Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg inzake verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (Kamerstuk 31497-510)
2026D08634 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties
behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Langdurige
Zorg, Jeugd en Sport over de brief van 5 februari 2026 inzake Verbeteraanpak Zorg
in Onderwijstijd (Kamerstuk 31 497, nr. 510).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Sjerp
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
II.
Reactie van de Minister
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake Verbeteraanpak
Zorg in Onderwijstijd (ZiO) en de voortgang van de maatregelen om onderwijs, jeugdhulp
en langdurige zorg beter te integreren op cluster 3 en 4 scholen.
De leden van de D66-fractie waarderen de inspanningen van het kabinet om versnippering
van zorg en ondersteuning in scholen te verminderen en het proces voor ouders en leerlingen
te vereenvoudigen. Zij vragen hoe de Minister waarborgt dat het collectieve aanbod
van zorg en ondersteuning in scholen flexibel genoeg blijft om tegemoet te komen aan
de specifieke behoeften van individuele leerlingen zonder dat dit de collectieve voordelen
ondermijnt.
De leden van de D66-fractie vragen in dat verband of de Minister bereid is te borgen
dat afspraken over samenwerking en contractering van jeugdhulp en Wlz-zorg binnen
cluster 3 en 4 minimaal op regionaal niveau en bindend worden vormgegeven, gelet op
de regionale functie van deze scholen en zorgaanbieders. Tevens vragen zij of de Minister
voornemens is heldere landelijke kaders te stellen die in iedere regio de beschikbaarheid
en collectieve financiering van ZiO waarborgen, zodat administratieve lasten verminderen
en zorg beter kan worden geïntegreerd in het onderwijs.
De leden van de D66-fractie vragen tevens hoe de Minister toeziet op de effectieve
samenwerking tussen samenwerkingsverbanden, gemeenten en zorgkantoren, en welke maatregelen
genomen worden om te voorkomen dat regionale verschillen leiden tot ongelijke toegang
tot zorg en ondersteuning voor leerlingen in verschillende delen van het land.
De leden van de D66-fractie benadrukken dat Ernstig Meervoudig Beperkte (EMB) leerlingen
afhankelijk zijn van structurele en goed georganiseerde ondersteuning in de klas.
Continuïteit van zorg is essentieel om hun ontwikkeling, leerproces en welzijn te
waarborgen. De leden van de D66-fractie vragen hoe de Minister de zorg voor Ernstig
Meervoudig Beperkte (EMB) leerlingen na 2026 waarborgt, gezien de tijdelijke looptijd
van de huidige regeling.
Tot slot vragen de leden van de D66-fractie hoe de verbeteraanpak zich verhoudt tot
de bredere ambitie van inclusief onderwijs. Op welke wijze wordt ZiO niet alleen binnen
het gespecialiseerd onderwijs, maar ook in het regulier onderwijs structureel en collectief
verankerd, zodat ondersteuning daadwerkelijk in de klas beschikbaar is en niet afhankelijk
blijft van lokale convenanten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief inzake
Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Genoemde leden stellen de volgende vragen aan
de Minister.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de ervaringen met zorgarrangeurs overwegend
positief zijn, al zijn er nog punten waarop verbetering nodig zijn. Kan de Minister
aangeven of zij toepassing van de zorgarrangeur breder in de zorg van toegevoegde
waarde acht? Zo ja, waar denkt zij dat de zorgarrangeur kan bijdragen aan de werking
van het zorgstelsel? Zo nee, waarom niet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met teleurstelling de brief over de
Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd gelezen. Genoemde leden hadden gehoopt dat er
meer verregaande en concretere stappen genomen zouden worden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd naar de ambities van het kabinet
als het gaat om de route naar inclusief onderwijs. Staat de doelstelling nog dat in
2035 verreweg de meeste scholen de overstap naar inclusief onderwijs hebben gemaakt?
Gebeurt er voldoende om dit doel te halen? Hoe dragen de ambities in deze brief bij
aan het terugdringen van het aantal kinderen dat thuiszit of een vrijstelling heeft
onder 5b?
Kan de Minister reflecteren op de tien maatregelen die in november 2018 door de toenmalige
bewindspersonen van VWS en OCW samen zijn opgesteld en als doel hadden om kinderen
die zorg nodig hebben meer onderwijskansen te bieden? Waar staan we nu? Kan de Minister
dit voor de tien maatregelen afzonderlijk beschrijven? Vindt de Minister dat de afgelopen
jaren voldoende is gedaan om de ambities die destijds zijn uitgesproken te halen?
