nu genomen zijn en in de brief beschreven
worden.
Met de LHV, InEen, ZN en de VNG is afgesproken dat het veld nu aan zet is om de handelingsperspectieven
uit de nieuwe Handreiking Huisvesting huisartsen en gezondheidscentra uit te voeren.
Zij hebben toegezegd dat hun leden deze handreiking zullen uitvoeren volgens het principe
«pas toe of leg uit». Samen met de mogelijkheid van regionaal (financieel) maatwerk
als huisartsen ook financiële knelpunten ervaren, ligt er een volledig pakket van
afspraken waarmee de huisvestingsproblematiek kan worden aangepakt. Vanzelfsprekend
blijven betrokken partijen in nauw contact over de ontwikkelingen in het veld.
De leden van de CDA-fractie vinden de reactie op het onderzoek naar de regionale herkomst
van huisartsen (in opleiding) en de aanbevelingen te mager, zeker aangezien uit dit
onderzoek duidelijk blijkt dat er een grote overlap is tussen gebieden met tekorten
en gebieden met weinig geneeskundestudenten. Zij lezen dat de Minister verwijst naar
een brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), maar in deze
brief wordt niet specifiek op alle mogelijke vormen van selectiebeleid. Deze leden
vragen hoe de Minister het publieke belang van toegankelijkheid van de huisartsenzorg
weegt ten opzichte van de autonomie van onderwijsinstellingen als het gaat om selectie.
Deze leden vragen of de Minister per genoemde vorm van selectie wil ingaan op de mogelijkheden
en onmogelijkheden. Zij lezen ook dat de Minister aangeeft dat selectie op basis van
geboorte- of woonplaats wettelijk niet toegestaan is. Zij vragen waarom dat niet mogelijk
is en welke aanpassing van de wet hiervoor dan benodigd zou zijn. Verder vragen deze
leden of de gesprekken met het veld al andere kansrijke interventies hebben opgeleverd
en zo ja, welke dat dan zijn.
Dit kabinet weegt het publieke belang van toegankelijke huisartsenzorg zwaar. Tegelijkertijd
is de toelating tot numerus-fixusopleidingen (zoals geneeskunde) in het stelsel decentraal
belegd bij instellingen binnen de kaders van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek (WHW); daarbinnen is de directe sturingsruimte van de Minister van OCW beperkt.
Deze autonomie van de opleidingsinstituten is een expliciete stelselkeuze. De inzet
is daarom gericht op een nauwe samenwerking met het veld om tot andere kansrijke interventies
te komen. De verkenning hiervan met het veld vindt momenteel plaats. Deze zal in nauwe
samenwerking met de Minister van OCW voor het zomerreces met de Kamer worden gedeeld.
In het rapport Selecteren voor de Toekomst: Iedereen een Huisarts14 worden vier verschillende vormen van selectie beschreven (1. Bonded medical places,
2. Quota voor kandidaten uit tekortregio’s, 3. Contextualised admissions, 4. Extra
loten voor aspirant-studenten uit tekortregio’s). In de Wet op het hoger onderwijs
en wetenschappelijk onderzoek (WHW) is bepaald dat selectie in de bachelor uitsluitend
kan plaatsvinden op basis van ten minste twee kwalitatieve criteria15, loting, of een combinatie daarvan.16 Daarbinnen hebben onderwijsinstellingen volledige vrijheid in de keuze van kwalitatieve
criteria en de instrumenten om die te toetsen. Die vrijheid van de instellingen binnen
het decentrale stelsel maakt het mogelijk om een goede match tussen aspirant-student
en de specifieke opleiding aan die instelling te kunnen maken. Om de genoemde vormen
van selectie mogelijk te maken moet de wet gewijzigd worden. Het gaat hier om zeer
complexe vormen van selectie waarvoor uitgebreid (juridisch) onderzoek noodzakelijk
is om de effecten en risico’s daarvan goed in kaart te kunnen brengen. De ambtsvoorgangers
van de Minister van OCW hebben eerder de (on)mogelijkheden van contexualised admissions
in de Nederlandse context geschetst.17
Tegelijkertijd zijn er ook al stappen die instellingen binnen de grenzen van de wet
kunnen zetten. Opleidingen kunnen er bijvoorbeeld wel voor kiezen om motivatie (kwalitatief
criterium) om stages te lopen in een bepaalde regio of werkgebied op te nemen in de
selectieprocedure. Zo lang er altijd maar ten minste twee kwalitatieve criteria een
rol spelen in de selectieprocedure.
