Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. het ontwerpbesluit tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in verband met de Wet veilige jaarwisseling (Besluit veilige jaarwisseling) (Kamerstuk 35386-34)
35 386 Voorstel van wet van de leden Klaver en Ouwehand tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met de invoering van een vuurwerkverbod voor consumenten (Wet veilige jaarwisseling)
Nr. 35 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld op 20 februari 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de brief
van 16 januari 2026 inzake het Ontwerpbesluit tot wijziging van het Vuurwerkbesluit
en het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in verband met de Wet veilige jaarwisseling
(Besluit veilige jaarwisseling (Kamerstuk 35 386, nr. 34) en over de brief met een toelichting op het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling
(Kamerstuk 35 386, nr. 33).
De vragen en opmerkingen zijn op 11 februari 2026 aan de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van 20 februari 2026 zijn ze beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Peter de Groot
Adjunct-griffier van de commissie, Koerselman
Inhoudsopgave
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Inleiding
D66-fractie
VVD-fractie
GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie
CDA-fractie
BBB-fractie
SGP-fractie
ChristenUnie-fractie
II Reactie van de bewindspersoon
Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het Ontwerpbesluit
tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in
verband met de Wet veilige jaarwisseling (hierna: het ontwerpbesluit). De invoering
van een algeheel vuurwerkverbod voor consumenten is een cruciale stap naar een jaarwisseling
die voor mens, dier en milieu veiliger en rustiger verloopt. Deze leden steunen de
ambitie om dit verbod voor de jaarwisseling 2026–2027 te realiseren. Juist met het
oog op de beoogde effectiviteit van de wet hebben deze leden echter nog vragen bij
de huidige uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid voor burgemeesters.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit en de bijbehorende
toelichting. Zij onderschrijven het belang van veiligheid tijdens de jaarwisseling.
Zij hechten tegelijkertijd groot belang aan uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid, en
proportionaliteit van nieuwe regelgeving. Zij vinden bovendien dat het ontwerpbesluit
voldoende duidelijkheid en rechtszekerheid biedt voor burgers, verenigingen en gemeenten.
Zij stellen in dat licht nog enkele vragen over het voorliggende ontwerpbesluit.
De leden van de GroenLinks-PvdA- en de Partij voor de Dieren-fractie vinden het in
het belang van de veiligheid van mens, dier en milieu belangrijk dat het algehele
vuurwerkverbod komende jaarwisseling kan ingaan en willen daarom een spoedige voortzetting
van de behandeling van dit ontwerpbesluit. Dit is ook de nadrukkelijke wens van onder
andere de politie. Deze leden zijn blij om te lezen dat de Inspectie Leefomgeving
en Transport (ILT) de Wet veilige jaarwisseling handhaafbaar, uitvoerbaar en fraudebestendig
vindt en dat uit de handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids- en fraudebestendigheidstoets
(HUF-toets) van de politie blijkt dat de politie op de middellange termijn minder
capaciteit hoeft in te zetten. Deze leden zijn ook blij om te zien dat ook buurlanden
een landelijk vuurwerkverbod overwegen en dat Nederland een voorbeeldrol speelt. Deze
leden hebben nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen het ontwerpbesluit. Zij maken graag
van de gelegenheid gebruik om enkele aanvullende vragen te stellen over de gekozen
uitwerking, de gemaakte beleidsmatige en juridische keuzes en de gevolgen daarvan
voor de veiligheid, de uitvoering en de handhaafbaarheid.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit. Hier zijn
nog een aantal vragen over.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende ontwerpbesluit.
Zij hebben nog enkele vragen.
De leden van ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit.
D66-fractie
De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over de beslissing om minimale veiligheidsafstanden
niet langer dwingend in het ontwerpbesluit voor te schrijven. Eerdere concepten bevatten
heldere afstanden van 15 tot 90 meter, gebaseerd op gedegen wetenschappelijk onderzoek
en gelijk aan de eisen voor professionele ontbranders. Het loslaten van deze landelijke
normen en het overlaten van deze afweging aan burgemeesters, die vaak niet over de
specifieke technische expertise beschikken, riskeert een lappendeken aan regels en
tast de rechtszekerheid en veiligheid aan. Deze leden vragen de Staatssecretaris waarom
is afgeweken van de adviezen van de Verenging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het
Genootschap van Burgemeesters (NGB) en de politie, die juist pleitten voor het handhaven
van deze nationale veiligheidswaarborgen.
De leden van de D66-fractie vragen tevens aandacht voor handhaving. De politie heeft
gewaarschuwd dat een te ruime ontheffingsmogelijkheid de doelstelling van de wet teniet
kan doen en tot onbeheersbare situaties op aangewezen afsteeklocaties kan leiden.
Deze leden willen voorkomen dat de ontheffing een achterdeur wordt waardoor het consumentenvuurwerk
alsnog op grote schaal terugkeert in de publieke ruimte. Zij vragen de Staatssecretaris
hoe hij borgt dat de ontheffingspraktijk beperkt blijft tot kleinschalige, georganiseerde
buurtinitiatieven en hoe de veiligheid van omstanders en de omgeving, waaronder natuurgebieden,
structureel gewaarborgd wordt in de uiteindelijke algemene maatregel van bestuur (AMvB).
De leden van de D66-fractie vragen tot slot naar de leeftijdsgrens voor ontbranders.
Waar de politie adviseert deze grens te verhogen naar achttien jaar vanwege de grote
verantwoordelijkheid bij publieke evenementen, houdt het ontwerpbesluit vast aan zestien
jaar. Deze leden verzoeken de Staatssecretaris nader toe te lichten waarom hij hier
afwijkt van het deskundig advies van de handhavingspartners, temeer daar in omringende
landen vaak al een hogere leeftijdsgrens geldt. De inzet van deze leden blijft een
effectief verbod dat daadwerkelijk bijdraagt aan een veilige transitie van de jaarwisseling.
VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie vragen of de Staatssecretaris het realistisch acht dat
het volledige wetgevings- en implementatietraject zorgvuldig kan worden afgerond vóór
de jaarwisseling 2026–2027. Zij hebben daarbij specifieke aandacht voor het verdere
proces, inclusief welke termijnen de Staatssecretaris heeft om tijdig tot inwerkingtreding
over te kunnen gaan, in lijn met de kaders gesteld in diverse moties. Deze leden ontvangen
graag een gespecificeerde tijdlijn. Daarbij wijzen zij op de benodigde voorbereidingen
bij gemeenten, handhavingsinstanties en andere betrokken partijen, en vragen zij hoe
wordt gewaarborgd dat deze partijen voldoende tijd hebben om zich op de nieuwe systematiek
voor te bereiden.
De leden van de VVD-fractie vragen voorts hoe wordt voorkomen dat de ruime beleidsvrijheid
voor burgemeesters leidt tot onaanvaardbare grote verschillen tussen gemeenten, waardoor
te grote rechtsongelijkheid kan ontstaan voor verenigingen en inwoners. In dat kader
vragen zij tevens hoe de rechtsbescherming wordt gewaarborgd voor groepen burgers
en dorps- en buurtverenigingen die – ondanks dat ze voldoen aan de eisen die een gemeente
stelt voor een ontheffing – te maken krijgen met een afwijzing van een ontheffingsaanvraag.
De leden van de VVD-fractie hechten groot belang aan een handhaafbaar en uitvoerbaar
stelsel. Zij verzoeken de Staatssecretaris daarom nader toe te lichten hoe de uitkomsten
van de HUF-toetsen van politie, Openbaar Ministerie (OM) en de ILT concreet zijn verwerkt
in het ontwerpbesluit. Tevens vragen zij of de Staatssecretaris in overleg met de
Minister van Justitie en Veiligheid een inschatting kan geven van de effecten van
het ontwerpbesluit op de werkdruk van de politie en handhavers tijdens de jaarwisseling.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het uitgangspunt van vertrouwen in verenigingen
en maatschappelijke initiatieven. Zij vragen de Staatssecretaris toe te lichten hoe
wordt voorkomen dat de administratieve lasten voor verenigingen te hoog worden als
gevolg van (aanvullende) eisen die lokaal worden gesteld aan een ontheffing. In dat
verband vragen zij wat de verwachting is ten aanzien van het aantal burgerinitiatieven,
verenigingen en stichtingen dat daadwerkelijk gebruik zal maken van de ontheffingsregeling,
en hoe dit verwachte gebruik zich verhoudt tot de uitvoerings- en toezichtslasten
voor gemeenten en de administratieve lasten voor burgers en vrijwilligers.
De leden van de VVD-fractie vragen verder in hoeverre het proportioneel is dat voor
kleinschalige, niet-commerciële initiatieven grotendeels dezelfde voorschriften worden
gesteld als voor professionele evenementen. Zij vragen of is bezien of een lichtere
of vereenvoudigde variant mogelijk is voor dergelijke initiatieven en, zo nee, waarom
daarvoor niet is gekozen.
De leden van de VVD-fractie vragen ook welk exact deel van de handhavings- en toezichtslast
bij ontheffingshouders wordt neergelegd, en welk deel bij de (lokale) overheid. Ook
vragen deze leden of de Staatssecretaris nader kan ingaan op de vraag waarom is gekozen
een zekere verantwoordelijkheid bij ontheffingshouders te beleggen en daarnaast een
deel bij de (lokale) overheid.
De leden van de VVD-fractie vragen tot slot hoe de voortgang van het ontwerpbesluit
zich verhoudt tot de andere twee randvoorwaarden uit het amendement-Michon-Derkzen
(Kamerstuk 35 386, nr. 16), te weten het handhavingsplan en de compensatieregeling voor de vuurwerkbranche.
Zij vragen wanneer de Kamer nader wordt geïnformeerd over de uitwerking van deze twee
overige randvoorwaarden.
GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie
Dieren en natuur
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie merken op dat honden,
katten, konijnen, vogels en vele andere dieren doodsbang zijn voor vuurwerk. Vele
vogels overlijden elke jaarwisseling door de harde knallen. Er zijn nu, een maand
na nieuwjaar nog honden die niet meer naar buiten durven sinds de jaarwisseling, omdat
ze getraumatiseerd zijn door alle knallen. Deze leden lezen dat het kabinet met allerlei
partijen heeft gesproken om de ontheffingsregeling vorm te geven, waaronder sport-
en wijkverenigingen, de brandweer, vuurwerkliefhebbers en de vuurwerkbranche. Dit
is natuurlijk positief, maar deze leden zien dat veel vertegenwoordigers van belanghebbenden
niet aan tafel hebben gezeten, en dat daardoor hun wensen minder goed vertegenwoordigd
zijn in dit ontwerpbesluit. Waarom is er niet gesproken met bijvoorbeeld de Hondenbescherming,
Vogelbescherming, Dierenbescherming, het Longfonds en natuur- en milieuorganisaties?
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie merken op dat sommige
Nederlanders met huisdieren met nieuwjaarsnacht het land ontvluchten, omdat hun huisdieren
te gestrest raken van alle knallen. Deze leden lezen in het ontwerpbesluit dat er
bij het afgeven van een ontheffing rekening gehouden moet worden met de nabijheid
van bedrijfsmatig gehouden dieren. Waarom is ervoor gekozen om alleen met bedrijfsmatig
gehouden dieren rekening te houden, terwijl ook veel huisdieren enorme angst hebben
voor vuurwerk? En op welke manier worden eigenaren van huisdieren, maar ook andere
buurtbewoners op de hoogte gesteld van de vuurwerkontheffingsplannen in hun buurt
en hoe ver van tevoren moet dit minimaal gebeuren? Kan er nog bezwaar gemaakt worden
als het dichtbij hun woning is en ze een bang huisdier hebben of een longaandoening?
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie vragen waarom het
aan de gemeentes wordt overgelaten om te bepalen of het wenselijk is om nabij natuurgebieden
of vanaf het water vuurwerk af te steken. Het is, zeker gezien de huidige staat van
de biodiversiteit, stikstofcrisis en aankomende waterkwaliteitscrisis, toch landelijk
te stellen dat het altijd onwenselijk is om vuurwerk nabij een natuurgebied af te
steken? Waarom is er dan toch besloten om dit niet landelijk vast te leggen, terwijl
(onder andere) de VNG juist vraagt om zoveel mogelijk eenduidige landelijke regelgeving?
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie vinden het goed
dat er verplicht handblusapparatuur aanwezig moet zijn op de locatie. Er zijn verschillende
soorten PFAS verboden in brandblusschuim, maar een deel is momenteel nog toegestaan.
De EU werkt aan een totaalverbod voor PFAS in brandblussers. Omdat PFAS enorm schadelijk
is voor onze gezondheid en onze leefomgeving, is het onwenselijk wanneer PFAS door
middel van brandblussers in de leefomgeving komt. Is de Staatssecretaris het met deze
leden eens dat het zou getuigen van verantwoord overheidshandelen als in het ontwerpbesluit
wordt opgenomen dat het om PFAS-vrije handblusapparatuur moet gaan?
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie vragen wat er precies
mee wordt bedoeld dat «direct na afloop» de veiligheidszone opgeruimd en schoon moet
worden opgeleverd. Hoe is hierop te handhaven als het zo vaag is omschreven? En waarom
is negatief geadviseerd over het idee van Zero Waste Nederland van een schoonmaakplan,
terwijl zelfs een summier schoonmaakplan kan helpen in het schoonkrijgen van de locatie,
omdat er dan alvast van tevoren over is nagedacht, en de ontheffingshouders de middelen
in de buurt hebben om de buurt schoon te maken (denk aan afvalprikkers, vuilniszakken
en een bezem)? En kan, zoals Zero Waste Nederland ook vroeg, het vuurwerkafval worden
ingeleverd bij de verkopende partij samen met het niet afgestoken vuurwerk, zodat
het op de juiste manier kan worden weggegooid in plaats van afvalstromen te vervuilen
met giftige materialen?
Supervisors en ontbranders
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie hebben ook specifiek
nog wat vragen over de supervisors en ontbranders. Er staat dat er niet wordt vereist
om de supervisors en ontbranders al bij de aanvraag aan te geven. Op welk moment moet
dit wel aangeleverd worden, en waar? En moeten de supervisors en ontbranders een verklaring
omtrent het gedrag (VOG) meesturen? Zo nee, waarom niet? Wordt gecheckt of de e-learning
is doorlopen? Zo ja, door wie? Is dat onderdeel van de ontheffingsaanvraag? Moeten
de supervisors en ontbranders ook makkelijk herkenbaar zijn voor het publiek, bijvoorbeeld
door een hesje? Is het mogelijk om landelijk vast te leggen dat wanneer de ontheffingshouder
een grote overtreding maakt, de overtreder en de vereniging een vastgesteld aantal
jaar niet opnieuw betrokken mogen zijn bij een toekomstige vuurwerkontheffing?
Waarom is het advies van het NGB en de politie om de leeftijdsgrens voor ontbranders
te verhogen van 16 naar 21 of 18, in verband met de enorme verantwoordelijkheid die
erop rust, niet overgenomen, terwijl de politie aangeeft het niet logisch te vinden
dat wordt vastgehouden aan de leeftijdsgrens zoals opgenomen in de Pyrorichtlijn?
Waarom is er specifiek voor maximaal acht ontbranders gekozen? De Landelijke Werkgroep
Vuurwerk Coördinatoren (LWVC) geeft aan dat het erg veel is voor één of twee supervisors
om acht ontbranders in de gaten te houden. Kan het aantal ontbranders dan niet beter
naar beneden worden bijgesteld?
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie hebben een specifieke
vraag over de veiligheidsafstanden. Deze zijn wel landelijk vastgelegd voor professionele
ontbranders bij vuurwerkshows. Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat
het onlogisch is om dat nu niet te doen, terwijl het juist onveiliger is, omdat de
afstekers onder deze AMvB geen professionals hoeven te zijn?
Algemeen inhoud
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie merken op dat er
een brede vraag is van zowel VNG, het NGB, hulpdiensten als gedragswetenschappers
om zoveel mogelijk vereisten nationaal vast te leggen, zodat onder andere de nieuwe
norm van een algemeen vuurwerkverbod zo duidelijk mogelijk is en daardoor ook sneller
geaccepteerd zal worden. De politie geeft ook aan dat de capaciteitsdruk sneller zal
afnemen als de maatschappelijke adaptatie sneller verloopt. Het is dus enorm belangrijk
dat de Staatssecretaris zich maximaal inzet om de norm goed en snel te laten landen.