Staan deze ambities nog steeds? Zo ja, wat gaat de Minister extra doen, gezien het
feit dat het aantal kinderen dat thuiszit zonder passend onderwijs is gestegen, net
als het aantal vrijstellingen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat zowel in de Jeugdwet als in de onderwijswetgeving
zal worden geregeld dat gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren
overleg voeren over het zoveel mogelijk in samenhang aanbieden van onderwijsondersteuning,
langdurige zorg en jeugdhulp op gespecialiseerde scholen (cluster 3 en 4). Genoemde
leden zijn positief dat wettelijk geregeld wordt dat er overleg gevoerd moet worden.
Zij vragen zich wel af of enkel dit genoeg is om er echt voor te zorgen dat zorg in
de onderwijstijd verbeterd wordt. Kan de Minister hierop reflecteren en aangeven hoe
zij denkt dat dit alle knelpunten zal oplossen? Kan de Minister ook aangeven wat de
gevolgen zijn voor de administratieve lasten en de tijd die gaat zitten in de coördinatie
en daarmee ook de kosten? Zijn er kwalitatieve of kwantitatieve gegevens over de tijd
die professionals kwijt zijn aan overleg, administratie en coördinatie in verhouding
tot de tijd die zij hebben om leerlingen te ondersteunen? Ook zijn deze leden benieuwd
hoe ouders of een vertegenwoordiging van ouders betrokken worden bij het maken van
bestuurlijke afspraken over zorg in onderwijstijd? Op welke manier worden schoolbesturen,
schoolteams en zorgaanbieders betrokken bij deze afspraken? Zijn zij rechtstreeks
partner bij de afspraken? Aangezien zij het beste in staat zijn te bepalen wat nodig
is, in samenspraak met ouders en leerlingen? Worden afspraken die worden gemaakt tussen
gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren openbaar gemaakt?
Hoe bindend zijn de afspraken die worden gemaakt? Deze leden lezen ook dat wordt aangemoedigd
dat afspraken zo veel mogelijk op regionaal niveau worden gemaakt, waarom is er niet
voor gekozen voor enkel regionale afspraken? Op welke manier wordt geborgd dat de
wensen van leerlingen zelf kunnen worden meegenomen?
Kan de Minister ingaan op de afzonderlijke taken en verantwoordelijkheden van scholen,
gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren? Waar ligt de
uiteindelijke verantwoordelijkheid dat een kind naar school kan met de benodigde zorg?
Hoe voorkomt de Minister dat naar elkaar gewezen kan worden zonder dat er een oplossing
komt?
Wie is verantwoordelijk als een kind hulpmiddelen nodig heeft om onderwijs te krijgen,
zoals een aangepaste stoel, spraakhulpmiddelen of audiovisuele hulpmiddelen? Is dat
de school, het samenwerkingsverband, de gemeente of het zorgkantoor? Kan de Minister
dit aan de hand van een voorbeeld toelichten? Waar ligt de eindverantwoordelijkheid
voor voldoende aangepast lesmateriaal voor kinderen met een beperking of specifieke
ondersteuningsbehoefte?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er ruimte voor maatwerk blijft met
een individueel persoonsgebonden budget (pgb). Hoe wordt deze ruimte voor maatwerk
geborgd binnen deze aanpak als collectieve zorg niet passend is? Wanneer wordt collectieve
zorg «niet passend» geacht? Is het binnen deze aanpak mogelijk om afspraken te maken
over de «passendheid» van collectieve zorg op scholen, bijvoorbeeld in het handelingsdeel
van een toelaatbaarheidsverklaring (TLV)? Hebben ouders daar instemmingsrecht op?
Genoemde leden krijgen signalen dat ouders zich zorgen maken over het beschikbaar
maken van jeugdhulp in onderwijs als vrij toegankelijke voorziening. Kan de Minister
uitleggen hoe de rechten van deze ouders geborgd zijn bij een vrij toegankelijke voorziening?
