Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Raad voor Concurrentievermogen van 26 en 27 februari 2026 (Kamerstuk 21501-30-687)
2026D08333 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen aan
het kabinet over een drietal brieven, waaronder de Geannoteerde agenda voor de formele
Raad voor Concurrentievermogen op 26 en 27 februari 2026 (Kamerstuk 21 501-30, nr. 687).
De voorzitter van de commissie,
Michon-Derkzen
Adjunct-griffier van de commissie,
Krijger
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
II
Agenda
•
Geannoteerde agenda Raad voor Concurrentievermogen van 26 en 27 februari 2026 (brief
van de Minister van Economische Zaken, V.P.G. Karremans – 21 501-30-687)
•
Verslag Raad voor Concurrentievermogen van 8 en 9 december 2025 (brief van de Minister
van Economische Zaken, V.P.G. Karremans – 21 501-30-683)
•
BNC-fiche: RESourceEU actieplan en voorstel tot aanpassing van de verordening kritieke
grondstoffen (brief van de Minister van Buitenlandse Zaken, D.M. van Weel – 22 112-4244)
III
Antwoord/Reactie van het kabinet
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie constateren in de eerste plaats dat in het beleidsdebat
over het Europese Concurrentievermogenfonds (ECF) de koppeling met de Europese grondstoffenstrategie
en de circulaire economie niet expliciet aan de orde komt, terwijl het BNC-fiche inzake
RESourceEU er juist op wijst dat het ECF complementair moet zijn aan de doelstellingen
op het gebied van leveringszekerheid en circulariteit van kritieke grondstoffen.
Is de Minister bereid om tijdens het beleidsdebat over het ECF expliciet te pleiten
voor voldoende ruimte binnen het fonds voor financiering van strategische projecten
op het gebied van circulaire grondstoffen, recyclingcapaciteit en substitutie van
kritieke materialen, waarbij selectie plaatsvindt op basis van excellentie en impact?
De leden van de D66-fractie nemen in de tweede plaats kennis van de gedachtewisseling
over de opvolging van de industriële actieplannen in het kader van de Clean Industrial
Deal. Het kabinet stelt dat verduurzaming een stimulans voor weerbaarheid is en verwijst
naar de komende Industrial Accelerator Act (IAA). Uit het verslag van de vorige Raad
voor Concurrentievermogen blijkt dat Nederland1 reeds een non-paper over vraagcreatie voor schone producten in de chemie- en staalsector met de Europese
Commissie heeft gedeeld.
Kan het kabinet toelichten hoe het zich ervoor zal inzetten dat de IAA ambitieuze
vraagcreatie-instrumenten bevat, zodat de verduurzaming van de Europese industrie
niet langer uitsluitend afhankelijk is van aanbodgerichte subsidies, maar structureel
wordt verankerd in Europees marktbeleid?
De leden van de D66-fractie constateren vervolgens dat de complementariteit tussen
Horizon Europe (2028–2034) en het ECF, alsmede de randvoorwaarden voor Dual Use (tweeërlei gebruik) onderzoek en innovatie (O&I), nog onvoldoende zijn uitgewerkt.
De breed erkende Europese Valley of Death (Vallei des Doods, fundamenteel onderzoek dat te weinig leidt tot opschaling en markttoepassing)
dreigt juist in het grijze gebied tussen beide instrumenten voort te bestaan, in het
bijzonder bij strategische technologieën met een duaal karakter zoals ruimtevaart,
kwantumtechnologie en kunstmatige intelligentie (AI).
Hoe gaat de Minister zich tijdens het beleidsdebat inzetten voor een werkbaar kader
voor Dual Use O&I binnen Horizon Europe, zodat strategische technologieën op het terrein van onder
meer ruimtevaart, kwantum en AI niet tussen wal en schip vallen van het ECF en het
kaderprogramma?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
formele Raad voor Concurrentievermogen van 26 en 27 februari 2026. Ook hebben zij
kennisgenomen van het verslag van de afgelopen Raad voor Concurrentievermogen. Zij
hebben eveneens het BNC-fiche over het RESourceEU actieplan en het voorstel tot aanpassing
van de Verordening kritieke grondstoffen tot zich genomen. Zij hebben over de geannoteerde
agenda, het verslag en dit fiche nog enkele vragen en opmerkingen.
