Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Dobbe over het artikel ‘Ambtenaren verzwegen Palestijnse dodentallen
Vragen van het lid Dobbe (SP) aan de Minister-President en de Minister van Buitenlandse Zaken over het bericht «Ambtenaren verzwegen Palestijnse dodentallen voor Schoof» (ingezonden 16 februari 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Buitenlandse Zaken) (ontvangen 20 februari 2026).
Vraag 1
Wat is uw reactie op het artikel van Vrij Nederland, over het verzwijgen van Palestijnse
dodentallen door ambtenaren voor de Minister-President?1
Antwoord 1
Het beeld dat moedwillig informatie wordt achtergehouden is onjuist. Ik ervaar de
advisering binnen het ministerie als professioneel en volledig, waarbij alle relevante
invalshoeken en feiten worden meegenomen. Over de oorlog in de Gazastrook is er een
constante informatiestroom, ook richting het Ministerie van Algemene Zaken. Daarin
zijn met grote regelmaat cijfers over aantallen slachtoffers (ongeacht nationaliteit)
opgenomen. Er zijn verschillende manieren waarop bewindslieden geïnformeerd worden
over een kwestie, een gespreksfiche is daar één van.
Vraag 2
Kunt u inzage geven in het proces van het opstellen van het desbetreffende gespreksfiche
uit het artikel? Klopt het dat meerdere malen de cijfers over de Palestijnse en Libanese
slachtoffers uit het feitenrelaas zijn gehaald?
Antwoord 2
Een gespreksfiche bestaat onder meer uit spreekpunten en achtergrondinformatie. In
de achtergrondinformatie dient de informatie te staan die nodig is om het gesprek
inhoudelijk goed te kunnen voeren. De gesprekspunten bieden een basis voor de manier
waarop het gesprek gevoerd kan worden. Met het opstellen van de gesprekspunten wordt
de afweging gemaakt op welke wijze het meest effectief een boodschap wordt overgebracht.
Dat is mede afhankelijk van de gesprekspartner in kwestie, zijn of haar kennis over
een situatie of onderwerp, en de relatie van een land ten opzichte van het te bespreken
onderwerp. Hierdoor is het niet altijd nodig of opportuun in de gesprekspunten een
situatie te beschrijven om er wel over te spreken. Naast de gesprekspunten zelf, wordt
tijdens het gesprek ook gebruik gemaakt van de achtergrondinformatie.
Het artikel in Vrij Nederland refereert aan een gesprek van de Minister-President met een Arabische leider in het
najaar van 2024. Hoewel er geen duidelijkheid bestaat over het exacte gesprek waar
het artikel aan refereert, is naar aanleiding van de publicatie nagegaan welk gesprek
het mogelijk kan betreffen. Hierbij kwam een specifiek gesprek naar voren, waarbij
slachtofferaantallen in de achtergrondinformatie stonden. Zie daarnaast ook het antwoord
op vraag 1.
Vraag 3
Hoe kan het dat relevante feitelijke informatie uit een gespreksfiche wordt gehaald?
Wat zijn de vereisten bij het opstellen van zo’n fiche en wie controleert dit? Is
er sprake van een vier-ogen principe?
Antwoord 3
Zie het antwoord op vraag 1 en 2. Bij het opstellen van een gespreksfiche zijn diverse
personen betrokken, zowel op het departement in Den Haag als op de Nederlandse posten
in de regio. Het aantal betrokkenen hangt met name af van de inhoud van het gesprek
en het aantal gespreksonderwerpen. Daarnaast wordt een gespreksfiche op verschillende
niveaus geaccordeerd. Waar nodig ook op politiek niveau. In ieder geval kijken altijd
meer dan twee mensen.
Vraag 4
Hoe verantwoordt u dat Israëlische doden een hogere status krijgen op het Ministerie
van Buitenlandse zaken, dan Palestijnse of Libanese doden?
Antwoord 4
Daarvan is geen sprake. Het kabinet werpt deze aantijging verre van zich.
Vraag 5
Bent u bereid een onderzoek te starten naar de dubbele moraal en mogelijke angstcultuur
op het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo niet, waarom?
Antwoord 5
Nee. Buitenlandse Zaken hecht aan een open en veilige werkcultuur, waarbinnen ruimte
bestaat voor kritisch intern debat. De ambtelijke leiding draagt deze norm actief
uit, evenals de norm van brede en deskundige ambtelijke advisering. Het departement
investeert in een inclusieve werkomgeving, met ruimte voor diversiteit van perspectieven,
en de ontwikkeling van vaardigheden als luisteren en het voeren van een open dialoog.
De effecten van die inzet worden regulier gemeten in o.a. het tweejaarlijkse medewerkerstevredenheidsonderzoek, het jaarlijkse arbojaarverslag en Rijksbrede instrumenten
als de nieuwe Inclusiemonitor. De uitkomsten uit deze metingen bieden voldoende inzicht
voor de verdere ontwikkeling van de organisatie.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.