Hoe wordt geborgd dat er voldoende pgb voor zorg thuis overblijft bij een collectieve
inzet op school, ook als een kind om bepaalde redenen niet naar school kan? Hoe zal
geborgd worden dat een ouder niet aansprakelijk gesteld gaat worden als een deel van
het budget dat overgeheveld wordt voor zorg in onderwijstijd niet besteed wordt aan
de zorg van het kind, omdat die door ziekte niet op school aanwezig kan zijn of omdat
er van meer weken zorg tijdens onderwijstijd wordt uitgegaan dan het aantal lesweken
per jaar? Deze leden stellen deze vragen naar aanleiding van zorgen van ouders.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de huidige EMB-bekostiging wordt
verlengd tot en met 2026. Daarmee wordt een acuut probleem opgelost, maar is er nog
steeds onzekerheid en onduidelijkheid voor de toekomst. Wat zal er na 2026 gebeuren?
Waarom wordt er geen structurele oplossing geboden? In 2025 is de motie Westerveld1 aangenomen over landelijke aanmelding en bekostiging van EMB-leerlingen via het Rijk.
Hoe is deze motie uitgevoerd? Waarom wordt de route van landelijke aanmelding en bekostiging
niet ingezet, aangezien dit duidelijkheid en stabiliteit zal geven voor ouders en
scholen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Minister met deze brief de aangenomen
motie2 van de leden Kwint en Westerveld als afgedaan ziet. Deze leden zien echter niet helemaal
in de brief de relatie met toelaatbaarheidsverklaringen (TLV), waar expliciet in de
motie om gevraagd werd. Kan de Minister dit nog nader verduidelijken? De leden vragen
dit omdat zij nog steeds signalen krijgen van ouders dat er problemen zijn met TLV’s.
Tenslotte zijn deze leden ook benieuwd naar de samenhang tussen regulier en gespecialiseerd
onderwijs. Zij maken zich al jaren sterk voor een groei van plekken waar beide gecombineerd
worden, zoals bijvoorbeeld bij Samen naar Schoolklassen. Kan de Minister uitleggen
waarom er niet gekozen is om bijvoorbeeld ook verplicht regionale afspraken te maken
over de inzet van zorg binnen het regulier onderwijs, zodat er tot duurzame (financiële)
borging gekomen kan worden van initiatieven als Samen naar Schoolklassen en andere
innovatieve oplossingen voor zorg in regulier onderwijs?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie danken de voormalige Staatssecretarissen VWS en OCW voor
het verstrekken van het evaluatieonderzoek naar de zorgarrangeurs, de eindevaluatie
van het experiment Wlz-zorg in onderwijstijd en de brief over de Verbeteraanpak Zorg
in Onderwijstijd (ZiO).
Deze leden constateren dat zowel uit de evaluatie van de zorgarrangeurs als uit de
eindevaluatie van het Wlz-experiment blijkt dat knelpunten rond organisatie en financiering
van zorg in onderwijstijd hardnekkig zijn. Tegelijkertijd worden verschillende instrumenten
voortgezet of beëindigd. Daarover hebben de leden van de PVV-fractie enkele vragen.
In de brief wordt een wetswijziging aangekondigd die overleg en samenwerking tussen
gemeenten, samenwerkingsverbanden en zorgkantoren verplicht stelt, inclusief een geschillenregeling.
De leden van de PVV-fractie vragen wat het beoogde tijdpad voor indiening en inwerkingtreding
is van deze wetswijziging. Ook vragen deze leden hoe wordt gemonitord of de verplichte
overlegstructuur daadwerkelijk leidt tot concrete regionale afspraken. De leden van
de PVV-fractie vragen de Minister welke sancties of interventiemogelijkheden bestaan
indien partijen niet tot afspraken komen, ondanks de geschillenregeling. Ook vragen
genoemde leden op welke wijze de evaluatie vijf jaar na inwerkingtreding wordt vormgegeven.
Voor cluster 1 en 2 wordt aangesloten bij het Landelijk Transitiearrangement (LTA).
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister wat de looptijd is van deze tijdelijke
werkwijze. Ook vragen deze leden op welke wijze wordt beoordeeld of het LTA daadwerkelijk
leidt tot verbeterde toegankelijkheid en minder bureaucratie voor cluster 1 en 2-scholen.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister of parallel wordt onderzocht of op
langere termijn een structurele integrale financieringsoplossing mogelijk is.
De EMB-regeling blijft tot en met 2026 gehandhaafd. De leden van de PVV-fractie vragen
wat er gebeurt na 2026 met de middelen die nu via de EMB-regeling beschikbaar worden
gesteld. Deze leden vragen tevens of voorafgaand aan het aflopen van de regeling een
evaluatie wordt uitgevoerd en zo ja, wanneer de Kamer deze ontvangt.