Op basis van de eerdergenoemde verkenning die met het veld wordt uitgevoerd, zullen
de Ministers van VWS en OCW besluiten over de vervolgaanpak.
Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie naar de stand van zaken als het gaat om
de afwikkeling van het faillissement van Co-Med en de zorg voor (oud-)patiënten. Ook
vragen deze leden hoe de lessen uit deze casus zijn meegenomen in de stappen die nu
worden gezet in de huisartsenzorg.
De zorg voor (oud) patiënten van Co-Med is geregeld. De NZa geeft aan dat voor alle
patiënten direct na en in de maanden na het faillissement een structurele oplossing
is gevonden bij een andere zorgaanbieder.
Informatie over de financiële afwikkeling van het faillissement vindt u in het meeste
recente faillissementsverslag van 10 april 2025. Daarin geven de curatoren aan dat
de afwikkeling van een faillissement als Co-Med normaliter – afhankelijk van het antwoord
op de vraag of er gerechtelijke procedures ontstaan met betrekking tot de verantwoordelijkheid
rondom de oorzaken van het faillissement – 3 tot 5 jaar duurt. Vooralsnog lijkt dat
in dit geval ook een realistische termijn.
Uit de lerende evaluatie naar aanleiding van de casus Co-Med blijkt dat het eerder
en beter bij elkaar brengen van signalen het belangrijkste leerpunt is18. Signalen waren aanwezig, maar verspreid over meerdere organisaties en daardoor onvoldoende
snel als samenhangend beeld herkend. Deze les is meegenomen in de vervolgstappen die
nu worden gezet. Onder meer is er afgesproken om de samenwerking en informatiedeling
tussen toezichthouders, zorgverzekeraars, beroepsgroepen en VWS structureel te versterken.
De betrokken partijen hebben afgesproken om in het gremium dat is opgericht rondom
de (verkenning naar de) concretisering van de kernwaarden van de huisartsenzorg, periodiek
bijeen te blijven komen om signalen en knelpunten uit de dagelijkse praktijk zoals
actuele casuïstiek of nieuwe ontwikkelingen en nieuwe aanbieders te bespreken.
Met deze werkwijze wordt geborgd dat partijen elkaar sneller vinden bij signalen of
twijfel zodat tijdig kan worden gehandeld en herhaling van vergelijkbare situaties
wordt voorkomen. In de gelijktijdig verzonden brief ontvangt de Kamer hier nader toelichting
over.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbrief over de Toegankelijkheid
van de huisartsenzorg en reacties op de aangenomen moties ingediend tijdens het notaoverleg
«Stop de commercie». Deze leden hebben hierover de volgende vragen aan de Minister.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de toegankelijkheid van de huisartsenzorg
in veel regio’s onder druk staat en dat er sprake is van aanhoudende tekorten. Het
blijft onduidelijk hoe wordt voorkomen dat krimpregio’s en plattelandsgebieden opnieuw
structureel achterblijven. Welke regio’s worden door de Minister op dit moment aangemerkt
als regio’s met (dreigende) discontinuïteit van huisartsenzorg, en op basis van welke
indicatoren gebeurt dit? Hoe borgt de Minister dat ook krimpregio’s, dorpen en snelgroeiende
plattelandskernen toegang houden tot tijdige en nabij beschikbare huisartsenzorg,
inclusief ruimte voor praktijkuitbreiding?