Europees Concurrentievermogenfonds (ECF)
De leden van de VVD-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat er bij de aankomende
Raad gesproken zal worden over het ECF. Deze leden steunen de lijn die het kabinet
daarbij wil inzetten, met de nadruk op het mobiliseren van privaat kapitaal en een
focus op excellentie en impact (in plaats van een geografische spreiding van de middelen
over de lidstaten). Wel vragen zij waarom het kabinet geen meerwaarde ziet in het
oormerken van ECF-middelen voor het midden- en kleinbedrijf (mkb).
Daarnaast vragen deze leden of het kabinet nu al maatregelen voorbereidt om straks
optimaal aanspraak te kunnen maken op de ECF-middelen. Zo ja, om welke maatregelen
gaat het? Hoe staat het bijvoorbeeld met de oprichting van een EU-cofinancieringsvoorziening,
zoals aangekondigd in de brief aan de Kamer over het R&D-actieplan?2
Interne Markt en Concurrentievermogen rapport 2026
De leden van de VVD-fractie lezen dat er tijdens de aankomende Raad daarnaast gesproken
zal worden over een rapport dat is opgesteld door de Europese Commissie over het functioneren
van de interne markt en de status van het Europese concurrentievermogen, aan de hand
van 29 Key Performance Indicators (KPI’s). Eén van deze KPI’s, zo lezen deze leden
in het rapport van de Europese Commissie, luidt als volgt: Projected annual administrative savings from Commission’s adopted omnibus simplification
proposals and other initiatives.3 Voor 2025 zou het gaan om een besparing van € 15 miljard aan regeldrukkosten, zo
blijkt uit deze KPI. De leden van de VVD-fractie juichen deze focus op het verlagen
van regeldrukkosten toe, zeker omdat tussen 2018 en 2024, 99% (!) van de toename van
de structurele regeldrukkosten afkomstig was uit Europese regelgeving, en dus niet
van nationale wet- of regelgeving.4
Gaat het bij deze KPI uit het rapport van de Europese Commissie om netto veranderingen in regeldrukkosten, of enkel om de vraag wat er, als gevolg van wijzigingen
in regelgeving, aan regeldrukkosten is bespaard (de toename in regeldrukkosten dus
niet meegenomen)? Indien dat laatste het geval is, is het kabinet dan bereid om bij
dit agendapunt aan de orde te stellen dat het van belang is om niet alleen te kijken
hoe groot de besparing in regeldrukkosten is, maar ook hoeveel er is bijgekomen? Zo
nee, waarom niet?
Verslag Raad voor Concurrentievermogen december 2025
De leden van de VVD-fractie lezen in het verslag van de Raad voor Concurrentievermogen
van december 2025 dat de Franse delegatie een punt had geagendeerd, waarin zij toelichtte
dat uit een nationale analyse bleek dat allianties van universiteiten als een katalysator
werkten voor het bereiken van impact en het creëren van innovatie-ecosystemen. Wat
houdt het begrip «allianties van universiteiten» precies in? Hoe effectief bleek dit
daadwerkelijk uit de nationale evaluatie? Zijn er, volgens het kabinet, mogelijkheden
om op dit punt van Frankrijk te leren? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
RESourceEU actieplan en voorstel tot aanpassing van de verordening kritieke grondstoffen
De leden van de VVD-fractie lezen in het BNC-fiche dat de Europese Commissie geen
impact assessment heeft opgesteld voor zowel de mededeling als de Verordening kritieke grondstoffen.
Deze leden steunen het kabinet in de oproep aan de Commissie om dit wel te doen gezien
de naar verwachting niet verwaarloosbare gevolgen voor onder andere de regeldruk,
handhavingsinstanties en derde landen. Wat is de reden dat de Europese Commissie niet
uit zichzelf heeft gekozen voor een impact assessment? Hoe denkt het kabinet dit wel voor elkaar te boksen? Kan het kabinet toezeggen de
informatie uit de impact assessments die misschien toch uitgevoerd gaan worden of de informatie uit eventuele nationale
evaluaties omtrent deze mededeling en verordening van de Europese Commissie, met de
Kamer te delen?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de EU in 2026 een Critical Raw Materials Centre (CRM Centre) operationeel wil hebben. Hoe is het kabinet van plan daarbij optimale aansluiting
te borgen met het bestaande Nederlandse centrum op dit gebied (het Nederlands Materialen
Observatorium (NMO)? Deze leden willen dubbel werk voorkomen.
