Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van den Brink over het bericht “Coffeeshops maken volop reclame voor ‘space donuts’ ondanks streng verbod: “Online kan blijkbaar alles”
Vragen van het lid Tijs van den Brink (CDA) aan de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het bericht «Coffeeshops maken volop reclame voor «space donuts» ondanks streng verbod: «Online kan blijkbaar alles»» (ingezonden 31 december 2025).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid), mede namens de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport (ontvangen 2 maart 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 922.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Coffeeshops maken volop reclame voor «space donuts»
ondanks streng verbod:«Online kan blijkbaar alles»»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Klopt het dat het reclameverbod voor coffeeshops uit de AHOJGI-criteria niet alleen
ziet op fysieke uitingen, maar ook op online reclame via sociale media, zoals Instagram?
En hoe zit het met websites? Mogen coffeeshops hun producten presenteren via (publiek
toegankelijke) websites?
Antwoord 2
Het gedoogbeleid stelt strikte criteria aan de verkoop van softdrugs. In de Aanwijzing
Opiumwet van het Openbaar Ministerie zijn de landelijke gedoogvoorwaarden voor coffeeshops
vastgelegd op grond waarvan de verkoop van softdrugs in coffeeshops wordt gedoogd.
Dit zijn de zogenaamde AHOJGI-criteria (affichering, harddrugs, overlast, jeugd, grote
hoeveelheden, ingezetenen, zie hieronder).
Bij de beoordeling van de vraag of kan worden afgezien van strafrechtelijk optreden
tegen een coffeeshop gelden de volgende criteria:
– A: geen affichering: dit betekent geen enkele vorm van reclame anders dan een summiere
aanduiding op de betreffende lokaliteit;
– H: geen harddrugs: dit betekent dat geen harddrugs voorhanden mogen zijn en/of verkocht
worden;
– O: geen overlast: onder overlast kan worden verstaan parkeeroverlast rond de coffeeshops,
geluidshinder, vervuiling en/of voor of nabij de coffeeshop rondhangende klanten;
– J: geen verkoop aan jeugdigen en geen toegang voor jeugdigen tot een coffeeshop: gelet
op de toename van het cannabisgebruik onder jongeren is gekozen voor een strikte handhaving
van de leeftijdsgrens van achttien jaar;
– G: geen verkoop van grote hoeveelheden per transactie: dat wil zeggen hoeveelheden
groter dan geschikt voor eigen gebruik (= 5 gram)
– I: geen toegang voor en verkoop aan anderen dan ingezetenen van Nederland.
Het afficheringsverbod (criterium A) betekent dat het voor coffeeshops niet is toegestaan
om reclame te maken, in die zin dat een coffeeshop geen reclame maakt anders dan een
summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit. Dit verbod op affichering geldt
voor elk medium (televisie, radio, kranten, internet, reclameborden, posters, folders,
etc.). Dit betekent dus ook dat geen enkele vorm van online reclame is toegestaan,
niet op sociale media en ook niet op websites. Indien dit wel het geval is, dan kan
het Openbaar Ministerie besluiten tot vervolging over te gaan. De gemeente stelt binnen
de kaders van de Opiumwet en de Aanwijzing Opiumwet ook lokaal coffeeshopbeleid op
waarin de AHOJGI-criteria en aanvullende voorwaarden kunnen worden opgenomen. Nagenoeg
alle gemeenten hebben de handhaving op het afficheringsverbod opgenomen in hun lokale
beleid.2 Dat houdt in dat de burgemeesters van deze gemeenten ook bestuursrechtelijk kunnen
handhaven bij een overtreding van het afficheringsverbod.
Vraag 3
Herkent u het beeld uit het artikel in De Telegraaf dat coffeeshops online structureel
reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten, terwijl fysieke reclame streng
wordt gehandhaafd?
Antwoord 3
Navraag bij zowel de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) als verschillende gemeenten
wijst uit dat coffeeshops niet structureel online reclame maken voor softdrugs en
cannabisproducten. De consequenties van het overtreden van de AHOJGI-criteria kunnen
ernstig zijn en leiden tot het schorsen of definitief intrekken van de exploitatievergunning
en de gedoogverklaring. Mede door deze ernstige consequenties houden coffeeshops zich
in het algemeen strikt aan de voorwaarden.
Vraag 4
Deelt u de opvatting dat online reclame voor softdrugs door coffeeshops, al dan niet
via eigen websites, in strijd is met het geldende gedoogbeleid, ook als deze reclame
niet expliciet gericht is op minderjarigen?