De leden van de PVV-fractie constateren dat meerdere trajecten naast elkaar lopen:
zorgarrangeurs, wetswijziging, LTA, EMB-regeling en beëindiging van het Wlz-experiment.
Deze leden vragen de Minister in één overzicht te schetsen hoe deze instrumenten zich
tot elkaar verhouden in termen van doel, doelgroep, financieringsstroom en tijdpad.
De leden van de PVV-fractie vragen ook wie uiteindelijk stelselverantwoordelijkheid
draagt voor de samenhang tussen onderwijs, Jeugdwet en Wlz in onderwijstijd.
De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de reactie
van het veld op de brief inzake Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Naar aanleiding
hiervan hebben deze leden de volgende aanvullende vragen. De reactie stelt dat de
voorgestelde verbeteraanpak onvoldoende structureel is en ruimte laat voor blijvende
rechtsongelijkheid tussen regio’s. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister
hoe zij voorkomt dat kinderen afhankelijk blijven van regionale bestuurlijke bereidheid
in plaats van landelijke borging van rechten.
De leden vragen waarom, ondanks herhaalde signalen uit evaluaties en praktijk, niet
wordt gekozen voor een structurele, collectieve financieringsoplossing voor zorg in
onderwijstijd over domeinen heen. Welke inhoudelijke of financiële belemmeringen staan
een dergelijke oplossing volgens de Minister in de weg?
De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt geborgd dat schoolbesturen en zorgaanbieders
binnen cluster 3 en 4 daadwerkelijk volwaardig en rechtstreeks betrokken worden bij
regionale afspraken, zoals in de reactie wordt bepleit, en waarom dit niet expliciet
wettelijk wordt vastgelegd.
Ten aanzien van de EMB-leerlingen vragen de leden van de PVV-fractie waarom opnieuw
is gekozen voor verlenging van een tijdelijke regeling, terwijl de Kamer eerder heeft
uitgesproken te willen komen tot landelijke, structurele bekostiging. Wanneer kunnen
scholen en ouders duidelijkheid verwachten over een definitieve oplossing?
Genoemde leden vragen hoe de Minister reflecteert op het beëindigen van het experiment
Wlz-zorg in onderwijstijd, terwijl dit experiment juist werd gezien als een noodzakelijke
stap richting collectieve financiering. Waarom is geen alternatief instrument geïntroduceerd
om deze beweging voort te zetten?
Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie hoe de verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd
zich verhoudt tot de bredere ambitie richting inclusief onderwijs. Welke concrete
stappen worden gezet om te voorkomen dat ZiO beperkt blijft tot het gespecialiseerd
onderwijs en niet structureel wordt geborgd in het regulier onderwijs.
De leden van de PVV-fractie zien uit naar de beantwoording van de gestelde vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie maken graag gebruik van de mogelijkheid aanvullende vragen
te stellen over de brief inzake Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Genoemde leden
willen specifiek ingaan op de voorstellen die in de brief worden genoemd om de samenwerking
te verbeteren tussen verschillende organisaties die betrokken zijn bij zorg in onderwijstijd.
De Minister stelt dat een samenwerkingsverband zorgt voor het realiseren van een dekkend
aanbod van ondersteuningsvoorzieningen. Vervolgens is de gemeente aan zet voor het
aanbieden van jeugdhulp en het zorgkantoor voor langdurige zorg voor leerlingen met
een Wlz-indicatie. Kan de Minister uiteenzetten of er overlap kan zitten tussen ondersteuningsvoorzieningen
vanuit het samenwerkingsverband en vanuit de gemeente? Is hier een duidelijke afbakening
tussen? Of verschilt dit per school en per samenwerkingsverband?
Zowel in de Jeugdwet als in de onderwijswetgeving zal worden geregeld dat gemeenten,
samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren overleg voeren over het zoveel
mogelijk in samenhang aanbieden van onderwijsondersteuning, langdurige zorg en jeugdhulp
op gespecialiseerde scholen (cluster 3 en 4). De leden van de CDA-fractie vinden dit
een goed voornemen en begrijpen dat hiermee de onrust in de klas (door verschillende
zorg en hulpverleners) kan worden tegengaan.