De Europese Commissie is ook voornemens een Kritieke Grondstoffen Financierings Hub
(CRM-financieringshub) op te richten, welke voor overzicht moet zorgen in het geheel
van Europese financieringsbronnen. De leden van de VVD-fractie vragen hoe hierbij
door het kabinet optimale aansluiting met bestaande Nederlandse initiatieven wordt
geborgd, zoals de FinancieringsGids? Deze leden willen ook hier onnodige overlap voorkomen.
De leden van de VVD-fractie lezen voorts dat het kabinet positief staat tegenover
het beter binnen de landen van de EU houden van strategische afval- en schrootstromen,
mits dit zorgvuldig, coherent en juridisch steekhoudend gebeurt. In hoeverre kennen
niet-EU-landen dergelijke maatregelen nu ook al? Hoe wordt in de Nederlandse standpuntbepaling
rekening gehouden met mogelijke tegenreacties van derde landen?
De leden van de VVD-fractie lezen, tot slot, dat de verordening twintig dagen na publicatie
in werking dient te treden. Gelet op het feit dat er waarschijnlijk nationale wet-
en regelgeving moet worden aangepast ter implementatie van de gewijzigde verordening,
is een datum van inwerkingtreding van twintig dagen na publicatie te kort, zo stelt
het kabinet. Het kabinet zal zich daarom inzetten voor een langere termijn, zo staat
in het fiche. In hoeverre is het volgens het kabinet realistisch dat deze langere
termijn wordt geboden? Wat zijn de gevolgen als deze langere termijn er niet komt
en Nederland niet op tijd is met de implementatie van de verordening?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
geannoteerde agenda van de volgende Raad voor Concurrentievermogen. Deze leden hebben
hierover nog enkele vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie steunen het doel en benadrukken het belang van het Europese Concurrentievermogenfonds. Wel hebben deze leden
nog enkele aanvullende vragen aan het kabinet. Zo achten deze leden het van belang
dat Europese publieke middelen primair bijdragen aan het versterken van de Europese
strategische weerbaarheid. Kan worden uiteengezet hoe het kabinet zich in Europees
verband inzet om een Europese voorkeur expliciet als leidend principe te verankeren
in governance (goed bestuur) en toekenningscriteria van het fonds? Is het kabinet bereid zich ervoor
in te zetten dat bij toekenning van middelen, voorwaarden worden gesteld aan productie,
waardeketens en intellectueel eigendom binnen de Europese Unie?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten sterk aan robuuste sociale voorwaarden
bij de besteding van Europese middelen. Kan het kabinet aangeven of binnen het ECF
sociale voorwaarden worden verbonden aan financiering? Is het kabinet bereid te verkennen
of – omdat veel misstanden plaatsvinden in onderaanneming – een beperking op of uitsluiting
van onderaanneming als voorwaarde kan worden opgenomen, om misstanden in ketens tegen
te gaan? Hoe waarborgt het kabinet dat Europese middelen niet bijdragen aan sociale
dumping of constructies waarbij de verantwoordelijkheid in de keten wordt afgeschoven?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben daarnaast enkele vragen over de toegankelijkheid
van het fonds voor het mkb. Door de complexiteit en de doorlooptijden hebben die vaak
moeite met het verkrijgen van subsidie, waardoor een aanzienlijk deel op kan gaan
aan advieskosten. Welke concrete stappen worden gezet om financiering eenvoudiger,
toegankelijker en sneller beschikbaar te maken voor mkb en start-ups?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het aandeel van cleantech (schone technologie) binnen het fonds relatief beperkt is, zeker in het licht van
de aanzienlijke investeringsbehoefte die onder meer wordt geschetst in het rapport
van Mario Draghi over het Europese concurrentievermogen.5 Wat is de opvatting van het kabinet ten aanzien van dit investeringsgat en hoe denkt
het kabinet dit gat te dichten? Gaat het kabinet zich inspannen voor meer geld voor
schone technologie? Deelt het kabinet de visie dat dit fonds een kans is om uniforme
en efficiënte investeringsregelingen – zoals de Europese Commissie nu via het innovatiefonds
opzet, denk aan CfD’s (Contracts for Difference), de Batterij Booster of de Waterstofbank
– verder uit te breiden en versterken?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ook enkele vragen over de noodplannen
voor de industriële weerbaarheid. Deze leden delen het kabinetsstandpunt dat verduurzaming,
weerbaarheid en concurrentievermogen elkaar versterken. Deze leden zien echter ook
dat er een steeds grotere druk komt op de verduurzamingskant van de industrieagenda,
bijvoorbeeld de roep tot het afzwakken van het Europese emissiehandelsysteem (ETS).