Antwoord 4
Zoals in het antwoord onder vraag 2 opgenomen, stelt het gedoogbeleid strikte criteria
aan de verkoop van softdrugs. In de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie
is vastgelegd onder welke voorwaarden de verkoop van softdrugs wordt gedoogd door
het openbaar ministerie (de AHOJGI-criteria). De gemeente kan vervolgens binnen de
kaders van de Opiumwet en de Aanwijzing Opiumwet lokaal coffeeshopbeleid opstellen
waarin de AHOJGI-criteria zijn opgenomen en aanvullende voorwaarden kunnen worden
gesteld.
Het verbod op affichering geldt in zijn algemeenheid en dus niet alleen als de reclame
expliciet gericht is op minderjarigen. Overtreding van dit criterium betekent dan
ook dat zowel de burgemeester bestuursrechtelijk kan handhaven op basis van het gemeentelijke
coffeeshopbeleid als het openbaar ministerie kan vervolgen op basis van artikel 3b
Opiumwet.
Vraag 5
Hoe beoordeelt u het risico dat minderjarigen via sociale media worden geconfronteerd
met online reclame voor softdrugs, zoals beschreven in het Telegraaf-artikel?
Antwoord 5
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3 herkennen wij het beeld niet dat coffeeshops
structureel online reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten. Daarom beoordelen
wij het risico op dit moment als laag. Mochten wij in de toekomst signalen ontvangen
van de VNG of individuele gemeentes dat de situatie verandert dan zullen wij het risico
opnieuw beoordelen en, indien nodig, passende maatregelen verkennen.
Vraag 6
Bent u bekend met signalen dat gemeenten moeite hebben met de handhaving van het online
reclameverbod voor coffeeshops, ondanks dat dit verbod juridisch duidelijk is?
Antwoord 6
Zoals onder vraag 3 weergegeven, zijn ons geen signalen bekend dat coffeeshops structureel
online reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten. Wel zien we dat het handhaven
op online uitingen uitdagend kan zijn voor gemeenten, bijvoorbeeld omdat het lastig
is te achterhalen wie er achter de online reclame zit en dat de reclame snel verwijderd
kan worden en op een andere plek geplaatst kan worden. Indien een coffeeshop online
reclame maakt, kan de gemeente op basis van het lokale beleid bestuursrechtelijk handhaven.
Hierbij kan de gemeente in het uiterste geval de exploitatievergunning en de gedoogverklaring
schorsen of definitief intrekken.
Vraag 7
Deelt u de zorg dat het uitblijven van effectieve handhaving van online reclame de
geloofwaardigheid van het gedoogbeleid ondermijnt en daarmee de gezondheid van tieners
(en volwassenen) in gevaar brengt?
Antwoord 7
Zie het antwoord op vraag 3. Wij herkennen niet dat coffeeshops op grote schaal online
reclame maken voor hun producten en dat hiermee de geloofwaardigheid van het gedoogbeleid
wordt ondermijnd. Bij afwezigheid van online reclame door coffeeshops op grote schaal
is er ook geen extra gevaar voor de gezondheid van tieners en volwassenen.
Vraag 8
Welke instrumenten hebben gemeenten momenteel tot hun beschikking om op te treden
tegen online reclame door coffeeshops, en acht u deze instrumenten voldoende effectief?
Antwoord 8
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2 stelt een gemeente binnen de landelijke
kaders eigen coffeeshopbeleid vast waarin de AHOJGI-criteria en eventueel aanvullende
criteria worden opgenomen. De AHOJGI- criteria vormen daarmee een onderdeel van het
lokale coffeeshopbeleid en kunnen worden opgenomen als voorwaarden bij een exploitatievergunning
of een gedoogverklaring voor een coffeeshop. Dit betekent dat bij niet-naleving van
deze criteria de burgemeester bestuursrechtelijk kan handhaven omdat niet aan de voorwaarden
voor de vergunning wordt voldaan. Gemeenten leggen in het gemeentelijke handhavingsbeleid
vast welke maatregelen zij kunnen nemen indien coffeeshops zich niet houden aan de
voorwaarden. In het uiterste geval kan de burgemeester de exploitatievergunning en
gedoogverklaring van een coffeeshop schorsen of intrekken. Daarnaast kan het openbaar
ministerie tot vervolging overgaan op basis van artikel 3b Opiumwet. Hierover vindt
afstemming plaats in de lokale driehoek.
Inmiddels zijn er handhavingsverzoeken ingediend bij het college van burgemeester
en wethouders van de gemeente Amsterdam. Het is aan de burgemeester om op deze handhavingsverzoeken
te reageren.
