Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Flach over de bijdrage van de landbouw aan de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater
Vragen van het lid Flach (SGP) aan de Ministers van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en van Infrastructuur en Waterstaat over de bijdrage van de landbouw aan de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater. (Ingezonden 7 januari 2026).
Antwoord van Minister Wiersma (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), mede
namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (ontvangen 19 februari 2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht «PBL rekent watervervuiling (stikstof en fosfor)
uit andere bronnen toe aan landbouw» en de publicatie van het Compendium voor de Leefomgeving
waarnaar wordt verwezen?1
2
Antwoord 1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Vraag 2
Waarom wordt in de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregistratie en
weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, de nutriëntenbelasting van het
oppervlaktewater door stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel
en extern inlaatwater op het conto van de landbouw geschreven?
Antwoord 2
Binnen de Emissieregistratie worden emissies toegerekend aan de verschillende sectoren,
zoals landbouw, industrie en verkeer. Daarvoor is het nodig vast te stellen welke
bronnen aan de sectoren worden toegerekend. In de toerekening van bronnen aan sectoren
worden ook de minder goed beïnvloedbare bronnen meegerekend, omdat ook deze bronnen
een bijdrage leveren aan de totale nutriëntenopgave. Het is echter niet zo dat extern
inlaatwater aan de sector landbouw wordt toegerekend.
Voor de sector landbouw is uitgegaan van de uit- en afspoeling van landbouwgronden,
direct meemesten van sloten, lozingen vanuit de glastuinbouw en erfemissies. In de
uit- en afspoeling van landbouwgronden zit ook de bijdrage van kwel en bodemprocessen
zoals de mineralisatie van veengrond. De kennisinstellingen achter Emissieregistratie
beargumenteren dat kwel en mineralisatie van veen deels een gevolg zijn van keuzes
in het waterbeheer ten behoeve van agrarisch gebruik.Deze bronnen die in de uit- en
afspoeling van landbouwgronden zijn opgenomen, worden dus niet volledig aan landbouw
toegeschreven. Anderzijds wordt bij de bronnen voor de verontreiniging van oppervlaktewater
de post «depositie op open water» apart onderscheiden. Deze post bestaat voor stikstof
gemiddeld voor de helft uit stikstof afkomstig van landbouw.
De Emissieregistratie maakt een pragmatische keuze om deze bronnen toe te delen aan
sectoren. Deze registratie is vooral bedoeld om trendmatige ontwikkelingen weer te
geven en niet om op basis van deze toedelingen beleidsmatige keuzes voor afzonderlijke
sectoren te maken. Bij de bronnenanalyse (zie het antwoord op de vragen 7 en 8) was
wel het doel om beleidsmatige keuzes te maken. Daarom zijn daarin aanvullende uitgangspunten
gekozen.
Vraag 3
Bent u bereid ervoor te zorgen dat in de landelijke emissieregistratie en het Compendium
voor de Leefomgeving verschil wordt gemaakt tussen de landbouwbijdrage via bemesting
en erfafspoeling enerzijds en stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie,
kwel en extern inlaatwater anderzijds?
Antwoord 3
Zie het antwoord op vraag 2. De instituten die gezamenlijk aan de Emissieregistratie
werken (CBS, RIVM, Deltares, WUR en PBL) stellen in onderling overleg vast op welke
wijze de emissies worden geregistreerd en toegerekend. Ik ga er van uit dat deze kennisinstellingen
op een eerlijke en betrouwbare wijze inzicht geven in de bijdrage van de verschillende
sectoren. Ik ga uw verzoek wel overbrengen aan de kennisinstellingen. Het is vervolgens
aan hen om te wegen welke informatie betrouwbaar genoeg is om weer te geven. De instituten
hebben naar aanleiding van de gerezen vragen, zoals onder andere door Agrifacts zijn
gesteld, reeds de omschrijving van de bron landbouwgronden op het Compendium voor
de Leefomgeving (CLO) verduidelijkt.
Vraag 4
Waarom is in de rapportage op grond van artikel 10 van de Nitraatrichtlijn wat betreft
de uit- en afspoeling bij landbouwgronden geen verschil gemaakt tussen de directe
bijdrage van bemesting enerzijds en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouwgronden,
bodemleverantie, kwel en extern inlaatwater anderzijds?3
Antwoord 4
In de Nitraatrapportage wordt gebruik gemaakt van verschillende meetnetten om te rapporteren
over de waterkwaliteit in Nederland. In de monitoring van de waterkwaliteit is het
niet altijd mogelijk een onderscheid te maken tussen de verschillende bronnen die
bijdragen aan de nutriëntenbelasting.
Het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) is ontwikkeld om het effect van het
Nederlandse mestbeleid op de nutriëntenemissies, en vooral de nitraatemissie, uit
de landbouw naar het grond- en oppervlaktewater te meten en de effecten van veranderingen
in de landbouwpraktijk op deze emissie te volgen. Met het LMM kunnen zo de effecten
van de actieprogramma’s in beeld worden gebracht (zie Hoofdstuk 2 in Nitraatrapportage
2024). In het LMM wordt zo dicht mogelijk bij de bron gemeten, namelijk op de landbouwpercelen
zelf en in de aangrenzende sloten.