De inzet van het beleid van dit kabinet en daarmee ook de gemaakte huisartsenafspraken
in het AZWA is dat iedere inwoner van Nederland ingeschreven kan staan bij een vaste
huisarts(enpraktijk) in de buurt. De zorgen van de leden van de BBB-fractie dat bepaalde
gebieden, zoals krimpregio’s, structureel met tekorten aan huisartsenzorg kampen zijn
begrijpelijk. Juist dit vraagstuk wordt geadresseerd in het coalitieakkoord «aan de
slag» en het is daarom positief dat dit centraal staat bij de afspraken die in de
leidraad continuïteit met de zorgverzekeraar, huisartsen en RHO’s zijn gemaakt over
(financieel) maatwerk per regio. In de leidraad continuïteit zijn hiervoor indicatoren
opgenomen, die zullen samenkomen in een «signaleringsmatrix». Op basis van deze matrix
wordt duidelijk waar de (verwachte) knelpunten in toegankelijkheid en continuïteit
het grootst zijn. De matrix is gebaseerd op feitelijke data, zoals huisartsencapaciteit,
uitstroom en mensen zonder huisarts. Het doel van deze matrix is om objectief duidelijk
te maken in welke regio’s de urgentie voor maatwerkinvesteringen ten behoeve van het
borgen van toegankelijke en continue huisartsenzorg het grootste is. De partijen ontwikkelen
op dit moment deze matrix. Doel van de partijen is dat deze matrix in de tweede helft
van 2026 opgemaakt is, zodat zorgverzekeraars aan de hand hiervan kunnen investeren
in 2027. De verwachting is dat de Kamer hierover na de zomer nader kan worden geïnformeerd.
Waarom kiest de Minister er opnieuw voor om geen landelijke norm vast te stellen voor
maximale reistijd naar een huisarts, terwijl dit in andere domeinen wel gebruikelijk
is?
De beroepsgroep heeft in de richtlijnen opgenomen dat een huisarts, na een melding
van een spoedgeval, de inspanningsverplichting heeft om binnen 15 minuten bij de patiënt
aanwezig te zijn. De beroepsgroep stelt dat met deze maximale reistijd van 15 minuten
de patiëntveiligheid niet in het geding is. De Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd
(IGJ) ziet toe op deze richtlijn19. Deze norm is ook opgenomen in de NZa-beleidsregel toezichtkader zorgplicht zorgverzekeraars
Zvw20. Daarnaast bestaan voor de huisartsenposten bereikbaarheidsnormen die gericht zijn
op huisartsenzorg bij spoed. Deze zijn opgenomen in de uitvoeringsregeling van de
Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Hiermee acht het kabinet de bereikbaarheid
van huisartsenzorg voldoende verankerd in regelgeving.
Verder lezen genoemde leden dat zorgverzekeraars een sterkere rol krijgen in het leveren
van regionaal maatwerk. Zij vragen de Minister of dit niet leidt tot verschillen in
aanpak en prioriteiten tussen regio’s. Hoe wordt voorkomen dat cruciale beslissingen
over regionale huisartsencapaciteit afhankelijk worden van individuele keuzes van
zorgverzekeraars, in plaats van landelijk geborgde regie?
Om te zorgen dat vergelijkbare regionale problematiek ook op een vergelijkbare manier
wordt aangepakt is door partijen de Leidraad continuïteit en toegankelijkheid van
de huisartsenzorg 2027/2028 opgesteld. Deze heeft de Kamer ontvangen met de gelijktijdig
met deze antwoorden verzonden brief over de huisartsenzorg. In deze leidraad zijn
landelijke afspraken gemaakt over de inzet van regionaal (financieel) maatwerk door
zorgverzekeraars. Op deze manier kiezen partijen uit het AZWA voor een combinatie
van landelijke regie met ruimte voor maatwerk dat aansluit bij de regionale vraagstukken.
Welke mogelijkheden heeft de NZa om in te grijpen wanneer een zorgverzekeraar onvoldoende
invulling geeft aan de zorgplicht of te weinig regionaal maatwerk levert?
