Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het Ontwerpbesluit houdende instelling van de Productiviteitsraad (Kamerstuk 32637-740)
32 637 Bedrijfslevenbeleid
Nr. 752
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 20 februari 2026
De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Economische Zaken over de brief van 12 december 2025 over het
ontwerpbesluit houdende instelling van de Productiviteitsraad (Kamerstuk 32 637, nr. 740).
De vragen en opmerkingen zijn op 22 januari 2026 aan de Minister van Economische Zaken
voorgelegd. Bij brief van 20 februari 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Michon-Derkzen
Adjunct-griffier van de commissie, Krijger
1
De leden van de D66-fractie vragen of de Minister kan aangeven of de publieke sector
wordt meegenomen bij het in kaart brengen van de productiviteitsontwikkeling binnen
de Productiviteitsraad. Indien de publieke sector buiten de scope valt, kan de Minister dan toelichten waarom hiervoor is gekozen, terwijl inzicht
in productiviteitsontwikkeling juist ook daar van belang is?
Antwoord
De Productiviteitsraad krijgt de taak om tenminste jaarlijks concrete beleidsaanbevelingen
aan het kabinet te doen om de productiviteitsgroei te bevorderen. De raad zal advies
geven voor de korte, middellange en lange termijn. Hiermee adviseert de Raad tevens
op hoe het kabinet de doelstelling van het Coalitieakkoord 2026–2033 van 1,5% structurele
economische groei kan bereiken. Zoals toegelicht in het Instellingsbesluit, besteedt
de Productiviteitsraad daarbij aandacht aan productiviteit in zowel de publieke als
de private sector. Advisering over productiviteitsontwikkeling in de publieke sector
valt dus binnen de scope van de Raad.
In het Instellingsbesluit is daarnaast aangegeven dat de Algemene Rekenkamer (ARK)
op verzoek van de Tweede Kamer op dit moment onderzoek doet naar de productiviteitsontwikkeling
bij een selectie van uitvoeringsorganisaties van de Rijksoverheid.1 Om dubbel werk te voorkomen, zal met BZK en de ARK worden bezien welke activiteit
van de Raad op dit terrein van toegevoegde waarde is.
2
Kan de Minister tevens aangeven in hoeverre de aanbevelingen van de Productiviteitsraad
ook bedoeld zijn voor sociale partners, bijvoorbeeld als input voor cao-afspraken,
met oog voor langetermijnproductiviteit?
Antwoord
De Productiviteitsraad krijgt als adviescollege de taak om regering en parlement te
adviseren over het te voeren beleid dat gerelateerd is aan arbeidsproductiviteit.
Hoewel sociale partners niet de primaire doelgroep zijn van de adviezen, zullen zij
als stakeholders uiteraard wel nauw worden betrokken. Zo kunnen zij deelnemen aan
expertbijeenkomsten of consultatiesessies waarin zij als stakeholders hun kennis en
ervaringen kunnen delen en suggesties voor de onderzoeksprogrammering kunnen doen,
opdat de adviezen ook voor hen relevantie hebben.
In het Instellingsbesluit is, om een goede betrokkenheid van de sociale partners te
borgen, daarnaast ook opgenomen de Sociaal-Economische Raad (SER), maximaal zes weken
na publicatie van het advies van de Productiviteitsraad, daarop een schriftelijke
reflectie geeft. Het ligt voor de hand dat de SER in deze reflectie ook ingaat op
de relevantie van het advies voor de sociale partners zelf.
3
Kan de Minister tenslotte toelichten hoe gezondheid en preventie worden meegenomen
in de analyses van de Productiviteitsraad, mede gezien het belang van gezondheid voor
de productiviteit op de lange termijn?
Antwoord
In het Instellingsbesluit is aangegeven dat de Productiviteitsraad in zijn adviezen
aandacht kan besteden aan onderwerpen als:
• Onderzoek, ontwikkeling en innovatie;
• Onderwijs- en leven lang ontwikkelen;
• Wetenschap;
• Concurrentie en interne markt;
• Industrie;
• Arbeidsmarkt;
• Infrastructuur;
• Ondernemingsklimaat;
• Fiscaliteit;
• Ruimtelijk beleid;
• Energie- en klimaattransitie;
• Specifieke sectoren (bijvoorbeeld de zorg of landbouw);
• Specifieke uitdagingen voor verschillende grootteklassen van bedrijven.
Dit is geen uitputtend overzicht. Als onafhankelijke adviescollege beslist de Raad
zelf welke onderwerpen worden uitgelicht in zijn adviezen. De Productiviteitsraad
kan dus ook aandacht besteden aan een onderwerp als gezondheid en preventie. Voor
de volledigheid zal ik dit onderwerp ook opnemen in bovenstaand overzicht in het definitieve
Instellingsbesluit.
4
De leden van de VVD-fractie vragen wat het totale budget is van de Productiviteitsraad,
inclusief de extra onderzoekscapaciteit van de National Productivity Board (NPB) van
het Centraal Planbureau, die met de instelling van de Productiviteitsraad wordt vrijgemaakt.
Graag ontvangen deze leden hierbij een uitsplitsing naar kostenpost.
Antwoord
Het structurele budget voor de Productiviteitsraad bedraagt € 1,8 miljoen vanaf 2027.
Hiervan is € 400.000 bestemd voor de versterking van de onderzoekscapaciteit van de
National Productivity Board.
De overige € 1,4 miljoen is bedoeld voor de Productiviteitsraad zelf. Dit bedrag is
bedoeld voor de vergoeding en onkosten van de Raadsleden, de kosten voor het secretariaat
van de Raad en voor het onderzoeks- en materieel budget van de Raad, conform het daarvoor
geldende beleid en regelgeving.
Voor 2026 is er reeds een opstartbedrag voor de Raad à € 1,3 miljoen beschikbaar,
waarvan € 295.000 bestemd is voor de versterking van de National Productivity Board
van het CPB.
5
Heeft de Minister al mensen op het oog die zitting zouden moeten nemen in de Productiviteitsraad?
Zo ja, kunnen de namen met de Kamer worden gedeeld?
Antwoord
De Productiviteitsraad zal bestaan uit deskundige en gezaghebbende leden die achtergrond
hebben op het gebied van wetenschap, bedrijfsleven en beleid. De werving en selectie
van de leden verloopt via een onafhankelijke procedure. Deze procedure loopt naar
verwachting tot halverwege dit voorjaar. Gezien deze procedure nog loopt, kunnen de
namen van de leden van de Raad op dit moment nog niet met de Kamer worden gedeeld.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
I.J.M. Michon-Derkzen, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken -
Mede ondertekenaar
H.W. Krijger, adjunct-griffier