Voor de rapportage van het grondwater dieper dan 5 meter onder het maaiveld wordt
gebruik gemaakt van het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG). Voor dit meetnet
wordt in de monitoringsgegevens een onderscheid gemaakt tussen verschillende typen
van landgebruik (voor de Nitraatrapportage wordt voor het LMG onderscheid gemaakt
in de categorieën landbouw, natuur en overig). Indien dit het geval is, wordt dit
duidelijk aangegeven in de begeleidende tekst.
Bij de meetnetten voor het oppervlaktewater is het niet altijd mogelijk dit onderscheid
te maken vanwege de specifieke opzet van deze meetnetten, zoals het geval is bij de
KRW-monitoringslocaties. Aan het begin van hoofdstuk 6 (zie Figuur 6.1–6.4) van de
Nitraatrapportage (over oppervlaktewater) wordt ingegaan op de verschillende bronnen
van nutriënten in het oppervlaktewater waarbij onder andere een onderscheid wordt
gemaakt tussen uit- en afspoeling vanuit natuurgronden en uit- en afspoeling vanuit
landbouwbronnen. Daarnaast worden de monitoringsgegevens over de nutriëntenbelasting
en (deels ook voor) eutrofiëring van het oppervlaktewater afzonderlijk getoond voor
landbouwspecifieke oppervlaktewateren, regionale KRW-wateren en KRW-Rijkswateren.
Hierbij wordt opgemerkt dat de invloed van belasting vanuit de landbouw op deze wateren
afneemt in de volgorde van landbouwsloten, landbouwspecifieke wateren, regionale KRW-wateren
en KRW-Rijkswateren.
Vraag 5
Is de Europese Commissie (EC) geïnformeerd over de landelijke bronnenanalyse van Wageningen
Environmental Research en de daarin genoemde relatieve landbouwbijdrage via bemesting
en erfafspoeling?
Antwoord 5
Ja. De Europese Commissie (EC) is op 14 juli 2025 geïnformeerd over de Landelijke
bronnenanalyse van Wageningen Environmental Research (WEnR).
Vraag 6
Kunt u aangeven of de landelijke emissiecijfers, gebaseerd op de Emissieregistratie
en weergegeven in het Compendium voor de Leefomgeving, een rol hebben gespeeld bij
de besluitvorming over en de afwijzing van de derogatie voor Nederland door de EC?
Zo ja, welke?
Antwoord 6
De EC heeft in haar reactie op het verzoek voor een nieuwe derogatie een eigen analyse
opgenomen van de ontwikkeling van de waterkwaliteit4. De EC heeft zich voor de analyse van de waterkwaliteit in Nederland gebaseerd op
monitoringsgegevens die zijn aangeleverd in het kader van de Nitraatrapportage van
de periode 2020–2023 en monitoringsgegevens vanuit het LMM5. Voor wat betreft het aandeel van de verschillende bronnen in de nutriëntenbelasting
van het Nederlandse oppervlaktewater wordt in de Nitraatrapportage verwezen naar de
Emissieregistratie 2024. Daarnaast wordt in de bijlage bij de brief van Eurocommissaris
Roswall ook verwezen naar monitoringsgegevens die zijn aangeleverd in het kader van
de Kaderrichtlijn Water.
Vraag 7 en 8
Kunt u aangeven in hoeverre de normstelling voor Kaderrichtlijn Water (KRW)-waterlichamen
door waterschappen en provincies is gebaseerd op bronnenanalyses?
Kunt u aangeven in hoeverre bij de KRW-normstelling onderscheid is gemaakt tussen
de daadwerkelijke bijdrage van de landbouw via bemesting en erfafspoeling enerzijds
en de bijdrage van stikstofdepositie op landbouwgronden, bodemleverantie, kwel en
extern inlaatwater anderzijds?
Antwoord 7 en 8
Regionale overheden mogen bij het afleiden van doelen voor nutriënten rekening houden
met natuurlijke processen. Daarvoor zijn handreikingen opgesteld. Zo kan rekening
worden gehouden met de zogenaamde «natuurlijke achtergrondbelasting». Daarbij hebben
de waterbeheerders regionale kennis van de verschillende bronnen gebruikt en is er
rekening gehouden met de specifieke gebiedskenmerken. De KRW-normstelling is een doelwaarde
die past bij wat ecologisch nodig is voor het KRW-waterlichaam. Er bestaat dus geen
aparte «norm voor landbouw» en een «norm voor kwel». Bronnenanalyses helpen bij het
bepalen waar de belasting vandaan komt en welke maatregelen nodig zijn. Alle waterschappen
werken daarbij op basis van een handreikingen die door het Rijk is opgesteld.
Vraag 9
Is voor alle waterlichamen de nutriëntenbelasting van kwelwater en bodemleverantie
verrekend in de nutriëntennormen?