De NZa houdt toezicht op de rechtmatige uitvoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw)
door zorgverzekeraars, waaronder de zorgplicht. De basis voor deze rol ligt in de
Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg)21. In deze wet is ook het handhavingsinstrumentarium opgenomen voor de NZa om haar
toezichthoudende taken uit te voeren. De NZa heeft in haar Beleidsregel handhaving
kenbaar gemaakt hoe zij invulling geeft aan deze taken: «handhaving is al het handelen
van de NZa dat bijdraagt aan normnaleving door zorgaanbieders, zorgverzekeraars, Wlz-uitvoerders
en het CAK, door toepassing van activiteiten als onder meer preventie, signalering,
oordeelsvorming, sturing en het opleggen van sancties.»22 De NZa beschikt hierbij over een breed palet van informele en formele instrumenten
zoals waarschuwen, het openbaren van een overtreding, een partij een aanwijzing geven
of het opleggen van last onder dwangsom. Afhankelijk van de situatie bekijkt de NZa
welk handhavingsinstrument passend is om in te zetten. De NZa heeft bijvoorbeeld in
2024 de grootste zorgverzekeraars in vier regio’s onderzocht met wachttijden boven
de treeknormen voor de geestelijke gezondheidszorg en ziekenhuiszorg. De NZa concludeerde
dat er verbetermogelijkheden waren voor alle zorgverzekeraars bij het uitvoeren van
hun zorgplicht. Bij twee zorgverzekeraars zag de NZa zulke tekortkomingen dat zij een formele maatregel hebben
gekregen. Vervolgens is een van deze verzekeraars onder verscherpt toezicht geplaatst,
wat eind 2025 is opgeheven omdat verbetermaatregelen voldoende zijn doorgevoerd23.
Op welke wijze wordt geborgd dat regionale samenwerking niet resulteert in het «verdelen
van patiënten», maar daadwerkelijk in het realiseren van extra huisartsencapaciteit?
Het doel van de in het AZWA gemaakte afspraken is dat er interventies worden gepleegd
waarbij de toegankelijkheid en continuïteit van de huisartsenzorg voor iedere inwoner
en in elke regio geborgd wordt. Het vergroten van de capaciteit kan
onderdeel zijn van de regionale aanpak, net zoals het beter verdelen van patiënten
over de beschikbare capaciteit aan huisartsen. Dit laatste uiteraard altijd in overleg
met de betreffende patiënten.
Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat de vernieuwde handreiking huisvesting
dezelfde knelpunten beschrijft als eerdere versies en opnieuw gebaseerd is op vrijwillige
afspraken. Waarom kiest de Minister opnieuw voor het principe «pas toe of leg uit»
in plaats van bindende afspraken, terwijl eerdere vrijwillige trajecten onvoldoende
effect hebben gehad?
Sinds het publiceren van de Handreiking Huisvesting in 2023 zijn er veel positieve
bewegingen in het veld met betrekking tot huisvestingsproblematiek. Zorgverzekeraars
en gemeenten zetten steeds vaker een stap naar voren om problematiek (tijdig) aan
te pakken samen met huisartsen. Dit traject heeft dus reeds positieve effecten gehad.
Met de leidraad continuïteit, de nieuwe handreiking, en de afspraak dat partijen deze
handreiking inzetten volgens het principe «pas toe of leg uit» is met de partijen
een aanvullend stevig pakket aan maatregelen, rollen en handelingsopties afgesproken
om de problematiek aan te pakken. De in het AZWA gemaakte afspraken zijn bovendien
niet vrijblijvend: met hun handtekening hebben alle partijen zich hieraan gecommitteerd.
Tegelijkertijd is het belangrijk om te blijven benadrukken dat het organiseren van
passende huisvesting hoort bij het ondernemerschap van een praktijkhoudend huisarts.
Omdat geen van de andere partijen (RHO, zorgverzekeraar, gemeente) een wettelijke
taak heeft bij de huisvesting van huisartsenpraktijken en gezondheidscentra, is het
binnen de huidige juridische kaders niet mogelijk om verder te gaan dan het maken
van (landelijke, regionale en lokale) afspraken over hoe elke partij de eigen rol
en verantwoordelijkheid invult. Het wettelijk verplaatsen van de verantwoordelijkheid
van huisvesting van de huisarts naar een andere partij is een complex en intensief
proces, met veel haken en ogen. Het kabinet acht het niet wenselijk om deze route
te nemen, vanwege de benodigde tijd en grote complexiteit daarvan terwijl ook binnen
het huidige stelsel tot de gewenste resultaten kan worden gekomen.
Hoeveel regio’s beschikken nog niet over een operationeel H-team, en wanneer wordt
landelijke dekking gerealiseerd?