Gemeentes geven onder andere aan dat ze wel liever een landelijke veiligheidsafstand
hebben, vestigingsplaatsvereiste en landelijke regels rondom aansprakelijkheid in
plaats van dat dit per gemeente apart bedacht moet worden, ook in verband met het
mogelijke gebrek aan expertise bij de verschillende gemeentes. Begrijpelijk, aangezien
de Staatssecretaris zelf al schat dat landelijk 500 tot 1.500 aanvragen per jaar binnen
zullen komen, en het wenselijk is als die zo veel mogelijk gestroomlijnd worden. Gaat
de Staatssecretaris gehoor geven aan deze oproep en dit nog op tijd aanpassen in het
ontwerpbesluit? Zo nee, waarom niet? En gaat hij dan wel de VNG ondersteuning geven
om lokale modelverordeningen op te stellen die gemeentes kunnen overnemen?
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie vragen ook of er
altijd iemand van de gemeente aanwezig moet zijn tijdens het afsteken om toezicht
te houden, omdat het anders negatieve gevolgen voor de gemeente kan hebben voor de
aansprakelijkheid. Zo ja, wie van de gemeente zou dat toezicht moeten houden, aangezien
boa’s niet aanwezig zijn tijdens de jaarwisseling gezien de gevaarsituatie?
Als de weersomstandigheden het niet toelaten, moeten de vuurwerkontheffingen worden
ingetrokken. Het is voor een vereniging lastig om in te schatten wanneer het bij een
grensgeval wel of niet door kan gaan. Wie is verantwoordelijk voor de communicatie
naar de verenigingen met een ontheffing over extreme weeromstandigheden?
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie vragen waarom het
aan de gemeentes wordt gelaten om gezondheidseffecten ook te betrekken bij het verlenen
van een ontheffing. Waarom wordt dit niet landelijk geregeld? En mag een gemeente
ook besluiten om bij een code rood van de Stookwijzer de vergunning in te trekken?
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie merken op dat ontheffingen
ook aangevraagd mogen worden door organisaties die niet in de desbetreffende gemeente
gevestigd zijn. Krijgt de burgemeester bij de aanvraag inzicht of de aanvraag uit
de eigen gemeente komt of uit een andere? Het lijkt deze leden nuttig om dit te weten
voor de afweging.
Nieuwe norm
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie delen de zorgen
van burgemeesters dat de uitzonderingspositie die met deze AMvB gecreëerd wordt ervoor
zorgt dat het moeilijk is om de norm goed in te voeren. Dit wordt ook bevestigd door
gedragswetenschappers. Zoals bekend, hadden deze leden liever een algeheel vuurwerkbesluit
gezien zonder ontheffing, omdat de nieuwe norm dan makkelijker en sneller omarmd kan
worden in de samenleving. Ook geeft de ILT aan dat een duidelijke taakstelling nodig
is voor gemeentes om effectief toezicht te houden. Uit de HUF-toets blijkt dat voordat
de politiecapaciteit zal dalen, de capaciteit de komende 2 tot 3 jaar juist aanzienlijk
zal toenemen en zal afnemen zodra de norm beter geland is in de samenleving. Om het
voor de politie en andere hulpdiensten de komende jaren zo veilig mogelijk te maken,
moeten we ons flink gaan inzetten om de norm zo snel mogelijk te laten landen. Goede
communicatie is daarmee onmisbaar. Gemeentes vragen expliciet om duidelijke landelijke
communicatie over het verbod en willen dat dit vroegtijdig zal plaatsvinden in plaats
van pas de laatste weken van het jaar. Deze leden vinden het belangrijk voor de handhaafbaarheid
van het algemeen vuurwerkverbod en dus voor de veiligheid van hulpdiensten dat er
duidelijke landelijke regels komen en zo min mogelijk uitzonderingen op de nieuwe
norm van het algemeen vuurwerkverbod. Heeft de Staatssecretaris hierover gesproken
met gedragswetenschappers? Wat waren de lessen die ze meegaven? Zo nee, is hij alsnog
bereid om dat op tijd te doen, ook volgens de aangenomen motie-Kostić c.s. (Kamerstuk
28 684, nr. 841)? Wanneer wordt uitwerking gegeven aan die motie?
Kan de Staatssecretaris een tijdlijn geven wanneer de eerste communicatie over de
nieuwe situatie komend jaar gepland staat? Kan aangegeven worden hoe geschakeld wordt
met gemeentes over de basisboodschap en campagne en of er ook campagnemateriaal en
informatie beschikbaar wordt gesteld aan gemeentes, zodat een eenduidige boodschap
kan worden verspreid, aan te passen aan de lokale situatie? Hoeveel budget wordt hiervoor
landelijk ter beschikking gesteld?
CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie constateren dat de VNG wijst op de complexiteit van de
beleidsafweging die iedere gemeente afzonderlijk moet maken bij het verlenen van ontheffingen,
met het risico op een lappendeken aan regels en verschillen tussen gemeenten. Is de
Staatssecretaris bereid om in overleg met de VNG en gemeenten te bezien of nadere
landelijke kaders of een modelbeleidslijn wenselijk is om onduidelijkheid en handhavingsproblemen
te voorkomen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de VNG en het NGB vragen om een expliciete heroverweging
van de keuze om de ontheffingsbevoegdheid bij de burgemeester te beleggen, mede in
het licht van het Kader voor nieuwe burgemeestersbevoegdheden en de benodigde specialistische
kennis. Is de Staatssecretaris bereid om hierover in overleg te treden met de VNG,
het NGB en de veiligheidsregio’s?
De leden van de CDA-fractie constateren dat de VNG zorgen uit over de uitvoerbaarheid
en handhaving in de nachtelijke uren en de aansprakelijkheid bij het verbinden van
voorschriften aan ontheffingen. Welke concrete afspraken zijn of worden in overleg
met de VNG en gemeenten gemaakt over handhavingscapaciteit, aansprakelijkheidsvraagstukken
en ondersteuning van gemeenten, zodat de ontheffingsregeling in de praktijk uitvoerbaar
en handhaafbaar is?
De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd hoe de Staatssecretaris een vereniging die
een aanvraag kan doen voor een ontheffing om vuurwerk af te steken in georganiseerd
verband feitelijk definieert. In de toelichting lezen deze leden namelijk dat met
dit ontwerpbesluit is getracht het voor georganiseerde groepen burgers, zoals dorps-
of buurtverenigingen, mogelijk te maken om tijdens de jaarwisseling vuurwerk af te
steken. Welke eisen worden precies gesteld aan de vorm van de vereniging of stichting,
los van de eis dat die ingeschreven staat in het handelsregister? Heeft het bijvoorbeeld
ook betrekking op informele verenigingen, of verenigingen die alleen worden opgericht
met als doel een ontheffing te krijgen om vuurwerk af te steken? Moet de vereniging
ook een minimaal aantal leden hebben?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Staatssecretaris aangeeft sterk in te zetten
op lokale beleidsruimte en terughoudendheid met landelijke normering. Hoe weegt hij
deze keuze tegen de noodzaak om een minimaal landelijk veiligheidsniveau te waarborgen?
Deze leden constateren daarnaast dat de Staatssecretaris aangeeft slechts daar landelijke
eisen te stellen waar dit strikt noodzakelijk is voor de veiligheid. Welke veiligheidswaarborgen
acht hij absoluut noodzakelijk, en waarom zijn deze niet explicieter vastgelegd?
De leden van de CDA-fractie hebben gelezen dat de ontheffingsbevoegdheid expliciet
bij de burgemeester is belegd en dat burgemeesters zelfstandig afwegingen moeten maken
over veiligheid, aansprakelijkheid en handhaving. Hoe voorkomt de Staatssecretaris
dat deze systematiek leidt tot grote verschillen tussen gemeenten?
De leden van de CDA-fractie vragen aan de Staatssecretaris of het klopt dat er geen
eisen worden gesteld aan de vestigingsplaats van de vereniging of stichting, waardoor
verenigingen ook in andere plekken een ontheffing kunnen aanvragen. Zo ja, wat is
hiervoor de reden geweest, nu met het amendement-Bikker c.s. (Kamerstuk 35 386, nr. 14) is bepaald dat vooral dorps- of buurtverenigingen voor hun lokale gemeenschap vuurwerk
kunnen afsteken op een daartoe aangewezen plek? Is de Staatssecretaris van mening
dat de mogelijkheid om op elke plek een ontheffing aan te vragen voldoende strookt
met de geest van dat amendement?
De leden van de CDA-fractie constateren dat er geen landelijke veiligheidsafstanden
zijn opgenomen. Waarom heeft de Staatssecretaris ervoor gekozen deze afstanden niet
landelijk te normeren, terwijl dit bij professionele vuurwerkshows wel het geval is?
Hoe ziet hij deze discrepantie?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Staatssecretaris inzet op ondersteuning van
gemeenten via onder meer handreikingen. Welke concrete ondersteunende instrumenten
stelt hij beschikbaar, en kunnen de gemeenten deze ruim voor de jaarwisseling verwachten?
De leden van de CDA-fractie lezen dat toezicht op de naleving van ontheffingsvoorwaarden
een gemeentelijke verantwoordelijkheid is. Kan de Staatssecretaris nader ingaan op
de aansprakelijkheidspositie van de gemeente, indien zich bij een verleende ontheffing
een incident voordoet? En wat wordt precies verstaan onder de «uitzonderlijke gevallen»
waarin de gemeente aansprakelijk gesteld kan worden?
De leden van de CDA-fractie constateren dat geen landelijke verzekeringseis is opgenomen
in het ontwerpbesluit. Hoe waarborgt de Staatssecretaris dat slachtoffers van vuurwerkincidenten
hun schade kunnen verhalen, indien ontheffinghouders niet verplicht verzekerd zijn?
Geldt voor verenigingen of stichtingen die geen aansprakelijkheidsverzekering hebben
dat een tijdelijke evenementenverzekering verplicht wordt en, zo nee, waarom niet?
De leden van de CDA-fractie hebben gelezen dat toezicht en handhaving een gezamenlijke
verantwoordelijkheid van gemeenten en politie vormt. Deze leden vragen hoe de Staatssecretaris
de rol van de politie bij de handhaving van verleende ontheffingen ziet.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de Staatssecretaris bewust kiest voor
een sobere uitwerking van het ontwerpbesluit. Hoe borgt hij dat deze keuze niet leidt
tot onbedoelde veiligheidsrisico’s, waarbij verantwoordelijkheden in de praktijk onevenredig
bij lokale bestuurders en vrijwilligers terechtkomen?
De leden van de CDA-fractie constateren dat de handhaving rond de jaarwisseling plaatsvindt
in nachtelijke uren, waarin boa’s beperkt inzetbaar zijn. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris
de handhaafbaarheid van het ontwerpbesluit in deze omstandigheden?
De leden van de CDA-fractie constateren dat het vaststellen van veiligheidsafstanden
grotendeels wordt overgelaten aan het lokaal gezag. Hoe is de Staatssecretaris tot
dit besluit gekomen en wat is de reactie van de gemeenten daarop? Daarnaast vragen
deze leden aan de Staatssecretaris hoe wordt geborgd dat lokaal vastgestelde veiligheidsafstanden
minimaal gelijkwaardig zijn aan de normen die gelden voor professionele vuurwerkontbrandingen.
De leden van de CDA-fractie constateren dat het advies van de politie om de leeftijdsgrens
voor ontbranders te verhogen naar achttien jaar niet is overgenomen. Waarom heeft
de Staatssecretaris ervoor gekozen vast te houden aan een leeftijdsgrens van zestien
jaar? Daarnaast hebben deze leden kennisgenomen van de zorgen van de politie over
de verantwoordelijkheden die rusten op ontbranders. Hoe verhoudt deze leeftijdsgrens
zich tot de zware verantwoordelijkheid die ontbranders dragen bij vuurwerkactiviteiten
waarbij publiek aanwezig is?
De leden van de CDA-fractie lezen dat adviezen van onder meer de politie en veiligheidsregio’s
om landelijke veiligheidsafstanden vast te leggen niet zijn overgenomen. Waarom heeft
de Staatssecretaris ervoor gekozen deze adviezen niet te volgen?
De leden van de CDA-fractie constateren dat de Staatssecretaris voornemens is om de
Wet veilige jaarwisseling in werking te laten treden vanaf de jaarwisseling 2026–2027.
Is hij van mening dat gemeenten zich inderdaad tijdig hierop kunnen voorbereiden?
BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie vinden dat dit landelijke vuurwerkverbod een traditie
onderuithaalt zonder dat er een realistisch plan voor veilige en uitvoerbare alternatieven
klaarligt. Hoe rechtvaardigt de Staatssecretaris dit verlies van immaterieel cultureel
erfgoed voor miljoenen Nederlanders die elk jaar verantwoord van vuurwerk genieten?
De leden van de BBB-fractie lezen dat centrale vuurwerkshows door de Staatssecretaris
als alternatief worden gepresenteerd, maar dat er een groot tekort is aan gecertificeerde
pyrotechnici en dat vergunningstrajecten onnodig lang duren. Is de Staatssecretaris
bereid de inwerkingtreding uit te stellen, totdat er een goed en realistisch alternatief,
waar vuurwerk deel van uitmaakt, beschikbaar is?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de VNG expliciet aangeeft dat boa’s tijdens
de nachtelijke uren niet zullen handhaven vanwege de gevaarzetting. Hoe rijmt de Staatssecretaris
de ambitie van een «veilige jaarwisseling» met het feit dat de belangrijkste lokale
handhavers op het cruciale moment niet op straat aanwezig zijn?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de politie in de eerste jaren na invoering een
forse toename in de werklast en capaciteitsdruk verwacht. Kan de Staatssecretaris
garanderen dat er voldoende politiecapaciteit beschikbaar is, wetende dat de inzet
tijdens de jaarwisseling nu al maximaal is en de werkdruk door strafbaarstelling van
consumentenvuurwerk alleen maar zal toenemen?
De leden van de BBB-fractie lezen dat het verbod op elektronische ontstekers gehandhaafd
blijft, waardoor ontheffinghouders verplicht worden de gevaarlijkere handmatige aansteeklont
te gebruiken. Waarom kiest de Staatssecretaris voor deze beperking, terwijl elektronische
ontsteking de veiligheidsafstand tussen mens en vuurwerk juist vergroot?
De leden van de BBB-fractie lezen dat een inschrijving bij de Kamer van Koophandel
(KvK) een harde eis is voor het verkrijgen van een ontheffing. Erkent de Staatssecretaris
dat dit voor informele vriendengroepen of eenmalige buurtinitiatieven een onnodige
en drempelverhogende bureaucratische barrière vormt die haaks staat op de beloofde
laagdrempeligheid?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Staatssecretaris de verzekeringseis niet
nationaal heeft vastgelegd, maar bij de burgemeester heeft belegd, terwijl dit voor
kleine verenigingen tot «torenhoge kosten» kan leiden. Hoe gaat de Staatssecretaris
voorkomen dat buurtinitiatieven onmogelijk worden, doordat verzekeraars weigeren dekking
te bieden of onbetaalbare premies vragen?
De leden van de BBB-fractie lezen dat het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) zeer
kritisch is over de werkbaarheid van het besluit en waarschuwt voor aanzienlijke administratieve
lasten voor vrijwilligers, zoals het opstellen van veiligheidsplannen en situatietekeningen
op schaal. Waarom negeert de Staatssecretaris dit advies en zadelt hij buurtverenigingen
op met taken die eigenlijk professionele expertise vereisen?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de ILT waarschuwt voor een toename van vuurwerktoerisme
naar België en Duitsland. Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat dit verbod de legale
handel in Nederland vernietigt, maar tegelijkertijd de illegale handel en de import
van gevaarlijk spul uit de buurlanden stimuleert?
De leden van de BBB-fractie lezen dat per kernbepaling van de AMvB een grondslag bestaat
in de Wet veilige jaarwisseling. Kan de Staatssecretaris per kernbepaling van de AMvB
aangeven op welke concrete delegatiebepaling in de Wet veilige jaarwisseling deze
berust, en toelichten waarom hierbij geen sprake is van zelfstandige beleidsvorming?
De leden van de BBB-fractie lezen dat is gekozen voor een landelijk verbod met lokale
ontheffingsmogelijkheden. Waaruit blijkt dat deze keuze expliciet door de wetgever
is voorzien, en waarom is deze keuze niet in de wet zelf vastgelegd?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de AMvB noodzakelijk zou zijn ter verwezenlijking
van het wettelijke veiligheidsdoel. Hoe is per norm aangetoond dat deze noodzakelijk
is voor dat doel, en geen beleidskeuze betreft die losstaat van het wettelijk kader?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de AMvB verschillende normen bevat die ruimte
laten voor interpretatie. Welke bepalingen bevatten open normen, en hoe wordt voorkomen
dat deze leiden tot uiteenlopende uitleg en rechtsongelijkheid tussen gemeenten?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de AMvB ingrijpende verplichtingen oplegt aan
burgers en decentrale overheden. Welke minder belastende alternatieven zijn per verplichting
overwogen, en waarom zijn deze ontoereikend geacht in het licht van artikel 3:4 van
de Algemene wet bestuursrecht?