Antwoord 9
Zie het antwoord op de vragen 7 en 8. Als er meer recente en betere informatie beschikbaar
is, dan zijn en worden de nutriëntennormen daarop aangepast. Ook kan in bepaalde gevallen
gebruik worden gemaakt van legitieme uitzonderingen, als KRW-normen niet tijdig worden
behaald. Zie daarvoor de informatie die door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat
naar uw Kamer is gestuurd, zoals (Kamerstuk 27625, nr. 716).
Vraag 10
Is het u bekend dat waterschappen en provincies verschillend omgaan met het al dan
niet verrekenen van natuurlijke bronnen van nutriëntenbelasting in de normen, waardoor
deze normen mogelijk strenger zijn dan nodig is? Hoe waardeert u dat?
Antwoord 10
Zoals in het antwoord op vragen 7 en 8 is aangegeven is er enerzijds sprake van een
uniforme werkwijze die in de handreiking is beschreven, en anderzijds kan dit worden
ingevuld met gebiedsspecifieke kenmerken. Het is bekend dat er verschillen kunnen
optreden in de manier waarop door waterschappen natuurlijke omstandigheden (zoals
kwel, bodemtype en hydromorfologie) worden meegewogen in de onderbouwing van KRW-doelen.
Dat hangt samen met verschillen in gebiedskenmerken. In het Wetgevingsoverleg Water
van 2 februari jl. is door de Minister van IenW aan het lid Van der Plas (BBB) toegezegd
om de Kamer te informeren over het gesprek met de waterschappen in het Bestuurlijk
Overleg Kaderrichtlijn Water (BO KRW) over het verwerken van natuurlijke achtergrondconcentraties
in de KRW-doelen.
Vraag 11
Welk ander beleid en andere regelgeving wordt gebaseerd op de eerder genoemde emissiecijfers?
Antwoord 11
De Emissieregistratie inventariseert veel gegevens van verschillende bronnen. Dat
gaat ook verder dan alleen de bronnen voor water. Deze informatie wordt in veel beleidstrajecten
toegepast.
Vraag 12
Kunt u aangeven wat de belangrijkste verschillen zijn tussen de landelijke bronnenanalyse
van Wageningen Environmental Research en de eigen regionale bronnenanalyses van waterschappen?
In hoeverre is sprake van verschillen in de toewijzing van bronnen?
Antwoord 12
Voor het opstellen van de landelijke bronnenanalyse door WEnR is samengewerkt met
de waterschappen en is gebruikgemaakt van de data en kennis van de waterschappen en
de regionale bronnenanalyses van de waterschappen, indien deze beschikbaar waren.
Voor de landelijke bronnenanalyse is op een landelijk geharmoniseerde wijze een methodiek
gevolgd voor de toewijzing van alle bronnen. De regionale analyses worden uitgevoerd
voor een afgebakende regio, met keuzes die bij die regio passen. De regionale analyses
verschillen onderling, bijvoorbeeld de wijze waarop wordt omgegaan met het ingelaten
water vanuit het hoofdwatersysteem.
Vraag 13
Acht u het verstandig om, gelet op de grote verschillen in waterkwaliteitsproblemen
en de relatieve bijdrage van landbouwbemesting tussen de verschillende regio’s, in
te zetten op het niet aanwijzen van heel Nederland als kwetsbaar gebied op grond van
de Nitraatrichtlijn dan wel het vaststellen van verschillende actieprogramma’s voor
verschillende regio’s, inclusief eventuele derogaties passend bij de regionale waterkwaliteitsproblematiek?
Antwoord 13
Nederland heeft geen kwetsbare zones aangewezen. Conform artikel 3, vijfde lid, van
de Nitraatrichtlijn, zijn de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn
op het gehele Nederlandse grondgebied van toepassing.
De motie Flach en Grinwis6 verzoekt de regering om bij vaststelling van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn
te bezien of het 8e actieprogramma van toepassing is op het gehele Nederlandse grondgebied.
Lidstaten zijn verplicht op grond van criteria genoemd in bijlage I van de Nitraatrichtlijn
vast te stellen welke wateren door verontreiniging worden beïnvloed en welke wateren
zouden kunnen worden beïnvloed indien maatregelen achterwege zouden blijven. In de
beantwoording op Kamervragen van het lid De Vos (Fvd) is reeds aangegeven dat ik in
lijn met de motie Flach en Grinwis en conform het Hoofdlijnenakkoord aan de Commissie
van Deskundigen Meststoffenwet (CDM) heb gevraagd om hierover te adviseren7. Zoals in de brief van 19 december jl. over de voortgang van het 8e actieprogramma
aan uw Kamer is aangegeven, wordt het vaststellen van het 8e actieprogramma overgelaten
aan een nieuw kabinet8. Op 26 januari 2026 is aan uw Kamer de onderliggende informatie over de besluitvorming
over het 8e actieprogramma aan uw Kamer toegestuurd. Hierbij is ook het voornoemde
advies van de CDM gevoegd. Ik laat de besluitvorming naar aanleiding van dit advies
over aan het volgende kabinet.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede namens
R. Tieman, minister van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.