Vraag 9
Kunt u gemeenten landelijk ondersteunen of faciliteren bij de handhaving van het online
reclameverbod voor coffeeshops? Bijvoorbeeld door landelijke richtlijnen, expertise
of samenwerking met andere instanties?
Antwoord 9
Navraag bij VNG en individuele gemeenten leert dat er geen behoefte is aan landelijke
richtlijnen of ondersteuning op dit gebied. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag
3 is het afficheringsverbod voor gemeenten voldoende helder en houden coffeeshops
zich in het algemeen aan de voorwaarden. Indien een coffeeshop zich niet aan de voorwaarden
houdt, kan de burgemeester overgaan tot bestuursrechtelijke handhaving.
Vraag 10
Ziet u een rol voor landelijke toezichthouders bij het tegengaan van online reclame
voor softdrugs door coffeeshops? Bent u bereid met sociale-mediaplatforms het gesprek
aan te gaan om te voorkomen dat coffeeshops reclame maken voor drugs via de sociale
media?
Antwoord 10
Waar het gaat om online reclame voor softdrugs door coffeeshops is het aan de gemeente
om bestuursrechtelijke sancties op te leggen aan een coffeeshop, dan wel aan het openbaar
ministerie om een coffeeshop te vervolgen.
Daarnaast moeten onlineplatforms op grond van de Europese Digital Services Act maatregelen
nemen om illegale content tegen te gaan. In het algemeen geldt dat alle reclame voor
drugs illegale content is en ik ben actief bezig met de aanpak hiervan. In deze aanpak
zoeken wij samen met andere ministeries geregeld de dialoog met sociale-media platformen
op. Afgelopen jaren is een publiek-private samenwerking onder neutraal voorzitterschap
van het Platform van de InformatieSamenleving (ECP) opgezet, waarin publieke en private
partijen bijeenkomen om uitdagingen, zorgen en ontwikkelingen op het gebied van online
content met elkaar te bespreken.3 Deze dialoog ondersteunt de aanpak van diverse vormen van schadelijke en illegale
online content.
Verder houdt de Autoriteit Consument en Markt (ACM) toezicht op de naleving van de
Digital Services Act voor tussenhandeldiensten met een hoofdvestiging in Nederland.
Een platform moet volgens de DSA passende en evenredige maatregelen nemen om de bescherming
van minderjarigen voldoende te waarborgen. De ACM heeft in dat kader een onderzoek
geopend naar Snapchat in verband met de handel van vapes aan minderjarigen. De ACM
onderhoudt hierbij nauw contact met de Europese Commissie, omdat Snapchat is aangemerkt
als Very Large Online Platform (VLOP) en daardoor onder rechtstreeks toezicht van
de Europese Commissie valt. Ik volg de uitkomsten van het onderzoek van de ACM met
interesse.
Ook wordt de internationale samenwerking opgezocht met andere landen om problemen
met jurisdictie te ondervangen en elkaars ervaringen te delen. Hierbij wordt ook gekeken
naar de mogelijkheid tot publiek-private samenwerking, onder andere op Europees niveau
met internetproviders om zo de uitdagingen – van de online verkoop van verboden middelen
– gezamenlijk te adresseren.
Tot slot is het goed om te benadrukken dat het kabinet investeert in de opsporing
van gedigitaliseerde criminaliteit. Deze investering zal ook de handhaving van de
online verkoop van drugs ten goede komen.
Vraag 11
Op welke wijze wordt binnen het kabinet samengewerkt tussen de Ministeries van Justitie
en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport op dit dossier, gezien de raakvlakken
met zowel handhaving als jeugd- en preventiebeleid?
Antwoord 11
De Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport werken
intensief samen op het gebied van drugsbeleid in het algemeen en op het coffeeshopbeleid
in het bijzonder. Dit gaat om zowel het reguliere coffeeshopbeleid als het Experiment
gesloten coffeeshopketen. In de Kamerbrief inzake het drugsbeleid, die 22 mei vorig
jaar aan uw Kamer is gestuurd, wordt verder ingegaan op de samenwerking op het gebied
van preventie en handhaving van drugs in het algemeen.4
Vraag 12
Bent u bereid te bezien of aanvullende landelijke maatregelen of verduidelijkingen
nodig zijn om te voorkomen dat het reclameverbod voor coffeeshops online een dode
letter blijft, zoals geschetst in het Telegraaf-artikel?
Antwoord 12
Wij achten aanvullende landelijke maatregelen of verduidelijkingen niet nodig aangezien
het afficheringsverbod voor coffeeshops voldoende helder is en gemeenten dan wel het
OM kunnen optreden indien een coffeeshop zich hier niet aan houdt.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.