De leden van de BBB-fractie lezen dat gemeenten verantwoordelijk worden voor het verlenen
van ontheffingen en het waarborgen van veiligheid. Waarom ontbreken daarbij landelijke
minimumnormen voor veiligheid, zoals locatiecriteria, crowd control en stopregels,
terwijl de gevolgen voor burgers en organisaties ingrijpend zijn?
De leden van de BBB-fractie lezen dat bij incidenten op ontheffingslocaties meerdere
bestuurslagen betrokken zijn. Wie is juridisch eindverantwoordelijk, indien zich op
een ontheffingslocatie een incident voordoet, en hoe is deze verantwoordelijkheid
juridisch vastgelegd?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de uitvoerbaarheid van de AMvB wordt verondersteld.
Hoe is deze uitvoerbaarheid onderbouwd, gegeven structurele tekorten bij politie,
OM en gemeenten, en welke kengetallen en aannames liggen hieraan ten grondslag?
De leden van de BBB-fractie lezen dat extra handhavingsinspanningen nodig zijn om
het nieuwe regime te effectueren. Welke bestaande handhavingstaken worden afgeschaald
om hiervoor capaciteit vrij te maken, en acht de Staatssecretaris deze verdringing
aanvaardbaar?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de AMvB onvoorwaardelijk in werking treedt.
Waarom is niet gekozen voor een voorwaardelijke of gefaseerde inwerkingtreding, terwijl
voorzienbaar is dat uitvoering en handhaving mogelijk tekortschieten?
De leden van de BBB-fractie lezen dat gemeenten nieuwe taken krijgen opgelegd in het
kader van het ontheffingsregime. Welke nieuwe taken betreft dit, wat is de integrale
kostprijs per taak, en waarom is hiervoor geen structurele financiële compensatie
geregeld?
De leden van de BBB-fractie lezen dat het ontheffingsregime kan leiden tot juridische
procedures. Hoeveel bezwaar- en beroepszaken verwacht de Staatssecretaris, en op welke
wijze wordt uniforme rechtsbescherming geborgd?
De leden van de BBB-fractie lezen dat gemeenten aansprakelijk kunnen worden gesteld
bij incidenten. Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat gemeenten aansprakelijk worden
gehouden, terwijl landelijke veiligheidsnormen ontbreken?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de AMvB geen expliciete evaluatiebepalingen
bevat. Waarom zijn geen vooraf vastgelegde evaluatiecriteria en bindende beleidsconsequenties
opgenomen, zoals opschorting of heroverweging bij negatieve uitkomsten?
De leden van de BBB-fractie lezen dat objectieve onderbouwing van uitvoerbaarheid
en handhaafbaarheid essentieel is. Op welke grond acht de Staatssecretaris deze AMvB
verantwoord, indien niet met objectieve criteria en kengetallen kan worden aangetoond
dat hij uitvoerbaar, handhaafbaar en financieel gedekt is?
De leden van de BBB-fractie hebben ook nog enkele vragen over de compensatieregeling.
Kan de Staatssecretaris zeggen hoeveel vervoerders geraakt worden, doordat zij niet
mee worden genomen in de compensatieregelingen? Kan de Staatssecretaris ervoor zorgen
dat deze vervoerders alsnog worden meegenomen in de compensatieregelingen? Zij hebben
immers last hebben van inkomstenderving in de vorm van speciaal materieel, vergunningen
en opleidingen voor het veilig vervoeren van vuurwerk.
SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie constateren dat gemeenten aangeven dat handhaving op de
naleving van de voorwaarden voor eventuele ontheffingen lastig is, omdat bijvoorbeeld
boa’s vanwege de gevaarzetting niet ingezet kunnen worden. Deze leden horen graag
hoe door controles vooraf en door aanvullende voorwaarden de naleving bevorderd kan
worden. Op welke wijze zou wel gebruikt gemaakt kunnen worden van de inzet van boa’s?
De leden van de SGP-fractie constateren dat onduidelijkheid over de aansprakelijkheidsverdeling
een risico is voor goede uitvoering van de ontheffingsbepaling. Hoe ziet de Staatssecretaris
dit? Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris voor afspraken met gemeenten en
verzekeraars hierover, zodat er meer duidelijkheid komt over de aansprakelijkheidsverdeling?
De leden van de SGP-fractie hebben een vraag over de leeftijdsgrens van zestien jaar
voor het afsteken van vuurwerk bij een ontheffing. Waarom is gekozen voor zestien
jaar en niet voor bijvoorbeeld achttien jaar, zoals voorgesteld door de VNG?
De leden van de SGP-fractie horen graag waarom de Staatssecretaris heeft afgezien
van een vestigingseis, terwijl deze vestigingseis de besluitvorming voor gemeenten
eenvoudiger maakt.
De leden van de SGP-fractie horen graag waarom de Staatssecretaris er niet voor heeft
gekozen een eis op te nemen voor de maximale hoeveelheid vuurwerk die iemand in bezit
mag hebben. Dat maakt besluitvorming voor gemeenten eenvoudiger en is een controleerbare
waarborg die bijdraagt aan een veilige uitvoering van de ontheffingsbepaling.
ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn de mening toegedaan dat, gelet op de omvangrijke
ongeregeldheden tijdens de afgelopen jaarwisselingen die samenhangen met vuurwerk
én het expliciete verzoek van de politie om consumentenvuurwerk te verbieden, het
verstandig is een dergelijk vuurwerkverbod in te voeren. Wel zien deze leden dat de
omvang en intensiteit van de vuurwerkproblematiek tussen gemeenten verschilt, en wijzen
zij erop dat in kleinere gemeenschappen in «de regio» de jaarwisseling zelfs zonder
noemenswaardige incidenten plaatsvindt. Mede om die reden zijn deze leden er voorstander
van dat, onder voorwaarden, het voor georganiseerde groepen burgers mogelijk moet
zijn om een ontheffing aan te vragen om alsnog in georganiseerd verband vuurwerk af
te steken. Deze leden danken de Staatssecretaris voor de invulling die met het onderhavige
ontwerpbesluit is gegeven aan het desbetreffende amendement. Naar aanleiding hiervan
hebben deze leden nog een aantal vragen. Deze leden wijzen erop dat is gekozen voor
veiligheidseisen die deels overeenkomen met de eisen die gelden voor professioneel
vuurwerk, bijvoorbeeld ten aanzien van de indeling van afsteekplaats, -terrein en
veiligheidszones, en vragen de Staatssecretaris om deze keuze nader toe te lichten.
Is dit, bijvoorbeeld gelet op verschillen in risico’s tussen F2-vuurwerk en professioneel
vuurwerk proportioneel?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Staatssecretaris tevens om in te gaan
op de zorgpunten die de VNG kenbaar heeft gemaakt in de brief van 6 februari 2026.
In het bijzonder vragen deze leden de Staatssecretaris inhoudelijk in te gaan op het
verzoek van de VNG om aanvullende financiële middelen voor gemeenten: is hij van plan
om hier wel of niet middelen voor te reserveren, en waarom?
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn van mening dat een passende compensatieregeling
voor de sector op zijn plaats is. Deze leden vragen of de Staatssecretaris deze mening
deelt. Kan hij toelichten hoe het overleg met de sector (zowel importeurs als winkeliers)
over compensatie en overgangsmaatregelen verloopt? Kan de Staatssecretaris daarbij
tevens aangeven welk bedrag momenteel gereserveerd is voor deze compensatieregeling?
II Reactie van de bewindspersoon
Inleiding
Er is in beide Kamers een brede politieke wens om de inwerkingtreding van het verbod
zo snel als mogelijk in te laten gaan. Dit blijkt ook uit de recentelijk aangenomen
motie van het Tweede Kamerlid Van der Werf1. Tegen deze achtergrond streeft het kabinet ernaar het besluit en de Wet veilige
jaarwisseling per 1 augustus 2026 in werking te laten treden, zodat het vuurwerkverbod
voor consumenten van toepassing is bij de jaarwisseling 2026/2027. Deze planning biedt
burgemeesters, handhavingsinstanties en lokale verenigingen en stichtingen die gebruik
wensen te maken van een ontheffingsmogelijkheid, voldoende gelegenheid om zich voor
te bereiden op de nieuwe situatie.
Gelet hierop verzoek ik uw Kamer de voorhangprocedure zodanig in te richten dat het
Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling op korte termijn de volgende fase van het wetgevingsproces
kan doorlopen en tijdig ter advisering aan de Raad van State kan worden aangeboden.
Doorgaans heeft de Raad van State circa twee tot drie maanden nodig voor de advisering.
Vervolgens dient na verwerking van advies van de Raad van State het besluit formeel
te worden vastgesteld.
Om inwerkingtreding per 1 augustus 2026 mogelijk te maken, en daarmee ook het verbod
op consumentenvuurwerk bij de jaarwisseling van 2026/2027 in werking te laten treden,
is afronding van de voorhangprocedure van dit ontwerpbesluit door uw Kamer in maart
daarom wenselijk.
1.
De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over de beslissing om minimale veiligheidsafstanden
niet langer dwingend in het ontwerpbesluit voor te schrijven. Eerdere concepten bevatten
heldere afstanden van 15 tot 90 meter, gebaseerd op gedegen wetenschappelijk onderzoek
en gelijk aan de eisen voor professionele ontbranders. Het loslaten van deze landelijke
normen en het overlaten van deze afweging aan burgemeesters, die vaak niet over de
specifieke technische expertise beschikken, riskeert een lappendeken aan regels en
tast de rechtszekerheid en veiligheid aan. Deze leden vragen de Staatssecretaris waarom
is afgeweken van de adviezen van de Verenging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het
Genootschap van Burgemeesters (NGB) en de politie, die juist pleitten voor het handhaven
van deze nationale veiligheidswaarborgen.
Uitgangspunt voor de uitwerking in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling is het
hebben van vertrouwen in verenigingen en stichtingen, en het bieden van ruimte voor
lokale afwegingen. Concreet betekent dit dat er is gekozen om terughoudend te zijn
als het gaat om het stellen van landelijke regels en vereisten.
Een burgemeester heeft bij uitstek kennis van zijn gemeente. Het wordt daarom overgelaten
aan de burgemeester om te bepalen of een locatie geschikt is om vuurwerk af te steken
met publiek, en welke minimale veiligheidsafstanden daar gelden. Daarmee wordt dichtregelen
en het op voorhand uitsluiten van locaties, voorkomen.
2.
De leden van de D66-fractie vragen tevens aandacht voor handhaving. De politie heeft
gewaarschuwd dat een te ruime ontheffingsmogelijkheid de doelstelling van de wet teniet
kan doen en tot onbeheersbare situaties op aangewezen afsteeklocaties kan leiden.
Deze leden willen voorkomen dat de ontheffing een achterdeur wordt waardoor het consumentenvuurwerk
alsnog op grote schaal terugkeert in de publieke ruimte. Zij vragen de Staatssecretaris
hoe hij borgt dat de ontheffingspraktijk beperkt blijft tot kleinschalige, georganiseerde
buurtinitiatieven en hoe de veiligheid van omstanders en de omgeving, waaronder natuurgebieden,
structureel gewaarborgd wordt in de uiteindelijke algemene maatregel van bestuur (AMvB).
Met de voorwaarden en voorschriften die zijn opgenomen in het Ontwerpbesluit veilige
jaarwisseling wordt geborgd dat enkel verenigingen en stichtingen een ontheffing kunnen
aanvragen, en dat er maximaal 200 kilogram vuurwerk per ontheffing mag worden afgestoken.
Daarmee blijft de ontheffingsmogelijkheid beperkt tot kleinschalige en georganiseerde
initiatieven, bijvoorbeeld vanuit buurtverenigingen. Ten behoeve van de veiligheid
van ontbranders, supervisors, omstanders en omwonenden zijn diverse veiligheidseisen
in het Ontwerpbesluit opgenomen. De burgemeester houdt bij het bepalen van de locatie
rekening met de nabijheid van kwetsbare gebouwen, maar ook bijvoorbeeld met dieren
en natuurgebieden.
3.
De leden van de D66-fractie vragen tot slot naar de leeftijdsgrens voor ontbranders.
Waar de politie adviseert deze grens te verhogen naar achttien jaar vanwege de grote
verantwoordelijkheid bij publieke evenementen, houdt het ontwerpbesluit vast aan zestien
jaar. Deze leden verzoeken de Staatssecretaris nader toe te lichten waarom hij hier
afwijkt van het deskundig advies van de handhavingspartners, temeer daar in omringende
landen vaak al een hogere leeftijdsgrens geldt. De inzet van deze leden blijft een
effectief verbod dat daadwerkelijk bijdraagt aan een veilige transitie van de jaarwisseling.
In het huidige Vuurwerkbesluit wordt een leeftijdsgrens voor het afsteken van F2-vuurwerk
gehanteerd van 16 jaar. Dat sluit ook aan bij de minimale leeftijdsgrens zoals opgenomen
in de Pyrorichtlijn. Omdat er een bepaalde verantwoordelijkheid rust op personen die
vuurwerk organiseren in het kader van de ontheffing, is de minimale leeftijd van de
supervisor(s) vastgesteld op 18 jaar.
4.
De leden van de VVD-fractie vragen of de Staatssecretaris het realistisch acht dat
het volledige wetgevings- en implementatietraject zorgvuldig kan worden afgerond vóór
de jaarwisseling 2026–2027. Zij hebben daarbij specifieke aandacht voor het verdere
proces, inclusief welke termijnen de Staatssecretaris heeft om tijdig tot inwerkingtreding
over te kunnen gaan, in lijn met de kaders gesteld in diverse moties. Deze leden ontvangen
graag een gespecificeerde tijdlijn. Daarbij wijzen zij op de benodigde voorbereidingen
bij gemeenten, handhavingsinstanties en andere betrokken partijen, en vragen zij hoe
wordt gewaarborgd dat deze partijen voldoende tijd hebben om zich op de nieuwe systematiek
voor te bereiden.
In de begeleidende brief bij deze beantwoording van de schriftelijke vragen is stilgestaan
bij de tijdslijn van het wetgevingstraject. Hierbij is rekening gehouden met de wens
van de Kamer om de wet zo snel mogelijk in werking te laten treden. Gelet het benodigde
tijdspad, is het streven van het kabinet erop gericht de wet en het besluit op 1 augustus
2026 in werking te laten treden. Gelet op de wettelijk verplichte nahang van vier
weken moet het besluit dan uiterlijk 4 juli 2026 worden gepubliceerd. De handreiking
die ontwikkeld wordt, zal ook rond die periode beschikbaar worden gesteld. Overigens
kunnen gemeenten nu ook al starten met de voorbereiding.
5.
De leden van de VVD-fractie vragen voorts hoe wordt voorkomen dat de ruime beleidsvrijheid
voor burgemeesters leidt tot onaanvaardbare grote verschillen tussen gemeenten, waardoor
te grote rechtsongelijkheid kan ontstaan voor verenigingen en inwoners.
Als gevolg van het amendement Bikker c.s. kan een burgemeester op grond van de Wet
veilige jaarwisseling een ontheffing verlenen, maar hoeft zij dat niet te doen. Zij
kan daartoe zelf beleid opstellen al dan niet vastgelegd in een beleidsregel. Verschillen
in beleid tussen gemeenten leiden op zichzelf niet tot rechtsongelijkheid. Sterker
nog, met de ontheffingsbevoegdheid voor burgemeesters is juist beoogd dat, afhankelijk
van lokale omstandigheden, verschillen in beleid tussen gemeenten kunnen ontstaan.
Wel zijn, in lijn met de wens van gemeenten, zo veel mogelijk veiligheidsvoorschriften
nationaal vastgelegd in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling.
6.
In dat kader vragen zij tevens hoe de rechtsbescherming wordt gewaarborgd voor groepen
burgers en dorps- en buurtverenigingen die – ondanks dat ze voldoen aan de eisen die
een gemeente stelt voor een ontheffing – te maken krijgen met een afwijzing van een
ontheffingsaanvraag.
Een burgemeester kan een aanvraag die aan de eisen voldoet toch afwijzen, bijvoorbeeld
omdat een beperkt aantal ontheffingen wordt verleend vanwege de beschikbare handhavingscapaciteit.
Een afwijzing op een ontheffingsaanvraag is een besluit in de zin van de Algemene
wet bestuursrecht. Daartegen zijn de normale rechtsmiddelen mogelijk. Een vereniging
of stichting kan bezwaar maken tegen een afwijzing en daarna eventueel in beroep gaan.
7.
De leden van de VVD-fractie hechten groot belang aan een handhaafbaar en uitvoerbaar
stelsel. Zij verzoeken de Staatssecretaris daarom nader toe te lichten hoe de uitkomsten
van de HUF-toetsen van politie, Openbaar Ministerie (OM) en de ILT concreet zijn verwerkt
in het ontwerpbesluit.
