Verslag van een werkbezoek : Verslag van een werkbezoek aan Brussel in het kader van het EU-rapporteurschap Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) op 30 januari 2026
36 712 EU-voorstellen: Omnibus I (CSRD & CSDDD) COM (2025) 80 en COM (2025) 81
Nr. 10 VERSLAG VAN EEN WERKBEZOEK AAN BRUSSEL IN HET KADER VAN HET EU- RAPPORTEURSCHAP CSDDD
VAN 30 JANUARI 2026
Vastgesteld 13 februari 2026
Een delegatie uit de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp
heeft op vrijdag 30 januari 2026 een werkbezoek gebracht aan Brussel in het kader
van het EU-rapporteurschap Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD)/omnibus I. De delegatie bestond uit de EU-rapporteurs Kröger (GroenLinks-PvdA),
van Ark (CDA) en Ceder (ChristenUnie). De delegatie brengt hierbij verslag uit van
dit bezoek. Het doel van het bezoek was het versterken van de informatiepositie van
de Kamer over de laatste stand van zaken van de inhoud en het tot stand komen van
het akkoord over het CSDDD-deel van het Omnibus I pakket, de impact ervan op Nederland
en de implementatie van de richtlijn in nationale wetgeving.
De delegatie werd in de aanloop naar en tijdens het werkbezoek ondersteund door de
EU-adviseur van de commissie, de wetgevingsadviseur en een parlementaire vertegenwoordiger
van de Tweede Kamer in Brussel. Zie voor meer informatie de mandaatnotitie.
Gesprek met DG JUST
Het werkbezoek begon op vrijdagochtend met een bezoek aan DG JUST. DG JUST is een
Directoraat-generaal van de Europese Commissie dat verantwoordelijk is voor Europees
beleid op het terrein van Justitie en Consumenten. DG JUST is betrokken geweest bij
de wetgevingsonderhandelingen over de CSDDD-richtlijn en spelen een ondersteunende
en coördinerende rol tijdens de implementatiefase.
Als eerste werden de belangrijkste wijzigingen besproken van het oorspronkelijke CSDDD-voorstel.
Ten eerste wordt de reikwijdte van het CSDDD-voorstel aangepast. De richtlijn gaat
gelden voor ondernemingen in de EU met meer dan 5.000 werknemers en een wereldwijde
omzet van tenminste € 1,5 miljard, evenals voor niet-EU-bedrijven met een omzet van
ten minste € 1,5 miljard op de EU-markt. Ten tweede wordt in de richtlijn een risico
gebaseerde aanpak gehanteerd voor de due diligence verplichtingen door de hele waardeketen.
In het oorspronkelijk commissievoorstel golden de due-dilligence verplichtingen alleen voor directe zakenpartners (Tier-one) en alleen in geval van aannemelijke informatie over negatieve gevolgen. Dit is na
onderhandelingen tussen de Raad en het Europees Parlement teruggekeerd naar een meer
uniforme, op risico gebaseerde aanpak. Ten derde vervalt de verplichting om klimaattransitieplannen
op te stellen. Ten vierde vervalt de harmonisatie van civiele aansprakelijkheid, in
overeenstemming met het voorstel van de Commissie. De invulling van de civiele aansprakelijkheid
voor bedrijven wordt daarmee overgelaten aan lidstaten. Tot slot wees DG JUST op de
maximumgrens voor geldboeten, die de Raad en het Parlement hebben vastgesteld op een
maximaal boetebedrag van 3% van de wereldwijde netto-omzet. Er gaat geen minimumboete
percentage gelden.
Vervolgens werd tijdens het gesprek dieper ingegaan op de risico gebaseerde aanpak.
In de oorspronkelijke CSDDD (zoals aangenomen in 2024) werd uitgegaan van mapping. Mapping houdt in dat bedrijven moeten weten wie hun ketenpartners zijn en wat zij
doen in de productieketen. In het geamendeerde CSDDD-voorstel is deze aanpak vervangen
door scoping. Scoping houdt in dat een bedrijf moet kijken waar de risico’s in de productieketen
het grootst zijn en vervolgens op basis daarvan verdiepend onderzoek moet uitvoeren.