Zal het kabinet zich tijdens de Raad sterk maken voor het ETS en voor het handhaven
en verder versterken ervan en van de andere onderdelen van het dit jaar te verwachten
2040 klimaatpakket? Zoals een doel voor 2040 ten behoeve van hernieuwbare energie
en energiebesparing. Is het kabinet bezig met het bouwen van coalities van gelijkgezinde
landen die zien dat de klimaatambitie cruciaal is voor de Europese weerbaarheid en
het concurrentievermogen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben voorts naar aanleiding van de plannen
voor industriële weerbaarheid specifiek nog enkele vragen over de IAA, die deze week
verwacht wordt. Hoe kijkt het kabinet naar de Europese voorkeursregels voor subsidies
en aanbestedingen? Is het kabinet het met deze leden eens dat deze verordening een
noodzakelijke eerste stap is in een assertievere opstelling van de Europese Unie bij
de industriepolitiek? Deze leden constateren dat de maatregelen aan de vraagzijde
momenteel sterk zijn gericht op publieke markten zoals overheidsaanbestedingen en
dat men daarmee kansen laat liggen voor verduurzaming van de gehele industrie. Kan
het kabinet reflecteren op de beperkte reikwijdte van publieke vraaginstrumenten binnen
de IAA? Is het kabinet bereid zich in te zetten voor een verbreding van de IAA, zodat
ook de private marktvraag actief wordt gestimuleerd? Is het kabinet het met deze leden
eens dat de IAA de juiste plaats zou zijn om bijmengverplichtingen, duurzame standaarden
en productmandaten te initiëren? Gaat het kabinet zich hier bij de komende Raad voor
Concurrentievermogen sterk voor maken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de onderliggende brieven en willen
van de nieuw aangetreden Minister van Economische Zaken en Klimaat ondubbelzinnig
vernemen of zij de daarin geschetste inzet daadwerkelijk onderschrijft. Is de Minister
voornemens deze lijn voort te zetten in de Raad, of kiest zij voor een andere koers?
De leden van de PVV-fractie lezen dat verduurzaming wordt gepresenteerd als motor
voor de economische weerbaarheid. Deze leden plaatsen hier nadrukkelijk vraagtekens
bij. Onderschrijft het kabinet werkelijk de stelling dat de huidige, grotendeels door
Brussel opgelegde energietransitie onze economie versterkt? Hoe verhoudt zich dit
tot de realiteit van een overbelast elektriciteitsnet, torenhoge energieprijzen en
bedrijven die hun productie noodgedwongen afschalen of zelfs verplaatsen? Erkent het
kabinet dat een geforceerde energietransitie de Nederlandse industrie juist kan ondermijnen
in plaats van versterken? Zo ja, welke consequenties worden daaraan verbonden? Zo
nee, waarop baseert het kabinet zijn optimisme?
Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie of het kabinet vasthoudt aan de inzet
uit het BNC-fiche van 13 februari jl.6 om de CO2-normstelling verder te versoepelen. Is het kabinet bereid in de Raad actief te pleiten
voor realistische en uitvoerbare normen, of buigt het mee met verdere aanscherping
die de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven verder onder druk zet?
Voorts verzoeken de leden van de PVV-fractie het kabinet om de rapporten van Mario
Draghi en Enrico Letta niet klakkeloos te omarmen, maar deze kritisch en per voorstel
te toetsen op concrete gevolgen voor Nederland. Is het kabinet bereid expliciet het
Nederlandse belang voorop te stellen, ook indien dit botst met bredere Europese ambities?