In paragraaf 8.2 van de Nota van toelichting bij het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling
is nader ingegaan op de door de politie, ILT, OM en VNG uitgevoerde toetsen op handhaafbaarheid,
uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid.
8.
Tevens vragen zij of de Staatssecretaris in overleg met de Minister van Justitie en
Veiligheid een inschatting kan geven van de effecten van het ontwerpbesluit op de
werkdruk van de politie en handhavers tijdens de jaarwisseling.
De jaarwisseling vraagt elk jaar een maximale inzet van de politie, handhavers en
andere partijen. Ook na invoering van de Wet veilige jaarwisseling zal deze inzet
naar verwachting nog enkele jaren onverminderd hoog blijven. De politie verwacht dat
op termijn een afname van de benodigde capaciteit mogelijk is. Gedragsverandering
vergt immers tijd, waardoor de effecten van de wet zich geleidelijk zullen manifesteren.
9.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het uitgangspunt van vertrouwen in verenigingen
en maatschappelijke initiatieven. Zij vragen de Staatssecretaris toe te lichten hoe
wordt voorkomen dat de administratieve lasten voor verenigingen te hoog worden als
gevolg van (aanvullende) eisen die lokaal worden gesteld aan een ontheffing.
Gelet op de lokale omstandigheden kan het soms wenselijk zijn dat er lokaal aanvullende
eisen worden gesteld. Daarnaast kan een burgemeester aanvullende voorschriften aan
de ontheffing verbinden. Door de VNG wordt, met input vanuit het Rijk, gewerkt aan
een handreiking voor alle gemeenten. Daarin worden ook «best practices» uitgewisseld.
10.
In dat verband vragen zij wat de verwachting is ten aanzien van het aantal burgerinitiatieven,
verenigingen en stichtingen dat daadwerkelijk gebruik zal maken van de ontheffingsregeling,
en hoe dit verwachte gebruik zich verhoudt tot de uitvoerings- en toezichtslasten
voor gemeenten en de administratieve lasten voor burgers en vrijwilligers.
Het is lastig te voorspellen hoeveel verenigingen en stichtingen een ontheffing zullen
gaan aanvragen. In de toelichting bij het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling is
een schatting gemaakt van 500–1.500 aanvragen. Het is echter voor een belangrijk deel
afhankelijk van hoe burgemeesters invulling gaan geven aan hun ontheffingsbevoegdheid.
In het eerste kwartaal van 2026 zal in het kader van het opstellen van de handreiking
door VNG een uitvraag bij gemeenten worden gedaan. Dit zal een actueel beeld geven
van hoeveel ontheffingen naar verwachting verleend zullen worden.
11.
De leden van de VVD-fractie vragen verder in hoeverre het proportioneel is dat voor
kleinschalige, niet-commerciële initiatieven grotendeels dezelfde voorschriften worden
gesteld als voor professionele evenementen. Zij vragen of is bezien of een lichtere
of vereenvoudigde variant mogelijk is voor dergelijke initiatieven en, zo nee, waarom
daarvoor niet is gekozen.
Uitgangspunt voor de uitwerking in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling is het
hebben van vertrouwen in verenigingen en stichtingen. Concreet betekent dit dat er
is gekozen om terughoudend te zijn als het gaat om het stellen van landelijke regels
en vereisten, en het voorkomen van onnodige belemmeringen en regeldruk voor stichtingen
en verenigingen. Daarbij is wel van belang geacht dat bepaalde (veiligheids)vereisten
nationaal worden vastgelegd. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de brede wens vanuit
gemeenten. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande regelgeving. Er zijn
minimale veiligheidseisen nodig om de veiligheid te borgen van ontbranders, supervisors,
omstanders en omwonenden.
12.
De leden van de VVD-fractie vragen ook welk exact deel van de handhavings- en toezichtslast
bij ontheffingshouders wordt neergelegd, en welk deel bij de (lokale) overheid.
Een vereniging of stichting is zelf verantwoordelijk voor de naleving van de voorschriften
die aan de ontheffing zijn verbonden. Het is de burgemeester die de ontheffing verleent
en verantwoordelijk is voor het toezicht en de handhaving op de naleving van de voorwaarden
en voorschriften door de ontheffinghouder.
13.
Ook vragen deze leden of de Staatssecretaris nader kan ingaan op de vraag waarom is
gekozen een zekere verantwoordelijkheid bij ontheffingshouders te beleggen en daarnaast
een deel bij de (lokale) overheid.
Een belangrijk uitgangspunt bij de uitwerking van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling
is het hebben van vertrouwen in verenigingen en stichtingen. Daarbij hoort ook een
zekere verantwoordelijkheid. Een vereniging of stichting vraagt een ontheffing aan
bij de burgemeester en is zelf verantwoordelijk voor de naleving van de voorschriften
die aan de ontheffing zijn verbonden. In diverse regio’s in Nederland heeft men veel
ervaring met het binnen verenigingsverband organiseren van kleine evenementen om het
gemeenschapsgevoel en de saamhorigheid te versterken. Dergelijke initiatieven komen
daarbij vanuit de gemeenschap zelf, en worden veelal gefaciliteerd door de gemeente.
Het is daarom volgens het kabinet van belang dat op lokaal niveau ruimte bestaat om
afwegingen te maken over hoe een ontheffing het beste kan worden vormgegeven, en verenigingen
en stichtingen het vertrouwen wordt gegeven om binnen de gestelde kaders vuurwerk
te organiseren.
14.
De leden van de VVD-fractie vragen tot slot hoe de voortgang van het ontwerpbesluit
zich verhoudt tot de andere twee randvoorwaarden uit het amendement-Michon-Derkzen
(Kamerstuk 35 386, nr. 16), te weten het handhavingsplan en de compensatieregeling voor de vuurwerkbranche.
Zij vragen wanneer de Kamer nader wordt geïnformeerd over de uitwerking van deze twee
overige randvoorwaarden.
Op 13 november 2025 is het handhavingsplan2 met de Kamer gedeeld en is het plan geagendeerd tijdens het Commissiedebat politie
in de Tweede Kamer van 18 december 2025. Het handhavingsplan wordt op dit moment geactualiseerd
op basis van de uitwerking van het Ontwerpbesluit; deze versie wordt eind februari
met de Kamer gedeeld. Voor de compensatieregeling zal het nieuwe kabinet de gesprekken
met de vuurwerkbranche voortzetten. Zodra deze gesprekken zijn afgerond wordt de Kamer
geïnformeerd over de invullen van de compensatieregeling.
15.
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie merken op dat honden,
katten, konijnen, vogels en vele andere dieren doodsbang zijn voor vuurwerk. Vele
vogels overlijden elke jaarwisseling door de harde knallen. Er zijn nu, een maand
na nieuwjaar nog honden die niet meer naar buiten durven sinds de jaarwisseling, omdat
ze getraumatiseerd zijn door alle knallen. Deze leden lezen dat het kabinet met allerlei
partijen heeft gesproken om de ontheffingsregeling vorm te geven, waaronder sport-
en wijkverenigingen, de brandweer, vuurwerkliefhebbers en de vuurwerkbranche. Dit
is natuurlijk positief, maar deze leden zien dat veel vertegenwoordigers van belanghebbenden
niet aan tafel hebben gezeten, en dat daardoor hun wensen minder goed vertegenwoordigd
zijn in dit ontwerpbesluit. Waarom is er niet gesproken met bijvoorbeeld de Hondenbescherming,
Vogelbescherming, Dierenbescherming, het Longfonds en natuur- en milieuorganisaties?
In het kader van de uitwerking van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling is gesproken
met diverse partijen die betrokken zullen zijn bij de aanvraag van een ontheffing
(zoals koepels van verenigingen), het verlenen van ontheffingen (burgemeesters) en
partijen die zijn betrokken bij het toezicht en de handhaving. Daarbij is niet direct
gesproken met natuur-, dierenwelzijns- of gezondheidsorganisaties. Wel hebben diverse
organisaties, zoals het Longfonds en de Dierenbescherming gereageerd op de internetconsultatie,
die voor iedereen open stond om op te reageren. De manier waarop de internetconsultatiereacties
zijn verwerkt staat beschreven in de Nota van toelichting.
16.
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie merken op dat sommige
Nederlanders met huisdieren met nieuwjaarsnacht het land ontvluchten, omdat hun huisdieren
te gestrest raken van alle knallen. Deze leden lezen in het ontwerpbesluit dat er
bij het afgeven van een ontheffing rekening gehouden moet worden met de nabijheid
van bedrijfsmatig gehouden dieren. Waarom is ervoor gekozen om alleen met bedrijfsmatig
gehouden dieren rekening te houden, terwijl ook veel huisdieren enorme angst hebben
voor vuurwerk?
Hierbij is aangesloten bij de geldende regels voor professionele ontbranders, zoals
opgenomen in de Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk. Huisdieren
kunnen overal worden gehouden, zodat hiermee bij de locatiekeuze niet in algemene
zin rekening kan worden gehouden.
17.
En op welke manier worden eigenaren van huisdieren, maar ook andere buurtbewoners
op de hoogte gesteld van de vuurwerkontheffingsplannen in hun buurt en hoe ver van
tevoren moet dit minimaal gebeuren?
Er is niet in algemene zin te zeggen op welke wijze gemeenten bewoners zullen informeren
over het te voeren ontheffingenbeleid en de verleende ontheffingen. Het is aan de
gemeente om hier invulling aan te geven. Naar verwachting zal het ontheffingenbeleid
kenbaar worden gemaakt zodat zowel aspirant-aanvragers als anderen zich daarop kunnen
instellen. Verder zal in de regel mededeling worden gedaan van verleende ontheffingen,
zodat belanghebbenden daar desgewenst bezwaar tegen kunnen maken.
18.
Kan er nog bezwaar gemaakt worden als het dichtbij hun woning is en ze een bang huisdier
hebben of een longaandoening?
Ontheffingen zijn appellabele beschikkingen. Omwonenden kunnen daartegen bezwaar maken
indien zij daarbij belanghebbend zijn.
19.
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie vragen waarom het
aan de gemeentes wordt overgelaten om te bepalen of het wenselijk is om nabij natuurgebieden
of vanaf het water vuurwerk af te steken. Het is, zeker gezien de huidige staat van
de biodiversiteit, stikstofcrisis en aankomende waterkwaliteitscrisis, toch landelijk
te stellen dat het altijd onwenselijk is om vuurwerk nabij een natuurgebied af te
steken? Waarom is er dan toch besloten om dit niet landelijk vast te leggen, terwijl
(onder andere) de VNG juist vraagt om zoveel mogelijk eenduidige landelijke regelgeving?
Met de uitwerking is ruimte overgelaten aan burgemeesters om lokale afwegingen te
maken, omdat zij de lokale omstandigheden het beste kennen. Daarbij kan rekening worden
gehouden met de geschiktheid van een locatie, en bijvoorbeeld met de nabijheid van
natuurgebieden en dieren.
20.
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie vinden het goed
dat er verplicht handblusapparatuur aanwezig moet zijn op de locatie. Er zijn verschillende
soorten PFAS verboden in brandblusschuim, maar een deel is momenteel nog toegestaan.
De EU werkt aan een totaalverbod voor PFAS in brandblussers. Omdat PFAS enorm schadelijk
is voor onze gezondheid en onze leefomgeving, is het onwenselijk wanneer PFAS door
middel van brandblussers in de leefomgeving komt. Is de Staatssecretaris het met deze
leden eens dat het zou getuigen van verantwoord overheidshandelen als in het ontwerpbesluit
wordt opgenomen dat het om PFAS-vrije handblusapparatuur moet gaan?
Uit een recent amendement van de REACH verordening volgt al een restrictie op PFAS handblusapparatuur. Per eind 2030 mag er geen gebruik
meer worden gemaakt van PFAS waarden hoger dan 1 mg/liter in handblusapparatuur. Per
eind 2026 mag het tevens niet meer verkocht worden. Het is mogelijk om over deze nieuwe
regels te communiceren.
21.
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie vragen wat er precies
mee wordt bedoeld dat «direct na afloop» de veiligheidszone opgeruimd en schoon moet
worden opgeleverd. Hoe is hierop te handhaven als het zo vaag is omschreven?
Het is de verantwoordelijkheid van de ontheffinghouder om het vuurwerk direct op te
ruimen na afloop van de ontbranding; dat betekent dus zo spoedig mogelijk nadat het
laatste vuurwerk is afgestoken. De gemeente kan erop toezien of dat ook is gebeurd.
22.
En waarom is negatief geadviseerd over het idee van Zero Waste Nederland van een schoonmaakplan,
terwijl zelfs een summier schoonmaakplan kan helpen in het schoonkrijgen van de locatie,
omdat er dan alvast van tevoren over is nagedacht, en de ontheffingshouders de middelen
in de buurt hebben om de buurt schoon te maken (denk aan afvalprikkers, vuilniszakken
en een bezem)?
Er is ervoor gekozen om als uitgangspunt het vertrouwen in verenigingen en stichtingen
te hebben, en daarom terughoudend te zijn als het gaat om het stellen van regels en
vereisten op landelijk niveau. Dit ook om onnodige belemmeringen en regeldruk voor
stichtingen en verenigingen te voorkomen. Gemeenten kunnen er wel voor kiezen om een
schoonmaakplan als voorwaarde op te nemen voor het ontlenen van een ontheffing.
23.
En kan, zoals Zero Waste Nederland ook vroeg, het vuurwerkafval worden ingeleverd
bij de verkopende partij samen met het niet afgestoken vuurwerk, zodat het op de juiste
manier kan worden weggegooid in plaats van afvalstromen te vervuilen met giftige materialen?
Vuurwerk dat niet is afgestoken, moet retour gebracht worden naar de verkopende partij.
Vuurwerk dat al is afgestoken kan op de gebruikelijke manier worden opgeruimd.
24.
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie hebben ook specifiek
nog wat vragen over de supervisors en ontbranders. Er staat dat er niet wordt vereist
om de supervisors en ontbranders al bij de aanvraag aan te geven. Op welk moment moet
dit wel aangeleverd worden, en waar?
In artikel 2.3.2 staan de voorwaarden vermeld waaraan ten minste dient te worden voldaan
om voor een ontheffing in aanmerking te komen. Bij het indienen van de aanvraag moet
de aanvrager van de ontheffing een of twee supervisor(s) en maximaal acht ontbranders
aanwijzen. Dit kan bijvoorbeeld gedaan worden door middel van een verklaring bij de
aanvraag. Hier kan tevens op gecontroleerd worden in het kader van de handhaving van
de ontheffing.
25.
En moeten de supervisors en ontbranders een verklaring omtrent het gedrag (VOG) meesturen?
Zo nee, waarom niet?
Een VOG is geen verplichting op grond van de Wet veilige jaarwisseling en het Ontwerpbesluit
veilige jaarwisseling, met het oog op het voorkomen van regeldruk en kosten voor verenigingen
en stichtingen.
26.
Wordt gecheckt of de e-learning is doorlopen? Zo ja, door wie? Is dat onderdeel van
de ontheffingsaanvraag?
Op grond van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling is een van de voorschriften
die aan een ontheffing wordt verbonden dat supervisors en ontbranders kennis hebben
over het veilig afsteken, bewaren en transporteren van vuurwerk. Ten behoeve hiervan
wordt door het Rijk een informatiepakket of e-learning ontwikkeld. Bij een e-learning
ligt het voor de hand dat er een bepaald bewijs van voltooiing kan worden overlegd
indien een burgemeester dat wenst. Dat is echter geen verplichting die uit het Ontwerpbesluit
veilige jaarwisseling volgt.
27.
Moeten de supervisors en ontbranders ook makkelijk herkenbaar zijn voor het publiek,
bijvoorbeeld door een hesje?
Dit is geen verplichting op grond van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling. Een
burgemeester kan ervoor kiezen om dat wel als voorschrift aan de ontheffing te verbinden.
28.
Is het mogelijk om landelijk vast te leggen dat wanneer de ontheffingshouder een grote
overtreding maakt, de overtreder en de vereniging een vastgesteld aantal jaar niet
opnieuw betrokken mogen zijn bij een toekomstige vuurwerkontheffing?
Een burgemeester kan hiertoe beslissen en hiertoe beleid vaststellen indien hij dat
wenselijk acht. Het is niet nodig om dit landelijk vast te leggen.
29.
Waarom is het advies van het NGB en de politie om de leeftijdsgrens voor ontbranders
te verhogen van 16 naar 21 of 18, in verband met de enorme verantwoordelijkheid die
erop rust, niet overgenomen, terwijl de politie aangeeft het niet logisch te vinden
dat wordt vastgehouden aan de leeftijdsgrens zoals opgenomen in de Pyrorichtlijn?
Hierbij wordt aangesloten bij de huidige wet- en regelgeving over het afsteken van
aangewezen F2-vuurwerk. Zie ook het antwoord op vraag 3.