In de brief stelt de Minister dat de langdurige zorg een verzekering is met individuele
aanspraken die na een indicatie, individueel kunnen worden ingezet. Daarom willen
deze leden graag meer uitleg over hoe deze twee uitersten, zoveel als mogelijk in
samenhang aanbieden van ondersteuning, zich tot elkaar verhouden? Hoe werkt dit in
praktijk uit als ouders staan op dit individuele recht of inzet via een pgb? Gezien
het feit dat het NZa experiment Wlz zorg in onderwijstijd niet geslaagd is vragen
deze leden zich of hieruit lessen te trekken zijn om meer «collectieve zorg» op cluster
3 en 4 scholen te organiseren.
De betrokken partijen worden aangemoedigd afspraken zo veel mogelijk op regionaal
niveau te maken, en bij voorkeur collectief te organiseren en financieren. Dit vinden
deze leden een begrijpelijk uitgangspunt maar hoe wil de Minister vervolgens regelen
dat er duidelijkheid is tussen de afbakening per regio? Bij welke regio-indeling wordt
er aangesloten? De Minister is voornemens dit voorstel op te nemen in het wetsvoorstel
Reikwijdte Jeugdhulp, gezien de noodzaak voor verbetering op een zo kort mogelijke
termijn. In welke onderwijswetgeving wil de Minister bovenstaande opnemen? Hoe verhoudt
het convenant «stevige lokale teams» zich tot de Reikwijdtewet?
In de brief lezen de leden van de CDA-fractie dat in het convenant is opgenomen dat
schoolbesturen en gemeenten afspraken maken over de inzet en de aanwezigheid van het
lokale team op school voor ondersteuning in de context van de school. Het doel hiervan
is zoveel mogelijk kinderen in de reguliere omgeving onderwijs te laten volgen. Wat
is de huidige stand van zaken van dit convenant? Worden er concrete afspraken gemaakt
om zoveel mogelijk kinderen regulier onderwijs te laten volgen.
Het verlengen van de huidige EMB-bekostiging tot en met 2026 voorkomt een acuut probleem
maar schuift de structurele oplossing opnieuw vooruit. De leden van de CDA-fractie
zijn geïnteresseerd welke structurele oplossing(en) de Minister voor zich ziet. Ziet
de Minister hierbij een rol voor de samenwerkingsverbanden? De groep leerlingen met
ernstig meervoudige beperkingen is toch een duidelijke en afgebakende doelgroep?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake de Verbeteraanpak
Zorg in Onderwijstijd. Deze leden hebben geen vragen aan de Minister.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van
de Minister. Deze leden zijn blij dat na vele jaren van moeitevolle afstemming en
onduidelijkheid eindelijk stapjes gezet kunnen worden om de afstemming tussen zorg
en onderwijs te verbeteren. Zij hopen op een voortvarende uitvoering van de voornemens,
die tot duidelijke kaders en aanspraken moeten leiden.
De leden van de SGP-fractie vragen een toelichting op de positie van schoolbesturen
in de beoogde gezamenlijke afspraken over collectieve financiering. Deze leden lezen
in de brief dat vooral gemeenten, zorgkantoren en samenwerkingsverbanden in overleg
moeten treden, terwijl de verantwoordelijkheid voor het daadwerkelijk organiseren
van zorg voor de leerling berust bij het bevoegd gezag van de scholen. Wat is binnen
de voorgestelde ontwikkeling hun positie in het samenwerkingsverband en ten opzichte
van externe partners zoals gemeenten en zorgkantoren en de afspraken die gemaakt worden?
De leden van de SGP-fractie merken op dat de voorgestelde aanpassingen van de wetgeving
in de brief specifiek betrekking hebben op gespecialiseerde scholen. Deze leden vragen
een toelichting op deze beperking. Waarom worden reguliere scholen, zeker in het licht
van de inzet op inclusiever onderwijs, op voorhand buiten beschouwing gelaten als
het gaat om de afstemming met de Jeugdwet en de Wlz?
De leden van de SGP-fractie zouden graag meer duiding ontvangen van de inhoud van
de wettelijke aanpassingen. De brief lijkt te suggereren dat enkel een algemene overlegplicht
voor de betrokken partijen wordt geregeld. Daarmee bestaat het risico dat nog steeds
onvoldoende duidelijke kaders en afspraken worden gecreëerd en dat basale aanspraken
in sommige regio’s niet gerealiseerd kunnen worden. Deze leden vragen een nadere toelichting.