Deze aanpak is meer in lijn met de bestaande OESO-richtlijnen en zorgt ervoor dat
bedrijven op een meer gestructureerde wijze hun risico’s in kaart kunnen brengen.
Daarna is stilgestaan bij de nationale implementatieruimte. DG JUST wees er ten eerste
op dat er in het nieuwe CSDDD-voorstel meer artikelen onder de volledige harmonisatieverplichting
zijn gebracht. Dit houdt in dat er ten aanzien van bepaalde artikelen uit de richtlijn
geen beleidsruimte is voor de lidstaten. Artikel vier1 van de richtlijn geeft aan welke artikelen van de richtlijn onder deze harmonisatieverplichting
valt. Hoewel lidstaten daarom uniforme regels moeten toepassen voor algemene zorgvuldigheid,
hebben ze wel de ruimte voor nationaal beleid om specifieke situaties of producten
te reguleren.
Tot slot werd stilgestaan bij het schrappen van de verplichting tot het opstellen
van een klimaattransitieplan. DG JUST gaf aan dat ook bij de oorspronkelijke CSDDD,
het klimaattransitieplan niet viel onder de civiele aansprakelijkheid en de handhaving
van de implementatie van het klimaattransitieplan dus niet was geregeld.
Gesprek met Europarlementariër Lara Wolters
Tijdens de lunch hadden de rapporteurs een gesprek met Europarlementariër Lara Wolters
(GroenLinks-PvdA, S&D) en haar medewerkers. Lara Wolters was rapporteur voor het originele
CSDDD-voorstel en voormalig schaduwrapporteur op het CSDDD-deel van Omnibus I.
Als eerste werd stilgestaan bij het wetgevingsproces ten aanzien van Omnibus I. De
totstandkoming van het voorstel is heel snel gegaan. De snelheid leidde volgens Lara
Wolters tot onzekerheid voor het bedrijfsleven. De consultatieperiode is overgeslagen
en er heeft geen impact-assessment plaatsgevonden. De Europese Commissie heeft dit
bij de Europese Ombudsman proberen te rechtvaardigen door te stellen dat de economische
omstandigheden dramatisch verslechterden, een bezwaar dat door de Ombudsman is afgewezen.
De onderhandelingen tussen het Europees Parlement en de Raad zijn vervolgens geboycot
door een aantal partijen. Daarna is er uiteindelijk met de rechtse partijen in het
Europees Parlement een meerderheid gevormd voor het voorstel.
Vervolgens is tijdens het gesprek dieper stilgestaan bij een aantal onderwerpen. Ten
eerste werd aangegeven dat Nederland geen voorstander was van het schrappen van de
harmonisatie van de civiele aansprakelijkheid. Het idee van de richtlijn was dat als
er één Europees regime kwam ten aanzien van aansprakelijkheid, de onduidelijkheid
in de praktijk zoals met de handhaving van de OESO-richtlijnen en de convenanten werd
voorkomen. Daarnaast is het volgens Lara Wolters door het loslaten van deze geharmoniseerde
aansprakelijkheid moeilijker voor slachtoffers om hun recht te halen.
Daarna is stilgestaan bij de risico gebaseerde aanpak. In het oorspronkelijke CSDDD-voorstel
stond duidelijk een risicogebaseerde aanpak met een focus op de ergste risico’s in
de productieketen. In het voorstel van de Europese Commissie werd vervolgens voorgesteld
om de due-dilligence verplichtingen alleen te laten gelden voor directe zakenpartners, tenzij er plausibele
informatie was dat er negatieve gevolgen plaatsvonden bij indirecte zakenpartners.
In dat geval moest ook daar verdiepend onderzoek naar worden gedaan. Deze aanpak zou
volgens Lara Wolters tot veel administratieve rondslomp hebben geleid. De risicogebaseerde
aanpak is uiteindelijk hersteld bij de onderhandelingen met het Europees Parlement.
Er is daarbij wel een beperking in de richtlijn ingebouwd voor het vragen van informatie
aan kleinere ondernemingen.