30.
Waarom is er specifiek voor maximaal acht ontbranders gekozen?
In de huidige regelgeving is er een maximum van 25 kg vuurwerk per persoon toegestaan.
Omdat er op een afsteeklocatie maximaal 200 kg vuurwerk neergelegd mag worden, is
ervoor gekozen om het mogelijk te maken maximaal acht ontbranders aan te wijzen.
31.
De Landelijke Werkgroep Vuurwerk Coördinatoren (LWVC) geeft aan dat het erg veel is
voor één of twee supervisors om acht ontbranders in de gaten te houden. Kan het aantal
ontbranders dan niet beter naar beneden worden bijgesteld?
Het kabinet heeft voor dit aantal gekozen zodat maximaal één of twee personen verantwoordelijk
zijn en als contactpersoon fungeren voor gemeenten en hulpverleningsdiensten.
32.
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie hebben een specifieke
vraag over de veiligheidsafstanden. Deze zijn wel landelijk vastgelegd voor professionele
ontbranders bij vuurwerkshows. Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat
het onlogisch is om dat nu niet te doen, terwijl het juist onveiliger is, omdat de
afstekers onder deze AMvB geen professionals hoeven te zijn?
Het is aan de burgemeester om te bepalen of een locatie geschikt is om vuurwerk af
te steken met publiek, en welke minimale veiligheidsafstanden daar gelden. Daarmee
wordt dichtregelen en het op voorhand uitsluiten van locaties, voorkomen. Zie ook
het antwoord op vraag 1.
33.
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie merken op dat er
een brede vraag is van zowel VNG, het NGB, hulpdiensten als gedragswetenschappers
om zoveel mogelijk vereisten nationaal vast te leggen, zodat onder andere de nieuwe
norm van een algemeen vuurwerkverbod zo duidelijk mogelijk is en daardoor ook sneller
geaccepteerd zal worden. De politie geeft ook aan dat de capaciteitsdruk sneller zal
afnemen als de maatschappelijke adaptatie sneller verloopt. Het is dus enorm belangrijk
dat de Staatssecretaris zich maximaal inzet om de norm goed en snel te laten landen.
Gemeentes geven onder andere aan dat ze wel liever een landelijke veiligheidsafstand
hebben, vestigingsplaatsvereiste en landelijke regels rondom aansprakelijkheid in
plaats van dat dit per gemeente apart bedacht moet worden, ook in verband met het
mogelijke gebrek aan expertise bij de verschillende gemeentes. Begrijpelijk, aangezien
de Staatssecretaris zelf al schat dat landelijk 500 tot 1.500 aanvragen per jaar binnen
zullen komen, en het wenselijk is als die zo veel mogelijk gestroomlijnd worden. Gaat
de Staatssecretaris gehoor geven aan deze oproep en dit nog op tijd aanpassen in het
ontwerpbesluit? Zo nee, waarom niet? En gaat hij dan wel de VNG ondersteuning geven
om lokale modelverordeningen op te stellen die gemeentes kunnen overnemen?
Bij de uitwerking van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling is waar mogelijk ruimte
overgelaten aan burgemeesters om invulling te geven aan de ontheffingsbevoegdheid.
Burgemeesters hebben kennis over hun gemeente en inwoners en kunnen daarom goed beoordelen
wat wenselijk en mogelijk is binnen hun gemeente. Daarnaast is vertrouwen een van
de uitgangspunten bij de uitwerking. Dit houdt in dat er is gekozen om terughoudend
te zijn als het gaat om het stellen van regels en vereisten op landelijk niveau, om
onnodige belemmeringen en regeldruk te voorkomen. Ook worden geen eisen gesteld met
betrekking tot de vestigingsplaats van de vereniging of stichting. Op deze manier
kan een ontheffing ook worden aangevraagd in een naburige gemeente. De VNG werkt aan
een handreiking voor gemeenten, met ondersteuning vanuit het Rijk, waarin ook modelontheffingen
en bijbehorende afwegingskaders worden overwogen.
34.
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie vragen ook of er
altijd iemand van de gemeente aanwezig moet zijn tijdens het afsteken om toezicht
te houden, omdat het anders negatieve gevolgen voor de gemeente kan hebben voor de
aansprakelijkheid. Zo ja, wie van de gemeente zou dat toezicht moeten houden, aangezien
boa’s niet aanwezig zijn tijdens de jaarwisseling gezien de gevaarsituatie?
Het is aan het lokaal gezag om de handhaving tijdens oud en nieuw vorm te geven via
de lokale driehoek. Ten aanzien van de rol en inzet van boa's wordt binnenkort het
gesprek gestart of zij een bevoegdheid gaan krijgen in de handhaving op ontheffingen
tijdens de jaarwisseling. Het toezicht en de handhaving op de ontheffingen zijn van
belang, tegelijkertijd geldt als uitgangspunt binnen het huidige en toekomstige boa-bestel
dat boa’s niet worden ingezet in situaties met een hoge mate van gevaarzetting. Mocht
besloten worden om boa's deze bevoegdheid te verlenen, dan blijft het aan het lokaal
gezag om te bepalen of en hoe zij deze bevoegdheden daadwerkelijk in de praktijk willen
inzetten en welke rol ze de boa’s geven. Wanneer de openbare orde in het geding is,
zullen boa's sowieso geen rol hebben tijdens de jaarwisseling en blijft dit primair
bij de politie.
35.
Als de weersomstandigheden het niet toelaten, moeten de vuurwerkontheffingen worden
ingetrokken. Het is voor een vereniging lastig om in te schatten wanneer het bij een
grensgeval wel of niet door kan gaan. Wie is verantwoordelijk voor de communicatie
naar de verenigingen met een ontheffing over extreme weeromstandigheden?
De burgemeester dient een ontheffing onverwijld in te trekken wanneer naar verwachting
sprake zal zijn van extreme weersomstandigheden. Vanuit deze verantwoordelijkheid
ligt het in de lijn dat de burgemeester bij een dergelijk besluit onmiddellijk de
ontheffinghouder hiervan op de hoogte stelt.
36.
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie vragen waarom het
aan de gemeentes wordt gelaten om gezondheidseffecten ook te betrekken bij het verlenen
van een ontheffing. Waarom wordt dit niet landelijk geregeld?
Een belangrijk uitgangspunt bij het opstellen van het Ontwerpbesluit is het geven
van ruimte aan lokale afwegingen waarbij oog is voor de lokale situatie, waaronder
de gezondheidseffecten. Daarom is ervoor gekozen om zo veel mogelijk ruimte te laten
om op lokaal niveau afwegingen te maken. Met het oog hierop is terughoudend omgegaan
met het stellen van regels en vereisten op landelijk niveau, om onnodige belemmeringen
en regeldruk voor stichtingen en verenigingen te voorkomen.
37.
En mag een gemeente ook besluiten om bij een code rood van de Stookwijzer de vergunning
in te trekken?
Het intrekken van de ontheffing op basis van de Stookwijzer is niet mogelijk op grond
van de intrekkingsgrondslag zoals opgenomen in het bij het Ontwerpbesluit voorgestelde
artikel 2.3.2b van het Vuurwerkbesluit.
38.
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie merken op dat ontheffingen
ook aangevraagd mogen worden door organisaties die niet in de desbetreffende gemeente
gevestigd zijn. Krijgt de burgemeester bij de aanvraag inzicht of de aanvraag uit
de eigen gemeente komt of uit een andere? Het lijkt deze leden nuttig om dit te weten
voor de afweging.
Een voorwaarde voor de aanvraag van een ontheffing is dat de vereniging of stichting
is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Op basis van de registratie bij de Kamer
van Koophandel is de vestigingsplaats van de aanvrager eenvoudig na te gaan.
39.
De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie delen de zorgen
van burgemeesters dat de uitzonderingspositie die met deze AMvB gecreëerd wordt ervoor
zorgt dat het moeilijk is om de norm goed in te voeren. Dit wordt ook bevestigd door
gedragswetenschappers. Zoals bekend, hadden deze leden liever een algeheel vuurwerkbesluit
gezien zonder ontheffing, omdat de nieuwe norm dan makkelijker en sneller omarmd kan
worden in de samenleving. Ook geeft de ILT aan dat een duidelijke taakstelling nodig
is voor gemeentes om effectief toezicht te houden. Uit de HUF-toets blijkt dat voordat
de politiecapaciteit zal dalen, de capaciteit de komende 2 tot 3 jaar juist aanzienlijk
zal toenemen en zal afnemen zodra de norm beter geland is in de samenleving. Om het
voor de politie en andere hulpdiensten de komende jaren zo veilig mogelijk te maken,
moeten we ons flink gaan inzetten om de norm zo snel mogelijk te laten landen. Goede
communicatie is daarmee onmisbaar. Gemeentes vragen expliciet om duidelijke landelijke
communicatie over het verbod en willen dat dit vroegtijdig zal plaatsvinden in plaats
van pas de laatste weken van het jaar. Deze leden vinden het belangrijk voor de handhaafbaarheid
van het algemeen vuurwerkverbod en dus voor de veiligheid van hulpdiensten dat er
duidelijke landelijke regels komen en zo min mogelijk uitzonderingen op de nieuwe
norm van het algemeen vuurwerkverbod. Heeft de Staatssecretaris hierover gesproken
met gedragswetenschappers? Wat waren de lessen die ze meegaven? Zo nee, is hij alsnog
bereid om dat op tijd te doen, ook volgens de aangenomen motie-Kostić c.s. (Kamerstuk
28 684, nr. 841)? Wanneer wordt uitwerking gegeven aan die motie?
Op dit moment werken de Ministeries van JenV en IenW aan een communicatieaanpak. Hiervoor
wordt een kerngroep en een klankbordgroep samengesteld waarin diverse partijen zijn
vertegenwoordigd, zoals het Nederlands Genootschap van Burgemeesters. Ook worden gedragsdeskundigen
gevraagd deel te nemen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie van het lid Kostić.
40.
Kan de Staatssecretaris een tijdlijn geven wanneer de eerste communicatie over de
nieuwe situatie komend jaar gepland staat?
Op dit moment werken de Ministeries van IenW en JenV aan een communicatieaanpak. In
deze aanpak wordt onderscheid gemaakt in verschillende fasen, te weten; 1) vanaf heden
tot de inwerkingtreding van het landelijk vuurwerkverbod, 2) het landelijk vuurwerkverbod
is van kracht, 3) periode tot aan de jaarwisseling 2026–2027 en de volgende jaarwisselingen.
Per fase worden doelgroepen, doelstellingen, boodschap, kanalen, middelen en een tijdlijn
opgenomen. Fase 1 betreft de communicatie rond de verschillende mijlpijlen tot aan
de inwerkingtreding van het landelijk vuurwerkverbod. De eerste communicatieboodschappen
zullen vanaf mei/juni gepubliceerd worden.
41.
Kan aangegeven worden hoe geschakeld wordt met gemeentes over de basisboodschap en
campagne en of er ook campagnemateriaal en informatie beschikbaar wordt gesteld aan
gemeentes, zodat een eenduidige boodschap kan worden verspreid, aan te passen aan
de lokale situatie?
De VNG is nauw betrokken bij de ontwikkeling en uitvoering van de communicatieaanpak.
De communicatie-instrumenten die ontwikkeld worden voor gemeenten zullen via de VNG
verspreid worden.
42.
Hoeveel budget wordt hiervoor landelijk ter beschikking gesteld?
De hoogte van het benodigde budget is afhankelijk van de communicatieaanpak die naar
verwachting in april 2026 gereed is. Voor de ontwikkeling van de communicatieaanpak
hebben de Ministeries van IenW en JenV capaciteit beschikbaar gemaakt en is een budget
gereserveerd voor een extern communicatiebureau. Net als voorgaande jaren hebben zowel
Ministerie JenV als IenW communicatiemiddelen beschikbaar voor campagnes, scholing
en onderzoek. De communicatieaanpak zal uitwijzen hoe deze middelen ingezet moeten
worden.
43.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de VNG wijst op de complexiteit van de
beleidsafweging die iedere gemeente afzonderlijk moet maken bij het verlenen van ontheffingen,
met het risico op een lappendeken aan regels en verschillen tussen gemeenten. Is de
Staatssecretaris bereid om in overleg met de VNG en gemeenten te bezien of nadere
landelijke kaders of een modelbeleidslijn wenselijk is om onduidelijkheid en handhavingsproblemen
te voorkomen?
Onder regie van de VNG wordt een handreiking opgesteld. In deze handreiking zullen
diverse aspecten aan bod komen zoals het in te richten proces voor het tijdig behandelen
van ontheffingsaanvragen en bijvoorbeeld modelontheffingen en formats. Vanuit het
Rijk wordt ondersteuning geboden bij het opstellen van de handreiking.
Daarnaast heeft het Ministerie van JenV een handhavingsplan3 opgesteld. Met deze instrumenten worden onduidelijkheden zoveel mogelijk voorkomen.
44.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de VNG en het NGB vragen om een expliciete heroverweging
van de keuze om de ontheffingsbevoegdheid bij de burgemeester te beleggen, mede in
het licht van het Kader voor nieuwe burgemeestersbevoegdheden en de benodigde specialistische
kennis. Is de Staatssecretaris bereid om hierover in overleg te treden met de VNG,
het NGB en de veiligheidsregio’s?
De bevoegdheid van de burgemeester vindt niet zijn grondslag in het Besluit veilige
jaarwisseling, maar is door aanneming van het amendement Bikker c.s. opgenomen in
de Wet veilige jaarwisseling. Het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling werkt deze
bevoegdheid nader uit, en kan geen wijzigingen aanbrengen in de toedeling van de ontheffingsbevoegdheid.
Wel is er sprake van overleg met de diverse relevante partners, zoals VNG en NGB,
om hen te helpen bij de invulling van deze ontheffingsbevoegdheid en het opstellen
van een handreiking voor gemeenten.
45.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de VNG zorgen uit over de uitvoerbaarheid
en handhaving in de nachtelijke uren en de aansprakelijkheid bij het verbinden van
voorschriften aan ontheffingen. Welke concrete afspraken zijn of worden in overleg
met de VNG en gemeenten gemaakt over handhavingscapaciteit, aansprakelijkheidsvraagstukken
en ondersteuning van gemeenten, zodat de ontheffingsregeling in de praktijk uitvoerbaar
en handhaafbaar is?
Onder regie van de VNG wordt een handreiking opgesteld. In deze handreiking zullen
diverse aspecten aan bod komen zoals het in te richten proces voor het tijdig behandelen
van ontheffingsaanvragen. Vanuit het Rijk wordt ondersteuning geboden bij het opstellen
van de handreiking. In de handreiking vormt het opstellen van een afwegingskader een
belangrijk onderdeel voor de lokale driehoek; dit kader ondersteunt gemeenten bij
de ontwikkeling van lokaal beleid en neemt daarbij onder meer vraagstukken zoals beschikbare
capaciteit in beschouwing. Ook zal het aandachtspunt van de aansprakelijkheid worden
meegenomen in de handreiking.
46.
De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd hoe de Staatssecretaris een vereniging die
een aanvraag kan doen voor een ontheffing om vuurwerk af te steken in georganiseerd
verband feitelijk definieert. In de toelichting lezen deze leden namelijk dat met
dit ontwerpbesluit is getracht het voor georganiseerde groepen burgers, zoals dorps-
of buurtverenigingen, mogelijk te maken om tijdens de jaarwisseling vuurwerk af te
steken. Welke eisen worden precies gesteld aan de vorm van de vereniging of stichting,
los van de eis dat die ingeschreven staat in het handelsregister? Heeft het bijvoorbeeld
ook betrekking op informele verenigingen, of verenigingen die alleen worden opgericht
met als doel een ontheffing te krijgen om vuurwerk af te steken? Moet de vereniging
ook een minimaal aantal leden hebben?
Er worden in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling, naast de eis van registratie
in het handelsregister, geen eisen gesteld aan het type vereniging of stichting. Het
kan daarom gaan om een wijk- of buurtvereniging, een sportvereniging, of een speciaal
opgerichte vuurwerk- of jaarwisselingsvereniging. Ook worden geen eisen gesteld ten
aanzien van de vestigingsplaats van de vereniging of stichting. Er geldt geen verplichting
voor het opstellen van een notariële akte bij het oprichten van een vereniging om
in aanmerking te kunnen komen voor een ontheffing. Het is aan de vereniging of stichting
zelf om te bepalen of het afsteken van vuurwerk past binnen de eigen doelstellingen.
47.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Staatssecretaris aangeeft sterk in te zetten
op lokale beleidsruimte en terughoudendheid met landelijke normering. Hoe weegt hij
deze keuze tegen de noodzaak om een minimaal landelijk veiligheidsniveau te waarborgen?
