Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde agenda informele OJCS-raad cultuur op 6 maart 2026 (Kamerstuk 21501-34-452)
2026D08404 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben enkele fracties
de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brieven van de:
• Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 12 februari 2026 inzake de Geannoteerde
agenda informele OJCS-raad cultuur op 6 maart 2026 (Kamerstuk 21 501-34-452);
• Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 13 januari 2026 inzake Verslag
van de OJCS-raad voor de onderdelen onderwijs en cultuur van 27 en 28 november 2025
(Kamerstuk 21 501-34-449);
• Minister van Buitenlandse Zaken, d.d. 19 december 2025 inzake Fiche: Mededeling Europees
cultuur kompas (Kamerstuk 22112-4226);
• Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 4 december 2025 inzake Verslag
informele OJCS-raad cultuurdeel van 3–4 november 2025 (Kamerstuk 21 501-34-448).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Bromet
Adjunct-griffier van de commissie,
Bosnjakovic
Inhoud
I
Vragen en opmerkingen uit de fracties
•
Inbreng van de leden van de D66-fractie
•
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
•
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
•
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
II
Reactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de informele OJCS-raad
op 6 maart 2026. Deze leden hebben op het moment geen vragen.
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
de onderhavige geannoteerde agenda van de informele raad voor cultuur die het Cypriotische
EU-voorzitterschap op 6 maart 2026 organiseert in Nicosia. Deze leden hechten aan
een kunst- en cultuursector als vrijplaats voor afwijkende meningen, zonder sturing
van bovenaf of door buitenlandse techmiljardairs. Deze leden wensen dat musea, podia
en andere cultuurinstellingen in staat zijn en blijven om actief en gericht specifieke
groepen te laten kennismaken met kunst en cultuur, zoals jongeren, ouderen en nieuwkomers
en zij vinden dat Nederland roofkunst, bijvoorbeeld uit voormalig Nederlands Indië
moet teruggeven, zodra het land van herkomst maar in staat is om deze roofkunst goed
te conserveren. In hoeverre deelt de nieuwe Minister voor cultuur deze attitude?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de ambtsvoorganger van de nieuwe
Minister bij de bescherming van culturele rechten benoemde als Nederlandse inzet het
recht om cultuur te maken, de vrijheid van artistieke expressie en de bevordering
van toegankelijkheid van cultuur als fundamenteel onderdeel van onze cultuur. Deze
leden waarderen deze inzet en hopen op brede steun van de lidstaten. Tegelijkertijd
vragen zij hoe de Minister recht wil en kan doen aan deze inzet, nu het coalitieakkoord
van de nieuwe regering geen cent extra uittrekt voor het cultuurbeleid, in een tijd
dat de prijzen stijgen, wat de cultuursector herhaaldelijk treft met «stille bezuinigingen».
Wat is de reactie van de nieuwe Minister op deze vraag?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich ernstige zorgen over de manier
waarop in Europa beledigingen en bedreigingen van kunstenaars in rap tempo normaliseren,
sommige politici met scoringsdrang nog olie op het vuur gooien en de artistieke vrijheid
zo in gevaar komt. Ook de Raad voor Cultuur heeft in zijn recente advies Maken (z)onder druk gewaarschuwd voor een oplopende maatschappelijke druk op de artistieke vrijheid,
die de afgelopen tijd werd gevoeld bij de ophef over recente kwesties en de politieke
reacties daarop.1 De vaste Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft d.d. 5 februari
2026 de Minister gevraagd om een kabinetsreactie en deze leden wachten in het bijzonder
met belangstelling af hoe de Minister reageert op de aanbeveling dat het Thorbecke-adagium
«dat de regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied der kunst»2 in de wet verankerd moet worden, bijvoorbeeld in de Wet op het specifiek cultuurbeleid.
Kan de Minister nu echter al uiteenzetten hoe zij staat tegenover het Thorbecke-adagium
en wat deze attitude moet betekenen voor de wijze waarop en de mate waarin politici
zich uitspreken over kunstuitingen? In hoeverre zal zij dit adagium ook hanteren als
richtsnoer bij haar inbreng bij de onderhavige informele raad voor cultuur?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat dat bij het tegengaan van illegale
handel in culturele goederen de inzet van de ambtsvoorganger van de nieuwe Minister
was om ervaringen te delen over het tegengaan van de illegale handel in cultuurgoederen.
De geannoteerde agenda meldt dat bij de uitvoering van het beleid speciale aandacht
gaat naar risicolanden in een lokale of regionale crisis en landen in conflict. Hierbij
worden Irak, Syrië en Oekraïne genoemd. Deze leden kunnen de aandacht voor culturele
goederen uit Oekraïne begrijpen: zij kennen berichten dat Russische militairen op
grote schaal kunstvoorwerpen weghalen uit Oekraïne en overbrengen naar de Krim. Onder
meer uit het Nationaal Historisch en Archeologisch Kamyana Mohyla Museum, nabij Zaporizja,
hebben dezen recent tal van kunstvoorwerpen geroofd. In dit museum bevinden zich duizenden
petroglyphen (rotstekeningen) die dateren uit het late paleolithicum tot de middeleeuwen.
De vindplaats wordt vaak het Stonehenge van Oekraïne genoemd en sinds 2006 streeft
het reservaat ernaar om op de Werelderfgoedlijst van UNESCO te worden geplaatst. Steunt
het kabinet Oekraïne ook in dit streven?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de inzet van het kabinet is met
betrekking tot culturele goederen uit West-Papoea. Veel waardevolle culturele goederen
van de oorspronkelijke bewoners van West Papoea, de Papoea’s, zijn – te vaak als roofkunst
– in Nederland terecht gekomen, en deze leden vragen of overdracht van zulke roofkunst
aan de Indonesische regering voldoende rekening houdt met het conflict in West-Papoea.
Wil het kabinet zich tot het uiterste inspannen om daarmee rekening te houden? In
hoeverre verbindt de nieuwe Minister aan zulke complexe conflictsituaties consequenties
voor haar inzet bij de onderhavige informele raad voor cultuur?
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda van de informele OJCS-raad.
Er staan twee onderwerpen op de agenda ten eerste het beschermen van culturele rechten
en ten tweede de noodzaak om illegale handel in culturele goederen tegen te gaan.
De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister kan toelichten of de douane voldoende
expertise heeft om te beoordelen of culturele goederen illegaal verhandeld worden.
Tevens vragen deze leden hoe deze expertise op peil wordt gehouden.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er in de uitvoering van dit beleid speciale
aandacht is voor risicolanden die verwikkeld zijn in een lokale of regionale crisis
of die in conflict zijn. Kan de Minister nader duiden waar zij op doelt met de term
«speciale aandacht»?
Tot slot lezen de leden van de CDA-fractie dat door het uitvoeren van jaarlijkse risicoanalyses
wordt bepaald aan welke handelsstromen extra aandacht moet worden gegeven. Worden
prioriteiten gezamenlijk als Europese Unie vastgesteld of bepalen landen dit zelf?
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stukken rondom de informele
OJCS-raad, onderdeel cultuur d.d. 6 maart 2026. Deze leden hebben geen vragen aan
de Minister.
II Reactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
C.H. Bosnjakovic , adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.