Een H-team is een lokaal samenwerkingsverband dat zich inzet om huisvestingsvraagstukken
van huisartsen op te lossen. Het opzetten van een H-team is geen landelijk beleid,
maar één van de handelingsopties uit de Handreiking Huisvesting. Het is aan partijen
zelf om een H-team op te zetten in de regio’s en gemeenten als dit passend is bij
de situatie. Aangezien partijen hebben afgesproken de Handreiking Huisvesting in principe
toe te passen, rekent het kabinet erop dat wanneer partijen constateren dat een H-team
van meerwaarde is, zij dit opzetten. Landelijke dekking is in zichzelf dus geen doel
van deze afspraken.
Is de Minister bereid gemeenten te verplichten om bij ruimtelijke ontwikkeling structureel
ruimte voor eerstelijnszorg, inclusief huisartsenpraktijken, te reserveren?
Het kabinet ziet net als de leden van de BBB-fractie en de VNG dat gemeenten een maatschappelijke
verantwoordelijkheid hebben in het oplossen van huisvestingsproblematiek van huisartsen.
Zoals eerder benoemd in antwoord op een vraag van de BBB-fractie, hebben gemeenten
geen wettelijke taak bij de huisvesting van huisartsenpraktijken en gezondheidscentra.
Zodoende kan het kabinet gemeenten niet verplichten tot het reserveren van ruimte
voor eerstelijnszorgvoorzieningen. Er is op dit moment ook geen reden om dat te veranderen,
omdat dit vraagstuk binnen de bestaande wettelijke kaders kan worden opgelost middels
de samenwerkingsafspraken die in het AZWA zijn gemaakt.
Ook lezen genoemde leden dat veel huisartsen te maken hebben met forse financiële
risico’s bij praktijkstart, uitbreiding en huisvesting. Hoeveel praktijkovernames
en uitbreidingen zijn in 2024 en 2025 niet doorgegaan vanwege financieringsproblemen,
en op basis van welke gegevens wordt dit gemonitord?
Er is geen landelijke data beschikbaar over hoeveel praktijkovernames en uitbreidingen
niet doorgaan en om welke reden. Dit is naar verwachting ook niet goed te monitoren.
Wel monitort VWS samen met AZWA-partijen de toegankelijkheid en arbeidsmarkt van de
huisartsenzorg.
Het klopt dat huisartsen tegen drempels kunnen aanlopen bij het overnemen of uitbreiden
van een praktijk. Met de leidraad continuïteit zetten de betrokken partijen in op
regionaal (financieel) maatwerk, bijvoorbeeld als sprake is van financiële knelpunten
bij praktijkovername of uitbreiding.
Waarom wordt niet gekozen voor een landelijk garantiefonds om huisartsen te ondersteunen
bij financieringsrisico’s, zodat niet alles afhankelijk is van commerciële kredietverlening
of incidenteel maatwerk?
In het najaar van 2024 heeft de Kamer een uitgebreide toelichting ontvangen waarom
het opzetten van of aansluiten bij een landelijk garantiefonds, ofwel waarborgfonds,
niet passend is voor de huisartsenzorg24. In deze brief is aangegeven dat een waarborgfonds beperkt bijdraagt aan de oplossing
voor problemen die huisartsen ervaren, zoals huisvestingsproblematiek. Bovendien zorgt
een waarborgfonds er niet per se voor dat huisartsen minder afhankelijk worden van
commerciële kredietverlening, maar biedt het, doordat kredietverleners een garantie
hebben op betaling van rente en aflossing, betere toegang tot financiering tegen betere
voorwaarden. Voor nadere toelichting wijs de leden van de BBB-fractie op de destijds
gestuurde Kamerbrief. Het staat huisartsenpartijen vrij om zelf onderling een soortgelijk
fonds op te zetten, zonder achterborg van de Rijksoverheid. Het Waarborgfonds voor
de Zorgsector (WfZ) heeft al aangegeven daarover met huisartsenpartijen mee te willen
denken.
Hoe wordt voorkomen dat hogere huisvestingskosten uiteindelijk bij patiënten terechtkomen
via huren, bijdragen of verzekeringspremies?
In de maximumtarieven die de NZa vaststelt voor de huisartsenzorg zitten onder meer
de huisvestingskosten verdisconteerd. Deze tarieven worden jaarlijks ambtshalve geïndexeerd
en worden gefinancierd uit het budgettair kader huisartsenzorg. Ook (financieel) maatwerk
waarover in AZWA afspraken zijn gemaakt zal uit ditzelfde kader bekostigd moeten worden.