Hoewel vertrouwen het uitgangspunt is bij de uitwerking van het Ontwerpbesluit veilige
jaarwisseling, is wel van belang geacht dat bepaalde vereisten nationaal worden vastgelegd.
Het gaat daarbij om voorwaarden en voorschriften ter waarborging van de veiligheid
van ontbranders, supervisors, omstanders en omwonenden. Hiermee wordt tevens tegemoetgekomen
aan de brede wens vanuit gemeenten om waar dat kan veiligheidsvereisten nationaal
vast te leggen.
48.
Deze leden constateren daarnaast dat de Staatssecretaris aangeeft slechts daar landelijke
eisen te stellen waar dit strikt noodzakelijk is voor de veiligheid. Welke veiligheidswaarborgen
acht hij absoluut noodzakelijk, en waarom zijn deze niet explicieter vastgelegd?
De veiligheidseisen die noodzakelijk zijn geacht, zijn in het Ontwerpbesluit veilige
jaarwisseling vastgelegd als voorwaarden voor het verlenen van een ontheffing en voorschriften
die aan de ontheffing dienen te worden verbonden. Deze voorschriften zien bijvoorbeeld
op het veilig afsteken en het veilig neerleggen van vuurwerk door een ontheffinghouder.
Het gaat dan onder andere om het verplicht overleggen van een veiligheidsplan en situatietekening,
diverse eisen die aan de supervisor en ontbrander worden gesteld, en voorschriften
ten aanzien van de locatie waar het vuurwerk wordt bewaard en tot ontbranding wordt
gebracht. Zo moeten de supervisors en ontbranders kennis hebben van het veilig afsteken
van vuurwerk, mogen zij niet onder invloed zijn van alcohol of drugs, moeten er brandblusapparaten
op locatie aanwezig zijn, mag er niet worden gerookt, en mag er een maximumhoeveelheid
vuurwerk van 200 kilogram consumentenvuurwerk worden afgestoken. Voor het transport
van vuurwerk gelden de reeds bestaande eisen uit de ADR-regelgeving.
49.
De leden van de CDA-fractie hebben gelezen dat de ontheffingsbevoegdheid expliciet
bij de burgemeester is belegd en dat burgemeesters zelfstandig afwegingen moeten maken
over veiligheid, aansprakelijkheid en handhaving. Hoe voorkomt de Staatssecretaris
dat deze systematiek leidt tot grote verschillen tussen gemeenten?
Als gevolg van het aangenomen amendement Bikker c.s. is de ontheffingsbevoegdheid
op grond van de wet neergelegd bij de burgemeester. Op deze manier kan rekening worden
gehouden met lokale omstandigheden. Daarmee kunnen verschillen in beleid tussen gemeenten
ontstaan. Wel zijn, in lijn met de wens van gemeenten, zo veel mogelijk veiligheidsvoorschriften
nationaal vastgelegd in het ontwerpbesluit veilige jaarwisseling. Tevens zal de eerdergenoemde
handreiking handvatten bieden om afwegingen langs dezelfde kaders te laten verlopen.
50.
De leden van de CDA-fractie vragen aan de Staatssecretaris of het klopt dat er geen
eisen worden gesteld aan de vestigingsplaats van de vereniging of stichting, waardoor
verenigingen ook in andere plekken een ontheffing kunnen aanvragen. Zo ja, wat is
hiervoor de reden geweest, nu met het amendement-Bikker c.s. (Kamerstuk 35 386, nr. 14) is bepaald dat vooral dorps- of buurtverenigingen voor hun lokale gemeenschap vuurwerk
kunnen afsteken op een daartoe aangewezen plek?
Dit klopt. Zo wordt het mogelijk gemaakt dat een ontheffing bijvoorbeeld wordt aangevraagd
in een naburige gemeente. De verwachting is dat ontheffingen met name zullen worden
aangevraagd in de eigen of een naburige gemeente. Indien gewenst kan een burgemeester
in het beleid een vereiste van lokale binding opnemen.
51.
Is de Staatssecretaris van mening dat de mogelijkheid om op elke plek een ontheffing
aan te vragen voldoende strookt met de geest van dat amendement?
Het amendement Bikker c.s. laat zich niet uit over het aantal locaties waarvoor een
ontheffing kan worden verleend. Het is aan de burgemeester om – in overleg met bijvoorbeeld
de lokale driehoek en brandweer en binnen de kaders van het Besluit veilige jaarwisseling –
te bepalen of, hoeveel, en op welke locaties hij ontheffingen wenst te verlenen.
52.
De leden van de CDA-fractie constateren dat er geen landelijke veiligheidsafstanden
zijn opgenomen. Waarom heeft de Staatssecretaris ervoor gekozen deze afstanden niet
landelijk te normeren, terwijl dit bij professionele vuurwerkshows wel het geval is?
Hoe ziet hij deze discrepantie?
Het is aan de burgemeester om te bepalen of een locatie geschikt is om vuurwerk af
te steken met publiek, en welke minimale veiligheidsafstanden daar gelden. Daarmee
wordt dichtregelen en het op voorhand uitsluiten van locaties, voorkomen. Zie ook
het antwoord op vraag 1.
53.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Staatssecretaris inzet op ondersteuning van
gemeenten via onder meer handreikingen. Welke concrete ondersteunende instrumenten
stelt hij beschikbaar, en kunnen de gemeenten deze ruim voor de jaarwisseling verwachten?
Onder regie van de VNG wordt een handreiking opgesteld. In deze handreiking zullen
diverse aspecten aan bod komen zoals het in te richten proces voor het tijdig behandelen
van ontheffingsaanvragen. Vanuit het Rijk wordt ondersteuning geboden bij het opstellen
van de handreiking.
54.
De leden van de CDA-fractie lezen dat toezicht op de naleving van ontheffingsvoorwaarden
een gemeentelijke verantwoordelijkheid is. Kan de Staatssecretaris nader ingaan op
de aansprakelijkheidspositie van de gemeente, indien zich bij een verleende ontheffing
een incident voordoet?
Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval wie aansprakelijk kan worden
gesteld voor schade en letsel door vuurwerk. Bij toezichtsfalen tijdens evenementen
kan een gemeente aansprakelijk worden gesteld. De VNG heeft over dit onderwerp een
handreiking4 opgesteld.
55.
En wat wordt precies verstaan onder de «uitzonderlijke gevallen» waarin de gemeente
aansprakelijk gesteld kan worden?
Concreet toezichtsfalen kan leiden tot aansprakelijkheid voor schade, maar is altijd
afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De VNG heeft over dit onderwerp een
handreiking5 opgesteld.
56.
De leden van de CDA-fractie constateren dat geen landelijke verzekeringseis is opgenomen
in het ontwerpbesluit. Hoe waarborgt de Staatssecretaris dat slachtoffers van vuurwerkincidenten
hun schade kunnen verhalen, indien ontheffinghouders niet verplicht verzekerd zijn?
Wanneer er sprake is van schade of letsel is het van belang dat het slachtoffer iemand
aansprakelijk kan stellen voor de geleden schade. Afhankelijk van de omstandigheden
van het geval kan het slachtoffer het schadeveroorzakende individu, maar ook de ontheffinghouder
aansprakelijk stellen. Doordat in het wijzigingsbesluit is geregeld dat een ontheffing
kan worden aangevraagd door een vereniging of stichting, is er sprake van een rechtspersoon
die aangesproken kan worden. Om te bepalen wie voor de schade aansprakelijk is, is
het algemene recht en de bestaande jurisprudentie van toepassing; het Ontwerpbesluit
veilige jaarwisseling stelt geen nadere regels hierover. Ook stelt het besluit geen
nadere eisen rondom een verplichte aansprakelijkheidsverzekering voor ontheffinghouders.
Het wordt wel verstandig geacht voor een ontheffinghouder om na te gaan of de huidige
verzekering voldoende dekking biedt, en of een aanvullende verzekering nodig is.
57.
Geldt voor verenigingen of stichtingen die geen aansprakelijkheidsverzekering hebben
dat een tijdelijke evenementenverzekering verplicht wordt en, zo nee, waarom niet?
Het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling stelt een evenementenverzekering niet verplicht.
Het wordt wel verstandig geacht om een dergelijke verzekering af te sluiten wanneer
de huidige verzekering geen adequate dekking biedt. Een burgemeester kan ervoor kiezen
om een dergelijke verzekering wel verplicht te stellen.
58.
De leden van de CDA-fractie hebben gelezen dat toezicht en handhaving een gezamenlijke
verantwoordelijkheid van gemeenten en politie vormt. Deze leden vragen hoe de Staatssecretaris
de rol van de politie bij de handhaving van verleende ontheffingen ziet.
Het is aan het lokaal gezag om op lokaal niveau invulling te geven aan het toezicht
en de handhaving van verleende ontheffingen. Daarbij ligt de nadruk in eerste instantie
op bestuursrechtelijke handhaving. Dit betekent dat wordt gecontroleerd of wordt voldaan
aan de gestelde ontheffingsvoorwaarden. De politie vervult in dit kader een aanvullende
en specifieke rol. Zij treedt op wanneer sprake is van de opsporing van strafbare
feiten of wanneer de openbare orde en veiligheid in het geding zijn. In die gevallen
ligt de verantwoordelijkheid primair bij de politie.
59.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de Staatssecretaris bewust kiest voor
een sobere uitwerking van het ontwerpbesluit. Hoe borgt hij dat deze keuze niet leidt
tot onbedoelde veiligheidsrisico’s, waarbij verantwoordelijkheden in de praktijk onevenredig
bij lokale bestuurders en vrijwilligers terechtkomen?
Hoewel vertrouwen het uitgangspunt is bij de uitwerking van het ontwerpbesluit veilige
jaarwisseling, is wel van belang geacht dat bepaalde vereisten nationaal worden vastgelegd.
Het gaat daarbij om voorwaarden en voorschriften ter waarborging van de veiligheid
van ontbranders, supervisors, omstanders en omwonenden. Hiermee wordt tevens tegemoetgekomen
aan de brede wens vanuit gemeenten om waar dat kan veiligheidsvereisten nationaal
vast te leggen. Met het nationaal vastleggen van veiligheidsvereisten, worden de risico’s
die met het afsteken van vuurwerk gepaard gaan zo klein mogelijk gemaakt en wordt
er tevens voldoende ruimte geboden voor verenigingen en stichtingen om op een verantwoorde
manier te organiseren dat vuurwerk kan worden afgestoken.
60.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de handhaving rond de jaarwisseling plaatsvindt
in nachtelijke uren, waarin boa’s beperkt inzetbaar zijn. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris
de handhaafbaarheid van het ontwerpbesluit in deze omstandigheden?
Het is aan het lokaal gezag om de handhaving tijdens oud en nieuw vorm te geven via
de lokale driehoek. Ten aanzien van de rol en inzet van boa's wordt binnenkort het
gesprek gestart of zij een bevoegdheid gaan krijgen in de handhaving op ontheffingen
tijdens de jaarwisseling. Het toezicht en de handhaving op de ontheffingen zijn van
belang, tegelijkertijd geldt als uitgangspunt binnen het huidige en toekomstige boa-bestel
dat boa’s niet worden ingezet in situaties met een hoge mate van gevaarzetting. Mocht
besloten worden om boa's deze bevoegdheid te verlenen, dan blijft het aan het lokaal
gezag om te bepalen of en hoe zij deze bevoegdheden daadwerkelijk in de praktijk willen
inzetten en welke rol ze de boa’s geven. Wanneer de openbare orde in het geding is,
zullen boa's sowieso geen rol hebben tijdens de jaarwisseling en blijft dit primair
bij de politie.
61.
De leden van de CDA-fractie constateren dat het vaststellen van veiligheidsafstanden
grotendeels wordt overgelaten aan het lokaal gezag. Hoe is de Staatssecretaris tot
dit besluit gekomen en wat is de reactie van de gemeenten daarop? Daarnaast vragen
deze leden aan de Staatssecretaris hoe wordt geborgd dat lokaal vastgestelde veiligheidsafstanden
minimaal gelijkwaardig zijn aan de normen die gelden voor professionele vuurwerkontbrandingen.
Het is aan de burgemeester om te bepalen of een locatie geschikt is om vuurwerk af
te steken met publiek, en welke minimale veiligheidsafstanden daar gelden. Daarmee
wordt dichtregelen en het op voorhand uitsluiten van locaties, voorkomen. Zie ook
het antwoord op vraag 1.
62.
De leden van de CDA-fractie constateren dat het advies van de politie om de leeftijdsgrens
voor ontbranders te verhogen naar achttien jaar niet is overgenomen. Waarom heeft
de Staatssecretaris ervoor gekozen vast te houden aan een leeftijdsgrens van zestien
jaar? Daarnaast hebben deze leden kennisgenomen van de zorgen van de politie over
de verantwoordelijkheden die rusten op ontbranders. Hoe verhoudt deze leeftijdsgrens
zich tot de zware verantwoordelijkheid die ontbranders dragen bij vuurwerkactiviteiten
waarbij publiek aanwezig is?
Tot op heden wordt er in het Vuurwerkbesluit een leeftijdsgrens voor het afsteken
van F2-vuurwerk gehanteerd van 16 jaar, wat aansluit op de minimale leeftijdsgrens
zoals opgenomen in de Pyrorichtlijn. Er is gekozen om hierbij aan te sluiten. Zie
ook het antwoord op vraag 3.
63.
De leden van de CDA-fractie lezen dat adviezen van onder meer de politie en veiligheidsregio’s
om landelijke veiligheidsafstanden vast te leggen niet zijn overgenomen. Waarom heeft
de Staatssecretaris ervoor gekozen deze adviezen niet te volgen?
Het is aan de burgemeester om te bepalen of een locatie geschikt is om vuurwerk af
te steken met publiek, en welke minimale veiligheidsafstanden daar gelden. Daarmee
wordt dichtregelen en het op voorhand uitsluiten van locaties, voorkomen. Zie ook
het antwoord op vraag 1.
64.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de Staatssecretaris voornemens is om de
Wet veilige jaarwisseling in werking te laten treden vanaf de jaarwisseling 2026–2027.
Is hij van mening dat gemeenten zich inderdaad tijdig hierop kunnen voorbereiden?
De VNG heeft in de uitvoeringstoets aangegeven dat het voor een tijdige implementatie
nodig is dat in augustus-september 2026 aanvragen voor een ontheffing kunnen worden
ingediend. Zo is er voldoende tijd om de aanvragen te beoordelen en ruimte te bieden
voor bezwaar. Het is daarom de inzet van het kabinet dat de Wet veilige jaarwisseling
en het Besluit veilige jaarwisseling per 1 augustus 2026 in werking treden.
65.
De leden van de BBB-fractie vinden dat dit landelijke vuurwerkverbod een traditie
onderuithaalt zonder dat er een realistisch plan voor veilige en uitvoerbare alternatieven
klaarligt. Hoe rechtvaardigt de Staatssecretaris dit verlies van immaterieel cultureel
erfgoed voor miljoenen Nederlanders die elk jaar verantwoord van vuurwerk genieten?
Met de aanneming van de initiatiefwet veilige jaarwisseling door de Tweede en Eerste
Kamer, is gekozen voor de invoering van een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten.
Het voorliggende besluit werkt enkel de in de Wet veilige jaarwisseling opgenomen
ontheffingsbevoegdheid van de burgemeester uit.
66.
De leden van de BBB-fractie lezen dat centrale vuurwerkshows door de Staatssecretaris
als alternatief worden gepresenteerd, maar dat er een groot tekort is aan gecertificeerde
pyrotechnici en dat vergunningstrajecten onnodig lang duren. Is de Staatssecretaris
bereid de inwerkingtreding uit te stellen, totdat er een goed en realistisch alternatief,
waar vuurwerk deel van uitmaakt, beschikbaar is?
De ontheffingsmogelijkheid biedt een alternatief naast professionele vuurwerkshows.
Het is aan de Kamers om te bepalen of de gekozen invulling afdoende is. Daarnaast
staat het burgemeesters vrij om andere alternatieven uit te werken zoals een lichtshow.
67.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de VNG expliciet aangeeft dat boa’s tijdens
de nachtelijke uren niet zullen handhaven vanwege de gevaarzetting. Hoe rijmt de Staatssecretaris
de ambitie van een «veilige jaarwisseling» met het feit dat de belangrijkste lokale
handhavers op het cruciale moment niet op straat aanwezig zijn?
Ten aanzien van de rol en inzet van boa’s tijdens de jaarwisseling worden binnenkort
gesprekken gestart. Het blijft echter aan het lokaal gezag om te bepalen of en hoe
boa’s daadwerkelijk in de praktijk ingezet worden en welke rol ze de boa’s geven.
Wanneer de openbare orde in het geding is, zullen boa’s sowieso geen rol hebben tijdens
de jaarwisseling en blijft dit primair bij de politie. De VNG is bezig met het opstellen
van een handreiking om zich goed voor te kunnen bereiden. Hierin wordt ook de uitvoering
als handhaving van het vuurwerkverbod en de ontheffingsregeling meegenomen.