Hoe voorkomt het dat Nederland opnieuw onevenredig bijdraagt aan Europese investeringsagenda’s,
terwijl de baten niet naar Nederland gaan? Zet het kabinet zich in op een aantoonbaar
eerlijkere geografische verdeling van Europese investeringsprojecten?
Verder vragen de leden van de PVV-fractie hoe het kabinet daadwerkelijk gaat zorgen
voor een gelijk speelveld binnen de Europese Unie. De praktijk laat zien dat Nederlandse
bedrijven vaak zwaarder worden belast dan concurrenten in andere lidstaten. Welke
concrete maatregelen gaat het kabinet in EU-verband bepleiten om dit structurele nadeel
weg te nemen? Is het bereid expliciet te agenderen dat de energieprijzen voor Nederlandse
bedrijven substantieel hoger liggen dan in omringende landen, en welke Europese instrumenten
wil het kabinet inzetten om dit verschil te verkleinen? Hoe wordt voorkomen dat energie-intensieve
bedrijven Nederland verlaten als gevolg van falend beleid?
Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie of het kabinet zich ondubbelzinnig zal
inzetten voor het terugdringen van de regeldruk. Ondersteunt het kabinet de zogenoemde
omnibuspakketten die gericht zijn op lastenverlichting voor het bedrijfsleven, en
is het bereid daar in de Raad actief voor te pleiten? Wat gaat het kabinet concreet
doen om te voorkomen dat deze voorstellen worden afgezwakt? Is het kabinet bovendien
bereid zich uit te spreken tegen nationale koppen bovenop Europese regelgeving en
kan worden toegezegd dat het kabinet zich actief zal verzetten tegen het opnieuw invoeren
van aanvullende nationale eisen bovenop Europese verplichtingen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Raad van Concurrentievermogen en hebben daarbij enkele vragen.
Europees Concurrentievermogenfonds (ECF)
De leden van de CDA-fractie ondersteunen de inzet voor een ambitieus ECF. Wel zijn
zij benieuwd hoe de vier thematische vensters van het ECF concreet uitgewerkt worden
en in hoeverre de Nederlandse prioriteiten zoals geschetst in de Nationale Technologie
strategie7 en de zes strategische markten uit de brief aan de Kamer Industriebeleid met focus8 in het ECF worden meegenomen. Kan het kabinet daar inzicht in geven?
De leden van de CDA-fractie zijn ook voorstander van het samenvoegen van het gefragmenteerde
EU-financieringslandschap om zo meer focus, duidelijkheid en slagkracht te creëren.
Om vergelijkbare redenen hebben deze leden daarom ook (gepleit voor de Nederlandse
Investeringsinstelling (NII). Kan het kabinet aangegeven in hoeverre met de huidige
vormgeving van het ECF actief wordt ingezet op samenwerking met nationale (Nederlandse)
instellingen, zoals bijvoorbeeld de nog op te zetten NII en het Nationaal Agentschap
voor Disruptieve Innovatie (NADI)?
Horizon Europe
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet inzet op een samenhangende en integrale
doorontwikkeling van Horizon Europe in de volgende programmaperiode. Deze leden vragen
welke successen van het huidige kaderprogramma het kabinet identificeert als cruciaal.
Op welke wijze zet het kabinet zich in om deze succesfactoren te borgen in regelgeving
en governance van het nieuwe kaderprogramma?
De leden van de CDA-fractie lezen tenslotte dat het kabinet extra aandacht heeft voor
kennisveiligheid, met name op het gebied van Dual Use en defensie O&I. Kan het kabinet nader toelichten hoe het spanningsveld tussen een
open Europese samenwerking en kennisveiligheid er in de praktijk uitziet, en op welke
wijze Nederland zich inzet om binnen het kaderprogramma Dual Use onderzoek en innovatie op een uitvoerbare en toekomstbestendige wijze te versterken?
III Antwoord/Reactie van het kabinet
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
I.J.M. Michon-Derkzen, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken -
Mede ondertekenaar
H.W. Krijger, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.