Tot slot is stilgestaan bij de nationale beleidsruimte voor lidstaten. Lara Wolters
gaf aan dat goed moet worden gekeken naar artikel vier van de richtlijn. Volgens haar
hebben lidstaten de vrijheid om af te wijken van de bepalingen in artikelen die niet
onder artikel 4 vallen. Artikel 4, lid 2, stelt echter ook duidelijk dat een lidstaat
zelfs in de artikelen die onder deze maximale harmonisatiebepaling vallen, kan afwijken
wanneer de nationale maatregelen «strenger» of «specifieker» zijn. Zij gaf daarbij
aan dat het goed zou zijn als Nederland in het implementatiewetsvoorstel meer duidelijkheid
kan bieden aan het bedrijfsleven door bijvoorbeeld de regels over de informatieverplichtingen
nader in te vullen.
Gesprek bij de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland bij de EU
Na de lunch vonden twee gesprekken plaats bij de Permanente Vertegenwoordiging (PV)
van Nederland bij de EU. Als eerste vond een gesprek plaats met medewerkers van de
PV die de delegatie informeerden over de stand van zaken in de onderhandelingen in
Brussel en de impact van Omnibus I op de implementatie van de CSDDD via de Nederlandse
Wet Internationaal Verantwoord Ondernemen (WIVO). Het tweede gesprek op de PV was
met de Permanent Vertegenwoordiger van Nederland bij de EU, Pieter Jan Kleiweg de
Zwaan, en het Hoofd van de afdeling Internationale Samenwerking, Handel en Externe
Zaken. Zij hebben met de delegatie gesproken over de belangrijkste ontwikkelingen
in en de bredere context van het EU-handelsbeleid, voornamelijk over de context waarbinnen
de EU momenteel werkt aan het uitbreiden van het netwerk van handelsakkoorden.
In het eerste gedeelte van het bezoek aan de PVEU werd de inzet van Nederland in de
Raad besproken, waarbij het Commissievoorstel beoordeeld is langs vier elementen:
1) vermindering van regeldruk, 2) het behouden van legitieme beleidsdoelen, 3) juridische
zekerheid en 4) het creëren van een gelijk speelveld. Ook werd met de medewerkers
van de PV die de contacten met het Europees Parlement onderhouden (EP-team) de totstandkoming
van de positie van het EP besproken.
Er is ook gesproken over de reguliere nationale beleidsruimte die de Lidstaten hebben
bij de implementatie van richtlijnen. Tussen de Lidstaten kunnen er verschillen blijven
bestaan bij implementatie, o.a. door discretionaire ruimte bij de nationaal aangewezen
toezichthouders en de implementatiewijze van de richtlijn in de betreffende lidstaat.
In het algemeen streven LS naar aansluiting van nationale wetgeving bij de EU-wetgeving
en de daarin vervatte internationale standaarden, lidstaten lijken niet voornemens
verder te gaan dan de richtlijn. Dit is ook onwenselijk, want Omnibus I is juist bedoeld
om een lappendeken aan nationale wetgeving te voorkomen. In Duitsland en Frankrijk,
die zelf al nationale wetgeving hebben, moet uiteindelijk de nationale wetgeving voldoen
aan de minimum kaders die de CSDDD voorschrijft. Artikel 4 van de wijzigingsrichtlijn
(«level of harmonisation») gaat in op de discretionaire ruimte bij Lidstaten bij de nationale implementatie.
Ook de civiele aansprakelijkheid voor bedrijven werd besproken. Deze is nu niet meer
Europees geharmoniseerd, civiele aansprakelijkheid moet onder de nieuwe CSDDD-richtlijn
per lidstaat in het nationale civiele recht worden geregeld. Ook de Overriding Mandatory Application (OMA) uit het oorspronkelijke voorstel is geschrapt, waarmee er per lidstaat verschillen
kunnen zijn in het bepalen van de toepasselijke wetgeving wanneer er schendingen in
landen buiten de EU plaatsvinden in waardeketens van bedrijven onder de CSDDD. Dit
maakt dat bedrijven en slachtoffers in sommige gevallen rekening moeten houden met
het rechtssysteem uit het betreffende derde land.