68.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de politie in de eerste jaren na invoering een
forse toename in de werklast en capaciteitsdruk verwacht. Kan de Staatssecretaris
garanderen dat er voldoende politiecapaciteit beschikbaar is, wetende dat de inzet
tijdens de jaarwisseling nu al maximaal is en de werkdruk door strafbaarstelling van
consumentenvuurwerk alleen maar zal toenemen?
Er bestaat brede steun voor de Wet veilige jaarwisseling vanuit onder meer de politie,
het Openbaar Ministerie en gemeenten. Deze steun is ingegeven door de overtuiging
dat de wet op termijn zal bijdragen aan een rustigere en veiligere jaarwisseling.
Tegelijkertijd wordt onderkend dat dit effect niet onmiddellijk zal optreden. In de
eerste jaren na de invoering van het algehele vuurwerkverbod zal naar verwachting
nog steeds een maximale inzet van politie, handhavers en andere betrokken partijen
noodzakelijk zijn. Gedragsverandering vraagt immers tijd, waardoor de beoogde effecten
zich geleidelijk zullen manifesteren.
69.
De leden van de BBB-fractie lezen dat het verbod op elektronische ontstekers gehandhaafd
blijft, waardoor ontheffinghouders verplicht worden de gevaarlijkere handmatige aansteeklont
te gebruiken. Waarom kiest de Staatssecretaris voor deze beperking, terwijl elektronische
ontsteking de veiligheidsafstand tussen mens en vuurwerk juist vergroot?
Voor het bevestigen van een elektronisch ontstekingsmechanisme is het in veel gevallen
nodig dat het vuurwerk vooraf wordt bewerkt. Dit is in het kader van professionele
vuurwerkevenementen gebruikelijk. Het wordt niet wenselijk geacht dat personen die
niet over de vereiste specifieke specialistische kennis beschikken, vuurwerk voorafgaand
aan het afsteekmoment bewerken. Het elektronisch afsteken van vuurwerk is daarom in
het kader van een ontheffing niet toegestaan. Tevens kunnen er bijkomende risico's
zitten aan het gebruik van elektronische ontstekers, door bijvoorbeeld het minder
goed functioneren van het apparaat. Professionele bezigers worden opgeleid om te gaan
met dergelijke mogelijke falen, deze kennis wordt niet verwacht van de ontstekers
in het kader van de ontheffing.
70.
De leden van de BBB-fractie lezen dat een inschrijving bij de Kamer van Koophandel
(KvK) een harde eis is voor het verkrijgen van een ontheffing. Erkent de Staatssecretaris
dat dit voor informele vriendengroepen of eenmalige buurtinitiatieven een onnodige
en drempelverhogende bureaucratische barrière vormt die haaks staat op de beloofde
laagdrempeligheid?
Er is gekozen voor een verplichte inschrijving bij de Kamer van Koophandel, nu het
wenselijk is geacht om te borgen dat een ontheffinghouder een rechtspersoon is die
civielrechtelijk – en wanneer noodzakelijk strafrechtelijk – aansprakelijk kan worden
gesteld voor schade of letsel veroorzaakt in het kader van de verleende ontheffing.
Er worden geen eisen gesteld aan het type vereniging of stichting. Er geldt verder
ook geen verplichting voor het opstellen van een notariële akte bij het oprichten
van een vereniging om in aanmerking te kunnen komen voor een ontheffing. Daarmee is
de voorwaarde zo laagdrempelig mogelijk vormgegeven.
71.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Staatssecretaris de verzekeringseis niet
nationaal heeft vastgelegd, maar bij de burgemeester heeft belegd, terwijl dit voor
kleine verenigingen tot «torenhoge kosten» kan leiden. Hoe gaat de Staatssecretaris
voorkomen dat buurtinitiatieven onmogelijk worden, doordat verzekeraars weigeren dekking
te bieden of onbetaalbare premies vragen?
In het kader van de uitwerking van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling is gesproken
met het Verbond van Verzekeraars en enkele individuele verzekeraars. Het Verbond van
Verzekeraars heeft ook gereageerd op de internetconsultatie. Het is volgens het Verbond
van Verzekeraars belangrijk voor een vereniging of stichting die een ontheffing aanvraagt,
om na te gaan of de eigen (huidige) aansprakelijkheidsverzekering adequate dekking
biedt voor afsteken of laten afsteken van vuurwerk. Hierbij is het verstandig om ook
te kijken of en welke specifieke (aanvullende) voorwaarden de verzekeraar hierbij
stelt. Het Verbond van Verzekeraars geeft aan dat een adviseur daarbij kan helpen.
Als de rechtspersoon (nog) geen aansprakelijkheidsverzekering heeft die dekking biedt,
zou volgens het Verbond een tijdelijke evenementenverzekering met dekking voor aansprakelijkheid
een alternatief kunnen zijn. Op basis van een gedegen landelijk uniform veiligheidspakket
kunnen verzekeraars de risico’s inschatten en de verzekerbaarheid van het afsteken
van vuurwerk in het kader van een ontheffing. Meestal zal dit op ad hoc en individuele
basis plaatsvinden. Het is aan de verzekeraars zelf of zij bijvoorbeeld willen voorzien
in collectieve verzekeringsmogelijkheden.
72.
De leden van de BBB-fractie lezen dat het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) zeer
kritisch is over de werkbaarheid van het besluit en waarschuwt voor aanzienlijke administratieve
lasten voor vrijwilligers, zoals het opstellen van veiligheidsplannen en situatietekeningen
op schaal. Waarom negeert de Staatssecretaris dit advies en zadelt hij buurtverenigingen
op met taken die eigenlijk professionele expertise vereisen?
Naar aanleiding van het advies en de aanvullende zienswijze van ATR bij het concept
Besluit veilige jaarwisseling is in de toelichting van het besluit gereageerd op de
aanbevelingen van ATR. Het kabinet heeft de toelichting naar aanleiding van de aanbevelingen
op een aantal punten aangepast en aangevuld. Om de veiligheid te borgen is het wel
noodzakelijk geacht om een aantal regels en voorschriften vast te leggen die tot doel
hebben ontbranders, omstanders en omwonenden te beschermen. Ook hebben gemeenten gevraagd
om zoveel mogelijk veiligheidsvoorschriften op nationaal niveau vast te leggen. Met
het oog hierop is op een aantal punten enige regeldruk onvermijdelijk.
73.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de ILT waarschuwt voor een toename van vuurwerktoerisme
naar België en Duitsland. Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat dit verbod de legale
handel in Nederland vernietigt, maar tegelijkertijd de illegale handel en de import
van gevaarlijk spul uit de buurlanden stimuleert?
Op de handhaving wordt nader ingegaan in het handhavingsplan6 dat door het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) is opgesteld. In het plan
is een separaat hoofdstuk opgenomen over grensregio's. Richting de jaarwisseling 2026/2027
wordt ingezet op intensievere samenwerking tussen grensgemeenten en buurlanden, met
gezamenlijke handhaving, betere informatie-uitwisseling en duidelijke afstemming over
preventie en communicatie. Daarbij kan onder meer het Euregionaal Informatie- en Expertisecentrum
(EURIEC) ondersteuning bieden bij grensoverschrijdende, georganiseerde vuurwerkhandel.
Daarnaast zet Nederland zich al een aantal jaar op Europees niveau, samen met onder
andere Frankrijk, in voor strengere regels en versterkte operationele samenwerking
om illegale handel en misbruik van zwaar vuurwerk bij de bron aan te pakken.
74.
De leden van de BBB-fractie lezen dat per kernbepaling van de AMvB een grondslag bestaat
in de Wet veilige jaarwisseling. Kan de Staatssecretaris per kernbepaling van de AMvB
aangeven op welke concrete delegatiebepaling in de Wet veilige jaarwisseling deze
berust, en toelichten waarom hierbij geen sprake is van zelfstandige beleidsvorming?
De belangrijkste bepalingen zijn opgenomen in artikel I, onderdeel E, waarbij vier
artikelen in het Vuurwerkbesluit worden ingevoegd. Artikel 2.3.2 ziet op de voorwaarden
waaronder ontheffing kan worden verleend, artikel 2.3.2a bevat de voorschriften die
ten minste aan de ontheffing worden verbonden en artikel 2.3.2b betreft de intrekkingsbevoegdheid
van de burgemeester. Deze bepalingen vinden hun grondslag in het bij de Wet veilige
jaarwisseling in te voegen artikel 9.2.2.1a, vijfde lid, van de Wet milieubeheer.
Artikel 2.3.3 betreft de regels over de terbeschikkingstelling van het vuurwerk. Deze
bepaling heeft een grondslag in het bij de Wet Veilige jaarwisseling in te voegen
artikel 9.2.2.1a, zevende lid, van de Wet milieubeheer. De hierboven genoemde bepalingen
hebben alle daarmee een grondslag in de Wet milieubeheer zoals deze komt te luiden
na de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling. Daarmee is er geen sprake
van zelfstandige beleidsvorming die niet past binnen de ruimte die gegeven wordt voor
de uitwerking daarvan in de genoemde wettelijke bepaling.
75.
De leden van de BBB-fractie lezen dat is gekozen voor een landelijk verbod met lokale
ontheffingsmogelijkheden. Waaruit blijkt dat deze keuze expliciet door de wetgever
is voorzien, en waarom is deze keuze niet in de wet zelf vastgelegd?
De keuze voor een landelijke verbod met lokale ontheffingsmogelijkheden is door aanneming
van amendement Bikker c.s. in de Wet veilige jaarwisseling expliciet vastgelegd. Dit
blijkt uit het feit dat er een algemeen landelijk verbod geldt, maar dat een burgemeester
(lokaal) ontheffing van dit verbod kan verlenen.
76.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de AMvB noodzakelijk zou zijn ter verwezenlijking
van het wettelijke veiligheidsdoel. Hoe is per norm aangetoond dat deze noodzakelijk
is voor dat doel, en geen beleidskeuze betreft die losstaat van het wettelijk kader?
De normen die zijn voorgesteld in het Besluit veilige jaarwisseling zien op voorwaarden
met betrekking tot het terrein en het veiligheidsplan, de hoeveelheid en het type
vuurwerk dat is toegestaan, voorschriften met betrekking tot de locatie, voorschriften
met betrekking tot de supervisor en ontbranders, voorschriften met betrekking tot
de wijze en het moment van ontbranden. Al deze eisen zijn gesteld in het kader van
de veiligheid. Bij de totstandkoming van het ontwerpbesluit is steeds – in overleg
met alle betrokken partijen – bezien welke eisen minimaal noodzakelijk zijn die passen
binnen het doel van de Wet veilige jaarwisseling. Daarbij zijn beleidskeuzes gemaakt,
passend bij het wettelijk kader.
77.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de AMvB verschillende normen bevat die ruimte
laten voor interpretatie. Welke bepalingen bevatten open normen, en hoe wordt voorkomen
dat deze leiden tot uiteenlopende uitleg en rechtsongelijkheid tussen gemeenten?
Het ontwerpbesluit laat op een aantal onderdelen ruimte aan het lokaal bevoegd gezag
om bepaalde afwegingen te maken, waarbij rekening gehouden kan worden met lokale omstandigheden.
Eventuele verschillen tussen gemeenten zijn daarmee geen rechtsongelijkheid, maar
onderdeel van de keuze van de wetgever om de ontheffingsbevoegdheid bij de burgemeester
neer te leggen. Lokaal kunnen er verschillen zijn in het ontheffingenbeleid, bijvoorbeeld
of deze al dan niet worden verleend, of er al dan niet een verzekering verplicht wordt
gesteld en of en, zo ja, welke afstandseisen worden gesteld. Daarnaast wordt in samenwerking
met de VNG gewerkt aan een handreiking voor gemeenten voor een nadere duiding van
de lokale afwegingen die gemaakt kunnen worden.
78.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de AMvB ingrijpende verplichtingen oplegt aan
burgers en decentrale overheden. Welke minder belastende alternatieven zijn per verplichting
overwogen, en waarom zijn deze ontoereikend geacht in het licht van artikel 3:4 van
de Algemene wet bestuursrecht?
Ten behoeve van de uitwerking van de voorwaarden en voorschriften zijn diverse scenario’s
bezien en alternatieven afgewogen. Deze scenario’s zijn beschreven in een Beleidskompas.
Het gaat dan om het alternatieve scenario waarin een burgemeester een locatie aanwijst
waarbij iedereen, dan wel alle leden van een vereniging, vuurwerk mogen afsteken onder
de huidige regels. Tevens is gekeken of het mogelijk is om bijvoorbeeld een maximumaantal
ontheffingen per gemeente vast te stellen. Zoals aangegeven in de toelichting bij
het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling is – gelet op de lokale bevoegdheidsverdeling,
dan wel de doelstelling van de wet, en om redenen van handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid
en veiligheid – voor deze alternatieve scenario’s niet gekozen.
79.
De leden van de BBB-fractie lezen dat gemeenten verantwoordelijk worden voor het verlenen
van ontheffingen en het waarborgen van veiligheid. Waarom ontbreken daarbij landelijke
minimumnormen voor veiligheid, zoals locatiecriteria, crowd control en stopregels,
terwijl de gevolgen voor burgers en organisaties ingrijpend zijn?
Hoewel vertrouwen het uitgangspunt is bij de uitwerking van het Ontwerpbesluit veilige
jaarwisseling, is wel van belang geacht dat bepaalde vereisten nationaal worden vastgelegd.
Het gaat daarbij om voorwaarden en voorschriften ter waarborging van de veiligheid
van ontbranders, supervisors, omstanders en omwonenden. Het gaat dan bijvoorbeeld
om het verplicht overleggen van een veiligheidsplan en situatietekening, eisen die
aan de supervisor en ontbrander worden gesteld, en voorschriften ten aanzien van de
locatie waar het vuurwerk wordt bewaard en tot ontbranding wordt gebracht. Een burgemeester
kan indien gewenst aanvullende voorschriften vaststellen. Verder zal in veel gemeenten
– afhankelijk van de APV van een gemeente – ook een evenementenvergunning verplicht
zijn. Aan een dergelijke evenementenvergunning kan een gemeente diverse voorschriften
verbinden, zoals het afzetten van wegen en het toestaan van een maximumaantal bezoekers.
80.
De leden van de BBB-fractie lezen dat bij incidenten op ontheffingslocaties meerdere
bestuurslagen betrokken zijn. Wie is juridisch eindverantwoordelijk, indien zich op
een ontheffingslocatie een incident voordoet, en hoe is deze verantwoordelijkheid
juridisch vastgelegd?
De betrokken bestuurslaag voor wat betreft de ontheffingslocatie is de gemeente. Het
is aan de gemeente om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden waaronder
de ontheffing is verleend. In algemene zin geldt dat zowel bij de opsporing van strafbare
feiten door het OM als bij de handhaving van de openbare orde door de burgemeester,
de politie een rol kan spelen. Het is aan de lokale bevoegde gezagen om binnen de
lokale driehoek afspraken te maken over de capaciteit en inzet van buitengewoon opsporingsambtenaren
en politie binnen hun gemeente. Wie er verantwoordelijk is, als een incident zich
voordoet, is mede afhankelijk van de vraag aan wie het incident kan worden toegerekend
en wat de oorzaak van het incident is. Ten aanzien van de rol en inzet van boa's wordt
binnenkort het gesprek gestart of zij een bevoegdheid gaan krijgen in de handhaving
op ontheffingen tijdens de jaarwisseling.
81.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de uitvoerbaarheid van de AMvB wordt verondersteld.
Hoe is deze uitvoerbaarheid onderbouwd, gegeven structurele tekorten bij politie,
OM en gemeenten, en welke kengetallen en aannames liggen hieraan ten grondslag?
Er is brede steun vanuit onder meer de politie, het OM en gemeenten voor de Wet veilige
jaarwisseling vanuit de gedachte dat deze wet op termijn gaat zorgen voor een rustige
en veilige jaarwisseling. Dit kost tijd. In de eerste jaren na invoering van het algehele
vuurwerkverbod is de verwachting dat bij de politie maximale inzet noodzakelijk zal
blijven, aangezien gewenning en naleving tijd kosten. Op langere termijn wordt verwacht
dat de jaarwisseling door het totaalverbod rustiger zal verlopen, waardoor er meer
ruimte ontstaat voor gerichtere opsporing en handhaving.
82.
De leden van de BBB-fractie lezen dat extra handhavingsinspanningen nodig zijn om
het nieuwe regime te effectueren. Welke bestaande handhavingstaken worden afgeschaald
om hiervoor capaciteit vrij te maken, en acht de Staatssecretaris deze verdringing
aanvaardbaar?