Aan dit kader draagt iedere inwoner van Nederland bij door betaling van zorgverzekeringspremies
en belastingen. Bij stijgende huisvestingskosten in de tarieven voor huisartsenzorg
zal er dus meer druk komen op dit budgettair kader waardoor mogelijk ook de zorgpremie
of belastingafdracht zal moeten stijgen. Dit wil het kabinet natuurlijk zoveel mogelijk
voorkomen. Het is in ons aller belang dat er voor huisartsen altijd gezocht wordt
naar passende huisvesting. Daarom stimuleert het kabinet samenwerking tussen de betrokken
partijen op lokaal niveau én is het van belang dat (financieel) maatwerk bij huisvestingproblematiek
enkel plaatsvindt als de continuïteit van zorg – nu of in de toekomst – onder druk
staat. De gedachte achter de afspraken in het AZWA is dat we op deze manier gericht
extra financieren waar dat nodig is, zonder de totale uitgaven onnodig te laten stijgen.
Indien de NZa op basis van de uitspraak van het CBb over de tarieven in de huisartsenzorg
tot de conclusie komt dat aanpassingen nodig zijn in de wijze waarop huisvestingskosten
worden verwerkt in de maximumtarieven voor huisartsenzorg, kan ook dit invloed hebben
op de totale uitgaven aan huisartsenzorg.
Verder wordt in het rapport selecteren voor de Toekomst duidelijk dat regio’s met
grote huisartsentekorten dezelfde regio’s zijn waar in 25 jaar nauwelijks geneeskundestudenten
vandaan komen. Erkent de Minister dat zonder een aanpassing in de selectie- en opleidingssystematiek
regionale huisartsentekorten structureel zullen blijven bestaan?
Het kabinet erkent dat regionale huisartsentekorten een structureel karakter hebben
en samenhangen met instroom, opleiding en vestigingskeuzes van artsen. Daarom gaat
het kabinet ook in gesprek met opleidingsinstituten binnen de geneeskunde- en huisartsenopleiding
om te bezien welke stappen die instellingen binnen de grenzen van de wet zelf kunnen
zetten. Tegelijkertijd is de verbetering van de regionale spreiding niet uitsluitend
afhankelijk van de selectie- en opleidingssystematiek. Het is van belang om naast
opleidings- en instroomvraagstukken te werken aan randvoorwaarden die vestiging in
tekortregio’s aantrekkelijker maken, waaronder passende huisvesting en ondersteuning
van huisartsen op regionaal niveau. Daarom wordt, naast de verkenning van kansrijke
interventies in samenwerking met het Ministerie van OCW en het veld, ook ingezet op
maatregelen gericht op regionale maatwerkoplossingen. Met deze integrale aanpak werkt
het kabinet eraan om regionale tekorten te verminderen.
Welke concrete maatregelen worden voorbereid om instroom van studenten uit tekortregio’s
te vergroten, en waarom wordt het concept van «Bonded Medical Places» niet actief
uitgewerkt?
Het kabinet verkent samen met veldpartijen concrete en kansrijke maatregelen om de
instroom richting de huisartsenopleiding en de regionale spreiding te verbeteren.
Dit gebeurt in het kader van de AZWA-afspraak over gerichtere spreiding. De verkenning
naar concrete maatregelen vindt momenteel plaats. Na afronding van de verkenning zal
het kabinet een besluit nemen over de eventuele invoering van maatregelen. Naast opleidingsbeleid
wordt hierbij ook gekeken naar andere prikkels en randvoorwaarden die het aantrekkelijk
maken voor huisartsen om zich in regio’s met (dreigende) tekorten te vestigen. De
opbrengst van deze verkenning worden voor de zomer met de Kamer gedeeld.
In het antwoord op de vraag van de fractie van het CDA worden de wettelijke kaders
rondom selectie in het hbo en wo beschreven. In het concept van bonded medical places
worden plekken gereserveerd op basis van een contract dat aspirant-studenten (bij
minimale geschiktheid) sluiten met werkgevers in de zorg in een bepaalde regio of
met de overheid, afhankelijk van de precieze inrichting. De huidige wettelijke kaders
bieden op dit moment geen ruimte om dit concept toe te passen. Op basis van de verkenning
zullen de Ministers van VWS en OCW besluiten over de vervolgaanpak.