Het is de leden van de SGP-fractie nog niet duidelijk hoe binnen de beoogde collectieve
financiering de verhouding is tussen de zorg die nu bijvoorbeeld op basis van de Wlz
op school wordt verleend en in de thuissituatie. Deze leden wijzen erop dat in de
afgelopen jaren vaak een spanning bestond tussen de behoefte van ouders om een indicatie
zoveel mogelijk te benutten voor de ondersteuning thuis en dat scholen aanspraak wilden
maken op (een deel van) het budget om de ondersteuning in de klas te financieren.
In hoeverre gaat de wetswijzigingen hierover duidelijkheid scheppen en wordt in ieder
geval de noodzaak en de mogelijkheid van schimmige constructies vermeden?
De leden van de SGP-fractie vragen de Minister in te gaan op de samenhang tussen de
Leerplichtwet en de bekostiging van zorg in onderwijs. Zij wijzen erop dat de kaders
en de uitvoering van de Leerplichtwet ook een belangrijke schakel vormen als het gaat
om de mogelijkheid om (collectieve) financiering van zorg in onderwijs te kunnen realiseren.
Kan de Minister aangeven welke concrete knelpunten zij ziet op dit snijvlak en welke
oplossingen hiervoor voorgesteld worden? Op welke wijze en wanneer wordt voorzien
in een duidelijker regeling om op betrouwbare en professionele wijze vast te stellen
in hoeverre een kind in staat is onderwijs te volgen en om volledige vrijstellingen
tot het minimale te beperken?
Naar aanleiding van «Positie clusters 1 en 2». De leden van de SGP-fractie delen de
constatering dat de voorgenomen wetsaanpassingen niet passend zijn voor de clusters
1 en 2. Deze leden vragen of de Minister kan bevestigen dat er geen voornemens zijn
om de status van deze clusters aan te passen, gezien de bijzondere, specialistische
aard van de ondersteuning.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de Minister in de brief ten aanzien van
de clusters 1 en 2 enkel ingaat op de afstemming tussen de financiering op basis van
de Jeugdwet en het onderwijs en dat de afstemming tussen de Wlz en het onderwijs buiten
beschouwing blijft. Zij vragen een toelichting op de afstemming tussen de Wlz en het
onderwijs voor de clusters 1 en 2. Ziet de Minister ook de wenselijkheid om voor deze
clusters collectieve financiering mogelijk te maken op grond van de Wlz?
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruik om enkele vragen
te stellen over de brief van de voormalige Staatssecretarissen van VWS en OCW over
de Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (ZiO).
Kan worden aangegeven hoe de in deze brief geschetste verbeteraanpak overeenkomt met
de aanpak die in de Kamerbrief van juli 2023 is geschetst (Kamerstuk 31 497, nr. 466)? Wat zijn de resultaten geweest van de acties uit deze eerdere brief?
Ten aanzien van de aanpassing van wetgeving voor cluster 3 en 4 zien de leden van
de ChristenUnie-fractie dat dit een stap in de goede richting is om meer samenwerking
en afstemming af te dwingen. Tegelijk maken deze leden zich zorgen over de slagkracht
en effectiviteit van een lokaal overleg met lokale scholen. Ziet de Minister ook dat
schoolbesturen met mandaat (die geregeld gemeenteoverstijgend actief zijn) aan tafel
dienen te zitten om het overleg effectief te laten zijn? En op welke manier kan afgedwongen
worden dat er regionaal wordt overlegd omdat cluster 3 en 4 onderwijs de lokale setting
meestal overstijgt? Heeft de Minister dit overwogen? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van het stimuleren van bestuurlijke afspraken op regionaal of lokaal niveau
voor cluster 3 en 4, vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of is overwogen om
het maken van afspraken te verplichten. Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen? Zo
nee, waarom niet?
Ten aanzien van de bekostiging voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking
vinden de leden van de ChristenUnie-fractie het teleurstellend dat er nog steeds geen
structurele oplossing is. Is de Minister voornemens om daar wel aan te werken?
De leden van de ChristenUnie-fractie houden vast aan de ambitie om Zorg in Onderwijstijd
ook in het regulier onderwijs te introduceren en te borgen. Heeft de Minister deze
ambitie ook, zo vragen deze leden.
Tot slot vragen de leden van de ChristenUnie-fractie welke impact wordt verwacht van
deze verbeteraanpak ten aanzien van thuiszitters. Worden zij met de voorgestelde aanpak
uiteindelijk beter begeleid en naar onderwijs geleid?
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de brief inzake Verbeteraanpak
Zorg in Onderwijstijd. Genoemde leden hebben op dit moment geen nadere vragen of opmerkingen
aan de Minister.
II. Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.