Het is aan het lokaal gezag om handhaving tijdens de jaarwisseling vorm te geven en
keuzes te maken over de handhaving en de beschikbare capaciteit zo effectief mogelijk
in te zetten.
83.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de AMvB onvoorwaardelijk in werking treedt.
Waarom is niet gekozen voor een voorwaardelijke of gefaseerde inwerkingtreding, terwijl
voorzienbaar is dat uitvoering en handhaving mogelijk tekortschieten?
Een AMvB vermeldt altijd ofwel de datum van inwerkingtreding van het besluit ofwel
treedt in werking bij koninklijk besluit. De inwerkingtreding van de nu voorliggende
AMvB is voorzien bij koninklijk besluit. De bepalingen in het ontwerpbesluit hebben
een dusdanige samenhang dat gefaseerde inwerkingtreding niet logisch zou zijn. Het
stelsel van de Wet veilige jaarwisseling zal drie jaar na de inwerkingtreding geëvalueerd
worden waarbij eventuele knelpunten met betrekking tot uitvoering en handhaving aan
de orde komen. Op grond daarvan kunnen zo nodig aanpassingen in de regelgeving worden
doorgevoerd. Zie ook het antwoord op vraag 89.
84.
De leden van de BBB-fractie lezen dat gemeenten nieuwe taken krijgen opgelegd in het
kader van het ontheffingsregime. Welke nieuwe taken betreft dit, wat is de integrale
kostprijs per taak, en waarom is hiervoor geen structurele financiële compensatie
geregeld?
De bevoegdheid die met de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling tot het
verlenen van ontheffingen voor het afsteken van aangewezen F2-vuurwerk tijdens de
jaarwisseling is gecreëerd, is neergelegd bij de burgemeester. Dit is een nieuwe bevoegdheid
voor de burgemeester. Dit betekent dat gemeenten, in geval zij willen overgaan tot
het verlenen van ontheffingen, ingericht dienen te worden voor het in ontvangst nemen
van aanvragen, het beoordelen van aanvragen, en het houden van het toezicht op de
naleving van de voorschriften die aan de ontheffing worden verbonden. De Ministeries
van IenW en JenV ontwikkelen diverse instrumenten om gemeenten te ondersteunen.
De VNG heeft aangegeven in haar uitvoeringstoets dat op dit moment nog geen volledig
beeld bestaat van de gemeentelijke uitvoeringskosten en de wijze waarop deze kosten
financieel kunnen worden gedekt. Daarbij wijst de VNG erop dat het verlenen van ontheffingen
voor het afsteken van F2-vuurwerk tijdens de jaarwisseling, evenals het toezicht en
de handhaving daarop, een nieuwe bevoegdheid betreft voor burgemeesters en gemeenten.
Volgens de VNG zullen de gemoeide kosten van de nieuwe bevoegdheid voor burgemeesters
en gemeenten mede afhankelijk zijn van de mate waarin gebruik wordt gemaakt van de
ontheffingsmogelijkheid en van de wijze waarop gemeenten hier in hun lokale beleid
invulling aan geven.
85.
De leden van de BBB-fractie lezen dat het ontheffingsregime kan leiden tot juridische
procedures. Hoeveel bezwaar- en beroepszaken verwacht de Staatssecretaris, en op welke
wijze wordt uniforme rechtsbescherming geborgd?
Op voorhand is niet goed in te schatten tot hoeveel juridische procedures de ontheffingsmogelijkheid
gaat leiden. Dit is ook afhankelijk van hoeveel ontheffingen worden aangevraagd en
hoeveel er al dan niet afgegeven gaan worden. Uniforme rechtsbescherming is gewaarborgd.
Een besluit op een ontheffingsaanvraag is een besluit in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht. Daartegen zijn de normale rechtsmiddelen mogelijk. Een vereniging of
stichting kan bezwaar maken tegen een afwijzing en daarna ook in beroep gaan. Ook
tegen toewijzingen kan door belanghebbenden bezwaar worden gemaakt.
86.
De leden van de BBB-fractie lezen dat gemeenten aansprakelijk kunnen worden gesteld
bij incidenten. Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat gemeenten aansprakelijk worden
gehouden, terwijl landelijke veiligheidsnormen ontbreken?
Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval wie aansprakelijk kan worden
gesteld voor schade en letsel door vuurwerk. Bij toezichtsfalen tijdens evenementen
kan een gemeente aansprakelijk worden gesteld, maar is altijd afhankelijk van de omstandigheden
van het geval. De VNG heeft over dit onderwerp een handreiking7 opgesteld. In het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling zijn diverse voorwaarden en
voorschriften opgenomen ter waarborging van de veiligheid van ontbranders, supervisors,
omstanders en omwonenden.
87.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de AMvB geen expliciete evaluatiebepalingen
bevat. Waarom zijn geen vooraf vastgelegde evaluatiecriteria en bindende beleidsconsequenties
opgenomen, zoals opschorting of heroverweging bij negatieve uitkomsten?
In paragraaf 10 van de Nota van toelichting is opgenomen dat monitoring gedurende
de aankomende jaren van groot belang is, zowel als het gaat om de uitwerking van de
ontheffingsbevoegdheid in de praktijk, als de gevolgen voor de uitvoering en handhaving.
Naast deze jaarlijkse monitoring, zal de ontheffingsmogelijkheid na drie jaar worden
geëvalueerd. Hoe de monitoring en de evaluatie uitgevoerd gaan worden, dient nog nader
uitgewerkt te worden. Hierover wordt de Kamer medio 2026 geïnformeerd, zoals toegezegd
aan de Eerste Kamer (Kamerstuk 35 386, J.).
88.
De leden van de BBB-fractie lezen dat objectieve onderbouwing van uitvoerbaarheid
en handhaafbaarheid essentieel is. Op welke grond acht de Staatssecretaris deze AMvB
verantwoord, indien niet met objectieve criteria en kengetallen kan worden aangetoond
dat hij uitvoerbaar, handhaafbaar en financieel gedekt is?
De Staatssecretaris acht de AMvB verantwoord op basis van de uitgevoerde handhaafbaarheids-,
uitvoerbaarheids- en fraudebestendigheidstoetsen door ILT, politie, OM en de uitvoeringstoets
van de VNG. Uit deze toetsen volgt dat het besluit in beginsel uitvoerbaar en handhaafbaar
is, met aandachtspunten die verder worden uitgewerkt in o.a. het geüpdatete handhavingsplan
en een handreiking voor gemeenten.
89.
De leden van de BBB-fractie hebben ook nog enkele vragen over de compensatieregeling.
Kan de Staatssecretaris zeggen hoeveel vervoerders geraakt worden, doordat zij niet
mee worden genomen in de compensatieregelingen? Kan de Staatssecretaris ervoor zorgen
dat deze vervoerders alsnog worden meegenomen in de compensatieregelingen? Zij hebben
immers last hebben van inkomstenderving in de vorm van speciaal materieel, vergunningen
en opleidingen voor het veilig vervoeren van vuurwerk.
Alleen bedrijven die rechtstreeks en onevenredig zwaar geraakt worden door het landelijk
vuurwerkverbod, kunnen aanspraak maken op nadeelcompensatie. Daarvoor is een regeling
voor importeurs en detailhandelaren in voorbereiding. Anderen, zoals transportbedrijven,
zijn daarbij niet meegenomen, omdat niet is gebleken dat zij rechtstreeks en onevenredig
zwaar door het verbod getroffen worden.
90.
De leden van de SGP-fractie constateren dat gemeenten aangeven dat handhaving op de
naleving van de voorwaarden voor eventuele ontheffingen lastig is, omdat bijvoorbeeld
boa’s vanwege de gevaarzetting niet ingezet kunnen worden. Deze leden horen graag
hoe door controles vooraf en door aanvullende voorwaarden de naleving bevorderd kan
worden. Op welke wijze zou wel gebruikt gemaakt kunnen worden van de inzet van boa’s?
In de verkenning waarvoor binnenkort de gesprekken starten zal worden gekeken naar
de rol en inzet van de boa, niet alleen gedurende de jaarwisseling, maar ook in de
maanden daaraan voorafgaand. Ook zal dit worden opgenomen in de handreiking die de
VNG opstelt voor gemeenten om hen te ondersteunen bij het vormgeven van gemeentelijk
beleid en het maken van goede afwegingen.
91.
De leden van de SGP-fractie constateren dat onduidelijkheid over de aansprakelijkheidsverdeling
een risico is voor goede uitvoering van de ontheffingsbepaling. Hoe ziet de Staatssecretaris
dit? Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris voor afspraken met gemeenten en
verzekeraars hierover, zodat er meer duidelijkheid komt over de aansprakelijkheidsverdeling?
Wanneer er sprake is van schade of letsel is het van belang dat het slachtoffer iemand
aansprakelijk kan stellen voor de geleden schade. Afhankelijk van de omstandigheden
van het geval kan het slachtoffer het schadeveroorzakende individu, maar ook de ontheffinghouder
aansprakelijk stellen. Doordat in het wijzigingsbesluit is geregeld dat een ontheffing
kan worden aangevraagd door een vereniging of stichting, is er sprake van een rechtspersoon
die aangesproken kan worden. Om te bepalen wie voor de schade aansprakelijk is, is
het algemene recht en de bestaande jurisprudentie van toepassing; het Ontwerpbesluit
veilige jaarwisseling stelt geen nadere regels hierover. Ook stelt het besluit geen
nadere eisen rondom een verplichte aansprakelijkheidsverzekering voor ontheffinghouders.
Het wordt wel verstandig geacht voor een ontheffinghouder om na te gaan of de huidige
verzekering voldoende dekking biedt, en of een aanvullende verzekering nodig is.
92.
De leden van de SGP-fractie hebben een vraag over de leeftijdsgrens van zestien jaar
voor het afsteken van vuurwerk bij een ontheffing. Waarom is gekozen voor zestien
jaar en niet voor bijvoorbeeld achttien jaar, zoals voorgesteld door de VNG?
Tot op heden wordt er in het Vuurwerkbesluit een leeftijdsgrens voor het afsteken
van F2-vuurwerk gehanteerd van 16 jaar, wat aansluit op de minimale leeftijdsgrens
zoals opgenomen in de Pyrorichtlijn. Er is gekozen om hierbij aan te sluiten.
93.
De leden van de SGP-fractie horen graag waarom de Staatssecretaris heeft afgezien
van een vestigingseis, terwijl deze vestigingseis de besluitvorming voor gemeenten
eenvoudiger maakt.
Op deze manier wordt het mogelijk gemaakt dat een ontheffing bijvoorbeeld wordt aangevraagd
in een naburige gemeente. De verwachting is dat – vanwege het saamhorigheidsgevoel –
ontheffingen met name zullen worden aangevraagd in de eigen of een naburige gemeente.
Indien gewenst kan een burgemeester in het beleid een vereiste van lokale binding
opnemen.
94.
De leden van de SGP-fractie horen graag waarom de Staatssecretaris er niet voor heeft
gekozen een eis op te nemen voor de maximale hoeveelheid vuurwerk die iemand in bezit
mag hebben. Dat maakt besluitvorming voor gemeenten eenvoudiger en is een controleerbare
waarborg die bijdraagt aan een veilige uitvoering van de ontheffingsbepaling.
Met het aannemen van het landelijk vuurwerkverbod voor consumenten is het voor iedereen
verboden om vuurwerk, met uitzondering van fop- en schertsvuurwerk, in zijn bezit
te hebben. Uitzondering hierop zijn de professionele toepassers en ontheffinghouders
(tijdens de jaarwisseling). De regels die van toepassing zijn voor professionele toepassers
zijn opgenomen in het besluit tot ontbranding brengen van pyrotechnische artikelen.
Voor ontheffinghouders is in het ontwerpbesluit opgenomen dat ze maximaal 200 kg vuurwerk
op het afsteekterrein mogen hebben in de periode 31 december 12.00 uur tot 1 januari
18.00 uur.
95.
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn de mening toegedaan dat, gelet op de omvangrijke
ongeregeldheden tijdens de afgelopen jaarwisselingen die samenhangen met vuurwerk
én het expliciete verzoek van de politie om consumentenvuurwerk te verbieden, het
verstandig is een dergelijk vuurwerkverbod in te voeren. Wel zien deze leden dat de
omvang en intensiteit van de vuurwerkproblematiek tussen gemeenten verschilt, en wijzen
zij erop dat in kleinere gemeenschappen in «de regio» de jaarwisseling zelfs zonder
noemenswaardige incidenten plaatsvindt. Mede om die reden zijn deze leden er voorstander
van dat, onder voorwaarden, het voor georganiseerde groepen burgers mogelijk moet
zijn om een ontheffing aan te vragen om alsnog in georganiseerd verband vuurwerk af
te steken. Deze leden danken de Staatssecretaris voor de invulling die met het onderhavige
ontwerpbesluit is gegeven aan het desbetreffende amendement. Naar aanleiding hiervan
hebben deze leden nog een aantal vragen. Deze leden wijzen erop dat is gekozen voor
veiligheidseisen die deels overeenkomen met de eisen die gelden voor professioneel
vuurwerk, bijvoorbeeld ten aanzien van de indeling van afsteekplaats, -terrein en
veiligheidszones, en vragen de Staatssecretaris om deze keuze nader toe te lichten.
Is dit, bijvoorbeeld gelet op verschillen in risico’s tussen F2-vuurwerk en professioneel
vuurwerk proportioneel?
Een belangrijk uitgangspunt bij het opstellen van het Ontwerpbesluit is het geven
van ruimte aan lokale afwegingen waarbij oog is voor de lokale situatie. Daarom is
ervoor gekozen om zo veel mogelijk ruimte te laten om op lokaal niveau afwegingen
te maken over hoe een ontheffing het beste kan worden vormgegeven. Burgemeesters hebben
kennis over hun gemeente en inwoners en kunnen daarom, samen met onder andere de lokale
driehoek en de veiligheidsregio, bezien wat wenselijk en mogelijk is binnen hun gemeente.
Daarnaast is een belangrijk uitgangspunt het vertrouwen in verenigingen en stichtingen.
Met het oog hierop is terughoudend omgegaan met het stellen van regels en vereisten
op landelijk niveau, om onnodige belemmeringen en regeldruk voor stichtingen en verenigingen
te voorkomen. Wel zijn bepaalde minimale veiligheidsvoorschriften van belang om de
veiligheid van ontbranders, supervisors, publiek en omwonenden te borgen. Een daarvan
is het verplicht indienen van een veiligheidsplan en een situatietekening. Een veiligheidsplan
en situatietekening zijn nodig voor een burgemeester om te kunnen beoordelen of het
tot ontbranding brengen van maximaal 200 kilogram op een bepaalde locatie verantwoord
is.
96.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Staatssecretaris tevens om in te gaan
op de zorgpunten die de VNG kenbaar heeft gemaakt in de brief van 6 februari 2026.
In het bijzonder vragen deze leden de Staatssecretaris inhoudelijk in te gaan op het
verzoek van de VNG om aanvullende financiële middelen voor gemeenten: is hij van plan
om hier wel of niet middelen voor te reserveren, en waarom?
Op dit moment wordt vanuit het Rijk ondersteuning aangeboden bij de ontwikkelingen
van de handreiking ter ondersteuning van de gemeenten om het beleid omtrent de ontheffingen
in te richten. Tevens wordt gewerkt aan een communicatieaanpak en een geüpdatet handhavingsplan.
De VNG heeft aangegeven in haar uitvoeringstoets dat op dit moment nog geen volledig
beeld bestaat van de gemeentelijke uitvoeringskosten en de wijze waarop deze kosten
financieel kunnen worden gedekt. Volgens de VNG zullen de gemoeide kosten van de nieuwe
bevoegdheid voor burgemeesters en gemeenten mede afhankelijk zijn van de mate waarin
gebruik wordt gemaakt van de ontheffingsmogelijkheid en van de wijze waarop gemeenten
hier in hun lokale beleid invulling aan geven.
97.
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn van mening dat een passende compensatieregeling
voor de sector op zijn plaats is. Deze leden vragen of de Staatssecretaris deze mening
deelt. Kan hij toelichten hoe het overleg met de sector (zowel importeurs als winkeliers)
over compensatie en overgangsmaatregelen verloopt? Kan de Staatssecretaris daarbij
tevens aangeven welk bedrag momenteel gereserveerd is voor deze compensatieregeling?
Als voorwaarde is gesteld dat voor de vuurwerkbranche een eerlijke en nette compensatieregeling
getroffen moet worden. Hierover zijn zowel ambtelijk als bestuurlijk diverse gesprekken
met de vuurwerkbranche gevoerd. Het nieuwe kabinet zal de gesprekken over de compensatie
met de vuurwerkbranche voortzetten. De Kamer zal hierover geïnformeerd worden wanneer
duidelijk is hoe de nadeelcompensatieregeling eruit komt te zien.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
G.B. Koerselman, adjunct-griffier
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.