Waarom is er nog geen openbaar landelijk dashboard waarin per regio inzichtelijk is
hoeveel huisartsencapaciteit beschikbaar is, welke praktijkruimten ontbreken, welke
uitstroom wordt verwacht en waar wachtlijsten ontstaan?
Het kabinet begrijpt de behoefte van de leden van de BBB-fractie om meer inzicht in
de (regionale) toegankelijkheid en continuïteit van de huisartsenzorg. Zoals aangegeven
in het antwoord op een eerdere vraag van de BBB-fractie ontwikkelt ZN samen met de
LHV en InEen een signaleringsmatrix die de regionale knelpunten in beeld brengt middels
feitelijke data, zoals huisartsencapaciteit, uitstroom en mensen zonder huisarts.
Naar verwachting wordt de Kamer hierover na de zomer nader geïnformeerd.
Naast deze matrix heeft het Nivel recentelijk een dashboard ontwikkeld waarin veel
van de door de BBB-fractie aangedragen indicatoren zijn opgenomen, zoals huisartsendichtheid,
aantal huisartsenpraktijken en het aantal patiëntenstops25. Een deel van deze data is ook naar regio uitsplitsbaar.
Ook hebben de leden van de BBB-fractie naar aanleiding van de door hen ingediende
motie-Van der Plas26 de volgende vraag. Kan de Minister toezeggen om alsnog te onderzoeken of, naar het
model van Beieren, ook in Nederland een regeling kan worden ingericht waarbij gemotiveerde
en aantoonbaar geïnteresseerde (huis)artsstudenten die buiten de loting vallen, toch
een opleidingsplek kunnen krijgen, mits zij zich verbinden om na afstuderen gedurende
tien jaar als (huis)arts werkzaam te blijven in vooraf aangewezen tekortregio’s?
In het antwoord op de vraag van de fractie van het CDA worden de wettelijke kaders
rondom selectie in het hbo en wo beschreven: selectie dient uitsluitend plaatst te
vinden op basis van ten minste twee kwalitatieve criteria, loting, of een combinatie
daarvan. Het model van Beieren valt daarom niet binnen de huidige wettelijke kaders,
omdat selectie daarbij plaatsvindt op basis van een contract dat aspirant studenten
sluiten met de overheid, in plaats van tenminste twee kwalitatieve criteria of loting
(of een combinatie daarvan). Het kabinet voert op dit moment een brede verkenning
uit naar de mogelijkheden om huisartsen beter over het land te spreiden.
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie de Minister om een tijdlijn waaruit blijkt
wanneer de knelpunten rondom huisvesting, capaciteit en regionale spreiding aantoonbaar
zijn verminderd, en welke indicatoren hij daarvoor hanteert.
In antwoord op de eerdere vragen van de BBB-fractie is aangegeven dat partijen een
signaleringsmatrix ontwikkelen waarin de door de BBB aangedragen variabelen terugkomen.
Naar verwachting wordt de Kamer na de zomer nader geïnformeerd over het publiceren
van de matrix en de te gebruiken indicatoren. Daarnaast is in het AZWA met partijen
afgesproken dat we het aantal mensen zonder huisarts en het aantal huisartsen dat
met een vaste patiëntenpopulatie werkt gedurende het AZWA monitoren. Waar mogelijk
wordt dit gecombineerd met de IZA-monitor, waarover de Kamer regelmatig wordt geïnformeerd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de Toegankelijkheid
van de huisartsenzorg en reacties op de aangenomen moties ingediend tijdens het notaoverleg
«Stop de commercie, steun de huisarts. Een plan voor toekomstbestendige huisartsenzorg».
Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de SP-fractie merken op dat de Minister veel aangenomen moties zegt te
uitvoeren als onderdeel van bestaand beleid, zoals de afspraken uit het AZWA. Daarmee
bestaat wel het risico dat de effecten die huisartsen in de praktijk ervaren van het
beleid minder groot zijn dan wat de Kamer had gewild. Hoe is de Minister van plan
dit te voorkomen? Wordt er voldoende gemonitord of de toegankelijkheid van de huisartsenzorg
en de beschikbaarheid van huisvesting voor huisartsenpraktijken verbetert?