Daarnaast is de handhaving van de richtlijn besproken. Deze wordt in Nederland waarschijnlijk
belegd bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM). In andere landen kunnen toezichthouders
anders te werk gaan dan in Nederland. In Nederland gaat straks het vraagstuk van de
precieze inrichting van het toezicht door de ACM spelen in de nationale implementatiefase.
O.a. ter bevordering van het gelijke speelveld zal de Europese Commissie het samenwerken
en kennisdelen van de toezichthouders aanmoedigen via het zng. European Network of Supervisory Authorities for the CSDDD.
Tot slot is de impact op het MKB in Nederland besproken. Deze impact wordt niet als
heel groot verwacht, aangezien de scope van de richtlijn is aangepast naar bedrijven
met meer dan 5.000 werknemers en een omzet van 1,5 miljard euro. Bedrijven die onder
de richtlijn vallen, zullen echter due diligence moeten toepassen op ondernemingen
in hun waardeketen, op basis van een eigen inschatting van de risicovolle schakels
in die keten. Echter moet rekening worden gehouden met de in de richtlijn geregelde
ontmoediging om onnodig informatie uit te vragen voor bedrijven met minder dan 5.000 medewerkers:
er mag enkel onder voorwaarden informatie worden uitgevraagd aan dergelijke bedrijven
om de administratieve lasten voor hen te beperken.
Gesprek met de Secretaris-Generaal van de Europese Ombudsman
Tot slot werd er gesproken met de Secretaris-Generaal en de Directeur Onderzoeken
van de Europese Ombudsman. Het gesprek ging over het onderzoek2 van de Europese Ombudsman naar de totstandkoming van de CSDDD, en de conclusie ervan
dat er sprake was van procedurele tekortkomingen bij de voorbereiding door de Europese
Commissie. De Commissie beriep zich op «urgentie» om stappen uit de Better Regulation-regels, zoals impact assessments en publieke consultaties, over te slaan. Deze urgentie
werd echter, volgens de bevindingen van de Ombudsman, onvoldoende gemotiveerd en afwijkingen
werden gebrekkig gedocumenteerd. In het gesprek werd bijvoorbeeld benoemd dat het
gevoel van urgentie dat de Commissie ervoer niet gedeeld leek te worden door de Raad
en het Parlement, gezien de tijd die zij nodig hadden om het Omnibus I-pakket aan
te nemen. De medewerkers van de Ombudsman benadrukte dat het onderzoek niet ging over
de inhoud van het wetsvoorstel, maar slechts om de gevolgde procedures. De Ombudsman
is immers niet bevoegd om de inhoud van de wetgeving te onderzoeken, bovendien is
deze wetgeving al aangenomen. Het Europees Hof van Justitie is de enige instantie
die zich kan uitspreken over de wettigheid of geldigheid van EU-wetgeving. De Ombudsman
kwalificeerde de tekortkomingen als maladministration en zij heeft aanbevelingen gedaan om urgente wetgeving voortaan alsnog transparant,
evidence-based en inclusief voor te bereiden. Wat bruikbaar is voor de Kamer is dat de Ombudsman
bepaalde leemtes identificeerde in de voorbereiding van het wetsvoorstel door de Europese
Commissie, zoals het ontbreken van een impact assessment. Een eventueel onderzoek naar de impact van de richtlijn zou dus op nationaal niveau
door het parlement kunnen worden gedaan. Desgevraagd antwoordde de Ombudsman dat er
ook vragen waren over waarom de CSDDD en niet de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) centraal stond, aangezien deze de meeste administratieve regels bevatte. Verder
voegde de Ombudsman eraan toe dat het belangrijk is dat het van belang is dat de Commissie
een duidelijke afbakening geeft van het begrip «urgentie», in verhouding tot wat eventueel
als «prioriteit» moet worden beschouwd. Alleen in geval van daadwerkelijke «urgentie»
mag van de Commissie worden verwacht dat zij afwijkt van de normale regels die gelden
voor haar regelgevingsprocedures.
Kröger
Van Ark
Ceder
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Suzanne Kröger, Tweede Kamerlid -
Mede ondertekenaar
Don Ceder, Tweede Kamerlid -
Mede ondertekenaar
Elles van Ark, Tweede Kamerlid