Problematiek in de toegankelijkheid en continuïteit van de huisartsenzorg is complex
en afhankelijk van veel verschillende factoren. Daarom is, samen met de betrokken
partijen, gekozen voor een integrale aanpak die aangrijpt op verschillende knelpunten
in de huisartsenzorg. In deze integrale aanpak, bestaande uit verschillende AZWA-afspraken
waaronder de werkagenda huisartsenzorg en regionaal (financieel) maatwerk, zijn de
moties van de Kamer zorgvuldig meegenomen. De reden dat een deel van de moties onderdeel
van bestaand beleid is, is dat deze moties actief zijn meegenomen in de onderhandelingen
van het kabinet met partijen over het AZWA. De Kamer wordt regelmatig geïnformeerd
op de voortgang op deze afspraken en de effecten in het veld middels de IZA-monitoring.
De leden van de SP-fractie merken daarnaast op dat de Minister de motie-Dijk27 waarin de regering wordt verzocht «een regeling op te zetten vanuit provincies waarbij
huisartsen subsidie kunnen krijgen voor het (ver)bouwen van huisartsenpraktijken om
beginnende huisartsen te stimuleren een eigen praktijk te beginnen», helemaal niet
uitvoert. De Minister stelt dat er al veel andere partijen betrokken zijn bij dit
vraagstuk en dat het regelen van voldoende financiering een taak van de zorgverzekeraars
is. De leden van de SP-fractie wijzen er echter op dat deze verantwoordelijkheid van
de zorgverzekeraars en de betrokkenheid van andere partijen er in praktijk niet toe
heeft geleid dat dit probleem is opgelost.
Desalniettemin voert de Minister de motie helemaal niet uit. Waarom heeft hij niet
gekeken naar manieren om een subsidieregeling op een andere manier in te richten,
als het probleem ligt bij de rol van de provincie? Is hij bereid dit alsnog te doen?
Het kabinet is het met de leden van de SP-fractie eens dat huisvestingsproblematiek
een urgent probleem is in de huisartsenzorg. Het is hierbij wel belangrijk om te benadrukken
dat huisvestingsproblematiek een breed maatschappelijk probleem is dat niet enkel
huisartsen of andere zorgverleners raakt, maar ook andere sectoren en burgers. De
verwachting is dus ook niet dat dit vraagstuk binnen afzienbare termijn nergens meer
zal spelen.
Sinds de publicatie van de handreiking in 2023 hebben betrokken partijen steeds vaker
een stap naar voren gezet en ook hun (maatschappelijke) verantwoordelijkheid gepakt.
Daarbij is het belangrijk om te realiseren dat elke casus uniek is en er geen uniforme
oplossing bestaat voor huisvestingsproblematiek in de huisartsenzorg. Om die reden
is met de partijen overeengekomen dat (financieel) maatwerk het meest passend is als
huisartsen knelpunten ervaren in hun huisvestingsproblematiek.
Het opzetten van een subsidieregeling, bijvoorbeeld via provincies, vindt het kabinet
onwenselijk. Naast de al mogelijke financiële maatwerkinvesteringen, wanneer de continuïteit
van de huisartsenzorg onder druk staat, zijn huisvestingskosten ook geborgd in de
huidige bekostigingssystematiek van de huisartsenzorg. Het geld voor zowel de structurele
huisvestingscomponent als incidenteel maatwerk wordt opgebracht door de premie die
alle verzekerden in Nederland betalen. Met het opzetten van subsidieregelingen, bijvoorbeeld
via provincies, zal de huisartsenzorg ook via andere wegen bekostigd moeten worden.
Hierdoor ontstaan onnodig veel financieringsroutes, met elk mogelijk extra administratieve
lasten en het risico op dubbele lasten voor mensen die in Nederland immers ook al
premie voor de Zvw betalen. Dit wil het kabinet voorkomen en zodoende voert het kabinet
de motie van het lid Dijk niet uit, zoals ook toegelicht in de Kamerbrief28 die onderwerp is van dit schriftelijk overleg.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier