Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 898 Regels over de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen (Wet internationale sanctiemaatregelen)
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
Algemeen deel
1. Inleiding
Internationale sanctiemaatregelen zijn een belangrijk instrument in de buitenlandpolitieke
inzet van de Verenigde Naties en de Europese Unie. Sanctiemaatregelen dienen de handhaving
of het herstel van de vrede, de ondersteuning van de democratische rechtsstaat, mensenrechten
en de beginselen van het internationaal recht, en het voorkomen van conflicten, de
versterking van de internationale veiligheid en de bestrijding van terrorisme. Vanuit
de overkoepelende kabinetsdoelstelling om de veiligheid en weerbaarheid van Nederland
te vergroten, werkt het kabinet aan het door-ontwikkelen en implementeren van sancties.
Aanname van een nieuwe sanctiewet en het tegengaan van omzeiling zijn daarbij van
groot belang.1 Gelet op de toename van het gebruik van het sanctie-instrument, de eisen die dit
stelt aan de nationale naleving van sanctiemaatregelen en het belang om hier in Nederland
effectief uitvoering aan te geven, moderniseert de regering het sanctiestelsel en
stelt zij daartoe een nieuwe Wet internationale sanctiemaatregelen voor.
De opzet van deze memorie van toelichting is als volgt. Hoofdstuk 2 bespreekt de context
van het wetsvoorstel. In dat hoofdstuk wordt ingegaan op de aanleiding tot de voorgenomen
modernisering van het Nederlandse sanctiestelsel, de doelstelling van het wetsvoorstel,
de oorsprong van sancties en de uitvoering ervan in Nederland. Hoofdstuk 3 bespreekt
op hoofdlijnen de verschillende elementen van het wetsvoorstel. In dit hoofdstuk wordt
ingegaan op de bestaande systematiek van het Nederlandse sanctiestelsel, zoals geïntroduceerd
in de Sanctiewet 1977. Daarna volgt een thematisch overzicht van de elementen die
met dit wetsvoorstel worden gemoderniseerd of geïntroduceerd. Hoofdstuk 4 gaat in
op de verhouding van het wetsvoorstel tot hoger recht en in het bijzonder op de verhouding
tot een aantal fundamentele rechten, de verhouding van het voorstel tot een aantal
lopende Europese wetstrajecten en de verhouding tot de Rijkssanctiewet. Hoofdstuk 5
behandelt de verhouding van het voorstel tot andere nationale regelgeving en in hoofdstuk 6
wordt expliciet ingegaan op de rechtsbescherming. Hoofdstuk 7 gaat in op de uitvoering
van het wetsvoorstel, en biedt een globaal schematisch overzicht van de organisaties
die bij de uitvoering van sancties betrokken zijn op grond van de Sanctiewet 1977.
Per organisatie wordt aangegeven wat dit voorstel voor hun deel in de uitvoering zal
veranderen. Hoofdstuk 8 behandelt de gevolgen van het wetsvoorstel. Specifiek wordt
daarin aandacht besteed aan de brede welvaartseffecten en de gevolgen van sanctienaleving
voor de duurzame ontwikkelingsdoelen, de regeldrukeffecten van het wetsvoorstel, de
financiële gevolgen en de gevolgen voor Caribisch Nederland. Tot slot gaat hoofdstuk 9
in op de inbreng van geconsulteerde partijen en op de wijze waarop gevolg is gegeven
aan over het voorstel uitgebrachte adviezen.
2. Aanleiding, doelstelling en achtergrond: het belang van een sterk(er) Nederlands
sanctiestelsel
2.1. Aanleiding en probleemstelling
Beperkende maatregelen (hierna: sancties) zijn een essentieel component van het EU-buitenlandbeleid
en hebben de afgelopen jaren een steeds centralere rol ingenomen in de EU-externe
beleidsgereedschapskist. Sancties zijn een instrument van het Gemeenschappelijk Buitenland-
en Veiligheidsbeleid (GBVB), waarbij de primaire werkingssfeer ligt in beperkingen
die gelden voor lidstaten, burgers en bedrijven binnen de Europese Unie (EU). EU-bedrijven
mogen bijvoorbeeld geen zaken meer doen met gesanctioneerde personen of entiteiten,
transacties mogen niet meer worden uitgevoerd door financiële instellingen in de EU
ten behoeve van gesanctioneerde personen of entiteiten, en EU-bedrijven mogen bepaalde
goederen of diensten niet langer exporteren naar specifieke landen. Om ervoor te zorgen
dat sancties een maximaal effect hebben, is het verplicht voor eenieder om zich daaraan
te houden. Door het naleven van sancties dragen bedrijven en burgers concreet bij
aan de bevordering van de internationale rechtsorde. Door het ontzeggen van toegang
tot de Europese markt of het grondgebied, wordt de betreffende gesanctioneerde persoon,
entiteit of het land als geheel geconfronteerd met de gevolgen van zijn gedrag. Dit
kan een krachtig signaal zijn, het kan het voortzetten van dat gedrag bemoeilijken,
aanzetten tot gedragsverandering en anderen ontmoedigen hetzelfde gedrag te vertonen.
De snelle evolutie die het sanctie-instrumentarium de afgelopen jaren in EU-verband
heeft doorgemaakt (zie Figuur 1 met een ontwikkeling van het aantal gesanctioneerde
personen en entiteiten) stelt daarbij in toenemende mate eisen aan de uitvoering en
de naleving ervan.
Figuur 1: cumulatief aantal opgelegde EU-sancties die van kracht zijn1
1 Figuur: Matelly, S. «Understanding international sanctions», Infographic, Jacques Delors Institute, September 2024. Data: https://data.europa.eu/apps/eusanctionstracker/.
Illustratief voor deze evolutie zijn de sanctiepakketten die in EU-verband zijn vastgesteld
naar aanleiding van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne en het grootschalige
geweld tegen de Oekraïense burgerbevolking. Deze ongeëvenaarde sanctiemaatregelen
stellen de nationale naleving voor nieuwe uitdagingen. De omvangrijke en snel wijzigende
EU-sanctieverordeningen stellen telkens nieuwe eisen aan het toezicht en de handhaving
van sancties in Nederland. Eén van de aanbevelingen van de Nationaal Coördinator Sanctienaleving
en Handhaving uit mei 2022 (hierna: de Nationaal Coördinator) luidde dan ook om het
sanctiestelsel te versterken en ervoor te zorgen dat wet- en regelgeving daarmee gelijke
tred houdt.2 Het blijven werken aan het implementeren van sancties en de aanname van een nieuwe
nationale sanctiewet zijn dan ook van groot belang voor het kabinet.3
De Sanctiewet 1977 is de schakel tussen internationale verplichtingen en afspraken
en nationale uitvoering en is in het afgelopen decennium slechts beperkt gewijzigd
terwijl de omvang en complexiteit van internationale sanctiemaatregelen sterk is toegenomen.
De effectiviteit van sanctiemaatregelen kan alleen gewaarborgd worden als de wetgeving
voldoende uitgerust is om toepassing te geven aan een steeds veranderend sanctielandschap.
Zo hebben de internationale sanctieregimes gericht op het bestrijden van terrorisme
als gevolg van de terroristische aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten
aanleiding gegeven tot wijziging van de Sanctiewet 1977 met het oog op een adequate
uitvoering van internationale sanctiemaatregelen gericht op de bestrijding van terrorisme
en de uitbreiding van het toezicht op de naleving van financiële sanctiemaatregelen.4 De internationale sanctiemaatregelen die zijn afgekondigd naar aanleiding van de
Russische aanvalsoorlog in Oekraïne van 24 februari 2022 zijn een vergelijkbare aanleiding
die noodzaakt tot een grondige herziening van de wetgeving.
De Sanctiewet 1977 is namelijk op een flink aantal punten verouderd. Specifiek gesignaleerde
problemen betreffen onder andere ontbrekende of onvoldoende grondslagen om gegevens
uit te wisselen, het ontbreken van de mogelijkheid om sanctieschendingen bestuursrechtelijk
te handhaven, een niet-toereikend systeem voor beheer en bewind, en behoefte bij marktpartijen
aan inzicht in mogelijke relaties met gesanctioneerde personen en entiteiten.5 Hiernaast kennen sanctiemaatregelen verschillende meldingsplichten, zoals de melding
van bevroren tegoeden of de verplichting voor specifieke gesanctioneerde personen
of entiteiten om hun tegoeden te melden. Het in ontvangst nemen van deze meldingen
is momenteel verdeeld over verschillende meldpunten, wat tot een gefragmenteerd systeem
leidt en voor verwarring kan zorgen bij meldingsplichtige instellingen. Het adresseren
van deze aandachtspunten zou een omvangrijke wijziging van de Sanctiewet 1977 vergen,
waardoor het in de rede ligt om een geheel nieuwe wet vast te stellen.6 Daarbij geldt dat afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 nog tijdelijk in licht aangepaste
vorm van kracht zal blijven. Dit betreft de onderdelen die zien op het sanctiewettoezicht
op de bedrijfsvoering van financiële ondernemingen (zie hierover uitgebreid paragraaf 3.8).
2.2. Doelstelling
Om de bovengenoemde problemen te adresseren bevat dit wetsvoorstel een aantal oplossingen.
Zo stelt de regering voor om de mogelijkheden om gegevens uit te wisselen te verbeteren,
bestuursrechtelijke handhaving van sanctieschendingen te introduceren, evenals een
regeling voor het beheer van (langdurig) bevroren tegoeden en de mogelijkheid om in
bepaalde openbare registers een aantekening te plaatsen bij een relatie met gesanctioneerde
personen of entiteiten. De alternatieven die hierbij zijn overwogen komen aan bod
in paragraaf 3 van deze memorie van toelichting. Deze onderwerpen vragen om een dusdanige
aanpassing van het stelsel dat een nieuwe wet passender wordt geacht. Het overkoepelende
doel daarvan is om nog beter te kunnen voldoen aan de eisen die gesteld worden vanuit
internationale sanctiemaatregelen, en om de daarmee beoogde resultaten helpen te verwezenlijken.
Hiermee geeft de regering opvolging aan de aanbeveling van de Nationaal Coördinator
om het sanctiestelsel te versterken en te zorgen dat de wetgeving daar gelijke tred
mee houdt.7 De Nationaal Coördinator deed voor de naleving van sancties en het toezicht daarop
in het algemeen een aantal aanbevelingen voor de langere termijn om het wettelijke
sanctiestelsel te herzien:
– Creëer een meldplicht voor notariaat, advocatuur en accountancy en zorg voor passend
toezicht (aanbeveling 5);
– Creëer een meldpunt voor bevriezing van aandelenbelangen en aandeelhoudersrechten
in rechtspersonen in handen van gesanctioneerden (aanbeveling 7);
– Kom tot een regeling voor het beheer van langdurig bevroren tegoeden (aanbeveling
9);
– Creëer een sterkere rechtsgrondslag voor gegevensuitwisseling (aanbeveling 10);
– Creëer een wettelijke grondslag voor het plaatsen van een aantekening in het Handelsregister
van bevroren bezittingen van rechtspersonen.8
De regering heeft de aanbevelingen van de Nationaal Coördinator omarmd en aangekondigd
het Nederlandse sanctiestelsel te moderniseren door aanpassing van de Sanctiewet 1977
en aanpalende wet- en regelgeving.9 De regering hecht er namelijk veel belang aan dat de sancties in Nederland effectief
worden toegepast en gehandhaafd.
Nederland is een open samenleving en een handelsnatie pur sang. De regering staat
voor onze democratische waarden, vrijheden en rechtsstatelijke normen. Met de modernisering
van het sanctiestelsel geeft de regering gevolg aan de grondwettelijke opdracht om
de ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen,10 en de verplichting, mede op grond van het beginsel van Unietrouw,11 om het nuttig effect van EU-regelgeving te verzekeren en zorg te dragen voor een
effectieve handhaving en uitvoering van het Unierecht.12 Het wetsvoorstel zorgt er namelijk voor dat internationale sanctiemaatregelen op
een gedegen manier kunnen worden geïmplementeerd en uitgevoerd in Nederland. Dat draagt
bij aan de effectiviteit van de internationale sanctiemaatregelen, en aan het doorbreken
van criminele handels- en geldstromen. In een fragmenterende wereldorde is het bovendien
te meer van belang dat Nederland zich sterk maakt voor een betere naleving van het
buitenlands beleid van de Unie, waaronder de naleving van sancties.13
De grondwettelijk ingebedde bevordering van de internationale rechtsorde is niet alleen
een doelstelling van buitenlandbeleid, maar plaatst de Nederlandse constitutionele
orde in een bredere internationale rechtsorde van vrede en veiligheid. De internationale
rechtsorde is daarmee van grote betekenis voor Nederlandse burgers en bedrijven.14 Op het gebied van sanctienaleving hebben burgers en bedrijven daarbij een bijzondere
rol. Om de sancties een zo groot mogelijk effect te laten hebben, is het een belangrijke
plicht voor eenieder om zich aan de sancties te houden, dat het toezicht op de naleving
effectief is en dat wordt gehandhaafd op sanctieschendingen. Dit vraagt collectieve
inspanningen van burgers, bedrijven en overheidspartijen. Deze inspanningen zijn nodig
en plaatsen Nederlandse burgers, bedrijven en de overheidspartijen midden in de internationale
rechtsorde als dragers van rechten én plichten. Door sancties na te leven draagt iedereen
bij aan de ondersteuning van de beginselen van het internationaal recht, de handhaving
van vrede, de voorkoming van conflicten en de versterking van de internationale veiligheid.
2.3. De oorsprong van sancties: Verenigde Naties en Europese Unie
Sancties vinden hun oorsprong over het algemeen in VN- of EU-besluitvorming. Het VN-Handvest
geeft de Veiligheidsraad de bevoegdheid om voor alle leden van de VN bindende maatregelen
te nemen die nodig zijn om de internationale vrede en veiligheid te handhaven of te
herstellen, wanneer er sprake is van een bedreiging van de vrede, een schending van
de vrede of een daad van agressie.15 Op grond van het VN-Handvest ingestelde sancties omvatten een breed scala aan maatregelen
die zich niet richten op het gebruik van gewapend geweld en dienen ter uitvoering
van VN-besluiten.16 Sinds 1966 heeft de Veiligheidsraad 31 sanctieregimes ingesteld: in het toenmalige
Zuid-Rhodesië, Zuid-Afrika, voormalig Joegoslavië (2), Haïti, Angola, Liberia (3),
Eritrea/Ethiopië, Rwanda, Sierra Leone, Ivoorkust, Iran, Somalië/Eritrea, ten aanzien
van ISIL (Daesh) en Al-Qaida, Irak (2), Democratische Republiek Congo, Soedan, Libanon, Noord-Korea,
Libië (2), ten aanzien van de Taliban, Guinee-Bissau, Centraal Afrikaanse Republiek,
Jemen, Zuid-Soedan en Mali. Sinds de totstandkoming van het VN-Handvest in 1945 hebben
sancties van de Veiligheidsraad een aantal verschillende vormen aangenomen, met het
oog op een verscheidenheid aan doelen. De maatregelen varieerden van alomvattende
economische en handelssancties tot meer (persoons)gerichte maatregelen zoals wapenembargo's,
reisverboden en financiële of grondstoffenbeperkingen. De Veiligheidsraad heeft sancties
opgelegd om vreedzame machtsoverdrachten te ondersteunen, niet-grondwettelijke veranderingen
(zoals machtsgrepen) af te schrikken, terrorisme te bestrijden, mensenrechten te beschermen
en non-proliferatie te bevorderen.17 De huidige Sanctiewet 1977 is tot stand gebracht tegen de achtergrond van de toepassing
van de in 1968 aangenomen VN-sancties tegen Zuid-Rhodesië,18 lang voor de instelling van het GBVB van de EU in 1993.
Naast sancties die hun oorsprong in VN-besluitvorming vinden, kan de EU in het kader
van het GBVB ook autonoom sancties opleggen of VN-sancties versterken. In het algemeen
worden sancties opgelegd om een verandering teweeg te brengen in het beleid of de
activiteit van het betrokken land, een deel van het land, de regering, entiteiten
of individuen om de doelstellingen van het GBVB te ondersteunen. De EU gebruikt sancties
als onderdeel van een geïntegreerd en alomvattend beleid dat bestaat uit een politieke
dialoog, aanvullende inspanningen en andere instrumenten waarover ze beschikt. Inmiddels
zijn sancties een essentieel en niet meer weg te denken onderdeel van het buitenlands
beleid van de EU voor het nastreven van haar doelstellingen in overeenstemming met
de beginselen van het GBVB, waaronder:
• de bescherming van de waarden, fundamentele belangen en veiligheid van de EU;
• handhaving van de vrede;
• consolidering en ondersteuning van de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten
en de beginselen van het internationaal recht;
• voorkoming van conflicten en versterking van de internationale veiligheid.19
EU-sancties en VN-sancties staan met elkaar in verband en er bestaan in de Europese
context dan ook drie soorten sanctieregimes:
1. Omgezette VN-sancties: sancties die zijn opgelegd in VN-verband worden omgezet in EU-recht in het kader
van het GBVB en in het belang van uniforme implementatie voor een gelijk speelveld
op de interne markt en uitvoerbaarheid in de Schengenzone.20
2. Versterkte VN-sancties: sancties die zijn opgelegd in VN-verband kunnen door de EU worden versterkt door
strengere en aanvullende beperkingen op te leggen, bijvoorbeeld naar aanleiding van
een oproep daartoe in resoluties van de VN Veiligheidsraad of naar eigen inschatting
van de EU (bijvoorbeeld ten aanzien van Noord-Korea).
3. Autonome sancties: sanctieregimes die de EU volledig autonoom instelt. Deze kunnen gericht zijn tegen
regeringen van derde landen en tegen niet-statelijke entiteiten of personen (zoals
terroristische organisaties en terroristen). Voorbeelden van autonome EU-sanctieregimes
die momenteel gelden zijn de regimes gericht op Syrië, Venezuela, Rusland en Belarus.21
Bij sancties kan worden gedacht aan:
• wapenembargo’s;
• beperkingen op de toelating tot het grondgebied van de EU van op een lijst geplaatste
personen;
• het bevriezen van tegoeden en economische middelen (zoals goederen) van op een lijst
geplaatste personen of entiteiten evenals een verbod op het ter beschikking stellen
van economische middelen aan deze personen of entiteiten;
• verschillende vormen van economische sancties, de zogeheten sectorale maatregelen
(beperkingen met betrekking tot verschillende sectoren van economische bedrijvigheid,
zoals een verbod op de invoer of uitvoer van bepaalde goederen, op investeringen,
op het verrichten van bepaalde diensten).
Om dergelijke maatregelen op te leggen, is een specifieke wettelijke grondslag in
de EU-verdragen noodzakelijk. Deze is te vinden in artikel 29 van het Verdrag betreffende
de Europese Unie (VEU) wat betreft de sanctiebesluiten in het kader van het GBVB,
waaronder dus het instellen van sancties. De toepasselijke stemprocedure staat in
artikel 31 VEU: eenparigheid van stemmen, oftewel unanimiteit (eerste lid) of gekwalificeerde
meerderheid wanneer uitvoering wordt gegeven aan een eerder besluit (tweede lid).
Deze GBVB-besluiten hebben betrekking op derde landen en personen, maar scheppen verplichtingen
voor EU-lidstaten en hun onderdanen. De lidstaten moeten rechtstreeks toepassing geven
aan deze besluiten, bijvoorbeeld als het gaat om wapenembargo's en reisbeperkingen.
Voor zover het gaat om sancties tegen natuurlijke personen en entiteiten moet het
GBVB-besluit nauwkeurige en op het specifieke geval toegesneden criteria bevatten
waarmee bepaald kan worden welke personen en entiteiten op de sanctielijst moeten
komen (het zogenoemde «oplijsten» van personen of «listing») en wanneer zij er weer
van verwijderd moeten worden («delisting»).
Om ervoor te zorgen dat de uitvoering van financiële en economische beperkingen eenvormig
plaatsvindt, worden de maatregelen in GBVB-besluiten omgezet in EU-verordeningen.
EU-verordeningen hebben een algemene strekking, zijn verbindend in al hun onderdelen
en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.22 Een regeling uit een verordening is van toepassing op iedere situatie of op iedere
persoon die aan de criteria voldoet (zoals fabrikanten, exporteurs, dienstverleners,
banken, luchtvaartmaatschappijen). Deze verordeningen worden vastgesteld op basis
van artikel 215 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
Het eerste lid is de grondslag voor een gehele of gedeeltelijke beperking van de economische
en financiële betrekkingen met bepaalde landen. Het tweede lid is de grondslag voor
sancties tegen natuurlijke personen, rechtspersonen en niet-statelijke groepen of
entiteiten.23
2.4. Uitvoering van sancties door Nederland
Nederland kan als lidstaat van de EU unilateraal geen sancties opleggen. Dit zou immers
de werking van de interne markt kunnen aantasten, het vrije verkeer beperken en een
concurrentieverstorend effect hebben.24 Vrijwel alle sancties die in Nederland moeten worden uitgevoerd vinden hun oorsprong
in resoluties van de VN Veiligheidsraad, en Europese sanctiebesluiten en -verordeningen.
Het beste voorbeeld van de uitvoering van sancties die voortvloeien uit een resolutie
van de Veiligheidsraad is de nationale terrorismelijst.25 De Minister van Buitenlandse Zaken kan in overeenstemming met de Ministers van Justitie
en Veiligheid, en Financiën onder bepaalde voorwaarden een persoon op de nationale
terrorismelijst plaatsen. Hierbij wordt uitvoering gegeven aan Resolutie 1373 van
de Veiligheidsraad van 28 september 2001.26 Als een sanctiemaatregel besloten ligt in een EU-verordening is deze vooral gericht
aan overheidsdiensten en economische operatoren om eenvormig uitvoering te geven aan
sancties. Denk bijvoorbeeld aan handel en het internationale financiële verkeer. EU-besluiten
richten zich daarentegen tot EU-lidstaten. Zij moeten uitvoering geven aan sancties
die tot de taken van de lidstaten behoren, zoals inreisverboden.
Het onderscheid tussen sanctieverordeningen en -besluiten is cruciaal voor de wijze
waarop Nederland als lidstaat gevolg moet geven aan het daarin bepaalde. Een verordening
heeft een algemene strekking, is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks
toepasselijk in elke lidstaat.27 Een regeling uit een verordening is van toepassing op iedere situatie of op iedere
persoon die aan de abstracte criteria voldoet. «Rechtstreeks toepasselijk» betekent
dat een verordening als zodanig geldt in de lidstaten en niet mag worden omgezet in
nationale wetgeving («overschrijfverbod»).28 Een omzetting zou er namelijk toe kunnen leiden dat er verschillen ontstaan tussen
de inhoudelijke betekenis van een verordening en de nationale regeling.
Nationale implementatiemaatregelen zijn wel noodzakelijk voor zover uit een EU-verordening
een plicht of bevoegdheid voortvloeit tot het stellen van regels om verdere uitvoering
te geven aan de verordening. Dit kan neergelegd zijn in een algemene opdracht in de
verordening, maar daarnaast volgt uit het algemene beginsel van Unietrouw en de doctrine
van nuttig effect dat lidstaten de noodzakelijke maatregelen moeten treffen voor de
daadwerkelijke verwezenlijking van het door Europese regelgeving beoogde resultaat.29 De lidstaten moeten alles doen of nalaten wat voor de volledige en daadwerkelijke
toepassing van het Europese recht in de nationale rechtsorde nodig is.30
3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
Het wetsvoorstel laat de Sanctiewet 1977 grotendeels vervallen en laat daarvoor een
geheel nieuwe Wet internationale sanctiemaatregelen in de plaats treden. Afdeling
5 van de Sanctiewet 1977 zal nog enige tijd blijven voortbestaan (zie paragraaf 3.8).
Het wetsvoorstel moderniseert het Nederlandse sanctiestelsel daarbij op verschillende
vlakken. De hoofdlijnen hiervan worden achtereenvolgens besproken:
• modernisering van de grondslagen om regels te stellen ter uitvoering van internationale
sanctiemaatregelen (paragraaf 3.1);
• de introductie van bestuursrechtelijke handhaving van schendingen van sanctiemaatregelen
in aanvulling op het strafrecht (paragraaf 3.2);
• de introductie van een bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige niet-naleving
of ontduiking van sanctiemaatregelen (paragraaf 3.3);
• het mogelijk maken van beheer en bewind van (langdurig) bevroren tegoeden en economische
middelen (paragraaf 3.4);
• het creëren van een grondslag om in verschillende openbare registers een koppeling
te maken met sancties (paragraaf 3.5);
• het verder verbeteren van de mogelijkheden die bevoegde autoriteiten, zoals toezichthouders
en handhavingsinstanties, hebben om gegevens uit te wisselen (paragraaf 3.6);
• het inrichten van een centraal meldpunt sancties (paragraaf 3.7);
• aanpassingen aan het toezicht op de bedrijfsvoering en uitbreiding van dat toezicht
naar juridische beroepsgroepen (paragraaf 3.8).
3.1. Modernisering van de grondslagen om regels te stellen ter uitvoering van internationale
sanctiemaatregelen
De Sanctiewet 1977 kent vier internationale grondslagen op basis waarvan in Nederland
uitvoeringsregels kunnen worden gesteld, namelijk internationale sanctiemaatregelen
uit (1) verdragen; (2) bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties; (3) aanbevelingen
van volkenrechtelijke organisaties, en (4) internationale afspraken. Internationale
sanctiemaatregelen die voortvloeien uit verdragen of besluiten van volkenrechtelijke
organisaties zijn juridisch bindend. Daar kan uitvoering aan worden gegeven bij algemene
maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling, als de te stellen regels alleen
strekken ter uitvoering van de verplichtingen in kwestie.31 Aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties en internationale afspraken (zoals
internationale beleidsafspraken, zogenaamde Memoranda of Understanding) hebben weliswaar een politiek bindend karakter, maar geen juridisch bindend karakter.
Uitvoeringsregels ter voldoening van deze aanbevelingen en internationale afspraken
kunnen daarom in beginsel alleen bij algemene maatregel van bestuur worden gesteld.32
Zoals het kabinet in de hoofdlijnenbrief modernisering sanctiestelsel heeft aangegeven
wordt (voor juridisch bindende internationale sanctiemaatregelen) geen afscheid genomen
van de bestaande systematiek van het aanwijzen van bevoegdheden bij ministeriële regeling
omdat dit de noodzakelijke flexibiliteit en snelheid biedt die onontbeerlijk is bij
zichzelf snel opvolgende internationale of Europese ontwikkelingen.33 Het wetsvoorstel houdt vast aan de bovengenoemde vier grondslagen, maar voorziet
daarbij wel in een nadere inkadering van de grondslagen. Zo bepaalt het wetsvoorstel
dat bij de uitvoering van juridisch bindende internationale sanctiemaatregelen, voor
ministeriële regelingen kan worden gekozen als er sprake is van spoed of als de internationale
sanctiemaatregelen beperkt ruimte laten voor beleidsinhoudelijke keuzes. Dit kan daarom
worden opgevat als een codificering van de huidige praktijk, waarbij internationale
sanctiemaatregelen zoals EU-verordeningen zeer kort na publicatie in werking treden,
waardoor snelle uitvoering nodig is. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een verduidelijking
en versterking van de waarborgen die gelden voor de uitvoering van internationale
sanctiemaatregelen die zijn neergelegd in aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties
of internationale afspraken, die niet-juridisch bindend van aard zijn.
De regering streeft ernaar om internationale sanctiemaatregelen vast te stellen op
een internationaal zo breed mogelijk gedragen niveau, bij voorkeur in VN- of EU-verband,
waarbij het gebruik van juridisch bindende instrumenten een sterke voorkeur heeft.
In het bijzonder hecht de regering waarde aan een gemeenschappelijk EU-optreden, met
het oog op de integriteit van de interne markt, een gelijk speelveld en het voorkomen
van een ongecontroleerde toename aan verschillende internationale sanctiemaatregelen.34 Met het oog op de noodzaak om tot een zo toekomstbestendig mogelijke wet te komen
kiest de regering daarbij bewust voor behoud van de grondslag om uitvoering te geven
aan niet-juridisch bindende instrumenten (aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties
en internationale afspraken). Bij aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties
op het gebied van sancties kan bijvoorbeeld gedacht worden aan aanbevolen maatregelen
van de Algemene Vergadering van de VN voor de vreedzame regeling van iedere situatie.35 Het sanctie-instrument blijft zich door-ontwikkelen en het is om die reden niet uit
te sluiten dat zich ook in de toekomst situaties zullen voordoen die het in sommige
gevallen wenselijk blijven maken om gebruik te maken van een niet-juridisch bindend
instrument, zoals momenteel onder de Sanctiewet 1977 ook mogelijk is. De implementatie
zal met voldoende waarborgen zijn omkleed, zoals in beginsel uitvoering bij algemene
maatregel van bestuur, parlementaire betrokkenheid en een zo beperkt mogelijke werkingsduur.
Onderdelen die niet zijn overgenomen uit de Sanctiewet 1977
In artikel 3 van de huidige Sanctiewet 1977 is een opsomming opgenomen van de onderwerpen
die de implementatie van internationale sanctiemaatregelen kan betreffen (dit artikel
heeft zowel betrekking op de uitvoering van juridisch bindende als niet-juridisch
bindende internationale sanctiemaatregelen). Bij wijziging van de Sanctiewet 1977
uit 2000, heeft de wetgever ervoor gekozen om deze opsomming van zijn limitatieve
karakter te ontdoen, om ook de implementatie van destijds nog niet voorziene sanctieverplichtingen
mogelijk te maken.36 Als gevolg daarvan is de meerwaarde van deze bepaling beperkt, in die zin dat het
niet meer biedt dan een indicatie van het soort maatregelen dat kan worden getroffen.
Het regelgevende karakter ontbreekt. De regering kiest er daarom voor om geen gelijkluidende
bepaling over te nemen in dit wetsvoorstel.
Op grond van artikel 6, eerste lid, van de huidige Sanctiewet 1977 kan een algemene
maatregel van bestuur ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen niet eerder
in werking treden dan twee maanden na publicatie. Dit voorschrift is in de Sanctiewet
1977 opgenomen om ruimte te geven aan de in het huidige artikel 6, tweede lid, van
de Sanctiewet 1977 neergelegde parlementaire betrokkenheid bij algemene maatregelen
van bestuur (zij het dat de termijnen uit deze twee bepalingen abusievelijk uiteenlopen).37 Als echter naar het oordeel van de Minister vanwege gewichtige redenen een onmiddellijke
voorziening vereist is, kan met de vaststelling van een ministeriële regeling alsnog
worden geregeld dat de maatregelen direct, en dus niet pas na twee maanden gaan gelden
(artikel 7). Omdat het de voorkeur heeft om uitvoeringsregels ter voldoening aan aanbevelingen
van volkenrechtelijke organisaties en internationale afspraken bij algemene maatregel
van bestuur vast stellen, komt met dit wetsvoorstel de tweemaandentermijn te vervallen.
Hierdoor is het mogelijk om een dergelijke algemene maatregel van bestuur direct in
werking te laten treden. Alleen als naar het oordeel van de Minister van Buitenlandse
Zaken een gewichtige reden een onmiddellijke voorziening vereist kunnen vooruitlopend
op de vaststelling van de algemene maatregel van bestuur regels bij ministeriële regeling
worden vastgesteld.
3.2. Bestuursrechtelijke handhaving van sanctieschendingen
Het overtreden van sanctieregelgeving is een vorm van financieel-economische criminaliteit,38 en de inspanningen van overheidswege om financieel-economische criminaliteit tegen
te gaan omvatten dus eveneens het tegengaan van sanctieovertredingen. Sanctiemaatregelen
worden momenteel alleen strafrechtelijk gehandhaafd. Dat is van oudsher het geval.
Onder de Sanctiewet 1935 al werden overtredingen van op basis van die wet getroffen
maatregelen als misdrijven bestraft met een jaar gevangenisstraf of een geldboete
van hoogstens tienduizend gulden.39 Van 1980 tot 2002 waren opzettelijke overtredingen van de krachtens de Sanctiewet
1977 gestelde voorschriften misdrijven waartegen een strafbedreiging gold van twee
jaar gevangenisstraf of een geldboete van de vierde categorie. In 2002 meende de wetgever
dat deze strafmaat onvoldoende recht deed aan de ernst van dergelijke overtredingen.
Daarop werd de strafmaat verhoogd naar een gevangenisstraf van hoogstens zes jaar
of een geldboete van de vijfde categorie.40 De Sanctiewet 1977 voorziet echter niet in bestuursrechtelijke handhaving van materieelrechtelijke
schendingen van sanctiemaatregelen. Wel is er bestuursrechtelijk toezicht en handhaving
op de administratieve organisatie en interne controle van een specifieke lijst van
financiële instellingen (hierna: Sanctiewet-instellingen).41 Het toezicht en de handhaving hierop worden uitgevoerd door de Nederlandsche Bank
(DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).42 Ook zijn er verscheidene toezichthouders en uitvoeringsorganisaties betrokken bij
het tegengaan van materiële sanctieschendingen (zie paragraaf 7 voor een overzicht),
maar zonder bestuursrechtelijk handhavingsinstrumentarium.
Overtredingen van sanctiebesluiten en sanctieregelingen zijn strafbaar gesteld als
economisch delict.43 Wanneer opzettelijk begaan, is overtreding van de Sanctiewet 1977 een misdrijf. In
alle andere gevallen is er in strafrechtelijke zin sprake van een overtreding.44 Voor Caribisch Nederland geldt hetzelfde stramien, zij het met een andere rechtsgrond.45 Als een partij in strijd handelt met geldende sanctiemaatregelen, bijvoorbeeld door
het exporteren van goederen terwijl dit verboden is, is er een grondslag voor het
Openbaar Ministerie om over te gaan tot strafrechtelijk onderzoek en eventuele strafvervolging.
De Nationaal Coördinator constateerde in zijn eindrapport dat bestuursrechtelijke
handhaving van schendingen van sanctiemaatregelen door middel van bestuurlijke boetes
of een last onder dwangsom een waardevolle aanvulling kan zijn op de bestaande strafrechtelijke
handhaving.46 In de hoofdlijnenbrief is aangekondigd dat het kabinet voornemens is om nader te
onderzoeken of en in welke gevallen, naast de strafrechtelijke handhaving van schendingen
van sanctiemaatregelen, ook voorzien zou moeten worden in bestuursrechtelijke handhaving
van schendingen.47 De regering heeft dit nader onderzocht en stelt de introductie voor van bestuursrechtelijke
handhaving voor een deel van de sanctiemaatregelen. Dit betreft dus een toevoeging
naast de bestaande strafrechtelijke handhaving en de bestaande bestuursrechtelijke
handhaving van de bedrijfsvoeringseisen die gelden voor Sanctiewet-instellingen. Er
wordt dus een gedeeltelijk duaal handhavingsstelsel voorgesteld.48
Een belangrijke reden voor de introductie van een duaal handhavingsstelsel is dat
het strafrecht niet in alle gevallen voldoende proportioneel inzetbaar is gebleken
bij schendingen waarbij de ernst en omvang gering is, of waar het handhavingsdoel
vooral herstellend is. Om ervoor te zorgen dat schendingen met voldoende passende
middelen kunnen worden afgedaan, is besloten tot de introductie van bestuursrechtelijke
handhaving, namelijk de mogelijkheid om een last onder bestuursdwang, een last onder
dwangsom of een bestuurlijke boete op leggen. Dit doet recht aan het karakter van
het strafrecht als ultimum remedium en is temeer noodzakelijk nu het aantal schendingen,
waarmee uitvoeringsorganisaties en toezichthouders te maken krijgen, toeneemt als
gevolg van een toename in de inzet van het sanctie-instrument.
Het invoeren van een partieel duaal stelsel leidt tot meer flexibiliteit in de handhaving
(op maat) en maakt het stelsel toekomstbestendig. Het strafrecht is nu de enige handhavingsmodaliteit,
terwijl de inzet van het strafrecht voorbehouden moet blijven aan de meest serieuze
overtredingen. Gelet op de (uiteenlopende) aard en ernst van normen die worden gesteld
in Europese sanctieverordeningen biedt uitsluitend strafrechtelijke handhaving onvoldoende
(passende) mogelijkheden voor effectieve en efficiënte handhaving van sanctienormen.
Dit geldt met name voor zover sancties administratieve normen inhouden (zoals bijvoorbeeld
meldingsplichten), dan wel geconstateerde schendingen relatief minder ernstig zijn.
De strafrechtketen ontbeert de capaciteit om te acteren op alle sanctieschendingen.
Wanneer het strafrecht de enige handhavingsmodaliteit is, is er geen mogelijkheid
voor herstelsancties en zal schaarse en kostbare opsporings- en vervolgingscapaciteit
voor bestraffende sancties alleen ingezet worden voor de meest ernstige overtredingen.
Zonder bestuursrechtelijke handhaving zal er dan ook altijd een (te) groot handhavingstekort
blijven bestaan. De introductie van bestuursrechtelijke handhaving is dan ook noodzakelijk
om sanctieschendingen effectief en efficiënt te kunnen handhaven, de pakkans te verhogen
en het preventieve effect dat daarvan uitgaat te verhogen. Het strafrecht en de beperkte
opsporings- en vervolgingscapaciteit kunnen daarbij gereserveerd blijven voor de meest
ernstige overtredingen, als ultimum remedium.
Bij beperkte en milde schendingen is het wenselijk dat er de mogelijkheid is om bestuursrechtelijk
op te treden. Via het bestuursrecht kunnen personen en bedrijven in voorkomende gevallen
sneller en proportioneler gecorrigeerd worden. Tegelijkertijd is ook gebleken, uit
overleg met het Openbaar Ministerie en betrokken uitvoeringsorganisaties, dat er soorten
schendingen zijn waarbij juist de strafrechtelijke weg de juiste is. Dit komt omdat
sommige soorten schendingen dermate ernstig zijn dat bestuursrechtelijke handhaving
niet passend is. Dit is bijvoorbeeld in de regel het geval bij schendingen die betrekking
hebben op militaire goederen.
Het wetsvoorstel regelt de invoering van bestuursrechtelijke handhaving door bestuursorganen
aan te wijzen die bestuursrechtelijk handhavend kunnen optreden. Dit zijn de Douane,
het Bureau Toetsing Investeringen (BTI) bij het Ministerie van Economische Zaken,
het Bureau Financieel Toezicht (BFT) en de deken, bedoeld in artikel 45a, eerste lid,
van de Advocatenwet. De aangewezen bestuursorganen oefenen hun bevoegdheden uit ten
aanzien van de in het voorstel genoemde sectoren of handelingen. Omdat niet te voorspellen
is welke sanctiemaatregelen in de toekomst worden getroffen, voorziet het wetsvoorstel
ook in een grondslag om in sanctiebesluiten of -regelingen andere bestuursorganen
aan te wijzen die zullen beschikken over het in het wetsvoorstel opgenomen bestuursrechtelijke
handhavingsinstrumentarium. Hierdoor kan er snel ingespeeld worden op nieuwe sanctiemaatregelen.
Omdat het hier om forse handhavende bevoegdheden gaat zal er na inwerkingtreding van
een sanctiebesluit of sanctieregeling waarin die bestuursorganen worden aangewezen
zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer worden ingediend. Deze niveaus
van regelgeving sluiten aan bij de algemene uitgangspunten voor de wijze waarop uitvoering
wordt gegeven aan internationale sanctiemaatregelen, waaronder het aanwijzen van bevoegde
autoriteiten (zie paragraaf 3.1).
De Douane wordt bevoegd om bestuursrechtelijk te handhaven op de naleving van specifieke
normen op het gebied van onder andere de inkoop, verkoop, invoer, uitvoer of doorvoer,
direct of indirect, van goederen en diensten in strijd met geldende EU-sanctieverordeningen.
De genoemde voorbeelden gelden daarbij uitdrukkelijk als voorbeeld, waarbij geldt
dat de inzichten over welke handhavingsmodaliteit het meest passend is ook mettertijd
kunnen veranderen.
Het BTI wordt bevoegd om bestuursrechtelijk te handhaven betreffende specifieke normen
ten aanzien van de eigendom van of zeggenschap over (niet-beursgenoteerde) ondernemingen
gevestigd in Nederland. Het kan hierbij gaan om het handhaven of afdwingen van de
bevriezingsverplichting, de verplichting om voor bepaalde transacties met zo’n onderneming
een voorafgaande ontheffing te hebben verkregen of de dienstverlening aan zo’n onderneming.
Het BFT wordt bevoegd om bestuursrechtelijk te handhaven op de naleving van specifieke
normen uit de EU-sanctieverordeningen die betrekking hebben op de dienstverlening
door notarissen (ook inbegrepen de kandidaat- en toegevoegd-notarissen), belastingadviseurs,
externe registeraccountants en belastingconsulenten.49 De deken wordt bevoegd om bestuursrechtelijk te handhaven op de naleving van specifieke
normen uit de EU-sanctieverordeningen die betrekking hebben op de dienstverlening
door advocaten. In beginsel, behoudens uitzonderingen50, mogen juridische dienstverleners geen activiteiten aanbieden die verboden zijn op
grond van de Europese sanctieverordeningen, waaronder activiteiten waarmee deze sanctiemaatregelen
worden omzeild. Zo is het bijvoorbeeld verboden om tegoeden ter beschikking te stellen,
in bepaalde gevallen juridische diensten aan te bieden en is het verboden om juridische
constructies op te richten waarmee de sancties worden omzeild. De hier genoemde voorbeelden
voor het BFT en de deken gelden daarbij uitdrukkelijk als voorbeeld, waarbij geldt
dat de inzichten over welke handhavingsmodaliteit het meest passend is ook mettertijd
kunnen veranderen.
De deken en het BFT zullen op grond van dit wetsvoorstel toezicht gaan houden op de
bedrijfsvoeringsvoorschriften die gelden voor advocaten, respectievelijk notarissen
en accountants (zie uitgebreider paragraaf 3.8). Het is noodzakelijk dat de deken
en het BFT over bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten beschikken ten aanzien
van de schending van de materiële sanctienormen. Het toezien en handhaven op de bedrijfsvoeringsnormen
kan worden aangemerkt als preventief toezicht houden. Wanneer de hierboven genoemde
beroepsgroepen op correcte wijze de normen voor de bedrijfsvoering naleven, de toezichthouders
hierop toezien en handhaven, wordt de naleving van EU-sancties vergroot. De realiteit
is echter dat naar alle waarschijnlijkheid daarmee schendingen van deze wet niet geheel
voorkomen worden. Om die reden is er bij het BFT en de deken een behoefte om ook te
kunnen toezien en handhaven op schending van de normen uit internationale sanctiemaatregelen;
zij moeten ook reactief kunnen optreden als voornoemde toezichthouders bij de uitoefening
van hun toezichtstaken een schending van de materiële normen constateren. Het bestuursrechtelijk
kunnen handhaven op de materiële sanctienormen maakt effectief toezien en handhaven
op de regels uit dit wetsvoorstel mogelijk.
Voor de Douane, BTI, BFT en de deken geldt dat zij al beschikken over een bestuursrechtelijk
handhavingsinstrumentarium op grond van andere wetgeving, waaronder het kunnen opleggen
van een bestuurlijke boete. Dit betekent dat deze organisaties al over de organisatorische
randvoorwaarden beschikken, de nodige expertise, processen en middelen, om het bestuursrechtelijke
handhavingsinstrumentarium in te zetten, naast eventuele capaciteits- en inhoudelijke
uitbreiding hiervan als gevolg van dit wetsvoorstel.
Ook voor de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zal worden voorzien in de
mogelijkheid om op grond van artikel 7.1.1 toezicht uit te oefenen op de naleving
van verboden op het verlenen van technische bijstand door instellingen als bedoeld
in de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek en deze verboden bestuursrechtelijk
te handhaven. De vormgeving daarvan is nog onderwerp van een verkenning die tevens
samenhangt met het wetsvoorstel screening kennisveiligheid. Dat wetsvoorstel voorziet
al in toezicht en bestuursrechtelijke handhaving op een aantal van de verboden op
technische bijstand in het kader van onderwijs en onderzoek door kennisinstellingen.
Voor het deel van de verboden op technische bijstand in het kader van onderwijs en
onderzoek door hoger onderwijsinstellingen dat niet onder de Wet screening kennisveiligheid
komt te vallen, wordt verkend op welke wijze in toezicht en bestuursrechtelijke handhaving
kan worden voorzien.
De keuze voor de organisaties die bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheden krijgen
is mede ingegeven door het feit dat zij beschikken over bijzondere expertise met betrekking
tot hun werkgebied.
Als alternatief is overwogen om één bestuursorgaan aan te wijzen dat belast is met
de bestuursrechtelijke handhaving van alle soorten schendingen. Dit wordt om verschillende
redenen niet haalbaar geacht. Gezien de brede reikwijdte van wat nu en in de toekomst
onderwerp is van sanctiemaatregelen, is gebleken dat het niet mogelijk is om één bestuursorgaan
te belasten met de handhaving van alle of verschillende soorten schendingen. Dit zou
immers betekenen dat dit bestuursorgaan bekend zou moeten zijn met zowel financiële
als goederenstromen alsook andere onderwerpen en in staat zou moeten zijn hierop toezicht
en handhaving in te richten. Ook zou dit betekenen dat deze organisatie zich zou begeven
op de toezichtterreinen van bestaande toezichthouders zoals AFM, DNB, de Douane en
de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en in sommige gevallen hun werkzaamheden
zou kunnen doorkruisen.
Ook is overwogen om op wetsniveau uitputtend bestuursorganen aan te wijzen die belast
zijn met het bestuursrechtelijke toezicht op schendingen van sancties. Gezien het
snel evoluerende karakter van het sanctie-instrument en de noodzaak tot spoedige implementatie
wordt het opportuun geacht om in aanvulling op de in het wetsvoorstel aangewezen bestuursorganen,
ook bij sanctiebesluit of sanctieregeling additionele bestuursorganen aan te kunnen
wijzen, die over de in het wetsvoorstel opgenomen handhavingsbevoegdheden beschikken.
Hierbij speelt ook dat het niet mogelijk is om te voorspellen welke sanctiemaatregelen
in de toekomst worden genomen. Omdat het hier om forse handhavende bevoegdheden gaat
zal er na inwerkingtreding van een sanctiebesluit of sanctieregeling waarin die bestuursorganen
worden aangewezen zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer worden
ingediend.
De introductie van bestuursrechtelijke handhaving betekent dat er een duaal handhavingsstelsel
ontstaat. Dit is in lijn met het kabinetsbeleid inzake de keuze van een sanctiestelsel.51 Dit beleid houdt onder andere in dat het kabinet een duaal stelsel in beginsel niet
geschikt acht als er sprake is van veel handhavende bestuursorganen met grote beleidsruimte
of beleidsvrijheid vanwege noodzaak van een goede onderlinge afstemming en afstemming
met het Openbaar Ministerie. Op dit punt worden geen problemen voorzien omdat de insteek
is dat dezelfde norm niet door verschillende bestuursorganen bestuursrechtelijk zal
kunnen worden gehandhaafd.
De introductie van een duaal stelsel moet aan een aantal vereisten voldoen: de bestuursrechtelijke
boetemaxima mogen niet hoger zijn dan de strafrechtelijke boetemaxima en afstemming
tussen de handhavingsinstanties en het Openbaar Ministerie is nodig om samenloop te
voorkomen en omdat niemand twee keer voor hetzelfde feit mag worden bestraft.52 De afstemming tussen handhavingsinstanties en het Openbaar Ministerie behoeft geen
nadere wettelijke regeling. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een
bestuursorgaan namelijk al verplicht om, teneinde dubbele vervolging te voorkomen,
ofwel per overtreding met het Openbaar Ministerie te overleggen of daarover in algemene
zin afspraken te maken.53 De betrokken bestuursorganen en het Openbaar Ministerie zullen het boete- respectievelijk
vervolgingsbeleid op elkaar moeten afstemmen en geregeld in overleg moeten treden.54 Afstemming en overleg is er ook op gericht om het voorkomen van samenloop van het
bestuursrecht en strafrecht te bewaken en te zorgen dat de feitelijke toepassing consistent
is.
Omdat bij een duaal sanctiestelsel de bestuurlijke boete niet hoger mag zijn dan de
maximale strafrechtelijke boete, is ervoor gekozen om de bestuursrechtelijke boetemaxima
gelijk te stellen aan de strafrechtelijke boetemaxima.
3.3. Bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige niet-naleving of ontduiking van
sanctiemaatregelen
Ondernemingen in de EU die zelf niet onder sancties vallen, kunnen, al dan niet door
statelijke actoren, worden ingezet als instrument voor de omzeiling van sancties,
bijvoorbeeld voor transacties direct of indirect (via tussenpersonen in derde landen)
met partijen gevestigd in bijvoorbeeld de Russische Federatie.55 Dergelijke inzet van rechtspersonen en entiteiten gevestigd in de EU is een van de
bekende methodes van statelijke actoren om de bescherming van de nationale veiligheid
via investeringstoetsing te omzeilen.56 Ook is het een bekend instrument om het systeem van exportcontrole te omzeilen.57 In zulke gevallen is het wenselijk om een dergelijk gebruik van in Nederland gevestigde
ondernemingen te bestrijden en te voorkomen, waarbij het noodzakelijk kan zijn om
de aansturing van de onderneming over te nemen.
Dit wetsvoorstel voorziet dan ook in een specifieke bevoegdheid voor de Minister van
Economische Zaken in overeenstemming met de Minister die het mede aangaat om de effectieve
werking van de sancties te bevorderen. Het betreft een bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheid
die erop gericht is het gebruik van de onderneming om sanctiemaatregelen te omzeilen
te beëindigen dan wel te voorkomen. Het is een bevoegdheid die ingezet kan worden
om een voortdurende overtreding of omzeiling van de sanctiemaatregelen of het bijdragen
daaraan door verbonden ondernemingen een halt toe te roepen. Dit instrument is onder
meer nodig in de situatie dat een onderneming het ernstige risico neemt – bij bijvoorbeeld
het verrichten van transacties, verlenen van diensten of de export van producten,
al dan niet via een (buitenlandse) dochter – in strijd te handelen met de geldende
sanctiemaatregelen en zo ten bate handelt van een agressor. Het is dan niet voldoende
om te wachten tot dit risico zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, want dan zou
de schade in bijvoorbeeld Oekraïne immers al zijn aangericht met behulp van deze Nederlandse
onderneming.
Doordat de bijzondere handhavingsbevoegdheid het doel heeft om ernstige niet-naleving
of ontduiking direct te beëindigen of te voorkomen, heeft deze bevoegdheid meerwaarde
naast een eventuele strafrechtelijke of andere punitieve maatregel. Zonder deze bevoegdheid
kan – zelfs met het klassieke bestuursrechtelijke instrument van een last onder dwangsom
wanneer voorzien is in bestuursrechtelijke handhaving – niet voorkomen worden dat
de onderneming nog steeds bijdraagt aan de sanctie-ontduiking.
Een last onder bestuursdwang of onder dwangsom – wanneer daarin is voorzien – vereisen
dat de overtreding en het feitelijk handelen waarvoor de last wordt afgegeven gericht
worden benoemd, terwijl in onderhavig geval de gedraging die bestreden moet worden
het gebruik van de onderneming als vehikel of instrument in zijn geheel betreft om
actief de geldende sanctiemaatregelen te schenden. Door de aansturing van deze onderneming
over te nemen, wordt de mogelijkheid om deze onderneming in te zetten voor sanctieontduiking
voorkomen. Daarmee kan deze bevoegdheid een effectieve bijdrage leveren aan het bestrijden
van sanctieontduiking door de inzet van ondernemingen. De keuze om niet direct over
te gaan tot het regelen van bijvoorbeeld een stillegging van de onderneming is ingegeven
door proportionaliteit: in de praktijk blijkt dat bij een deel van de ondernemingen
die hiervoor gebruikt worden het merendeel van medewerkers en soms zelfs sommige bestuurders
niet weten dat de onderneming aldus wordt gebruikt om de sanctiemaatregelen te ontduiken.
Eventuele negatieve maatschappelijke gevolgen van het wegvallen van de onderneming
kunnen hierdoor ook worden gemitigeerd. De maatschappelijke kosten van het wegvallen
van de onderneming zou daarnaast niet in proportie zijn.
De bevoegdheid heeft gelijkenissen met de bevoegdheid om een persoon aan te wijzen
zoals voorzien in het kader van beheer en bewind (zie paragraaf 3.4). Ook deze bevoegdheid
kent de mogelijkheid om een persoon aan te wijzen die in de onderneming zelf kan handelen
en als verlengde arm van de Minister gezien kan worden. Wel kent deze bijzondere handhavingsbevoegdheid
een aantal belangrijke en wezenlijke verschillen.
De bevoegdheid kent in de eerste plaats andere gronden op basis waarvan deze bevoegdheid
kan worden ingezet. Er moet sprake zijn van een niet-naleving van een sanctiemaatregel
of andere voorschriften krachtens deze wet of een risico op ontduiking van een sanctiemaatregel
of andere voorschriften bij of krachtens deze wet of op het actief bijdragen daaraan
ten bate van andere ondernemingen die met de onderneming zijn verbonden. Hierbij is
dus niet sprake van een breder publiek belang dat in het geding is door het effect
van de sanctiemaatregel op de betrokken onderneming, maar juist een onderneming die
in overtreding van de sanctiemaatregelen handelt of juist bijdraagt aan de overtreding
door aan de betrokken onderneming verbonden ondernemingen.
In de tweede plaats is de bevoegdheid verstrekkender in die zin dat respectievelijk
de bestuurder of het bestuur door de aangewezen persoon wordt vervangen. Daar waar
bij artikel 5.3 een bewindvoerder naast het bestuur wordt gezet en de bewindvoerder
aan het bestuur opdrachten geeft, wordt bij deze bevoegdheid het bestuur door de bewindvoerder
uitgeoefend. De keuze voor dit verschil is ingegeven door de aannemelijkheid dat het
zittende bestuur van de betrokken rechtspersoon actief meewerkt aan de ontduiking
van de sanctiemaatregelen. Het bestuur voert immers de strategie en het beleid van
de onderneming en draagt op zijn minst de volle verantwoordelijkheid voor het gedrag
van de onderneming. Er kan derhalve niet vanuit worden gegaan dat betrokken bestuurder
of bestuur daadwerkelijk zal meewerken aan de herijking van het gedrag van de onderneming.
Eventuele negatieve maatschappelijke gevolgen van het wegvallen van de onderneming
kunnen zodoende ook worden gemitigeerd, omdat dit door de vervanging van de bestuurder
of het bestuur niet aan de orde hoeft te zijn.
In de derde plaats kan de Minister van Economische Zaken in overeenstemming met de
Minister die het mede aangaat de kosten voor deze vorm van handhaving doorberekenen
aan de betrokken onderneming. Daar waar in artikel 5.3 het inzetten van de bewindvoerder
gericht is op het borgen van een breder publiek belang dat in beginsel voor rekening
hoort te komen van de hoeder van het publiek belang die de overheid is, is hier sprake
van actieve normovertreding. Dat legitimeert de doorberekening van de kosten die met
de inzet van deze vergaande bevoegdheid gemoeid zijn. Dat deze kosten kunnen worden
doorberekend is in lijn met het «veroorzaker betaalt-beginsel dat geldt bij de doorberekening
van handhavingskosten.58
3.4. Beheer van (langdurig) bevroren economische middelen
Ondernemingen in Nederland kunnen (indirect) worden geraakt door sancties, als de
uiteindelijke eigenaar wordt gesanctioneerd. Daarbij bestaat het risico dat de Nederlandse
onderneming in economisch isolement raakt, hetgeen kan leiden tot economische schade
en ongewenste maatschappelijke gevolgen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om gevolgen
voor de werkgelegenheid. Als een onderneming een aanzienlijk aantal werknemers heeft
en geconfronteerd wordt met de gevolgen van een sanctiemaatregel, kan dat gevolgen
hebben voor de werkgelegenheidssituatie en de sociale grondrechten van de werknemers.
Daarnaast kan ook het (langdurig) bevriezen van bezit in Nederland, zoals vlieg-,
vaartuigen en vastgoed tot praktische, financiële en maatschappelijke problemen leiden.
In het rapport van de Nationaal Coördinator is aanbevolen om uit te zoeken of de overheid
hier een regeling voor zou kunnen maken.59 Daarbij is gebleken dat het instrumentarium dat nu al bestaat, namelijk het aanvragen
van ontheffingen door de gesanctioneerde zelf om bijvoorbeeld te voorzien in het (deels)
kunnen beschikken over bevroren goederen, niet volstaat, omdat dit op transactieniveau
werkt en daarmee geen oplossing is voor langdurige situaties of risicovolle situaties
als gevolg van bijvoorbeeld achterstallig onderhoud die niet vallen onder de ontheffingsgronden.
De betrokken onderneming moet namelijk wel zelf bereid zijn om het onderhoud te plegen
en daar ook de financiële middelen voor hebben. Een dergelijke bereidheid is niet
altijd aanwezig en financiële middelen kunnen over de tijd uitgeput raken. Daarnaast
is de mogelijkheid om ontheffingen te verlenen gericht op het faciliteren van een
specifieke incidentele transactie of handeling ten gunste van bijvoorbeeld een crediteur
of het verrichten van onderhoud, maar deze bevoegdheid is maar in beperkte mate gericht
op het beschermen of borgen van bredere maatschappelijke belangen, zeker wanneer deze
belangen een structurele oplossing verlangen. Derhalve is hier sprake van publieke
belangen die overheidsingrijpen rechtvaardigen. Dit geldt zeker waar de bijeffecten
van sanctiemaatregelen raken aan sociale grondrechten, zoals de bevordering van voldoende
werkgelegenheid, de bescherming en verbetering van het leefmilieu en de bevordering
van voldoende woongelegenheid.60 Noch het bedrijfsleven zelf, noch de bestaande regelgeving kan voorzien in de borging
van deze en andere publieke belangen. Omdat overheidsingrijpen ten aanzien van private
ondernemingen een juridische grondslag vergt, is wetgeving hier het aangewezen instrument.
Minder ingrijpende alternatieven zijn ook niet voorhanden. Met deze keuze en de wijze
waarop deze is vormgegeven, geeft de regering bovendien opvolging aan de aanbevelingen
van de Europese Commissie over het implementeren van zogeheten firewalls (zie uitgebreider paragraaf 3.4.1).61
Voorgesteld wordt om de ongewenste gevolgen van een bevriezing in Nederland op te
vangen door overheidsingrijpen bij een onderneming, wanneer naleving van sancties
tot uitzonderlijke economische en maatschappelijke impact leidt. Dit ingrijpen kan
gericht zijn op het doorbreken van het economisch isolement van de onderneming door
te zorgen dat de gesanctioneerde moederentiteit of persoon geen controle meer kan
uitoefenen over die onderneming, waardoor die onderneming niet langer onder sancties
valt. Dergelijk ingrijpen kan ook dienen voor het beheersen van de beschreven risico’s
gerelateerd aan beheren van langdurig bevroren bezit in Nederland. Met dit wetsvoorstel
wordt daarom voorzien in de volgende twee zaken:
• een regeling voor de continuïteit en afwikkeling van door sancties getroffen ondernemingen
ingeval van negatieve maatschappelijke neveneffecten (paragraaf 3.4.1); en
• een regeling voor het beheer van registergoederen (paragraaf 3.4.2).
3.4.1. Continuïteit en afwikkeling van ondernemingen
Internationale sanctiemaatregelen beogen actief economische schade toe te brengen
als prikkel om beleidswijzigingen te bewerkstelligen. Deze internationale sanctiemaatregelen
brengen via het instrument van de EU-verordeningen rechtstreeks verplichtingen met
zich mee voor eenieder die valt onder de jurisdictie van de EU om te voldoen aan de
internationale sanctiemaatregelen. De eigen verantwoordelijkheid staat voorop en verplicht
eenieder om effectief gevolg te geven aan de sanctiemaatregelen, voor zover deze hen
raken of op hen van toepassing zijn. Het gevolg is dan ook dat de beoogde economische
schade zich direct voordoet binnen de kaders die de betrokken EU-verordeningen hebben
gegeven.
Tegelijkertijd zijn er situaties waarbij in de EU gevestigde rechtspersonen en entiteiten
die daadwerkelijke economische activiteiten ontplooien, niet voldoende in staat zijn
om volledig effect te geven aan de internationale sanctiemaatregelen – zeker wanneer
deze voor langere duur gelden – zonder dat hierdoor aanzienlijke (negatieve) sociaalmaatschappelijke
gevolgen kunnen ontstaan zoals disruptie van leveranciersketens, tekorten aan grondstoffen,
halffabricaten of eindproducten, verlies van werkgelegenheid en financiële moeilijkheden
voor toeleveranciers of afnemers.
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een in Nederland gevestigde onderneming
die in Nederland winkels uitbaat en die (direct of indirect) voor meer dan 50% in
handen is van een gesanctioneerde (rechts)persoon waarvoor een bevriezingsverplichting
geldt. In zo’n geval zal de onderneming al snel geen nieuwe voorraden kunnen aanschaffen,
werknemers aannemen of vervangingsinvesteringen kunnen verrichten en slechts met moeite
– bijvoorbeeld via een ontheffing per transactie – aan bestaande verplichtingen kunnen
voldoen zoals het betalen van salarissen, leveranciers, enzovoort. Een ander voorbeeld
is een in Nederland gevestigde bank die een volle dochtermaatschappij is van een gesanctioneerde
financiële instelling. Gevolg van de sancties tegen die (uiteindelijke) eigenaren
is dat de tegoeden en economische middelen van die in Nederland gevestigde onderneming
moeten worden bevroren en dat geen tegoeden en economische middelen nog aan die onderneming
beschikbaar mogen worden gesteld, met uitzondering van incidentele ontheffingen. Zo
wordt deze onderneming vergaand in haar functioneren gehinderd. Dit kan tot gevolg
hebben dat reguliere rekeninghouders bij een dergelijke bank geen toegang meer hebben
tot hun betaalrekeningen.
In de EU gevestigde rechtspersonen en entiteiten hebben beperkte mogelijkheden om
met deze problemen om te gaan. Eén mogelijkheid is dat een onderneming noodgedwongen
besluit de activiteiten te beëindigen en over te gaan tot ontbinding en liquidatie,
al dan niet via een faillissement. Een andere mogelijkheid is dat het bestuur van
de onderneming actief op zoek gaat naar een partij die de onderneming of diens activiteiten
wil overnemen (een «witte ridder»): daarmee wordt de continuïteit van de onderneming
en of diens activiteiten gewaarborgd, omdat de eigendoms- en zeggenschapsrelatie met
de gesanctioneerde eigenaar van de dochtermaatschappij doorbroken wordt en de dochtermaatschappij
niet meer onder de werking van de sancties valt. Een derde mogelijkheid is dat het
bestuur van de onderneming samen met de moedermaatschappij of eigenaar van de ondernemingen
zodanige maatregelen treffen dat de zeggenschapsrelatie tussen de dochteronderneming
en de gesanctioneerde eigenaar of moedermaatschappij doorbroken wordt (een zogeheten
«firewall»). Hetzelfde geldt voor het heronderhandelen van contractuele afspraken
waardoor een gezamenlijke aansturing van een joint venture wordt aangepast. Ook dan
kan de betrokken onderneming onttrokken worden aan de werking van de sancties. Al
deze mogelijkheden hebben als gemeenschappelijke deler dat de gesanctioneerde eigenaar
van de dochteronderneming bereid moet zijn en in staat is om mee te werken aan deze
mogelijkheden. Al deze mogelijkheden vereisen immers een beperking of wijziging in
de eigendoms- en zeggenschapsverhoudingen. Bovendien zijn er door de sanctiemaatregelen
die op een gesanctioneerde eigenaar van toepassing zijn, beperkingen in de mogelijkheid
voor de gesanctioneerde eigenaar om medewerking te verlenen aan deze veranderingen
of de opbrengst van een eventuele verkoop te ontvangen. Soms zijn er ook nog aanvullende
beperkingen of eisen opgelegd door de statelijke actor waar de gesanctioneerde eigenaar
mee in verband is gebracht.62
Het bestuur van de onderneming kan dus proberen om de band met de (indirecte) eigenaar
of partner te doorbreken, zodat de sanctionering van die eigenaar of partner niet
langer van invloed is op de onderneming. In de praktijk zal een bestuur echter veelal
slechts beperkt in staat zijn dit zelfstandig te bewerkstelligen, omdat bijvoorbeeld
medewerking van de gesanctioneerde aandeelhouder nodig is. In voorkomend geval kan
deze aandeelhouder of contractpartner proberen door uitoefening van de aandeelhoudersrechten
dit te voorkomen door bijvoorbeeld het bestuur te ontslaan. Uit voorbeelden uit de
praktijk blijkt dat dit wel degelijk voorkomt, zelfs in die gevallen waarin uitoefening
van de stemrechten door de gesanctioneerde aandeelhouder verboden is krachtens de
EU sanctieverordeningen. Bij joint-venture overeenkomsten die tot een gezamenlijk gedreven onderneming hebben geleid, zal de
medewerking van de joint-venture partner nodig zijn om de gezamenlijk gedreven onderneming in rustiger vaarwater te
brengen. Daarbij komt dat relevante derden – zoals banken en leveranciers – zekerheid
zullen verlangen over bestaan en effectiviteit van zulke maatregelen, om vast te kunnen
stellen dat sancties niet langer van toepassing zijn ten aanzien van de onderneming.
Nationale autoriteiten van een EU lidstaat kunnen op grond van de relevante internationale
sanctiemaatregelen de mogelijk negatieve gevolgen van de sanctiemaatregelen beperkt
mitigeren: naar gelang de toepasselijke verordening kunnen zij toestemming verlenen
voor bepaalde transacties. Maar, de relevante bepalingen in de verordeningen zijn
per definitie niet bedoeld om voortzetting van de bedrijfsvoering in dezelfde vorm
mogelijk te maken, maar vooral gericht op bescherming van derden (bijvoorbeeld betaling
van schulden ontstaan vóór sancties van kracht werden) en instandhouding van de onderneming
als rechtspersoon (bijvoorbeeld betaling van belastingen) of het afwikkelen van lopende
contracten met het oog op rechtszekerheid en het voorkomen van schade bij bijvoorbeeld
klanten van de betrokken onderneming. In sommige sanctieverordeningen is inmiddels
een mogelijkheid voor het verlenen van ontheffingen opgenomen die het mogelijk maakt
om bepaalde transacties – binnen bepaalde termijnen – te verrichten waardoor de eigendomsbanden
met de gesanctioneerde aandeelhouder of eigenaar doorbroken kunnen worden.63
Deze ontheffingsmogelijkheden zijn dus niet altijd geschikt of inzetbaar om de (ongehinderde)
voortzetting van de economische activiteiten van de betrokken onderneming te faciliteren.
Integendeel, het oogmerk van sancties is nu juist om deze voortzetting van economische
activiteiten te beperken of zelfs te verhinderen waarmee de economie van het gesanctioneerde
land of de economische belangen van de gesanctioneerde natuurlijke personen of rechtspersonen
worden geschaad. De ontheffingsmogelijkheden zijn dan ook strikt ingekaderd.
Nationale autoriteiten kunnen ook overwegen financiële ondersteuning te bieden aan
een onderneming die in moeilijkheden komt door de sancties die op de onderneming van
toepassing zijn. Dit levert direct het risico op dat de gesanctioneerde persoon of
entiteit financiële ondersteuning krijgt, terwijl dit als gevolg van de internationale
sanctiemaatregelen verboden is64 of dat de gesanctioneerde persoon of entiteit nog wel degelijk verboden economische
of financiële voordelen ontvangt.65 Ook kan er sprake zijn van een vorm van staatssteun die voorafgaand aan enige toekenning
een goedkeuring van de Europese Commissie vereist.
Tot slot kunnen nationale autoriteiten van een EU lidstaat naar Europees recht zelf
een «firewall» inrichten bij een bedrijf dat eigendom is of onder zeggenschap staat
van een gesanctioneerde (rechts)persoon of entiteit. De Commissie beveelt ook aan
dat lidstaten dit doen.66 Daarvoor is wel een nationale wettelijke grondslag vereist. Een dergelijke grondslag
ontbreekt op dit moment in Nederland. In de huidige situatie kan onder omstandigheden
wel gebruik worden gemaakt van bepaalde al bestaande sectorale wettelijke bevoegdheden,
waaronder het aanwijzen van een bewindvoerder door de bevoegde Minister of toezichthouder,
om in geval van zorgen over de continuïteit en stabiliteit van bepaalde ondernemingen
in te grijpen.67 Deze bevoegdheden zijn niet toegespitst op het omgaan met de effecten van internationale
sanctiemaatregelen, maar op het waarborgen van de continuïteit van het vitale proces
of de stabiliteit van het financiële stelsel. Bovendien zijn deze bevoegdheden veelal
gericht op een (nauw) afgebakende groep vitale aanbieders en dus niet breed inzetbaar.
Hoe toekomstige sanctiemaatregelen er uit komen te zien is niet vooraf te voorspellen.
Daarmee is ook niet te voorzien in welke sectoren ernstige maatschappelijke, economische
of werkgelegenheidseffecten voor de Nederlandse samenleving als gevolg van die maatregelen
zich kunnen voordoen. Om die reden is beperking van dit instrument tot bepaalde sectoren
niet toereikend om deze effecten te mitigeren.
Dit alles leidt tot de constatering dat er een lacune bestaat in het mitigeren of
voorkomen van ernstige maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten voor
de Nederlandse samenleving die veroorzaakt kunnen worden door financiële stabiliteit
of continuïteit van de onderneming die in het gedrang is gekomen door de toepassing
van internationale sanctiemaatregelen op de betrokken onderneming. Het waarborgen
van dit algemeen belang is – hoe zeer een bestuur van een onderneming rekening moet
houden met bredere stakeholderbelangen – in de kern een verantwoordelijkheid van de
overheid. Daarbij kan ook het best door de overheid een passende afweging worden gemaakt
of het algemeen belang een vorm van ingrijpen vereist gelet op de negatieve maatschappelijke
effecten, zelfs als het bestuur van de onderneming een andere afweging maakt.
Een aanvullende vorm van overheidsingrijpen is derhalve noodzakelijk. Daartoe voorziet
dit wetsvoorstel in de mogelijkheid voor de Minister van Economische Zaken (steeds
in overeenstemming met de Minister die het mede aangaat) om maatregelen te nemen gericht
op (i) de naleving van sancties door de onderneming, en (ii) het beperken van de invloed
die kan worden uitgeoefend door de gesanctioneerde eigenaar of samenwerkingspartner.
Naar gelang de omstandigheden van het geval is het doel de continuïteit of in ultimo de ordelijke afwikkeling van de onderneming. Daarbij zullen de maatregelen altijd
gericht zijn op het zoveel mogelijk beperken van negatieve maatschappelijke effecten,
zoals verlies van werkgelegenheid en ontwrichting van economische processen in Nederland
en de EU.
Niet iedere onderneming en niet iedere situatie zal onder de werking van deze bevoegdheid
vallen. Het moet gaan om nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit of continuïteit
van een onderneming die door een sanctiemaatregel zijn veroorzaakt en daarmee ernstige
maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten voor de Nederlandse samenleving
kan veroorzaken. Er moet dus een breder algemeen publiek belang in het geding zijn
voordat de Minister van Economische Zaken gebruik kan maken van deze bevoegdheid.
Het is bovendien een bevoegdheid die de Minister van Economische Zaken uit eigen beweging
kan toepassen. Weliswaar kan de Minister van Economische Zaken door de betrokken onderneming,
sanctietoezichthouder, klanten of toeleveranciers van de betrokken onderneming of
zelfs door non-gouvernementele organisaties zoals vakbonden worden gewezen op de problematiek
waarin de onderneming verkeert en de gevolgen die dat kan hebben, maar de bevoegdheid
neergelegd in artikel 5.3 wordt niet op aanvraag uitgeoefend.
De inzet van deze bevoegdheid biedt de Minister van Economische Zaken de mogelijkheid
om door middel van een ingreep in de bedrijfsvoering van de betrokken onderneming,
de onderneming in staat te stellen zodanige tijdelijke maatregelen te treffen waardoor
bijvoorbeeld de eigendoms- en zeggenschapsverhouding met de gesanctioneerde natuurlijke
persoon, rechtspersoon of entiteit op zodanige wijze wordt geïsoleerd (een «firewall»
/ «brandgang») dat de betrokken onderneming niet langer onder de werking van de relevante
sanctiemaatregel valt. Ook biedt deze bevoegdheid de mogelijkheid om de onderneming
en diens activiteiten zodanig te herstructureren dat een onderneming bijvoorbeeld
door andere toeleveranciers of nieuwe klanten de eigen activiteiten (in aangepaste)
vorm kan voortzetten. Het biedt ook de mogelijkheid om tot een gecontroleerde afwikkeling
van de onderneming over te gaan als er geen toekomstperspectief voor de onderneming
is.
De bevoegdheid een persoon aan te wijzen als bewindvoerder is een figuur die in het
financieel recht68 en in het energierecht69 al voorkomt en ook opgenomen is in de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies
en overnames.70 Het is ook een figuur die in de context van de tenuitvoerlegging van EU sanctiemaatregelen
en de maatschappelijke effecten daarvan door zowel de Europese Commissie wordt aanbevolen71 alsook in andere EU lidstaten wordt gebruikt en/of momenteel wordt ingericht. Een
goed voorbeeld hiervan is Duitsland waar de figuur van een «bewindvoerder» enkele
malen in de energiesector is ingezet.72 Hiermee kan ook op operationeel vlak worden gewaarborgd dat de sancties feitelijk
effectief zijn, zonder dat het bestuur van de doelonderneming vervangen hoeft te worden.
Het is een model dat – weliswaar in een andere context – ook door de Algemene Rekenkamer
wordt aangehaald als «overheidstrustee» die de belangen van de overheid waarborgt,
zonder ambtenaren als bestuurder of commissaris te benoemen en zonder dat er enkel
sprake is van een waarnemer zonder invloed.73
Tot slot zal de Minister van Economische Zaken bij het toepassen van deze bevoegdheid
een afweging moeten maken tussen de publieke belangen die in het geding zijn, de belangen
van de betrokken onderneming en diens stakeholders en de belangen van de aandeelhouders
of eigenaren van de onderneming. De beginselen van behoorlijk bestuur en de bescherming
van eigendomsrechten in combinatie met de aard en inhoud van de betrokken sanctiemaatregel
zullen daarbij leidend zijn. Het wetsvoorstel voorziet daarbij in rechtsbescherming,
zowel ten aanzien van het aanwijzen van de aangewezen persoon als tegen de opdrachten
die de aangewezen persoon verstrekt. Voor beide staat bestuursrechtelijke rechtsbescherming
open.
3.4.2. Beheer van registergoederen
In dit wetsvoorstel worden mogelijkheden gecreëerd voor de overheid om beheer en bewind
van bepaalde registergoederen, zoals onroerende zaken, luchtvaartuigen en schepen,
over te nemen.74
In EU sanctieverordeningen is veelal het bevriezen van economische middelen opgenomen.
Economische middelen zijn «activa van enigerlei aard, materieel of immaterieel, roerend
of onroerend, die geen tegoeden zijn, maar kunnen worden gebruikt om tegoeden, goederen
of diensten te verkrijgen».75 Het bevriezen van economische middelen houdt in dat wordt voorkomen dat deze middelen
worden gebruikt om op enigerlei wijze tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen,
onder meer door deze te verkopen, te verhuren of te verhypothekeren.76 De eigenaar van een onroerende zaak mag dus geen nieuwe huurovereenkomsten afsluiten.
Voor beheerhandelingen zoals onderhoud kan ontheffing worden gevraagd.77 De huidige interpretatie van de sanctieverordeningen is dat lopende huurovereenkomsten
van bevroren vastgoed (met een ontheffing) mogen worden uitgediend.78 De opbrengsten moeten op een bevroren rekening worden gestort.
De bevriezing houdt een tijdelijke inperking van het eigendomsrecht in. Als de sancties
worden opgeheven, of de gesanctioneerde van de sanctielijst wordt geschrapt dan vervalt
de bevriezing en kan de eigenaar weer volledig over zijn eigendom beschikken. Op dat
moment kan de eigenaar van verhuurd onroerend goed ook weer over de voorheen bevroren
huurinkomsten beschikken, na aftrek van de beheervergoeding.
Het (langdurig) bevriezen van bezit in Nederland, zoals vlieg-, vaartuigen en vastgoed
kan tot praktische, financiële en maatschappelijke problemen leiden. In het rapport
van de Nationaal Coördinator is aanbevolen om uit te zoeken of de overheid hier een
regeling voor zou kunnen maken. Daarbij is gebleken dat het instrumentarium dat nu
al bestaat, namelijk het aanvragen van ontheffingen door de gesanctioneerde zelf om
bijvoorbeeld te voorzien in onderhoud van bevroren goederen, niet volstaat, omdat
dit op transactieniveau werkt en daarmee geen oplossing is voor langdurige situaties
of risicovolle situaties die niet ondervangen worden door de ontheffingsgronden.
Bevriezing van onroerend goed kan ongewenste maatschappelijke effecten hebben. Zo
kan in voorkomend geval noodzakelijk onderhoud onvoldoende worden uitgevoerd, waardoor
niet wordt voldaan aan wettelijke eisen op bijvoorbeeld het gebied van milieu of (brand)veiligheid.
Het opleggen van beperkingen aan schepen en luchtvaartuigen zonder het uitvoeren van
reguliere veiligheids- en onderhoudscontroles en werkzaamheden kan daardoor op termijn
gevaar opleveren voor de omgeving of het milieu. Dat geldt eveneens voor het onderhoud
van woningen en gebouwen. Daarnaast kan leegstand optreden omdat de eigenaar geen
nieuwe verhuurovereenkomsten mag sluiten. Om deze negatieve effecten van bevriezing
te voorkomen respectievelijk te beperken maakt artikel 6.1 het mogelijk dat de Minister
van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor wat betreft onroerende zaken of
de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor wat betreft vaartuigen en luchtvaartuigen,
een beheerder aanstelt voor bevroren registergoederen. Deze kan, voor de duur van
de bevriezing, zo nodig zorgdragen voor noodzakelijke (milieu)veiligheid en het voorkomen
van maatschappelijke schade door onvoldoende onderhoud of leegstand.
Bij een onroerende zaak waarop nog een huurovereenkomst van toepassing is die is afgesloten
voordat de internationale sanctiemaatregelen van kracht werden, verricht de aangestelde
beheerder de beheerhandelingen die noodzakelijk zijn om risico’s op maatschappelijke
schade (veiligheidsrisico’s, onvoldoende onderhoud of leegstand) te voorkomen. Ook
als het belang van de huurder geschaad wordt door de bevriezing van het gehuurde op
grond van een sanctiemaatregel heeft de Minister de bevoegdheid om het beheer van
het bevroren registergoed over te nemen. Het kan hier zowel gaan om de huur van onroerende
zaken als om vaartuigen en luchtvaartuigen. De huur van vaartuigen en luchtvaartuigen
speelt op dit moment niet, maar in het belang van toekomstbestendige wetgeving is
er voor gekozen om de regeling ook te laten zien op vaartuigen en luchtvaartuigen.
Het beheer wordt overgenomen om de risico’s van negatieve bijeffecten van de sanctiemaatregel
te beperken, of schade te voorkomen, te beperken of te herstellen. Dit brengt met
zich dat geen ontheffingen nodig zijn voor alle afzonderlijke beheerhandelingen en
betalingen. Na beëindiging van de bevriezing kunnen de huurontvangsten na aftrek van
de beheervergoeding aan de (voormalige) gesanctioneerde worden overgemaakt. Als er
geen of onvoldoende huurinkomsten ontvangen zijn zal de (voormalige) gesanctioneerde
de beheervergoeding afzonderlijk aan de beheerder moeten overmaken. Zolang de sanctiemaatregel
van kracht is, is daarvoor een ontheffing nodig.
Bij bevroren vastgoed waarvan de huurovereenkomst is verlopen is er een aantal mogelijkheden
voor de beheerder. Zo kan de beheerder het vastgoed aan een nieuwe gebruiker in bruikleen geven, eventueel met alleen vergoeding van de kosten van nutsvoorzieningen als water en
energie. Bruikleen is het om niet, oftewel gratis, in gebruik geven van een zaak.79 De bruikleenovereenkomst is tijdelijk en eindigt op een overeengekomen einddatum.
Bruikleen is geen (ver)huur en bij bruikleen zijn dus niet de speciale huurregels uit Titel 4 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
De beheerder kan voor het vastgoed ook een nieuwe huurovereenkomst sluiten, rekening
houdend met de beperkingen die horen bij bevroren vastgoed. Verhuur is een overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, een zaak in gebruik geeft
aan de andere partij, de huurder, en waarbij de huurder zich aan een tegenprestatie
verbindt voor het gebruik van de zaak.80 Op verhuur zijn de regels uit Titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing,
waardoor de huur niet altijd beëindigd kan worden op de datum dat de beheerovername
stopt.
Omdat vooraf onbekend is hoe lang de bevriezing zal duren worden in beginsel bij in
gebruikgeving als woonruimte kortlopende bruikleencontracten gebruikt of tijdelijke huurcontracten. Bij verhuur
van woonruimte is er beperkte huurbescherming voor de huurder bij tijdelijke huurcontracten
voor een periode van maximaal 2 jaar als bedoeld in artikel 7:271, eerste lid van
het Burgerlijk Wetboek; sinds de inwerkingtreding van Wet vaste huurcontracten (Stb. 2023, 480) kan dat alleen aan in het Besluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst
aangewezen woningzoekenden.
Bij tijdelijke verhuur van maximaal 2 jaar als «middenstandsbedrijfsruimte» als bedoeld in artikel 7:290 van het Burgerlijk Wetboek (horeca, winkels, kampeerterreinen),
heeft de huurder geen huurbescherming; bij verhuur voor een periode van meer dan 2 jaar
heeft de huurder wel huurbescherming.
Bij tijdelijke verhuur als «overige bedrijfsruimte» als bedoeld in artikel 7:230a van het Burgerlijk Wetboek (bedrijfsruimte die geen
horeca-functie, winkelfunctie of kampeerfunctie heeft; bijvoorbeeld fabrieken, loodsen,
distributiecentra, kantoren, sportterreinen, onderwijsinstellingen, ziekenhuizen,
gezondheidscentra, enzovoort), heeft de huurder geen huurbescherming maar wel nog
ontruimingsbescherming op de dag dat het (tijdelijke) huurcontract afloopt: de huurder
mag de ruimte dan nog twee maanden langer gebruiken en kan in die twee maanden bij
de rechter een verzoek indienen voor nog langduriger ontruimingsbescherming.
De Woningwet kent een regeling voor een verplichte beheerovername van gebouwen, erven
of open terreinen.81 Die voorziening is echter niet toepasbaar in situaties waar artikel 6.1 van het wetsvoorstel
op ziet. Het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders) heeft met
artikel 13b Woningwet de bevoegdheid om een eigenaar te verplichten het gebouw in
beheer te geven aan het college van burgemeester en wethouders of een door hen aan
te wijzen persoon of instantie als onder meer het gebruik en het in stand houden van
bouwwerken of van voorschriften over het gebruik ervan gepaard gaat met een gevaar
voor de gezondheid of de veiligheid, of een bedreiging vormt voor de leefbaarheid
en een opgelegde last onder dwangsom niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.
Daarnaast kent de Leegstandwet de mogelijkheid om bij leegstand aan de eigenaar een
gebruiker voor te dragen die het gebouw of de woning in gebruik neemt. Voor beide
wetten geldt dat deze instrumenten pas worden ingezet als aan de eigenaar de mogelijkheid
gegeven is om de ongewenste situatie te verhelpen.
Zo is de bevoegdheid uit de Woningwet opgenomen als ultimum remedium voor het geval een eigenaar specifieke wettelijke verplichtingen (namelijk de zorgplicht
dat een gebouw geen gevaar is voor de veiligheid of gezondheid, of de geldende bouwvoorschriften)
heeft overtreden, dan wel als het gebouw (of het erf) gesloten is in verband met verstoringen
van de openbare orde (drugs, geweld) of gepaard gaat met een bedreiging van de leefbaarheid.
Ook is vereist dat eerst een lichtere sanctie is toegepast (een last onder dwangsom)
die niet effectief is gebleken. Dit maakt dat de beheerovername regeling op grond
van de Woningwet niet goed toepasbaar is in de situaties waar dit wetsvoorstel op
ziet: de gesanctioneerde eigenaar kán als gevolg van de bevriezing niet zelf handelen
waardoor de last niet kan worden uitgevoerd. Er zou in dat geval altijd eerst een
niet uit te voeren last moeten worden opgelegd, waarna daarna pas handelingsperspectief
ontstaat. De Woningwet is daarmee niet passend op de situatie waarin iemand gesanctioneerd
is, waarbij de kern van die sanctiemaatregel ook mede maakt dat deze persoon niet
kan handelen, en dus ook geen lasten kan uitvoeren.
De Leegstandwet gaat er op zijn beurt vanuit dat er eerst een gesprek plaatsvindt
tussen de eigenaar en het college van burgemeester en wethouders. Uiteindelijk kan
er een gebruiker worden voorgedragen door het college. Daarnaast kan het college de
eigenaar ook verplichten de noodzakelijke voorzieningen te treffen zodat het gebouw
weer op redelijke wijze in gebruik kan worden genomen. Evenals bij de beheerovername
op basis van de Woningwet, is het ook op basis van de Leegstandwet noodzakelijk dat
de eigenaar actie onderneemt. Echter een gesanctioneerde eigenaar beschikt niet over
de bevoegdheid om dergelijke voorzieningen te treffen. Omdat een gesanctioneerde geen
rechtshandelingen mag aangaan, passen deze bestaande wettelijke instrumenten in de
gegeven situatie niet.
Dat maakt dat een specifieke bevoegdheid, waarbij tot beheer kan worden overgegaan,
zonder dat er eerst specifieke handelingen worden verwacht vanuit de eigenaar, passender
is. Daarnaast is het ook van belang om de huurder te beschermen. Het is immers niet
de zittende huurder die nadelen moet ondervinden van het feit dat zijn verhuurder
is gesanctioneerd. Wanneer de verhuurder is gesanctioneerd geldt voor de verhuurder
dat hij geen rechtshandelingen meer kan verrichten, terwijl het onderhouden van een
pand en het handhaven van de aangeboden voorzieningen in een huurhuis vaak wel vergen
dat een verhuurder moet kunnen handelen. Dit doel, het beschermen van een zittende
huurder met betrekking tot deze aangelegenheden, wordt niet voldoende beschermd vanuit
de huidige Woningwet en de Leegstandwet. Ook dat maakt dat een specifieke wettelijke
bevoegdheid hier beter past. Tot slot is de omgang met betrekking tot gesanctioneerden
en het uiteindelijk kunnen verhalen van de (beheer)kosten ook iets dat niet van gemeente
tot gemeente moet verschillen en een meer landelijke aanpak behoeft met nationale
prioriteit. Daarom is een specifieke bevoegdheid die wordt geattribueerd aan de Minister
in de gegeven situatie passender.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor wat betreft onroerende
zaken of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor wat betreft vaartuigen
en luchtvaartuigen, kan bij of na de beheerovername besluiten de feitelijke uitvoering
van het beheer op basis van mandaat in handen te geven van een persoon die op grond
van beroep of bedrijf op het terrein van het registergoed werkzaam is, dan wel aan
een op dat terrein werkzame instelling. Dit mandaat impliceert dat de Minister van
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat
altijd eindverantwoordelijk blijft voor het overgenomen beheer, dat deze voorwaarden
aan het mandaat kan verbinden en het mandaat in kan trekken, als dat nodig is. Voor
de uitvoering van het beheer wordt een redelijke beheervergoeding vastgesteld bij
mandaatbesluit.
Sanctieverordeningen bevatten veelal een uitsluiting van aansprakelijkheid voor eventuele
schade als gevolg van de sanctiemaatregel.82 Dit principe is echter niet van toepassing op de uitvoering van de beheerovername
op grond van het wetsvoorstel. Daarop zijn de algemene regels in het Burgerlijk Wetboek
inzake aansprakelijkheid van toepassing. Dus bij schade aan een registergoed tijdens
verhuur: als die veroorzaakt is door de huurder of gebruiker, dan is die aansprakelijk
en is de schade voor zijn rekening. Schade ontstaan door onoordeelkundig uitgevoerd
beheer (bijvoorbeeld onderhoudswerkzaamheden door beheerder) valt onder de verantwoordelijkheden
en aansprakelijkheid van de beheerder (die deze eventueel kan verhalen op de uitvoerders).
3.5. Aantekeningen in registers
De uitgebreide inzet van het sanctie-instrument heeft de noodzaak doen inzien om het
voor bepaalde registers mogelijk te maken een link met sancties te kunnen aangeven.
Deze noodzaak laat zich vooral sterk voelen ingeval van sancties waarbij er sprake
is van een verplichte bevriezing van tegoeden en economische middelen.83 In relatie tot de Rusland- en Belarussancties is in de betreffende sanctieregelingen
de bevoegdheid gecreëerd om aantekeningen te plaatsen in het Handelsregister en het
Octrooiregister als er een relatie is tussen de onderwerpen van die registers en gesanctioneerde
entiteiten en personen, en in de kadastrale registraties als er sprake is van bevroren
registergoederen.84 Deze bevoegdheid was noodzakelijk in het kader van de effectieve tenuitvoerlegging
van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 269/2014.85 De namen en andere relevante data betreffende de personen en entiteiten wiens tegoeden
en economische middelen op grond van die verordening bevroren behoren te zijn, moeten
namelijk openbaar worden gemaakt.86 Daarmee is in brede zin gevolg gegeven aan de aanbeveling van de Nationaal Coördinator
om een wettelijke grondslag te creëren voor het plaatsen van een aantekening in het
Handelsregister.87 Deze bevoegdheid is op dit moment beperkt tot de Ruslandsancties, waardoor het plaatsen
van aantekeningen in deze registers in het kader van andere sancties niet mogelijk
is. Dit is echter wel wenselijk, mede omdat de verplichting tot openbaarmaking van
de namen en andere relevante data over personen en entiteiten wiens tegoeden en economische
middelen bevroren behoren te zijn, niet beperkt is tot de Ruslandsancties.88 De regering stelt dan ook voor deze aantekenbevoegdheden te verankeren in dit wetsvoorstel
en daarbij uit te breiden naar een groter aantal registers. De bevoegdheid voor de
beheerders van de betreffende registers zal van toepassing zijn op alle sanctieregimes
en daarmee toekomstbestendig.
In het verlengde van de aanbevelingen en constateringen van de Nationaal Coördinator
kan worden opgemerkt dat het plaatsen van een aantekening in een register bijdraagt
aan de mogelijkheden voor toezichthouders en poortwachters, zoals notarissen, om zicht
te houden op welke ondernemingen, registergoederen en andere vermogensbestanddelen
die in registers zijn geregistreerd, verbonden zijn (direct of indirect) met krachtens
door de EU vastgestelde sancties jegens natuurlijke personen, rechtspersonen en entiteiten.
Het kan daarbij gaan om sancties waarbij er sprake is van een verplichte bevriezing
van tegoeden en economische middelen,89 maar ook om meer gerichte economische maatregelen die economische beperkingen met
zich meebrengen jegens bepaalde landen, regimes, ondernemingen of personen en entiteiten,
zoals een verbod op het overdragen van intellectuele eigendomsrechten90 aan deze partijen of het verstrekken van financiering.91
Het plaatsen van een aantekening in een register draagt bij aan de mogelijkheid voor
burgers, toezichthouders en bedrijven (waaronder poortwachters) om zicht te houden
op welke ondernemingen, registergoederen en andere vermogensbestanddelen die in registers
zijn geregistreerd, verbonden zijn (direct of indirect) met krachtens door de EU vastgestelde
sancties jegens natuurlijke personen, rechtspersonen en entiteiten. Het opnemen van
aantekeningen in registers draagt in die zin bij aan het doenvermogen92 van burgers en bedrijven. De aantekeningen stellen eenieder namelijk in staat om
gemakkelijker te achterhalen of de partij waarmee zij handelen in verband kan worden
gebracht met sanctiemaatregelen. De registers die het betreft zijn openbaar en goed
toegankelijk voor partijen. Het verdient daarbij wel de opmerking dat een aantekening
een hulpmiddel is om breder inzichtelijk te maken dat er sprake is van sanctionering.
Het is dus een aanvullend middel om de wet te kunnen kennen en te kunnen naleven.
Het naleven van sancties blijft de verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven,
zoals in het algemeen als rechtsbeginsel geldt dat iedereen geacht wordt de wet te
kennen. De aantekening in een register is daarbij een hulpmiddel om het naleven van
sancties makkelijker te maken. Ook als een aantekening niet aanwezig is, kan een natuurlijke
persoon, rechtspersoon of entiteit nog steeds gesanctioneerd zijn. Het ontbreken van
een aantekening ontslaat marktpartijen dus niet van de verplichting om zich te houden
aan de wet- en regelgeving ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen. Hoe
burgers en bedrijven dat doen, volgt in het algemeen niet uit de sanctiemaatregelen,
onderzoeksverplichtingen voor bepaalde partijen niettegenstaande. Wel zal het zeker
bij grensoverschrijdend zakendoen vaak verstandig en vanzelfsprekend zijn om als bedrijf
zelf verder onderzoek te doen. In het bijzonder kan het voorkomen dat de noodzaak
tot aantekeningen nog moet worden onderzocht en daarna verwerkt, nadat personen of
entiteiten op internationale sanctielijsten worden geplaatst. In dit tijdsbestek moeten
partijen zich ook aan de geldende sanctiemaatregelen houden.
Aantekeningen hebben niet altijd automatisch effect of betekenis, omdat de functie
van aantekenen primair het leggen van een relatie is tussen internationale sanctiemaatregelen
jegens natuurlijke personen, rechtspersonen en entiteiten en het geregistreerde gegeven.
Afhankelijk van de aard van het register, het geregistreerde gegeven en de vorm van
de aantekening, faciliteert dat marktpartijen in het bevriezen van tegoeden en economische
middelen, het voorkomen of verbreken van contracten, het schorsen en ontslaan van
bestuursleden of het voorkomen van de benoeming ervan of het starten van een diepgravend
due diligence onderzoek. Marktpartijen moeten dan ook nog steeds zelf bepalen welk
gevolg de internationale sanctiemaatregel en de aantekening heeft voor de eigen bedrijfsvoering.
Dit is in lijn met de huidige regelingen in het kader van de Ruslandsancties. Een
aantekening in het Handelsregister wijst bijvoorbeeld alleen op de bevriezing en het
verbod financiële of economische betrekkingen aan te gaan. De gevolgen die daaraan
verbonden moeten worden, volgen uit artikel 2 van Verordening (EU) nr. 269/2014.93 Daarin is bepaald dat er geen tegoeden of economische middelen ter beschikking gesteld
mogen worden aan of ten behoeve van de in de lijst in bijlage I vermelde natuurlijke
personen «of met hen verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten
of lichamen» en dat alle aan deze personen toebehorende tegoeden en economische middelen
bevroren worden.94 De aantekening in de basisregistratie kadaster duidt op het van toepassing zijn van
bevriezingsmaatregelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EU)
nr. 269/2014.95 Wat bevriezen inhoudt volgt vervolgens uit de verordening.96
Het wetsvoorstel regelt in de eerste plaats de bevoegdheid voor de beheerders van
een aantal openbare registers om een aantekening aan te brengen bij de geregistreerde
gegevens in het register (bijvoorbeeld bij een rechtspersoon of een registergoed)
waaruit blijkt dat er een relatie is tussen een gesanctioneerde natuurlijke persoon,
rechtspersoon, entiteit of lichaam en het voorwerp van de registratie. Deze bevoegdheid
wordt door middel van wijzigingsbepalingen in de relevante sectorwetgeving opgenomen
die deze registers instellen en regelen. Voorgesteld wordt om dit voor de volgende
registers te regelen:
• het Handelsregister (waaronder het UBO-register);97
• het UBO-register trusts;98
• de basisregistratie kadaster (BRK), de registratie voor schepen en de registratie
voor luchtvaartuigen (hierna gezamenlijk: de kadastrale registraties);99
• het register voor de depots van oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten;100
• het Register ruimtevoorwerpen;101 en,
• het Nederlands rassenregister (m.b.t. plantenrassen).102
Door aan te sluiten bij deze bestaande registers, wordt recht gedaan aan het uitgangspunt
dat de voor uitvoering van een regeling benodigde informatievoorziening wordt afgestemd
op de wetten inzake de basisregistraties. Dit is zowel een juridische randvoorwaarde,
alsook van belang voor het beperken van de regeldruk voor burgers en bedrijven. Een
belangrijk uitgangspunt bij het inrichten van overheidsdienstverlening is dan ook
dat van «eenmalig aanleveren, meervoudig gebruik» van gegevens. Oftewel: de overheid
vraagt van burgers, bedrijven en instellingen geen gegevens waarover zij al beschikt.103 Er is daarbij wel steeds gekozen voor een geheel zelfstandige bepaling en niet het
aansluiten bij al bestaande aantekenbevoegdheden. De reden hiervoor is dat de registers
elk hun karakteristieken kennen met eigen beheerders die elk verschillende bevoegdheden
en taken hebben en deze aantekenbevoegdheden veelal zien op het in onderzoek hebben
van het geregistreerde goed of recht of daaraan verbonden informatie.104 De aantekenbevoegdheid die met dit wetsvoorstel wordt geïntroduceerd heeft een ander
oogmerk. De aantekening is bedoeld een relatie kenbaar te maken tussen een gesanctioneerde
natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam en het voorwerp van de registratie
met het oogmerk een verhoogde en verbeterde nakoming van de verplichtingen die voortvloeien
uit internationale sanctiemaatregelen.
Wat de registers waarvoor een aantekenbevoegdheid wordt voorgesteld gemeen hebben
is dat de daarin opgenomen gegevens van belang zijn om te voorkomen dat burgers en
bedrijven indirect zaken doen met personen of bedrijven die op een sanctielijst staan.
Dat kan namelijk het geval zijn wanneer een burger of bedrijf «economische middelen»
ter beschikking stelt aan bedrijven, die eigendom zijn of onder zeggenschap staan
van personen of bedrijven op de sanctielijst. Bij het Handelsregister en de kadastrale
registraties betreft het de verbreding van de bestaande mogelijkheden tot aantekening
in het kader van de Rusland- en Belarussancties naar alle sanctieregimes.105 Aanvullend is de regering voornemens om ook in de Basisregistratie Voertuigen (Kentekenregister)
en het Octrooiregister een mogelijke link met sancties inzichtelijk te kunnen maken.106 Voor het Kentekenregister is het voornemen om een tenaamstellingsblokkade mogelijk
te maken voor voertuigen die op grond van internationale sanctiemaatregelen bevroren
zijn. Dit heeft effectief tot gevolg dat deze voertuigen niet overgeschreven kunnen
worden, en belemmert het verhandelen hiervan. Hiervoor is geen aanpassing op wetsniveau
noodzakelijk, maar alleen aanpassing van het Kentekenreglement (een algemene maatregel
van bestuur) die in een afzonderlijk traject zal worden voorbereid. Voor het Octrooiregister
wil de regering eveneens een aantekenbevoegdheid creëren. Dit vereist aanpassing van
de Rijksoctrooiwet 1995. Omdat de Rijksoctrooiwet 1995 een Rijkswet is, kan deze niet
door het onderhavige wetsvoorstel worden aangepast. Het creëren van deze aantekenbevoegdheid
vereist dan ook een separaat traject.
Het Handelsregister speelt daarbij een overkoepelende rol, gezien het tot doel heeft
om de rechtszekerheid in het economisch verkeer te bevorderen en gegevens van algemene,
feitelijke aard te verstrekken over de samenstelling van ondernemingen en rechtspersonen.107 Daarbij geldt wel dat door de veelheid van geregistreerde informatie en gegevens
en de breedheid van het register, het Handelsregister wel aantekeningen kan aanbrengen,
maar dat de aantekeningen naar hun aard onderling aanzienlijk kunnen verschillen.
In het ene geval zal bijvoorbeeld de aantekening – op aangeven van bijvoorbeeld een
toezichthouder – aangeven dat een natuurlijke persoon die als bestuurder optreedt
van een in het Handelsregister geregistreerde onderneming een relatie heeft met een
gesanctioneerde rechtspersoon gevestigd in bijvoorbeeld de Russische Federatie. In
het andere geval zal de aantekening aangeven dat de aandelen van de in het Handelsregister
geregistreerde kapitaalvennootschap bevroren zijn of dat een zogeheten firewall is aangebracht waardoor de relatie met de gesanctioneerde entiteit effectief is doorbroken.
Deze veelheid aan mogelijkheden brengt met zich mee dat het Handelsregister de aantekening
op dossierniveau van de geregistreerde rechtspersoon aanbrengt en niet op het niveau
van ieder deelgegeven.
Een aantekening in de kadastrale registraties is van belang, zodat het voor de gebruikers
van deze registraties duidelijk is dat een registergoed bevroren is. Het Kadaster
draagt zorg voor een vergelijking van personen en entiteiten op de sanctielijst met
personen en entiteiten in de kadastrale registraties en plaatst in het geval van een
match een aantekening, zodat het voor een ieder duidelijk is aan welke registergoedtransacties
geen medewerking mag worden verleend. De informatie over een relatie tussen een gesanctioneerde
natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam en het voorwerp van de registratie
in een register moet onomstotelijke duidelijkheid bieden, zodat de bewaarder van de
kadastrale registraties geen twijfel heeft over de plaatsing van de aantekening in
de kadastrale registratie. De aantekening dient om duidelijkheid te bieden of het
registergoed bevroren is.
Het Register ruimtevoorwerpen, het Nederlands rassenregister en het register voor
de depots van oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten hebben gemeen
dat zij gegevens bevatten over «economische middelen» die een aanzienlijke waarde
kunnen hebben, zoals voertuigen en intellectuele eigendomsrechten. Economische middelen
zijn activa van enigerlei aard, materieel of immaterieel, roerend of onroerend, die
geen tegoeden zijn, maar kunnen worden gebruikt om tegoeden, goederen of diensten
te verkrijgen. Bevriezing van economische middelen is erop gericht om te voorkomen
dat deze worden gebruikt om op enigerlei wijze tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen.108 Met de keuze voor deze registers zet de regering in op die economische middelen waarvan
het vanwege hun waarde van het grootste belang is dat zij niet te gelde kunnen worden
gemaakt wanneer zij onderwerp zijn van sancties. Voor het Nederlands rassenregister
en het register voor de depots van oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten
geldt bovendien het volgende. Voor het kwekersrecht voor het ingeschreven ras en het
depot oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten, geldt dat de inschrijving
in het register doorslaggevend is voor de bescherming van het betreffende intellectueel
eigendomsrecht. Door het plaatsen van aantekeningen worden niet alleen de verleende
rechten bevroren maar ook lopende aanvragen tot registratie. De Raad respectievelijk
het bureau kunnen tot het plaatsen van een aantekening overgaan op grond van eigen
onderzoek, of op basis van informatie die wordt gedeeld door bijvoorbeeld een toezichthouder
die toeziet op de naleving van internationale sanctiemaatregelen.
Overwogen is om een aantekenbevoegdheid voor de Basisregistratie Personen (BRP) te
regelen, zodat beter in beeld kan worden gebracht of inwoners van Nederland (ingezetenen)
voorkomen op internationale sanctielijsten. Dit zou het voor bepaalde poortwachters,
zoals notarissen, gemakkelijker maken om te controleren of een klant voorkomt op een
internationale sanctielijst. De regering heeft echter afgezien van deze mogelijkheid.
De reden hiervoor is dat dit in het licht van de grote juridische, organisatorische
en technische gevolgen voor de BRP, naar ratio van de verwachte «hits» die naar verwachting
beperkt is, niet proportioneel is. Voorts hebben de poortwachters in kwestie ook andere
middelen tot hun beschikking om te controleren of hun klanten voorkomen op internationale
sanctielijsten.
De reikwijdte van de aantekenbevoegdheid is grotendeels vergelijkbaar bij elk register
waarbij de verschillen tussen de gekozen bevoegdheidsformuleringen samenhangen met
het voorwerp van de registratie en de mate waarin bepaalde relaties tussen een gesanctioneerde
natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam en het voorwerp van de registratie
zich daadwerkelijk kunnen voordoen. Voor elk van deze aantekenbevoegdheden geldt dat
als de relatie tussen de gesanctioneerde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit
of lichaam en het voorwerp van de registratie zich niet langer voordoet, de aantekening
wordt verwijderd.
Overkoepelend regelt het voorstel de verplichting voor bestuursorganen en toezichthouders
die bij of krachtens de wet zijn belast met een taak ter uitvoering van sanctiemaatregelen
om, als zij daarover beschikken, informatie over een relatie tussen een gesanctioneerde
natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam en het voorwerp van de registratie
in een register door te geven aan de beheerder van dat register. Daarmee worden de
beheerders van de registers in staat gesteld de bevoegdheid uit te oefenen om een
aantekening te plaatsen bij het voorwerp van de registratie en de daarmee samenhangende
en geregistreerde informatie. De verwerking van persoonsgegevens die in dit kader
plaatsvindt dient ertoe om eraan bij te dragen te voorkomen dat burgers en bedrijven
onbedoeld internationale sanctiemaatregelen schenden. Het schenden van internationale
sanctiemaatregelen kwalificeert als strafbaar feit. De verstrekkingsverplichting is
daarmee een noodzakelijke en evenredige maatregel ter waarborging van de voorkoming
van strafbare feiten.109 Weliswaar zal in diverse gevallen de beheerder van het register ook zelf een dergelijke
relatie kunnen leggen (bijvoorbeeld wanneer de rechthebbende op bijvoorbeeld een kwekersrecht
zelf op een lijst voorkomt van natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of
lichamen waarvan de economische middelen en tegoeden bevroren moeten worden), maar
in de meeste gevallen zal de beheerder van het register tot een aantekening overgaan,
omdat er informatie van een bevoegde instantie, een toezichthouder of een ander register
wordt ontvangen. Het is daarbij van belang te onderkennen dat in zulke gevallen de
beheerder van het register niet zelfstandig tot een verificatie van de aangeleverde
informatie overgaat, maar vertrouwt op de aangeleverde gegevens en inlichtingen.
Tot slot houdt het hier geregelde met betrekking tot het UBO-register en het UBO-register
trusts waarin uiteindelijke belanghebbenden worden geregistreerd (Ultimate Benificial Ownership) verband met het Wijzigingswetsvoorstel beperking toegang tot UBO-registers. Het UBO-register
en het UBO-register trusts zijn niet voor iedereen toegankelijk. In het Wijzigingswetsvoorstel
beperking toegang tot UBO-registers wordt daarom geregeld dat ambtenaren, andere personen
en rechtspersonen belast met het toezicht op de naleving van de Sanctiewet 1977 ook
toegang krijgen tot de UBO-informatie. Op basis van de Sanctiewet 1977 en de Regeling
toezicht Sanctiewet 1977 zijn financiële instellingen verplicht om te waarborgen dat
zij op het gebied van de administratieve organisatie en interne controle maatregelen
hebben getroffen ter naleving van de sanctieregelgeving. Hieronder valt onder andere
een adequate controle van de administratie op het overeenkomen van de identiteit van
relaties met een (rechts)persoon of entiteit als bedoeld in de sanctieregelgeving.
Om te weten of een rechtspersoon of juridische constructie onder sancties valt, moeten
deze instellingen weten wie de uiteindelijke belanghebbenden of UBO’s zijn van deze rechtspersoon of juridische constructie. Als een rechtspersoon of juridische
constructie voor meer dan 50 procent eigendom is of gecontroleerd wordt door gesanctioneerde
personen, valt deze rechtspersoon of juridische constructie zelfstandig ook onder
sancties. Om dit onderzoek adequaat te kunnen verrichten is het van belang dat deze
instellingen toegang hebben tot de informatie uit de UBO-registers. Dit geldt ook
voor de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op financiële instellingen ter
uitvoering van internationale sanctiemaatregelen, namelijk de AFM en DNB. Ook voor
een goede uitvoering van deze toezichtstaak is het noodzakelijk dat zij toegang hebben
tot de informatie uit de UBO-registers. Dit wordt nader toegelicht in de memorie van
toelichting bij het Wijzigingswetsvoorstel beperking toegang tot UBO-registers.
3.6. Verbeterde gegevensuitwisseling
Een onderdeel van het effectief uitvoeren en naleven van sancties door overheidsinstellingen
(zie paragraaf 7 voor een overzicht van de betrokken actoren) ziet op het vaststellen
van verbondenheid van personen en entiteiten aan gesanctioneerde personen en entiteiten.
Dit om ingewikkelde eigendomsconstructies en daarmee het bezit van gesanctioneerden,
in kaart te brengen. Tot medio 2022 voerde elke bij de uitvoering betrokken organisatie
apart onderzoek uit ten behoeve van sanctienaleving, waaronder het onderzoek naar
de verbondenheid van personen en entiteiten gerelateerd aan gesanctioneerden. Door
uitwisseling van gegevens op dit vlak kunnen betrokken instanties tot gezamenlijke
inzichten komen.110 Het uitwisselen van gegevens is ook van belang voor andere voorbeelden van uitvoering
van de sanctiemaatregelen, zoals het afgeven van financiële ontheffingen door bevoegde
autoriteiten. Gegevensuitwisseling is daarmee een essentieel aspect van de uitvoering
en naleving van internationale sanctiemaatregelen, en het toezicht daarop. De Nationaal
Coördinator heeft terecht geconstateerd dat gegevensuitwisseling tussen instanties
die betrokken zijn bij de implementatie van en het toezicht op sancties, de effectiviteit
van sancties kan verhogen.111 Ook heeft hij benadrukt dat het voor iedere ketenpartner duidelijk moet zijn wat
diens rol is in de informatie-uitwisseling en wat voor die rol de juridische grondslag
voor uitwisseling van gegevens is.112
De Nationaal Coördinator heeft in dat licht aanbevolen om een sterkere rechtsgrondslag
te creëren voor gegevensuitwisseling, bij voorkeur door aanpassing van de sanctieverordening
en anders via nationale wet- en regelgeving.113 Daar wordt in dit wetsvoorstel aan tegemoet gekomen. Op de verwerking van persoonsgegevens
bij de uitvoering van sanctiemaatregelen is de Algemene verordening gegevensbescherming
(AVG)114 van toepassing. Artikel 6 AVG regelt de grondslagen op basis waarvan gegevensverwerking
rechtmatig is. Voor dit wetsvoorstel is primair de grondslag van artikel 6, eerste
lid, onderdeel c, AVG relevant.115 In dit onderdeel is bepaald dat de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig is
als de verwerking noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke plicht die op de
verwerkingsverantwoordelijke rust.
Voor sanctiemaatregelen geldt dat deze wettelijke plichten in de meeste gevallen voortvloeien
uit het Unierecht of anders uit het recht van de lidstaat. Idealiter is dit geregeld
in de Europese sanctieverordeningen, en in veel gevallen bieden deze al een voldoende
grondslag om gegevens uit te kunnen wisselen tussen overheidsorganisaties. Ook zijn
er voor toezichthouders al bestaande wettelijke grondslagen voor het uitwisselen van
informatie, zoals voor de Douane op grond van de Algemene Douanewet.116 Dit laat ook onverlet de bestaande bevoegdheden van toezichthouders en handhavingsinstanties
om inlichtingen en gegevens te vorderen.117 Voor de situaties dat dit voor instanties niet of niet voldoende is geregeld, is
het noodzakelijk om een (aanvullende) grondslag te creëren in deze wet. Deze aanvullende
grondslag dient ertoe om beter uitvoering te geven aan de sanctiemaatregelen. Zoals
opgemerkt is dit ook aanbevolen door de Nationaal Coördinator. Ook voor de sanctieregimes
die niet voortvloeien uit bindende besluiten van de EU is deze grondslag in deze wet
nodig voor een nationale gegevensuitwisselingsgrondslag. Het voorstel voorziet daarin
in artikel 8.2.5.
Tot slot verdient opmerking dat er bij de uitvoering van sanctiemaatregelen ook sprake
kan zijn van het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en/of gegevens
van strafrechtelijke aard. Bijzondere persoonsgegevens zijn bijvoorbeeld persoonsgegevens
waaruit iemands politieke opvattingen blijken. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens
is in beginsel verboden.118 Dit verwerkingsverbod geldt op grond van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming
(UAVG) echter niet als de verwerking nodig is ter voldoening aan een volkenrechtelijke
verplichting.119 Als die verwerking nodig is ter voldoening aan een volkenrechtelijke verplichting,
mogen eveneens gegevens van strafrechtelijke aard worden verwerkt.120 Wanneer er sprake is van een juridisch bindende internationale sanctiemaatregel,
is die volkenrechtelijke verplichting een gegeven. Als het ter voldoening aan een
bindende internationale sanctiemaatregel nodig is om bijzondere persoonsgegevens of
gegevens van strafrechtelijke aard te verwerken, is dit dus toegestaan op grond van
de UAVG. Hierbij geldt wel dat wanneer de volkenrechtelijke verplichting de vorm heeft
van een bindende EU-rechtshandeling, de AVG zelf al in de nodige uitzonderingsgronden
voorziet. Wanneer de verwerking van bijzondere persoonsgegevens noodzakelijk is om
redenen van zwaarwegend algemeen belang op grond van het Unierecht, dan is het verbod
om bijzondere persoonsgegevens te verwerken niet van toepassing.121 Persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten
of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen mogen alleen worden verwerkt onder
toezicht van de overheid of als de verwerking is toegestaan bij Unierechtelijke of
lidstaatrechtelijke bepalingen.122 Verwerkingsgrondslagen in EU-sanctieverordeningen zijn in de regel aan te merken
als Unierechtelijke bepalingen die de verwerking van zulke strafrechtelijke gegevens
toestaan. Een bepaling bijvoorbeeld die bevoegde autoriteiten verplicht om in het
bijzonder vastgestelde gevallen van sanctieschendingen of -omzeiling uit te wisselen,
staat de verwerking van strafrechtelijke gegevens toe. Nu de schending van EU-sancties
een misdrijf is, zijn de persoonsgegevens met betrekking tot een vastgestelde schending
daarvan per definitie persoonsgegevens betreffende strafbare feiten.
3.6.1. Gegevensuitwisseling op grond van Europese sanctieverordeningen
Naar aanleiding van de Nederlandse inzet in Brussel zijn, sinds de aanname van het
7de sanctiepakket tegen Rusland en Belarus, in de betreffende Europese sanctieverordeningen
artikelen opgenomen die gegevensuitwisseling ten behoeve van sanctienaleving tussen
bevoegde autoriteiten mogelijk maken.123 Inmiddels moeten bevoegde autoriteiten op basis daarvan gegevens uitwisselen met
elkaar en met bevoegde autoriteiten in andere lidstaten, wanneer dit noodzakelijk
is voor hun taken op grond van Verordening 269/2014.Het geniet de voorkeur van de
regering om deze lijn te volgen en bepalingen over gegevensuitwisseling zoveel mogelijk
op Europees niveau geregeld te zien, om op die manier een gelijk speelveld te creëren
en Europese samenwerking te bevorderen. Dit is dan ook de standaard inzet van Nederland
bij nieuwe sanctieregimes en herzieningen van bestaande regimes. Deze is in alle onderhandelingen
gericht op het opnemen van gegevensuitwisselingsgrondslagen. Nederland hecht namelijk
veel belang aan Europese bepalingen die gegevensuitwisseling tussen bevoegde autoriteiten
mogelijk maken. Dit is essentieel voor de effectieve naleving van sancties en voor
het voldoen aan de eisen die het privacy- en gegevensbeschermingsrecht op dit gebied
stellen. Sinds de aanname van het bovengenoemde 7de sanctiepakket zijn zulke gegevensuitwisselingsgrondslagen dan ook opgenomen in andere
sanctieregimes, zoals in ieder geval de regimes ten aanzien van de situatie in Iran,
Haïti, Soedan, Niger en Guatemala. In algemene zin maakt Nederland zich, niet alleen
in relatie tot nieuwe regimes en herzieningen maar ook voor oudere sanctieverordeningen,
in EU-verband sterk voor technische verbeteringen die zorgen voor meer eenduidige
interpretatie en naleving van sancties. Zeker waar sanctieverordeningen voorafgaand
aan de inwerkingtreding van de AVG zijn vastgesteld, maakt opname van zulke gegevensuitwisselingsartikelen
ook onderdeel uit van die inzet.
Hoewel de formuleringen van gegevensuitwisselingsgrondslagen in de verschillende sanctieregimes
en -verordeningen soms nog uiteenlopen, is de grondslag in Verordening (EU) Nr. 269/2014
van de Raad illustratief (zie hieronder). Dit biedt op het moment van schrijven ook
het geldende kader voor de Nederlandse bevoegde autoriteiten over gegevensuitwisseling
voor de Rusland en Belarus sancties.
Gegevensuitwisseling op grond van Verordening (EU) 269/2014
Het uitwisselen van gegevens tussen bevoegde autoriteiten bij de Rusland en Belarus
sancties wordt beheerst door Verordening (EU) 269/2014.124
Bevoegde autoriteiten moeten op grond daarvan onverwijld informatie verwerken en uitwisselen
met andere bevoegde autoriteiten en met de Commissie, wanneer dit noodzakelijk is
voor het uitvoeren van de taken van de verwerkende autoriteit of de ontvangende autoriteit
op grond van de verordening.125
Bevoegde autoriteiten moeten in dat verband met name gegevens uitwisselen «wanneer
zij gevallen vaststellen van een schending of omzeiling, of van pogingen tot schending
of omzeiling, van de in deze verordening vastgestelde verbodsbepalingen».126
In Nederland zijn alle bevoegde autoriteiten die bij of krachtens de Sanctiewet 1977
zijn aangewezen hiertoe bevoegd.127 Deze autoriteiten moeten derhalve gegevens uitwisselen met elkaar en met bevoegde
autoriteiten in andere lidstaten, wanneer dit noodzakelijk is voor hun taken op grond
van de Verordening.
De verwerking van persoonsgegevens moet plaatsvinden overeenkomstig het in de verordening
bepaalde, en overeenkomstig de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).128
Zoals de Autoriteit Persoonsgegevens in haar toets opmerkt, kunnen dit in beginsel
ook bevoegde autoriteiten zijn waarvan de activiteiten normaal gesproken vallen onder
de reikwijdte van de richtlijn politiegegevens.129 Als politiegegevens mogen worden verstrekt aan bevoegde autoriteiten of derden, maar
niet ten behoeve van de uitvoering van de politietaak,130 zijn de gegevens vanaf de verstrekking geen gegevens meer onder het bereik van de
richtlijn politiegegevens, maar is regulier de AVG op de verwerkingen van toepassing.
Zoals hierboven onder 3.6 is toegelicht, kan het ook gaan om de verwerking van strafrechtelijke
gegevens.
3.6.2. Aanvullende nationale regels voor gegevensuitwisseling
Aanvullend op de Nederlandse inzet in Brussel, zijn de noodzaak en de mogelijkheid
om nationale wet- en regelgeving aan te passen nader onderzocht. Wat er nationaalrechtelijk
nog noodzakelijk en mogelijk is, verschilt per situatie. Deze verschillende situaties
komen hierna aan de orde.
Als sprake is van een Europese sanctieverordening – de meest voorkomende situatie –
dan wordt gegevensuitwisseling die nodig is ter uitvoering van de verordening, zoals
gezegd, beheerst door de verordening. Dat Europese kader is dan ook leidend voor de
Nederlandse partijen – ook in het kader van toezicht en handhaving op basis van artikel 10
van de Sanctiewet 1977 – die betrokken zijn bij de uitvoering van sanctieregelgeving
(zie ook voorbeeld hierboven). Per verordening kan het verschillen welke specifieke
gegevensverwerkingen hieronder kunnen vallen. Het kan gaan om gegevens die berusten
bij de ene partij en die voor een goede uitvoering van de verordening door een andere
partij noodzakelijk zijn. In sommige gevallen zal die andere partij om deze gegevens
verzoeken, in andere gevallen kunnen er afspraken gemaakt worden over een automatische
verstrekking. De gegevens die in het kader van de verordening uitgewisseld moeten
worden beslaan een breed veld. Het gaat daarbij onder andere om persoonsgegevens,
bijvoorbeeld om de verbondenheid vast te stellen van personen met entiteiten, om eigendomsconstructies
in kaart te brengen of om het afgeven van financiële ontheffingen. Het Europees recht
heeft voorrang op het nationale recht van de lidstaten. In het geval van strijdigheid
tussen een bepaling uit een Europese sanctieverordening of -besluit en een bepaling
van nationaal recht, heeft het EU-recht voorrang. Het nationale recht moet dan buiten
toepassing blijven en de met een verordening strijdige regelgeving moet worden aangepast.
Wanneer een sanctieverordening een gegevensuitwisselingsbepaling bevat is het niet
nodig – en gelet op het overschrijfverbod ook niet mogelijk – om de gegevensuitwisseling
in die gevallen eveneens nationaal te regelen. Wel kan het nodig zijn om nog uitvoeringsregels
vast te stellen, bijvoorbeeld om de gegevensuitwisseling te concretiseren.131 Dit wetsvoorstel voorziet in een grondslag voor nadere regels, waarin die concretisering
kan plaatsvinden (artikel 8.3.1). Voor die concretisering kan ook gebruik gemaakt
worden van grondslagen in andere wetgeving, als de uit te wisselen gegevens daar aanleiding
toe geven. Een voorbeeld illustreert dat. In het geval een bevoegde autoriteit zijn
taak alleen goed kan uitvoeren wanneer deze beschikt over politiegegevens als bedoeld
in artikel 1 van de Wet politiegegevens zou een algemene maatregel van bestuur op
grond van artikel 18 van de Wet politiegegevens een grondslag voor de verstrekking
van deze gegevens kunnen vormen.132
De situatie kan zich voordoen dat in Europese sanctieverordeningen geen grondslagen
zijn opgenomen voor het uitwisselen van de noodzakelijke gegevens tussen verschillende
instanties met een (publiekrechtelijke) rol in het sanctiestelsel of dat er ontoereikende
grondslagen zijn opgenomen die niet uitputtend zijn geregeld. Voor die gevallen is
een generieke nationaalrechtelijke grondslag opgenomen in artikel 8.2.5. Deze generieke
grondslag geldt als een bevoegdheid om gegevens uit te wisselen van en tussen bevoegde
autoriteiten in Nederland, maar ook daarbuiten.133 Vóór de daadwerkelijke verstrekking van gegevens moeten bevoegde autoriteiten altijd
de evenredigheid en noodzakelijkheid van de gegevensuitwisseling afwegen. Dit is bij
gegevensuitwisseling op grond van Europese sanctieverordeningen niet anders. In die
afweging wordt onder andere gewogen in hoeverre de gegevens noodzakelijk zijn voor
een goede uitvoering van de sanctiemaatregelen.134 Artikel 8.2.5, tweede lid, regelt dat de verstrekking van gegevens geen doorgang
kan vinden als een van de criteria van dat lid is vervuld (zie verder de artikelsgewijze
toelichting bij dat artikel). Hoewel artikel 8.2.5 weliswaar voorziet in een bevoegdheid
om gegevens te verstrekken aan bepaalde ontvangers, moeten zij voor de ontvangst en
verdere verwerking van deze gegevens gebruikmaken van andere, eigen, specifieke verwerkingsgrondslagen.
Artikel 8.2.5 voorziet daar niet in. Voor de goede orde zij daarbij opgemerkt, dat
de hier voorgestelde generieke grondslag bedoeld is als restgrondslag. Artikel 8.2.5
is niet van toepassing in geval de grondslag in een Europese sanctieverordening, toereikend
of ontoereikend, uitputtend geregeld is, omdat toepassing van dat artikel in strijd
zou zijn met hetgeen uitputtend is geregeld in de verordening. Primair moet de gegevensverwerking
gebaseerd zijn op de Europese sanctieverordeningen en is de Nederlandse insteek om
deze te laten aanpassen, wanneer de grondslagen daarin onvoldoende zijn. De aangepaste
EU-verordening voldoet in dat voorkomende geval overigens ook aan het vereiste van
de «behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen» uit artikel 10, eerste
lid, van de Grondwet.135
Het kan ook voorkomen dat Europese sanctieverordeningen bevoegde autoriteiten verplichten
om gegevens te verstrekken. Het tweede lid van artikel 8.1.1 verduidelijkt dat artikel 8.2.5
niet in de weg staat aan het uitvoeren van dergelijke rechtstreeks geldende sanctiebepalingen
die opgenomen zijn in hoger recht. Om de uitwisselingsgronden in Europese sanctieverordeningen
en de generieke grondslag nader toe te kunnen spitsen, voorziet dit wetsvoorstel met
artikel 8.3.1 in de mogelijkheid om de verplichte gegevensdeling bij lagere regelgeving
te concretiseren. Op grond van deze bepaling kunnen in een sanctiebesluit of sanctieregeling
de relevante verstrekkende en ontvangende instanties worden gepreciseerd waar de Europese
sanctieverordeningen dan wel artikel 8.2.5 dat op een abstracter niveau doen. Daarnaast
kan ook geconcretiseerd worden welke gegevens er gedeeld moeten worden.
Als internationale sanctiemaatregelen zijn neergelegd in een verdrag of een bindend
besluit van een volkenrechtelijke organisatie, anders dan een bindende rechtshandeling
van de EU, heeft het – evenals bij EU-verordeningen en -besluiten – de voorkeur dat
de gegevensuitwisseling op dat niveau toereikend is uitgewerkt. Omdat niet alle bindende
internationale sanctiemaatregelen een gegevensuitwisselingsgrondslag bevatten, geldt
de hierboven genoemde generieke grondslag in artikel 8.2.5 ook voor deze gevallen.
Als sprake is van niet-juridisch bindende internationale sanctiemaatregelen (aanbevelingen
van volkenrechtelijke organisaties of internationale afspraken), en de uitvoering
daarvan gegevensuitwisseling vereist dan is de internationale grondslag daarin hoe
dan ook niet toereikend als gegevensuitwisselingsgrondslag, omdat het niet-juridisch
bindende maatregelen betreffen. Voor deze categorie sanctiemaatregelen geldt dat de
noodzakelijke gegevensuitwisselingsgrondslagen in de nationale regelgeving moeten
worden neergelegd. Daarvoor geldt dat de noodzakelijke gegevensuitwisselingsgrondslagen
zullen worden opgenomen in een algemene maatregel van bestuur of, als een onmiddellijke
voorziening is vereist, in een ministeriële regeling die vervolgens binnen acht maanden
moet worden vervangen door een algemene maatregel van bestuur. De wettelijke grondslag
voor het vaststellen van deze algemene maatregel van bestuur is opgenomen in hoofdstuk 2
en artikel 8.3.2 van het wetsvoorstel.
3.7. Centraal meldpunt sancties
3.7.1. Meldingsplichten in Europese sanctieregelgeving
De Europese sanctieregelgeving bevat diverse meldingsplichten.136 Het gaat bijvoorbeeld om meldingsplichten voor bevroren tegoeden en economische middelen.
Deze meldingsplichten gelden voor de instellingen die bevriezen. Ook is er een meldingsplicht
voor de gesanctioneerde instellingen en personen voor tegoeden en economische middelen
die ze in de EU bezitten. Daarnaast bevat het Europese sanctieregime naar aanleiding
van de agressie van Rusland tegen Oekraïne diverse andere meldingsplichten, bijvoorbeeld
over deposito’s en oliecontracten. Deze meldingsplichten zijn op dit moment bij verschillende
meldkanalen belegd. Zo worden bevroren tegoeden door financiële instellingen gemeld
bij de DNB of de AFM, afhankelijk van waar de instelling onder toezicht valt. Voor
het melden van tegoeden en economische middelen door gesanctioneerde personen en bedrijven
(zelfmeldplicht) zijn er op dit moment in Nederland vijf verschillende meldkanalen.137 Er lijkt bovendien een ontwikkeling in EU-wetgeving gaande waarbij vaker meldingsplichten
worden opgenomen in sanctieverordeningen, waaruit de behoefte spreekt om informatie
samen te laten brengen en te laten analyseren.138 Zo is de in het sanctieregime tegen Rusland geïntroduceerde zelfmeldplicht nu ook
opgenomen in diverse andere sanctieregimes.139
3.7.2. Knelpunten in de huidige situatie
De huidige situatie brengt diverse knelpunten met zich mee. Zo is het voor de melders
niet altijd duidelijk bij welk kanaal ze hun informatie moeten indienen. Bij de zelfmeldplicht
kan het bijvoorbeeld zijn dat een gesanctioneerde zowel over een bankrekening, huis
en jacht beschikt in Nederland. In dat geval moet bij drie verschillende meldpunten
informatie worden aangereikt. Het risico is dat de meldingen daarmee niet meteen bij
het juiste kanaal worden ingediend. Belanghebbenden geven dan ook aan dat er sprake
is van een versnipperd landschap. Een ander knelpunt is dat bestaande meldpunten niet
altijd de mogelijkheid hebben om meldingen op juistheid te controleren en verder te
analyseren om patronen te ontdekken. De meldpunten zijn nu vooral een doorgeefluik,
waarbij ze de informatie via door de EU opgezette ICT systemen doorgeven aan de Europese
Commissie. Dit geldt zeker voor de meldpunten die nu bij beleidsdepartementen liggen.
Niet alle gemelde informatie wordt daarmee voldoende effectief gebruikt voor zaken
als sanctieontwikkeling, beleidsevaluatie en -analyse en sanctienaleving (waaronder
anti-omzeiling). Ook wordt er vaak geen terugkoppeling gegeven richting melders over
de ingediende meldingen. Verder is bij nieuwe meldingsplichten uit Europese sanctieverordeningen
niet altijd meteen duidelijk welk meldpunt het meest geschikt is, waardoor het inrichten
van meldingsplichten soms lang duurt.
3.7.3. Centraal meldpunt sancties
Om ervoor te zorgen dat melders makkelijker aan hun meldingsplicht kunnen voldoen
en dat de gemelde informatie beter wordt gebruikt, wordt voorzien in een centraal
meldpunt sancties door het bestuursorgaan, dat op grond van artikel 3.1.1 in een sanctiebesluit
of sanctieregeling wordt aangewezen om meldingen in ontvangst te nemen. In eerste
instantie zal dat de Minister van Buitenlandse Zaken zijn. Het centraal meldpunt moet
er voor zorgen dat op de juiste wijze opvolging wordt gegeven aan meldingen, op het
gebied van verificatie en informatiehuishouding. Op een centrale plek kan er een completer
beeld ontstaan van bevroren tegoeden en economische middelen, kunnen analyses worden
gemaakt en patronen worden herkend en waar nodig, gesignaleerd voor handhaving. Deze
analyses moeten van zodanige kwaliteit zijn dat bestuursrechtelijke en strafrechtelijke
autoriteiten daar opvolging aan kunnen geven. De analyses moeten als dat nodig is
de basis kunnen vormen voor de aanvang van een bestuursrechtelijke of strafrechtelijke
procedure. Bestuursrechtelijke autoriteiten zullen ook zelf op basis van de analyses
wellicht nog verdere informatie nodig hebben om bestuursrechtelijk te kunnen optreden.
Ten aanzien van een eventuele strafrechtelijke procedure zal in veel gevallen nog
opvolging plaats moeten vinden door een opsporingsinstantie om te zorgen dat er door
aanvullingen van eventuele eigen informatie voldoende basis is voor het aanvangen
van een strafrechtelijke procedure. Hiertoe wordt in de wet geregeld dat het meldpunt
gegevens kan uitwisselen met de betrokken partijen, en vice versa.
Het inrichten van een centraal meldpunt heeft ook tot gevolg dat effectiever wordt
voldaan aan de meldingsvereisten op grond van diverse EU-sanctieverordeningen, waaronder
het snel en transparant kunnen beleggen van nieuwe meldingsplichten. Voorts kan de
bij het centraal meldpunt gemelde informatie effectiever worden gebruikt omdat de
analyses van het meldpunt een bijdrage kunnen leveren aan sanctieontwikkeling, beleidsevaluatie
en -analyse en sanctienaleving (waaronder anti-omzeiling). Eveneens wordt gefaciliteerd
dat meer informatie bij de juiste ketenpartij binnenkomt. Ook zorgt het centraal meldpunt
ervoor dat het voor burgers en bedrijven zo makkelijk mogelijk is om in Nederland
aan hun meldingsverplichtingen te voldoen, hetgeen bijdraagt aan het doenvermogen.
Het in te richten centraal meldpunt krijgt dan ook de volgende voorziene taakstelling.
Het centraal meldpunt sancties is ontvangstpunt voor de meldingen voortkomend uit
de (toekomstige en bestaande) meldingsplichten van de VN- en EU-sanctieregimes. Hierbij
zal gelden dat een nieuwe meldingsplicht bij het centraal meldpunt wordt belegd, tenzij
een ander meldpunt beter geschikt is voor het ontvangen van de meldingen omdat een
soort melding het toezicht en de handhaving ten goede komt vanwege noodzakelijk specialistische
kennis en aansluit bij bredere andere taken van het betreffende meldpunt. Dat geldt
bijvoorbeeld voor meldingen die binnenkomen bij de Centrale Dienst In- en Uitvoer
(CDIU) van de Douane. Dit zijn bijvoorbeeld meldingen die gedaan worden door exporteurs,
om kenbaar te maken dat zij gebruik hebben gemaakt van een uitzonderingsbepaling om
bepaalde goederen te mogen exporteren, zoals op humanitaire gronden. De meldingen
zijn gerelateerd aan de im- en export van gesanctioneerde goederen en vallen daarom
rechtstreeks onder het toezicht van de Douane. Daarnaast hebben deze meldingen een
directe relatie met CDIU-werkzaamheden, zoals vergunning- of toestemmingsverlening.
Het heeft daarom de voorkeur om deze bestaande situatie, die goed functioneert, te
behouden. Het wetsvoorstel creëert een mogelijkheid om gegevens uit te wisselen tussen
het centraal meldpunt en de CDIU. Als informatie uit een melding bij de CDIU relevant
is voor het centraal meldpunt, dan kan de CDIU deze informatie dus delen. Dat geldt
ook andersom. In een sanctieregeling wordt per soort melding de bevoegde autoriteit
voor het ontvangen van meldingen vermeld. Dit betekent ook dat als er per abuis bij
het verkeerde bestuursorgaan wordt gemeld, de melding op basis van de doorzendplicht
naar het juiste orgaan wordt doorgezet.
Het centraal meldpunt beschikt over een uniform centraal meldformulier, ontvangt de
meldingen, verstuurt een generieke ontvangstbevestiging, registreert en verifieert
de meldingen, combineert deze meldingen in één overzicht en maakt vervolgens analyses
van deze informatie. Dit totaaloverzicht van de meldingen deelt het centraal meldpunt
met de relevante ministeries en de Europese Commissie. Om dit overzicht actueel te
kunnen houden is het essentieel dat het meldpunt over alle relevante informatie beschikt
en dat ook gemeld kan worden wanneer tegoeden en economische middelen niet langer
bevroren zijn. Met het oog op het actueel houden van het overzicht is het ook essentieel
dat andere bij sanctienaleving betrokken bestuursorganen gegevens met het meldpunt
uitwisselen over bijvoorbeeld ontheffingen en de aanstelling van een bewindvoerder.
Daarnaast deelt het centraal meldpunt op basis van de in dit voorstel opgenomen bevoegdheden
op het gebied van gegevensuitwisseling, informatie over onder andere meldingen en
patronen met de toezichthouders, openbare registers en handhavende instanties. Daarnaast
heeft het centraal meldpunt een voorlichtingsfunctie over de invulling van de meldingsplicht.
Dit helpt melders om beter zicht te hebben op wat een meldingsplicht inhoudt en dus
ook om beter aan de meldingsplicht te voldoen. De beoordeling of een bepaalde partij
onder sancties valt en er een melding gedaan moet worden blijft primair de verantwoordelijkheid
van meldingsplichtigen zelf. Het meldpunt is ook bevoegd om informatie op te vragen
bij toezichthouders (dit geldt vice versa) en om gegevens uit te wisselen met autoriteiten in EU-lidstaten. Daarnaast kan het
informatie opvragen bij instellingen die onder toezicht staan in het kader van artikel 10
van de Sanctiewet 1977, bijvoorbeeld om meer duidelijkheid te krijgen over een ingediende
melding. Ook regelt de wet de doorbreking van de geheimhoudingsplicht voor advocaten
en notarissen om het doen van meldingen door deze groepen te faciliteren. Voorts zal
het meldpunt in nauwe verbinding staan met andere organisaties zoals het BTI en de
Douane, waaronder CDIU. De werkzaamheden van BTI en CDIU vallen niet onder de reikwijdte
van het meldpunt maar er zal wel behoefte zijn aan gegevensuitwisseling over en weer.
Als dat nodig is zullen samenwerkings- en gegevensuitwisselingsafspraken moeten worden
gemaakt om elkaar te versterken.
Er zijn ook alternatieven onderzocht. Het eerste overwogen alternatief voor het inrichten
van een centraal meldpunt betreft het in stand houden van de bestaande decentrale
meldkanalen in combinatie met het ontwikkelen van een centraal digitaal meldformulier
dat de melding automatisch doorzet naar de juiste ontvanger, en het verder verbeteren
van de samenwerking en gegevensuitwisseling aan de achterkant. Dit alternatief zou
tegemoet komen aan de roep voor één duidelijk meldkanaal, maar niet aan de wens om
op een centrale plek de informatie te analyseren en patronen te herkennen. Ten tweede
is een centraal meldpunt overwogen met beperktere bevoegdheden waaronder het ontvangen
van meldingen, het verrichten van beperkte analyses om te bepalen of de informatie
compleet is, voor welke organisatie die bestemd is en het registreren van de meldingen.
Dit alternatief is niet gekozen omdat, alhoewel hiermee geborgd zou zijn dat de meldingen
op een centraal punt in behandeling zouden worden genomen, wederom niet tegemoet wordt
gekomen aan de wens om de ontvangen informatie zo optimaal mogelijk in te zetten,
bijvoorbeeld ten behoeve van sanctieontwikkeling, beleidsevaluatie en -analyse en
sanctienaleving. Ten slotte is ook aandacht besteed aan het verbreden van de werkzaamheden
van het meldpunt naar onder andere het verlenen van ontheffingen (deze worden nu verleend
door de verschillende bevoegde bewindspersonen), het zijn van een vraagbaak voor ondernemers
met vragen over sancties (dit is momenteel onder andere belegd bij de Rijksdienst
voor Ondernemend Nederland (RVO)) en bestuursrechtelijke handhaving door het centraal
meldpunt sancties. Er is nu voor gekozen het meldpunt van een duidelijke, nauw omschreven
taakstelling te voorzien om de totstandkoming zoveel mogelijk te bespoedigen. In een
later stadium wordt bekeken of het gewenst is bovengenoemde of andere werkzaamheden
toe te voegen. Dan zal ook worden bekeken of het centraal meldpunt blijft vallen onder
de Minister van Buitenlandse Zaken of dat het meer in de rede ligt om een ander bestuursorgaan
aan te wijzen.
3.8. Aanpassingen op het toezicht op de bedrijfsvoering en uitbreiding naar juridische
beroepsgroepen
Sinds 2002 voorziet de Sanctiewet 1977 in bestuursrechtelijk toezicht dat betrekking
heeft op de controle van de administratieve organisatie en interne controle (hierna:
sanctiewettoezicht op de bedrijfsvoering) voor bepaalde financiële instellingen.140 In het kort houdt dit toezicht in dat de partijen die daaronder vallen moeten waarborgen
dat zij op het gebied van hun bedrijfsvoering maatregelen treffen ter naleving van
de geldende sanctiemaatregelen en dat zij hierop worden gecontroleerd door een toezichthouder.
Door nadere bedrijfsvoeringseisen te stellen aan private partijen die een belangrijke
rol in het economische verkeer vervullen, de zogeheten poortwachtersrol, en daar risicogebaseerd
en effectief toezicht op te houden, wordt ervoor gezorgd dat de mate van sanctienaleving
wordt vergroot. Hiermee voorkomen private partijen dat zij zelf schendingen van sanctiemaatregelen
begaan of dat zij faciliterend optreden bij schendingen door derden.
In de Kamerbrief hoofdlijnen modernisering van het Nederlandse sanctiestel van november
2022 is aangekondigd het toezicht op de bedrijfsvoering uit te breiden naar in ieder
geval bepaalde juridische beroepsgroepen en de regels uit afdeling 5 van de Sanctiewet
1977, waaronder de bedrijfsvoeringsregels, te moderniseren. Door aanname van Europese
wetgevende voorstellen op het terrein van het voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering
(hierna: het AML-pakket) op 19 juni 2024, dat uiterlijk 10 juli 2027 drie jaar na
aanname inwerking treedt, wordt ten dele voorzien in de aangekondigde uitbreiding
en modernisering.
Het AML-pakket bevat, naast regels over de voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering,
nadere bedrijfsvoeringsregels op het gebied van gerichte financiële sancties voor
de partijen die onder de reikwijdte vallen. Deze bedrijfsvoeringsregels, die per verordening
zijn geregeld, overlappen en vervangen deels de nationaal gestelde regels uit de Sanctiewet
1977, zowel wat betreft de reikwijdte aan groepen instellingen die eronder vallen
als de regels waaraan zij zich moeten houden. Dit betekent dat het Europese AML-pakket
het huidige bedrijfsvoeringstoezicht uit de Sanctiewet 1977 (en een eventuele modernisering
daarvan) bij vankrachtwording deels buiten werking zal stellen.
Voor wat betreft de regels uit het AML-pakket die gaan over financiële sancties ligt
het accent op de naleving van gerichte financiële sancties (kortgezegd, de bevriezingsmaatregelen
en verboden op het ter beschikking stellen van tegoeden en economische middelen aan
personen en entiteiten op de sanctielijst). Naast deze maatregelen, is er tegelijkertijd,
in toenemende mate, sprake van een veel breder scala aan verschillende typen sancties.
Het blijft daarom nodig om voor bepaalde groepen nadere regels te stellen om ervoor
te zorgen dat zij in hun bedrijfsvoering beter rekening houden met al deze verschillende
typen sancties, die verdergaan dan enkel de controle op sanctielijsten, waaronder
bijvoorbeeld de sectorale sanctiemaatregelen. Van de huidige onder toezicht staande
instellingen wordt nu al verwacht dat zij rekening houden met het brede scala aan
verschillende typen sancties. In het licht van dit AML-pakket wordt daarom in een
aparte tranche nader uitgewerkt hoe het nationale systeem van bedrijfsvoeringsregels
zich moet verhouden tot de Europese regels. Het voornemen is dat de aparte tranche
(hierna: tweede tranche) met noodzakelijke nationale bedrijfsvoeringsregels tegelijk
in werking treedt met het AML-pakket.
Omdat het nog enige tijd duurt voordat het AML-pakket samen met de nationale noodzakelijke
regels in werking treden, wordt voorgesteld om voor de tussentijd, dus de periode
tussen aanname van dit wetsvoorstel en het van kracht worden van het pakket en de
aanvullende regels, alleen de hoogstnodige wijzigingen aan te brengen in het huidige
sanctiewettoezicht op de bedrijfsvoering uit de Sanctiewet 1977. Dit betekent dat
de Sanctiewet 1977 voor wat betreft de onderdelen die zien op het sanctiewettoezicht
zal worden aangepast en zal blijven gelden totdat de hiervoor omschreven tweede tranche
in werking treedt. Onder hoogstnodige wijzigingen worden twee zaken verstaan: de uitbreiding
van het toezicht op bepaalde (juridische) beroepsgroepen waaronder advocaten, notarissen,
belastingadviseurs (en administratiekantoren) en accountants en wijzigingen om het
bestaande toezicht op de bedrijfsvoering te versterken. De reden dat gekozen is om
deze wijzigingen door te voeren in afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 en Sanctiewet
1977 pas volledig in te trekken bij de vankrachtwording van de tweede tranche is dat
de toezichthouders en de onder toezicht gestelde instellingen al zijn gewend om met
deze afdeling te werken. In zowel beleidsuitingen van toezichthouders als beleid van
de poortwachters zelf wordt ook verwezen naar deze regelgeving. Door de Sanctiewet
1977 voor dit onderdeel in stand te houden wordt geborgd dat er één verandermoment
optreedt, namelijk met de tweede tranche. Afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 blijft
dus tijdelijk doorbestaan met het oog op uitvoerbaarheid en naleefbaarheid.
In het rapport van de Nationaal Coördinator is aanbevolen om, bij wet in formele zin,
de groepen onder sanctiewettoezicht op de bedrijfsvoering uit te breiden met bepaalde
juridische beroepsgroepen waaronder advocaten, notarissen en accountants. Om op een
korte termijn nader invulling te geven aan deze aanbeveling wordt voorgesteld om deze
groepen onder het bestaande sanctiewettoezicht op de bedrijfsvoering te brengen en
toezichthouders aan te wijzen.
Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om notarissen, kandidaat-notarissen en toegevoegd-notarissen,
(register) accountants en belastingadviseurs en advocaten onder de reikwijdte van
het toezicht op de bedrijfsvoering te brengen.141 BFT (notarissen, kandidaat-notarissen en toegevoegd-notarissen, (register) accountants
en belastingadviseurs) en de deken (advocaten) wordt hierbij aangewezen als toezichthoudende
autoriteiten gezien zij al op grond van bestaande wet- en regelgeving, waaronder de
Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft), toezicht
houden. Ook krijgen de toezichthoudende autoriteiten de bevoegdheid om nadere regels
te stellen ten aanzien van de bedrijfsvoering van deze instellingen ter naleving van
sancties. Ten slotte wordt voorzien in het doorbreken van de geheimhoudingsplicht
in de relatie tussen het BFT, respectievelijk de deken, en de onder hun toezicht staande
beroepsgroepen.
In aanvulling op de geïdentificeerde noodzaak uit het rapport van de Nationaal Coördinator
ziet het BFT toegevoegde waarde om meer bevoegdheden te krijgen toe te zien op de
naleving van sancties. Op dit moment kan effectief toezicht op de naleving van de
bedrijfsvoeringsnormen door het BFT en de deken niet worden uitgeoefend, nu zij geen
toezichthouder zijn op grond van de Sanctiewet 1977. Dit kan in de praktijk leiden
tot knelpunten, nu deze instanties bij de uitoefening van hun toezichtstaken, die
voortvloeit uit andere wetgeving zoals de Wwft, kunnen constateren dat de bedrijfsvoering
van onder toezicht staande instellingen onvoldoende ingericht is om sanctiemaatregelen
adequaat te kunnen naleven, maar de bevoegdheid of het instrumentarium om daar op
te handhaven ontbreekt. Het ontbreken van het bedrijfsvoeringstoezicht vergroot bovendien
het risico op schendingen van sanctiemaatregelen door de onder toezicht staande instellingen
met het oog op de snelle internationale ontwikkelingen.
Op dit moment worden de bedrijfsvoeringsregels ten aanzien van de al onder toezicht
gestelde instellingen (financiële sector, trustkantoren en aanbieders van cryptodiensten)
bepaald door de toezichthouders AFM en DNB. Op grond van het huidige artikel 10f van
de Sanctiewet 1977 en gezien de technische aard is de bevoegdheid voor de Minister
van Financiën tot het stellen van regels overgedragen aan AFM en DNB. Op basis daarvan
hebben AFM en DNB de Regeling toezicht Sanctiewet 1977 opgesteld die op dit moment
geldt. Door dit voorstel wordt deze praktijk voortgezet en tijdelijke verankerd door
op te nemen dat in plaats van de Minister de toezichthoudende autoriteiten nadere
regels kunnen stellen, met goedkeuring van de Minister. Zoals hieronder is aangegeven,
geldt dit laatste niet voor het college van toezicht dat nadere regels kan opstellen
voor het toezicht op advocaten.
Om de mate van naleving van sanctiemaatregelen door (juridische) beroepsgroepen te
vergroten en te voorkomen dat schendingen van sanctiemaatregelen plaatsvinden, kunnen
nadere bedrijfsvoeringsregels worden gesteld door het BFT en het college van toezicht,
een orgaan van de Nederlandse orde van advocaten. Mede gezien de technische aard van
sanctienaleving en gezien er sprake is van een tijdelijke situatie tussen het van
kracht worden van het AML-pakket en de hierboven omschreven tweede tranche, is er
voor gekozen om deze regelgevende bevoegdheid tijdelijk bij de toezichthouders en
het college van toezicht neer te leggen en zo de huidige systematiek van de Sanctiewet
1977 te handhaven. Het kunnen opstellen van nadere regels sluit aan bij de taak die
het BFT en het college van toezicht op grond van de beroepswetten hebben en de huidige
systematiek uit de Sanctiewet 1977 op basis waarvan AFM en DNB al een regeling (Regeling
toezicht Sanctiewet) hebben opgesteld voor de sectoren onder hun toezicht. Tegelijkertijd
wordt er een extra waarborg ingebouwd door de regels te laten goedkeuren door de betreffende
Minister. Gezien de onafhankelijke positie van de advocatuur wordt de goedkeuring
door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet voorgeschreven en is er voor
gekozen om de regelgevende bevoegdheid bij het college van toezicht te beleggen en
niet bij de deken belast met het toezicht.
De nadere bedrijfsvoeringsregels zijn erop gericht dat (juridische) beroepsgroepen
hun bedrijfsvoering dusdanig inrichten dat zij in staat zijn zich te houden aan de
geldende sanctiemaatregelen. Te denken valt aan vereisten ten aanzien van het opstellen
van beleid en procedures, het inschatten van risico’s op het overtreden van sancties,
het op de hoogte blijven van relevante sanctie-ontwikkelingen, het controleren van
hun klanten, diens uiteindelijke belanghebbenden en voor zover relevante (rechts)personen
op overeenkomsten met sancties, het inzicht verwerven in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur
van de klant en nadere procedures ten aanzien van het adequaat kunnen uitvoeren van
bevriezingen en uitvoering geven aan meldingsplichten uit de Europese sanctieverordeningen.
Bij het opstellen van nadere regels ligt het voor de hand deze regels zoveel als mogelijk
aan te laten sluiten bij (de systematiek van) de bedrijfsvoeringsregels uit de Wwft
waarmee (juridische) beroepsgroepen al bekend zijn. Dit vanwege de overeenkomsten
in opzet en werking, alsook de thematische overlap op het gebied van terrorismefinanciering.
Desalniettemin vraagt het naleven van sancties een zelfstandig kader waarin verschillen
bestaan ten opzichte van de naleving van de Wwft. Het ligt verder ook voor de hand
dat de toezichthouders en het college van toezicht in overleg zullen treden bij het
opstellen of aanpassen van deze regels om zo gebruik te maken van de bestaande expertise
en deze regels, waar mogelijk, op elkaar aan te laten sluiten. Ook is het goed gebruik
om inspraak te organiseren vanuit de betrokken beroepsgroepen bij het vaststellen
van de regels.
Ten slotte is het van belang dat er bij het opstellen van de regels voldoende oog
is voor nadelige en onbedoelde effecten die kunnen ontstaan in de uitvoering daarvan.
Te denken valt dan aan het uitsluiten van bepaalde klantgroepen en het risico op (ervaren)
discriminatie. Zo heeft het College voor de Rechten van de Mens in een aantal oordelen
aangegeven dat sanctiescreening in de praktijk tot indirecte discriminatie leidt.142 Hoewel het niet geheel is uit te sluiten dat klanten door bijvoorbeeld nadere vragen
(tijdelijk) hinder ondervinden van sanctiemaatregelen, is het geenszins de bedoeling
dat klanten uitgesloten worden wanneer zij geen onderwerp zijn van sanctiemaatregelen.
Een voorbeeld is een klant met een naam die vergelijkbaar is met de naam van een persoon
op een sanctielijst en daardoor allerlei vragen krijgt, met soms een dreiging om de
dienstverlening te beëindigen. Dit past wat de regering betreft niet bij een zorgvuldige
bedrijfsvoering. Dit sluit ook aan bij de genoemde oordelen van het College voor de
Rechten van de Mens, waarbij het College aangeeft dat het voorkomen dat gesanctioneerde
personen of entiteiten gebruik maken van Nederlandse (financiële) dienstverlening
een legitiem doel is voor indirect onderscheid.143 Tegelijkertijd geeft het College aan dat er daarbij wel een objectieve rechtvaardiging
moet zijn om indirect onderscheid te maken. Ook moet het middel om een sanctieschending
te voorkomen in een redelijke verhouding staan tot het doel.144 De wijze van uitvoering, bijvoorbeeld de sanctiescreening, moet met andere woorden
proportioneel zijn.
Naast het regelen van het toezicht op juridische beroepsgroepen wordt een aantal noodzakelijke
wijzigingen ten aanzien van het bestaande bedrijfsvoeringstoezicht aangebracht. Dit
zijn de wijzigingen die op termijn nodig zijn om het bestaande toezicht te versterken,
in aanloop naar het in werking treden van het AML-pakket en de aanvullende nationale
regels. Het gaat om het verankeren in de wet van een grondslag voor risicogebaseerd
toezicht, het creëren van een grondslag voor de publicatie van handhavingsmaatregelen
en het updaten en daarmee versterken van de gegevensuitwisselingsartikelen. Uitgangpunt
hier is om zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de systematiek uit de Wwft omdat
de toezichthouders hier al goed bekend mee zijn en de inrichting en wijze van het
toezicht een grote overlap kent.
Er wordt een nieuw artikel ingevoegd om de huidige praktijk van het houden van risicogebaseerd
toezicht te verankeren, naar analogie van de Wwft. Op dit moment houden AFM en DNB
al risicogebaseerd toezicht op grond van de Wwft en Sanctiewet 1977. Met dit artikel
wordt deze werkwijze ten aanzien van de Sanctiewet 1977 bij wet verankerd voor de
toezichthoudende autoriteiten, zodat zij een grondslag hebben om hun beperkte toezichtmiddelen
zo effectief mogelijk in te kunnen zetten. De toezichthouder houdt risicogebaseerd
en effectief toezicht en stemt haar prioriteiten af op de gepercipieerde risico’s
onder haar toezichtspopulatie. De wijze waarop de toezichthouder dit doet bepaalt
zij zelf. Dit kan bijvoorbeeld door gebruikmaking van vragenlijsten om de mate van
naleving te kunnen inschatten en zo te bepalen hoe hun toezichtmiddelen in te zetten.
Verder wordt het bestaande toezicht versterkt doordat handhavingsmaatregelen kunnen
worden gepubliceerd. Dit betekent dat handhavingsmaatregelen die door de toezichthoudende
autoriteiten worden genomen op basis van de Sanctiewet 1977, onder specifieke voorwaarden,
openbaar gemaakt worden. Met dit voorstel wordt aangesloten bij de publicatiesystematiek
uit de Wwft, Wet op het financieel toezicht en de Wet toezicht trustkantoren 2018.
De huidige toezichthouders AFM en DNB houden in het kader van hun integriteitstoezicht
toezicht op de naleving van onder meer de Wet op het financieel toezicht, de Wwft
en de Wet toezicht trustkantoren 2018 en deze wetten bevatten al een publicatieregime.
Het publicatieregime uit de Wwft geldt ook voor de deken en het BFT die op basis hiervan
genomen maatregelen publiceren. Door opname hiervan wordt dit nu gelijkgetrokken voor
de Sanctiewet 1977 met gelijkluidende voorwaarden. De publicatie van deze handhavingsmaatregelen
dient, net als bij de publicatieregimes in de Wet op het financieel toezicht, Wwft
en de Wet toezicht trustkantoren 2018, het doel om het informeren van het publiek,
versterken van de preventie door te waarschuwen en het geven van inzicht in de handhavingspraktijk.
Het openbaar maken van handhavingsmaatregelen draagt bij aan de kenbaarheid aan het
publiek om kennis te kunnen nemen van het optreden van de toezichthouders en de gronden
daarvoor. Ook zorgt deze openbaarmaking voor meer inzicht bij instellingen die onder
toezicht staan, zodat zij weten welke gedragingen kunnen leiden tot handhaving en
voor meer inzicht in de invulling die de toezichthouder aan bepaalde normen geeft
(norminformerend). Verder wordt hiermee ook het belang van personen gediend die door
een inbreuk schade hebben geleden, zodat zij eventueel hun rechten jegens de overtreder
geldend kunnen maken. Bovendien is er een ontmoedigende werking op andere instellingen
onder toezicht om overtredingen te begaan (preventieve werking).
Tot slot worden de huidige gegevensuitwisselingsartikelen, die inmiddels verouderd
zijn, geactualiseerd en versterkt. Ook ten aanzien van deze artikelen wordt zeer nauw
aangesloten bij de Wwft-systematiek. Dit houdt in dat er, net als in de huidige situatie,
sprake zal zijn van een algemene geheimhoudingsplicht die ook geldt voor alle toezichthouders.
Deze geheimhoudingsplicht kan door de AFM, DNB en het BFT (met uitzondering van toezicht
op het notariaat) onder specifieke voorwaarden worden doorbroken bij het uitwisselen
van gegevens met de in de wet genoemde instanties en toezichthouders. Aan de in de
wet genoemde instanties worden ook verschillende Ministers toegevoegd gezien hun verantwoordelijkheden
voor de naleving van sancties op hun deelgebieden.
Voor AFM en DNB wordt ook voorzien in het kunnen uitwisselen van gegevens met het
organisatieonderdeel van DNB dat belast is met het vervullen van haar monetaire taak
en haar taak als resolutie-autoriteit. Dit is noodzakelijk gezien ook deze organisatieonderdelen
gehouden is de geldende sanctiemaatregelen na te leven en in deze hoedanigheid bijvoorbeeld
rekeningen kan aanhouden voor banken.
Voor de deken en voor het toezicht van het BFT op het notariaat wordt niet voorzien
in een doorbreking van hun geheimhoudingplicht als het gaat om het kunnen uitwisselen
van gegevens met andere (toezichthoudende) instanties, conform de Wwft-systematiek.
Dit hangt samen met het vertrouwelijke karakter van de gegevens die zij kunnen verkrijgen
op grond van hun toezichthoudende rol uit deze afdeling.
De gegevens die onder voorwaarden uitgewisseld kunnen worden door AFM, DNB en BFT,
zijn de gegevens die zij verkrijgen op grond van hun toezicht uit dit hoofdstuk. Het
gaat dan bijvoorbeeld om gegevens over instellingen en de beoordeling van hun bedrijfsvoering
en processen. Dit moet worden onderscheiden van andersoortige gegevens waarvoor gegevensuitwisselingsgrondslagen
zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van dit wetsvoorstel als het betrekking heeft op meldingsplichten
en meldingen, hoofdstuk 8 van dit wetsvoorstel als het betrekking heeft op de algemene
gegevensuitwisselingsgrondslagen en de bepalingen uit de Europese sanctieverordeningen.
De gegevens uit dit hoofdstuk kunnen niet verder uitgewisseld worden dan de bepalingen
toelaten. Door nauwe aansluiting bij de Wwft-systematiek wordt de geheimhoudingsplicht
versterkt en wordt beter gespecificeerd met welke instanties en toezichthouders gegevens
kunnen worden uitgewisseld. Ook wordt het voor de toezichthouders makkelijker om vast
te stellen dat zij gegevens mogen uitwisselen.
4. Verhouding tot hoger recht
Met de modernisering van het sanctiestelsel geeft de regering gevolg aan de grondwettelijke
opdracht om de ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen.145 De grondwettelijk ingebedde bevordering van de internationale rechtsorde is niet
alleen een doelstelling van buitenlandbeleid, maar plaatst de Nederlandse constitutionele
orde in een bredere internationale rechtsorde van vrede en veiligheid. De internationale
rechtsorde is daarmee van grote betekenis voor Nederlandse burgers en bedrijven, als
dragers van rechten én plichten.146 Door sancties na te leven draagt iedereen bij aan de ondersteuning van de beginselen
van het internationaal recht, de handhaving van vrede, de voorkoming van conflicten
en de versterking van de internationale veiligheid. Evenwel kunnen de totstandkoming
en toepassing van sancties ook een beperking van bepaalde fundamentele rechten inhouden.
In dit hoofdstuk wordt allereerst ingegaan op de verhouding tot deze fundamentele
rechten in het algemeen, waarna wordt stilgestaan bij de verhouding van dit wetsvoorstel
tot het eigendomsrecht en de vrijheid van ondernemerschap (paragraaf 4.1). Vervolgens
komen de verhouding van het voorstel tot een aantal lopende Europese wetstrajecten
en de Rijkssanctiewet aan de orde in paragraaf 4.2 en 4.3.
4.1. Fundamentele rechten
De toepassing van sancties kan gevolgen hebben voor de fundamentele rechten van een
gesanctioneerde persoon of entiteit. De regering moet bij de uitvoering van internationale
sanctiemaatregelen dan ook acht slaan op haar andere internationale verplichtingen,
met name waar het de eerbiediging van fundamentele rechten betreft.147 Bij de totstandkoming van sancties in bijvoorbeeld EU-verband moet de Uniewetgever
het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (EU-Handvest) eerbiedigen.148
De sanctiemaatregelen die voortvloeien uit internationale sanctiemaatregelen vallen
strikt genomen buiten de reikwijdte van de toelichting op het onderhavige wetsvoorstel,
dat alleen de implementatie en uitvoering daarvan regelt. Internationale verdragen
die mensenrechten waarborgen, waaronder in het bijzonder het Europees Verdrag tot
Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), het Internationaal
Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het EU-Handvest, voor
zover uitvoering wordt gegeven aan EU-sancties,149 zijn van toepassing op dit wetsvoorstel. In het navolgende worden enkele fundamentele
rechten besproken en worden de beperkingen op de fundamentele rechten door dit wetsvoorstel
zelf gerechtvaardigd op basis van de relevante rechtvaardigheidsgronden.
4.1.1. Recht op eigendom
Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM bevat het recht op eigendom en het
ongestoord genot daarvan.150 Het artikel is opgedeeld in drie regels: de eerste zin van de eerste alinea wijst
op het recht op ongestoord eigendomsgenot. De tweede zin van de eerste alinea op bescherming
tegen de ontneming van eigendom en de tweede alinea op de mogelijkheid van regulering
van eigendom.151 De eerste regel is het algemene uitgangspunt, terwijl de twee volgende regels daarvan
een uitwerking zijn. De Staat moet zich in eerste instantie ten opzichte van burgers
en rechtspersonen onthouden van inbreuken op het eigendomsrecht, maar artikel 1 bevat
uitdrukkelijk beperkingsgronden. Zo is in de eerste alinea van artikel 1 van het Eerste
Protocol bij het EVRM opgenomen dat eigendomsontneming gerechtvaardigd kan zijn wanneer
dit gebeurt in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in
de algemene beginselen van internationaal recht. Waar het gaat om de invulling van
wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen,
komt de wetgever een ruime beoordelingsmarge toe.152 Eigendomsontneming kan beschouwd worden als de meest vergaande inbreuk op het recht
op eigendom. Minder vergaand is de regulering van eigendom (de derde hoofdregel uit
artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM), waarbij de gebruiksmogelijkheden van het
eigendom beperkt worden zonder dat het beschikkingsrecht daarover geheel ontzegd wordt.
In de tweede alinea van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM is opgenomen
dat de bepalingen over eigendomsontneming op geen enkele manier het recht aantasten
dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die het noodzakelijk acht om het
gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang. De tweede
alinea ziet daarom meer specifiek op de regulering van het gebruik van eigendom. Er
zijn eigendomsinmengingen denkbaar waarbij niet duidelijk is of deze onder ontneming
of onder regulering vallen. Het EHRM past dan vaak de eerste hoofdregel toe, het algemene
beginsel van ongestoord eigendomsgenot.
Wanneer er sprake is van een inmenging in het eigendomsrecht, moet getoetst worden
of er een rechtvaardiging voor deze inmenging is. In de meer recente jurisprudentie
van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is deze toets in beginsel
voor alle soorten van inmenging vergelijkbaar. In alle gevallen moet een inbreuk op
het eigendomsrecht bij wet zijn voorzien en een legitiem doel in het algemeen belang dienen. Verder is vereist dat in de regulering een redelijke mate van evenredigheid
bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee nagestreefd wordt.153 Aan dit vereiste van proportionaliteit is niet voldaan, als er sprake is van een individuele en buitensporige last voor
de betrokken persoon.154 Voorts speelt een rol of in strijd met eerder door de overheid gewekte verwachtingen
wordt gehandeld.155 Er is sprake van strijd met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM als niet wordt
voldaan aan één of meer van de hiervoor onderscheiden rechtvaardigingsvereisten. Het
EHRM laat in beginsel een ruime beoordelingsmarge toe bij de toetsing of voldaan is
aan de rechtvaardigingsvereisten.
De inbreuk op het eigendomsrecht vindt plaats door de internationale sanctiemaatregel
namelijk het bevriezen van economische middelen. Deze maatregel valt buiten de reikwijdte
van dit wetsvoorstel, omdat de betreffende internationale sanctiemaatregel via het
instrument van de EU-Verordening rechtstreeks verplichtingen met zich brengt. Het
gaat bijvoorbeeld om het bevriezen van tegoeden en economische middelen die als «eigendom»
gekwalificeerd kunnen worden onder het EVRM. Hierdoor wordt de eigenaar belemmerd
in de vrije beschikking over zijn eigendom. De beperkende maatregel van «bevriezing»
houdt geen onteigening in, in de zin van de tweede zin van de eerste alinea van artikel 1
van het Eerste Protocol bij het EVRM: het eigendom wordt niet ontnomen, maar de beschikkingsmacht
wordt (tijdelijk) ingeperkt.156 Het is dus een vorm van regulering als bedoeld in artikel 1, tweede alinea, van het
Eerste Protocol bij het EVRM. Dat deze tijdelijkheid soms langdurig kan zijn, doet
hier niet aan af. De inbreuk op het eigendomsrecht die via een internationale sanctiemaatregel
plaatsvindt wordt derhalve gewaarborgd op het niveau van de Unie. Omdat de nationale
maatregelen die daar uitvoering aan geven vereist zijn door het EU-recht, genieten
zulke maatregelen het vermoeden van gelijkwaardige bescherming met EVRM-rechten (Bosphorus-presumptie).157 Met deze presumptie wordt verondersteld dat het Unierecht dezelfde mate van bescherming
biedt als het EVRM. Daarbij hebben de lidstaten op grond van de Kadi-rechtspraak de verplichting om internationale sanctiemaatregelen uit te voeren.
De benoeming van een bewindvoerder als bedoeld in hoofdstuk 5 van het wetsvoorstel
is een inperking van het eigendomsrecht van de eigenaar of eigenaren van de onderneming
of het betreffende registergoed.158 In dat geval kan immers de persoon die door de Minister wordt aangewezen feitelijke
en rechtshandelingen stellen, die normaal alleen gesteld kunnen worden door de eigenaar.
Deze inperking is echter relatief beperkt, omdat er al een beperking geldt op grond
van een EU-sanctieverordening. Bovendien is het een tijdelijke maatregel die niet
langer duurt dan nodig en in ieder geval niet langer dan de toepasselijkheid van de
sanctiemaatregel. Ook de regeling over beheerovername van registergoederen, zoals
in dit wetsvoorstel geregeld in artikel 6.1, kan worden beschouwd als een (tijdelijke
en relatief beperkte) verdere inperking van de beschikkingsmacht van de eigenaar.
De eigenaar moet namelijk, in voorkomend geval, aan Onze Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening voor wat betreft onroerende zaken of Onze Minister van Infrastructuur
en Waterstaat voor wat betreft vaartuigen en luchtvaartuigen, aan een persoon die
op grond van beroep of bedrijf op het terrein van het registergoed werkzaam is of
aan een op dat terrein werkzame instelling, verplicht het beheer van het betrokken
registergoed overgeven. Als gevolg daarvan kan de eigenaar geen enkele beheermaatregel
(zelf) nemen. Ook een dergelijke inmenging kwalificeert niet als onteigening, maar
als een vorm van regulering. Het kenmerk van regulering van eigendom is dat niet elke
mogelijkheid om over het eigendom te beschikken of haar (nuttig) te gebruiken verloren
gaat, maar dat die beschikkingsmogelijkheid of gebruiksmogelijkheden enkel beperkt
worden.159 Hierbij moet met betrekking tot het ingrijpen bij bedrijven in het oog gehouden worden
dat op het moment dat een bedrijf dreigt om te vallen door de werking van een internationale
sanctiemaatregel en dat wordt voorkomen door ingrijpen met een bewindvoerder, de eigenaar
onder de streep beter af is in eigendomspositie door het ingrijpen in het eigendomsrecht.
Gezien het cumulerende effect van de beperkingen moet worden bezien, is de totale
inbreuk op het eigendomsrecht relatief beperkt te noemen. Daarbij geldt dat de (gesanctioneerde)
eigenaar al weinig handelingsmogelijkheden heeft door de beperkende maatregel van
bevriezing. Een bevriezing is immers een beperking van het eigendomsrecht, namelijk
het gebod voor eenieder om te voorkomen dat de economische middelen en tegoeden van
een gesanctioneerde persoon gebruikt of te gelde gemaakt kunnen worden. Dit geldt
ook voor registergoederen, zij het daarbij dat geen sprake zal zijn van failleren
maar van beschadigen en in het ergste geval tenietgaan.
Bij wet voorzien
Onder de toets of de inmenging bij wet is voorzien wordt begrepen dat deze ook niet
in strijd mag komen met het rechtszekerheidsbeginsel en met het verbod van willekeur.160 De inmenging moet een voldoende precieze en toegankelijke nationale wettelijke basis
hebben en moet voorzienbaar zijn.161 De wettelijke grondslag voor de beperking van het recht op een ongestoord genot van
eigendom is de betreffende internationale sanctiemaatregel. Het onderwerp zijn van
een internationale sanctiemaatregel is een beperking van het eigendomsrecht. In EU-besluiten
en -verordeningen is bepaald welke inperking op de vrije beschikkingsbevoegdheid wordt
opgelegd (de sancties, bevriezing van tegoeden en economische middelen) en aan welke
entiteiten (lijst in de bijlage). Gegeven de rechtstreekse werking van de EU-verordeningen
en de verplichting van de lidstaten tot effectieve controle op de naleving, vormen
de betrokken bevoegdheden in het wetsvoorstel slechts een aanvullende wettelijke grondslag
voor de inbreuk op het eigendomsrecht. De mogelijke inbreuk op het eigendomsrecht
door de beheerovername of benoeming van een bewindvoerder is voorzienbaar en vooraf
kenbaar door het opnemen van de bevoegdheid in een wet in formele zin. Daarmee is
voldaan aan de voorwaarde dat de inbreuk bij wet voorzien is.
Legitiem doel in het algemeen belang
Het is aan de nationale autoriteiten om de eerste beoordeling te maken van het bestaan
van een legitiem doel in het algemeen belang dat een maatregel van inmenging rechtvaardigt.
Het oordeel van de nationale autoriteiten over wat in het algemeen belang is, zal
het EHRM in beginsel accepteren, tenzij deze beoordeling kennelijk zonder enige redelijke
grond is.162 Het begrip «algemeen belang» is noodzakelijkerwijs ook breed.163 Voorop staat de doelstelling van internationale sanctiemaatregelen: het tot stand
brengen respectievelijk bevorderen van een beleidswijziging in een ander land of gedragsverandering
van een entiteit, ter handhaving en bevordering van de vrede, de ondersteuning van
de democratische rechtsstaat, mensenrechten en de beginselen van het internationaal
recht, en ter voorkoming van conflicten, versterking van de internationale veiligheid
en de bestrijding van terrorisme. De aanwijzing van gesanctioneerden die worden onderworpen
aan de bedoelde inperkingen van hun eigendomsrecht, is gebaseerd op de conclusie dat
deze hun (omvangrijke) tegoeden en economische middelen (kunnen) inzetten om het ongewenste
beleid of gedrag in stand te houden.
De bevoegdheden tot benoeming van een bewindvoerder in hoofdstuk 5 van het wetsvoorstel
hebben als doel om ernstige maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten
van de sanctiemaatregel voor de Nederlandse samenleving te mitigeren. Hiermee kan
in de praktijk ook de bescherming van (sociale) grondrechten van derden gemoeid zijn.
Daarbij gaat het dan, afhankelijk van het individuele geval, bijvoorbeeld om de bevordering
van voldoende werkgelegenheid (artikel 19, eerste lid, van de Grondwet), de bescherming
en verbetering van het leefmilieu (artikel 21 van de Grondwet en artikel 37 van het
EU-Handvest) en de bevordering van voldoende woongelegenheid (artikel 22, tweede lid,
van de Grondwet). Het mitigeren van de genoemde ernstige effecten voor de Nederlandse
samenleving is volgens de regering een legitiem doel.
De bevoegdheden inzake beheer, bedoeld in artikel 6.1 van het wetsvoorstel, hebben
tot doel maatschappelijk ongewenste effecten van (langdurige) bevriezing te voorkomen.
Zo kan bij gebrek aan onderhoud van vastgoed, het vastgoed zodanig verslechteren,
dat niet (meer) wordt voldaan aan wettelijk gestelde minimum bouwveiligheidseisen,
hetgeen onaanvaardbare risico’s oplevert voor de veiligheid en gezondheid van bewoners
(in het geval van woningen) of gebruikers (in het geval van bedrijfsvastgoed), alsook
voor de omgeving. Een combinatie van langdurige leegstand en achterstallig onderhoud
brengt bovendien risico’s met zich mee als inbraak, vernieling, brandstichting en
in meer algemene zin verloedering van de omgeving met de daarbij horende ongewenste
gevolgen voor de leefbaarheid en veiligheid. Langdurige leegstand kan er ook toe leiden
dat het gebouw wederrechtelijk in gebruik wordt genomen door krakers, waardoor vaak
schade aan de eigendom ontstaat. Om deze negatieve effecten van bevriezing te voorkomen
moet het mogelijk zijn dat (tijdelijk) beheer van het bevroren registergoed kan plaatsvinden.
Dat is volgens de regering een legitiem doel. Per geval zal moeten worden afgewogen
en beargumenteerd of sprake is van risico op maatschappelijke schade, of tijdelijk
beheer geschikt is om dat risico te voorkomen en op welke wijze het beheer vervolgens
ingevuld wordt.
Proportionaliteit
Artikel 1, tweede alinea, van het Eerste Protocol bij het EVRM, vereist dat er een
evenwicht bestaat tussen het doel dat wordt nagestreefd en de ernst van de inbreuk
op het eigendomsrecht. Er moet een duidelijke belangenafweging op nationaal niveau
hebben plaatsgevonden, bij gebreke waarvan een schending van artikel 1 van het Eerste
Protocol bij het EVRM zou kunnen worden vastgesteld. Vastgesteld wordt dat de inbreuk
op het eigendomsrecht die wordt gemaakt door een beheerovername van bevroren registergoederen
niet als heel ingrijpend wordt gekwalificeerd: de (gesanctioneerde) eigenaar heeft
al weinig of geen handelingsmogelijkheden door de beperkende sanctiemaatregel van
bevriezing. Een bevriezing is een beperking van het eigendomsrecht, namelijk het voorkomen
dat economische middelen worden gebruikt om op enigerlei wijze tegoeden, goederen
of diensten te verkrijgen, onder meer door deze te verkopen, te verhuren of te verhypothekeren.164 Een beheermaatregel op grond van dit wetsvoorstel is uitsluitend mogelijk als eerst
een sanctiemaatregel is opgelegd waarbij de registergoederen bevroren zijn. Omdat
ten gevolge van de beheermaatregel wel noodzakelijke kosten gemaakt kunnen worden
ten aanzien van het bevroren eigendom die uiteindelijk voor rekening van de eigenaar
komen, kan deze beheermaatregel ook wat dat betreft gezien worden als een beperking
van het eigendomsrecht. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de inkomsten uit onder
meer verhuur door de beheerder – na aftrek van de beheerkosten – op een bevroren rekening
gestort worden waarover de eigenaar weer kan beschikken als de sanctiemaatregel wordt
ingetrokken. In bepaalde gevallen kan door de beheermaatregel ook schade aan het vastgoed
worden voorkomen. Uiteindelijk zorgt de beheermaatregel ervoor dat de bevroren registergoederen
gebruikt kunnen worden en dat de negatieve gevolgen van de bevriezing voor de eigenaar,
derden en de samenleving als geheel kunnen worden voorkomen. Daarmee is er bij de
beheermaatregel een fair balance tussen de belangen van de eigenaar wiens registergoederen zijn bevroren en de algemene
belangen van de leefbaarheid en veiligheid, alsmede de belangen van de gebruikers
van de bevroren registergoederen.
In het kader van de proportionaliteit in een individueel geval heeft het EHRM geoordeeld
dat personen die worden getroffen door een maatregel een redelijke rechtsbescherming
moet worden geboden om hun zaak voor te leggen aan de verantwoordelijke autoriteiten
en de maatregelen daadwerkelijk aan te vechten.165 Een beheermaatregel wordt vastgelegd in een besluit van de betrokken Minister. Dit
is een besluit in de zin van de Awb waartegen belanghebbenden in bezwaar en beroep
kunnen gaan. De Minister zal in het besluit tot oplegging van de beheermaatregel moeten
onderbouwen waarom deze maatregel in het individuele geval proportioneel is. Hiertegen
kan een belanghebbende bezwaar indienen en ials hij het niet eens is met de uitkomst
van de bezwaarprocedure in twee instanties in beroep gaan bij de bestuursrechter.
Dezelfde redenering gaat op ten aanzien van de inzet van de bevoegdheden op het gebied
van bewind in hoofdstuk 5. Er moet sprake zijn van nadelige gevolgen voor de financiële
stabiliteit of continuïteit van de onderneming als gevolg van de toepassing van een
sanctiemaatregel. Daarmee is er dus al sprake van een aantasting van de (eigendomsrechtelijke)
belangen van de eigenaar van de betreffende onderneming. Verder geldt dat de bevoegdheden
pas kunnen worden ingezet als de toepassing van de sanctiemaatregel ernstige nadelige
consequenties voor anderen tot gevolg heeft. Nadelige consequenties bovendien die
vaak ook gevolgen hebben voor de (sociale) grondrechten van anderen. Om die reden
vindt de regering inmenging die inzet van de bevoegdheden oplevert in het algemeen
proportioneel. Verder zal de evenredigheid van de inzet van de bevoegdheden ook steeds
per geval moeten worden beoordeeld. Hierbij moet de Minister nagaan of de ernstige
maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten de inzet van de bevoegdheden
in het concrete geval rechtvaardigen.
De sancties van de EU bevatten in voorkomend geval ontheffingsmogelijkheden: de bevoegde
autoriteiten in de lidstaat kunnen toestemming geven voor vrijgave van bevroren tegoeden
of economische middelen, in bepaalde gevallen en onder gestelde voorwaarden.166 Dit kan mogelijk als een alternatieve en minder ingrijpende maatregel worden gezien
dan de beheerovername of de benoeming van een bewindvoerder (bijvoorbeeld vrijgave
als dit alleen bestemd is voor de betaling van honoraria of kosten voor alleen het
aanhouden of beheren van bevroren tegoeden of economische middelen).167
De ontheffingsmogelijkheid is een voorziening met een ander doel en om diverse redenen
geen geschikt alternatief. Als een gesanctioneerde eigenaar geen ontheffing vraagt,
komt beheer of de aanstelling van een bewindvoerder of de inrichting van een andere
vorm van een firewall niet tot stand, ook niet waar dat uit maatschappelijk oogpunt
dringend gewenst is. De ontheffing is afhankelijk van de bereidwilligheid van de gesanctioneerde
eigenaar, terwijl het algemeen belang dat in geding is, vereist dat ook beheer moet
kunnen plaatsvinden als de eigenaar dat niet wil.
Met het vrijgeven is niet verzekerd dat het beheer op maatschappelijk verantwoorde
wijze plaatsvindt: de ontheffing is gericht op bescherming van belangen van betrokken
derden, niet op het publiek belang. Voorts bevat de ontheffingsmogelijkheid gebruikelijk
een aantal voorwaarden waaraan een ontheffing moet voldoen, die in veel gevallen belemmerend
zijn (zoals de voorwaarde dat de ontheffing niet ten goede komt aan een gesanctioneerde
persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam). Daarbij is het zo dat het de verwachting
is dat opeenvolgende ontheffingsprocedures tijdrovender, administratief meer belastend
en minder efficiënt zouden zijn dan een eenmalige beheerovername. Ontheffingen moeten
worden verleend voor afzonderlijke beheer- en betalingshandelingen. Tot slot wordt
nog opgemerkt dat uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat de enkele omstandigheid
dat minder belastende alternatieve maatregelen waarmee eenzelfde doel kan worden bereikt
denkbaar zijn, op zichzelf geen grond oplevert voor het oordeel dat er geen evenwichtige
verhouding is tussen het doel en de middelen om dat doel te bereiken zolang de beoordelingsmarge
van de verdragspartij niet overschreden wordt.168
4.1.2. Vrijheid van ondernemerschap
Artikel 16 van het EU-handvest bevat de vrijheid van ondernemerschap. Dit ziet met
name op het recht voor elke onderneming om, binnen de grenzen van de aansprakelijkheid
voor eigen handelingen, vrij te beschikken over de haar ter beschikking staande economische,
technische en financiële middelen. De vrijheid van ondernemerschap heeft geen absolute
gelding, maar moet in relatie tot haar maatschappelijke functie worden beschouwd.169 De mogelijkheid voor de Minister van Economische Zaken om een of meer personen aan
te wijzen die opdrachten kan of kunnen verstrekken aan een onderneming, zoals voorzien
in artikel 5.3 van het wetsvoorstel, grijpt in op de vrijheid van ondernemerschap.
Het achterliggende doel van het aanstellen van een bewindvoerder is het ondervangen
van risico’s op economische, fysieke en sociaalmaatschappelijke schade. De opdrachten
van de bewindvoerder strekken ertoe de continuïteit van de onderneming te waarborgen
of dienen de zorgvuldige afwikkeling van de activiteiten van de onderneming. Daarbij
komt dat, na de aanstelling van de bewindvoerder, de Staat de aansprakelijkheid van
de onderneming overneemt ten aanzien van de door de bewindvoerder verstrekte opdrachten.
Dit alles komt ten bate van de betrokken onderneming. De potentiële inbreuk op de
vrijheid van ondernemerschap is dan ook proportioneel indachtig het hierboven omschreven.
4.1.3 Privacy en de bescherming van persoonsgegevens
Het mogelijk maken en verder bestendigen van verdere gegevensuitwisseling ten behoeve
van sanctienaleving tussen bevoegde autoriteiten (zie uitgebreider daarover paragraaf 3.6)
moet voldoen aan de juridische randvoorwaarden op het gebied van privacy en de bescherming
van persoonsgegevens. De versterkte gegevensuitwisseling moet zich hiertoe verhouden.
Hieronder wordt in dat kader achtereenvolgens ingegaan op de verhouding van het wetsvoorstel
tot het EVRM, het IVBPR, het EU-Handvest, de Grondwet, de AVG en de UAVG. Hierbij
moet aangetekend worden dat de gegevensuitwisseling die mogelijk gemaakt wordt in
dit wetsvoorstel uitdrukkelijk bedoeld is als aanvulling op de gegevensverwerkingsmogelijkheden
op grond van Europese sanctieverordeningen (zie paragraaf 3.6.2). De gegevensuitwisselingsgrondslagen
op basis van die verordeningen zullen in veel gevallen dan ook moeten volstaan. De
mogelijkheden die er al zijn worden toegelicht in paragraaf 3.6.1.
Artikel 8 EVRM en artikel 17 IVBPR beschermen het recht op respect voor het privéleven.
Artikel 8 EVRM bepaalt dat inmenging in de uitoefening van dit recht alleen is toegestaan
voor zover dit bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk
is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch
welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming
van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden
van anderen. Artikel 7 van het EU-Handvest bevat het Unierechtelijke equivalent van
dit grondrecht.
Artikel 10, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat een ieder, behoudens bij of krachtens
de wet te stellen beperkingen, recht heeft op de eerbiediging van zijn persoonlijke
levenssfeer. Voor zover er sprake is van een beperking, dan voldoet deze door de bepalingen
hieromtrent in het wetsvoorstel aan de vereiste specifieke formeel-wettelijke grondslag.
De Grondwet eist, met de bewoordingen «behoudens bij of krachtens de wet te stellen
beperkingen», voor elke beperking een specifieke formeel-wettelijke grondslag.170 Delegatie van de beperkingsbevoegdheid is daarbij toegelaten. De regering gaf in
de memorie van toelichting bij de grondwetsherziening aan dat in artikel 10, eerste
lid, voor een «vrij ruim opgezette beperkingsbevoegdheid» is gekozen in verband met
de omstandigheid dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer op
uiteenlopende gebieden aan de orde kan komen. Ook woog mee dat ten tijde van de totstandkoming
van deze grondwetsbepaling niet volledig was te voorzien welke beperkingen noodzakelijk
zouden zijn.171 Het vereiste van een specifieke formeel-wettelijke grondslag heeft sindsdien in de
jurisprudentie nader inkleuring gekregen. Ten aanzien van het vereiste van specificiteit,
is de rode draad in de jurisprudentie dat uit brede wettelijke taakstellingen niet
allerlei specifieke privacy-beperkende bevoegdheden mogen worden afgeleid.172 De beperking moet voldoende kenbaar en voorzienbaar in de wet zijn omschreven, zo
oordeelde de Hoge Raad in het arrest Zwolsman (1995).173 In 2017 heeft de Hoge Raad dit specificiteitscriterium nader ingekleurd aan de hand
van de jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM): de burger
moet uit het betreffende wettelijke voorschrift met voldoende precisie kunnen opmaken
welke op zijn privéleven betrekking hebbende gegevens met het oog op de vervulling
van een bepaalde overheidstaak kunnen worden verzameld en vastgelegd, en onder welke
voorwaarden die gegevens met dat doel kunnen worden bewerkt, bewaard en gebruikt.174
Aan dat criterium wordt met de in het wetsvoorstel voorgestelde grondslagen op het
gebied van gegevensverwerking, waarbij in ogenschouw moet worden gehouden dat bijvoorbeeld
artikel 8.2.5 alleen een bevoegdheid geeft tot verdere verstrekking van gegevens die
op basis van specifiekere bevoegdheden van de betreffende organisatie zijn verkregen.
Voor de handhaving van de naleving van de internationale sanctiemaatregelen, wordt
het door de regering van groot belang geacht dat die organisaties over dezelfde informatie
beschikken. Dit is bijvoorbeeld van belang wanneer twee organisaties een ontheffingsverzoek
behandelen van dezelfde verzoeker, of vanuit de rol van toezichthouder of handhavingsinstantie
een casus hebben met hetzelfde bedrijf. Het wetsvoorstel bepaalt bovendien dat die
informatie of gegevens niet mogen worden verstrekt als: – het doel waarvoor de gegevens
zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is; – de verstrekking zich niet zou verdragen
met de wet of de openbare orde; – de geheimhouding niet in voldoende mate is geborgd;
– de verstrekking redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen
die het wetsvoorstel beoogt te beschermen; of – onvoldoende is gewaarborgd dat de
gegevens niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden
verstrekt. Deze extra waarborgen zijn in artikel 8.2.5, tweede lid, opgenomen.
Voorts biedt artikel 8.2.2 de grondslag voor de Minister van Economische Zaken om
gegevens te verwerken voor zover dit noodzakelijk is om overeenkomstig dit wetsvoorstel
de eigendomsverhoudingen van of zeggenschap over in Nederland gevestigde ondernemingen
vast te stellen of te beoordelen ten aanzien van de verenigbaarheid met sanctiemaatregelen.
Artikel 8.2.1 schept de mogelijkheid voor het centraal meldpunt sancties om gegevens
over meldingen te verstrekken aan andere bevoegde autoriteiten. Artikel 8.2.5 biedt
een generieke grondslag om gegevens uit te wisselen van en tussen bevoegde autoriteiten
(zie uitgebreider paragraaf 3.6.2). Paragraaf 8.3 van het wetsvoorstel voorziet daarbij
in de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling
nadere regels te stellen op het gebied van gegevensverwerking ter uitvoering van internationale
sanctiemaatregelen. Dit past binnen de grondwettelijke mogelijkheid om de mogelijke
beperking van artikel 10 van de Grondwet te delegeren en biedt daarvoor een voldoende
specifieke formeelwettelijke grondslag. Overkoepelend moet hierbij opgemerkt worden
dat de AVG-rechten in deze gevallen onverkort van toepassing zijn.
De inmenging in het privéleven die de gegevensverwerkingsgrondslagen op grond van
dit wetsvoorstel mogelijk maken is gerechtvaardigd. De inmenging is immers bij de
wet voorzien, waarbij opmerking verdient dat de Europese sanctieverordeningen leidend
zijn en ook wet zijn in de zin van het EVRM. Voorts dient de inmenging het legitieme
doel van het voorkomen van strafbare feiten. De schending van sanctiemaatregelen is
immers een strafbaar feit. Indirect spelen hierbij ook de legitieme doeleinden die
gediend worden met de sanctiemaatregelen zelf (zie paragraaf 1): de handhaving of
het herstel van de vrede, de ondersteuning van de democratische rechtsstaat, mensenrechten,
de beginselen van het internationaal recht, het voorkomen van conflicten, de versterking
van de internationale veiligheid en de bestrijding van terrorisme. Deze doeleinden
vallen deels samen met de legitieme belangen van nationale en openbare veiligheid
in artikel 8 EVRM.
Het specifieke recht op bescherming van persoonsgegevens als grondrecht is daarnaast
vastgelegd in artikel 8 van het EU-Handvest. Op basis van dit artikel moeten gegevens
eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene
of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag. Dit wetsvoorstel voorziet in
zo’n grondslag. Verder bepaalt dit artikel dat eenieder recht heeft op toegang tot
de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan en dat een onafhankelijke
autoriteit toeziet op de naleving van de regels. Een inbreuk op dit grondrecht moet
bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen.
Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen alleen beperkingen worden gesteld,
als zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen
van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van rechten en vrijheden van
anderen.175 De vereisten die gelden op grond van het EU-Handvest worden nader ingevuld door de
AVG en de UAVG, waarin regels worden vastgesteld ter bescherming van natuurlijke personen
bij de verwerking van hun persoonsgegevens. Bij de verwerking van persoonsgegevens
ter uitvoering van Europese sanctieverordeningen moet getoetst worden of de inbreuk
op de grondrechten die dit met zich brengt noodzakelijk is. Daarnaast moet de inbreuk
daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang
of aan de eisen van de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.176 Deze belangenafweging wordt gedaan door de partijen die de persoonsgegevens verwerken.
Tot slot is het niet zo dat de verwerking van persoonsgegevens op basis van dit wetsvoorstel
– ter uitvoering van en in aanvulling op EU-sanctieverordeningen – waarschijnlijk
een hoog risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.177 Er hoeft daarom geen gegevensbeschermingseffectbeoordeling (Data Protection Impact Assessment, hierna DPIA) te worden uitgevoerd op het wetsvoorstel als zodanig. Niettemin kan
de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen natuurlijk wel degelijk risico’s
met zich brengen voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen. De regering
acht het dan ook raadzaam dat uitvoeringsorganisaties DPIA’s uitvoeren voor de persoonsgegevensverwerkingen
waarvoor zij verwerkingsverantwoordelijk zijn ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen
in den brede. Die verwerkingen zullen immers veelal voortvloeien uit de rechtsgrondslagen
in Europese sanctieverordeningen en zijn derhalve niet beperkt tot wat dit wetsvoorstel
regelt (zie hierover uitgebreid paragraaf 3.6). Het verrichten van een uitvoeringsDPIA
is in het bijzonder geboden als er sprake zou zijn van het verwerken van gevoelige
gegevens of gegevens van zeer persoonlijke aard, of in voorkomend geval van matching
of samenvoeging van datasets.178 Gezien de taken van het centraal meldpunt sancties (zie paragraaf 3.7), namelijk
het ontvangen, delen en analyseren van informatie, zal het centraal meldpunt uitdrukkelijk
een uitvoeringsDPIA moeten doen. Daarbij zal in ieder geval aan de orde moeten komen
in hoeverre de gegevensverwerking door het centraal meldpunt sancties gepseudonimiseerd
zal kunnen plaatsvinden. Bij dit alles geldt overkoepelend dat het in het algemeen
doelmatig is om DPIA’s niet uit te voeren bij het ontwerpen van de wetgeving, maar
na de vaststelling daarvan. Als een DPIA wordt uitgevoerd tijdens het opstellen van
wetgeving die een rechtsgrond voor een verwerking biedt, zal die beoordeling waarschijnlijk
moeten worden herzien voordat de verwerkingen worden uitgevoerd, aangezien de goedgekeurde
wetgeving dusdanig van de voorgestelde wetgeving kan afwijken dat de afwijking gevolgen
heeft voor privacy- en gegevensbeschermingskwesties. Bovendien zijn er op het moment
dat de wetgeving wordt aangenomen mogelijk niet genoeg technische gegevens beschikbaar
met betrekking tot de feitelijke verwerking, zelfs als deze gepaard ging met een DPIA.
In dergelijke gevallen kan het nog steeds nodig zijn om een specifieke DPIA uit te
voeren voordat de werkelijke verwerkingen worden uitgevoerd. Aldus de European Data Protection Board.179
Voor politie en justitie zijn in dit verband relevant de Wet politiegegevens en de
Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Deze wetten vloeien voort uit de Richtlijn
gegevensbescherming bij rechtshandhaving.180 Waar de AVG geldt bij privaatrechtelijke en bestuursrechtelijke rechtsverhoudingen,
gelden de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens in
het strafrechtelijke domein. Voor de strafrechtelijke handhaving van sanctiemaatregelen
op grond van dit wetsvoorstel is de Wet politiegegevens van belang. De rollen die
de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) en de Financial Intelligence Unit
Nederland (FIU-NL) hebben in het sanctielandschap vallen voor wat betreft de verwerking
van persoonsgegevens onder het kader van de Wet politiegegevens. Politiegegevens kunnen
op grond van de Wet politiegegevens alleen structureel worden verstrekt aan bevoegde
autoriteiten buiten het politiedomein, als de Wet politiegegevens of het Besluit politiegegevens
daarin voorziet. Dat is ten aanzien van de uitvoering van sancties slechts beperkt
het geval, namelijk binnen de samenwerkingsverbanden Financieel Expertise Centrum
(FEC) en de infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (iCOV) (zie uitgebreider
paragraaf 5.1). Wel kent de Wet politiegegevens de mogelijkheid om incidenteel aan
derden politiegegevens te verstrekken, voor zover dit noodzakelijk is met het oog
op een zwaarwegend algemeen belang, en in overeenstemming met het Openbaar Ministerie.
Dit kan onder meer met het doel strafbare feiten te voorkomen en op te sporen, en
ten behoeve van het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving.181 Deze mogelijkheid om incidenteel aan derden politiegegevens te verstrekken kan daarmee
ook incidenteel benut worden met betrekking tot het toezicht op de naleving van sanctiemaatregelen
en het voorkomen en opsporen van sanctieschendingen.
Zoals toegelicht in paragraaf 2.4 werken verordeningen rechtstreeks door in de nationale
rechtsorde. Voor zover sanctieverordeningen geen uitdrukkelijke grondslag bieden voor
de verwerking van persoonsgegevens, is het op basis van de delegatiegrondslagen in
artikel 8.3.1 mogelijk om een specifieke gegevensverstrekking tussen bevoegde autoriteiten
te verduidelijken en concretiseren in een sanctiebesluit of -regeling. Bij het benutten
van die grondslag voor gedelegeerde regelgeving, moet de toelichting aandacht besteden
aan de verenigbaarheid met het hogere recht (waaronder de grondrechten) van die concrete
verwerkingen.
Verder is er overkoepelend een restgrondslag opgenomen in artikel 8.2.5 voor de verstrekking
van gegevens aan bij de sanctieregelgeving betrokken instanties. Zoals ook toegelicht
in paragraaf 3.6 en in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 8.2.5, vindt hier
de afweging voor de verenigbaarheid met het hogere recht plaats bij de concrete verstrekking.
4.1.4. Recht op een eerlijk proces en het recht op advocatuurlijke bijstand zonder
overheidsinmenging
Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen
van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op
een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn,
door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld (zie voor
een bespreking van de rechtsbescherming meer in het algemeen, hoofdstuk 6).182 Eenieder tegen wie vervolging is ingesteld heeft daarbij het recht zichzelf te verdedigen
of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze. Als hij niet over
de daarvoor benodigde middelen bezit, heeft hij het recht om kosteloos door een toegevoegd
advocaat te kunnen worden bijgestaan, als de belangen van een behoorlijke rechtspleging
dit vereisen.183 Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) blijkt
dat advocatuurlijke bijstand zonder overheidsinmenging hier onderdeel van uitmaakt.
Het EHRM spreekt in dit kader in zijn rechtspraak over de «de onafhankelijkheid van
de advocatuur ten opzichte van de staat».184 Vanuit het Toezicht op de Advocatuur is in de internetconsultatie ook op het belang
hiervan gewezen. Gelet op de noodzakelijke onafhankelijkheid van de advocatuur wordt
het niet als passend gezien dat advocatenkantoren onderwerp zouden kunnen zijn van
bewind in de zin van dit wetsvoorstel (zie uitgebreid daarover paragraaf 3.4.1). Dit
is ten opzichte van de geconsulteerde versie van het wetsvoorstel verduidelijkt. Dit
instrumentarium zou ten aanzien van de advocatuur bovendien van minder waarde zijn,
nu advocaten met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel onder de reikwijdte van
het bestuursrechtelijk sanctiewettoezicht worden gebracht (zie paragraaf 3.8).
4.2. Verhouding tot (lopende) Europese wetstrajecten
Het onderhavige wetsvoorstel is relevant in het licht van een aantal voorstellen die
op dit moment worden behandeld binnen de EU, of waarvan de behandeling recentelijk
is afgerond:
• de verordening over de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor
het witwassen van geld of financieren van terrorisme (AMLR);
• de richtlijn over de door de lidstaten in te voeren mechanismen ter voorkoming van
het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of financieren
van terrorisme (AMLD6);
• de verordening betreffende bij geldovermakingen en overdrachten van bepaalde cryptoactiva
te voegen informatie en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849;
• de verordening tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 260/2012 en (EU) 2021/1230
wat betreft instant-overmakingen in euro;
• de richtlijn strafbaarstelling schending van beperkende maatregelen van de EU;185
• de richtlijn ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen; en
• de mededeling en het voorstel voor een verordening tot vaststelling van een nieuw
Douanewetboek van de Unie.
Het belang van de verhouding van dit wetsvoorstel tot bovengenoemde trajecten is tweeledig.
Enerzijds moet het voorstel binnen de EU-rechtelijke kaders passen, zijnde hoger recht.
Anderzijds bevatten deze Europese rechtshandelingen ook verplichtingen die zien op
de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen in het algemeen. Dat betekent
dat deze niet (langer) in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen kunnen of hoeven
te worden.
De eerste drie hierboven genoemde voorstellen zijn aangenomen en onderdeel van het
zogenoemde Anti-money laundering and countering the financing of terrorism pakket
(AML/CFT-pakket). Vanwege hun onderlinge verwevenheid worden deze hieronder gezamenlijk
behandeld.
4.2.1. Het Europese AML/CFT-pakket (AMLR, AMLD en TFR)
Op 19 juni 2024 zijn de laatste twee onderdelen, AML-verordening en AML-richtlijn,
van het Europese AML/CFT-pakket gepubliceerd in het Publicatieblad van de EU. De belangrijkste
regels hieruit die verband houden met de naleving van sancties worden 10 juli 2027
van toepassing. Hierin zitten wijzigingen op het gebied van gerichte financiële sancties
die raken aan de modernisering van de Sanctiewet 1977. De grootste wijziging, die
relevant is voor de Sanctiewet 1977, is dat in de AML-verordening ook bedrijfsvoeringsregels
zijn opgenomen over de naleving van gerichte financiële sancties door private partijen.
Door het regelen van specifieke bedrijfsvoeringsregels in een Europese verordening
wordt het bestaande Sanctiewet-toezicht op de bedrijfsvoering (uit de Sanctiewet 1977)
deels vervangen vanaf 10 juli 2027. Tegelijkertijd wordt hiermee het toezicht op de
naleving van sancties uitgebreid naar meer partijen, zullen toezichthouders moeten
worden aangewezen en zijn de regels waaraan de private partijen zich moeten houden
nader gemoderniseerd en geharmoniseerd.
Het AML/CFT-pakket beslaat echter niet het volledige terrein van de naleving van sancties.
De bedrijfsvoeringsregels uit het AML/CFT-pakket zijn namelijk gericht op de naleving
van gerichte financiële sancties. Naast gerichte financiële sancties zullen personen
en bedrijven in Europa zich ook moeten vergewissen van sectorale maatregelen die direct
kunnen raken aan de door hen uitgevoerde activiteiten. Het zal daarom nodig zijn om
voor sommige groepen nationaal nadere regels te (blijven) stellen om ervoor te zorgen
dat zij beter rekening houden met alle voor hen geldende sanctiemaatregelen in hun
bedrijfsvoering. Er is voor gekozen om een tweede tranche wetgeving te starten als
onderdeel van de Wet internationale sanctiemaatregelen waarin het huidige toezicht
op de bedrijfsvoering uit de Sanctiewet 1977 wordt aangepast in het licht van de Europeesrechtelijke
ontwikkelingen. Doordat deze verordening nadere eisen stelt aan onderdelen van de
bedrijfsvoering is de ruimte en wenselijkheid beperkt om ten aanzien van hetgeen is
bepaald nog nationaal nadere voorschriften uit te vaardigen. Daarbij is het van belang
op te merken dat de Europese wetgever heeft aangegeven dat deze verordening niet de
bestaande verplichtingen om cliënten te controleren in het kader van financiële sancties
die voortvloeien uit andere EU-regels of nationale wetgeving vervangen.186
Ook de AML-richtlijn bevat regels over gerichte financiële sancties die geïmplementeerd
moeten worden door de lidstaten. Deze zien onder andere op het (laten) uitvoeren van
een national risk assessment, de rol van de UBO-registers, de Financial Intelligence
Unit en het samenwerken tussen bevoegde autoriteiten. De regels uit het AML/CFT-pakket
worden in een apart wetsvoorstel geïmplementeerd in Nederland.
Vooruitlopend op de aanname van de AMLR en AMLD nam de EU, als onderdeel van het AML/CFT-pakket,
de Verordening betreffende bij geldovermakingen en overdrachten van bepaalde cryptoactiva
te voegen informatie aan. Dit staat beter bekend onder de naam Transfer of Funds Regulation (TFR). Ook in deze verordening staan verplichtingen opgenomen die raken aan de naleving
van sanctiemaatregelen voor de (intermediaire) betalingsdienstaanbieders en aanbieders
van cryptoactivadiensten die hieronder vallen. Zo bevat het een verplichting om te
beschikken over interne beleidsregels, procedures en controles ter uitvoering van
beperkende maatregelen wanneer deze aanbieders geld overmaken of crypto-activa overdragen
(zie paragraaf 5.4).
4.2.2. Verordening betreffende instantovermakingen in Euro
Op 8 april 2024 is Verordening (EU) 2024/886 wat betreft instantovermakingen in euro’s
van kracht geworden.187 Deze verordening wijzigt, onder andere, de verordening betreffende de gemeenschappelijke
eurobetalingsruimte (SEPA) van 2012 met betrekking tot standaardovermakingen in
euro, door daaraan specifieke bepalingen toe te voegen voor instantovermakingen in
euro. Hiermee wordt de onmiddellijke uitvoering van overmakingen in euro’s tussen
betalingsdienstaanbieders binnen de Unie verder gereguleerd.
Om te voorkomen dat de onmiddellijke uitvoering van overmakingen tussen Europese betalingsdienstaanbieders
wordt belemmerd, is bepaald dat geen sanctie-screening meer mag worden toegepast bij
de onmiddellijke uitvoering van overmakingen. Tegelijkertijd worden er eisen gesteld
aan de screening op gerichte financiële sancties die de betalingsdienstaanbieders
moeten toepassen ten aanzien van hun betalingsdienstgebruikers. De ratio hierachter
is dat elke afzonderlijke betalingsdienstaanbieder ervoor zorgt dat gerichte financiële
sanctiemaatregelen effectief worden toegepast zodat de screening van onderlinge onmiddellijke
geldovermakingen achterwege kan blijven. Doordat deze verordening nadere eisen stelt
aan de screening is de ruimte en wenselijkheid beperkt om ten aanzien van hetgeen
is bepaald nog nationaal nadere voorschriften uit te vaardigen. Tegelijkertijd heeft
de Europese wetgever hierbij tevens aangegeven dat deze verordening moet worden toegepast
onverminderd de nationale beperkende maatregelen en beperkende maatregelen van de
Unie op basis waarvan passende maatregelen kunnen worden voorgeschreven.188
4.2.3. Richtlijn strafbaarstelling schending beperkende maatregelen van de EU
Op 28 november 2022 is schending van beperkende maatregelen van de Unie aangemerkt
als vorm van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie.189 Hierdoor is het mogelijk om minimumvoorschriften vast te stellen betreffende de bepaling
van strafbare feiten en sancties in verband met de schending van beperkende maatregelen
van de Unie.190 Op grond daarvan is op 24 april 2024 de richtlijn strafbaarstelling schending beperkende
maatregelen van de EU aangenomen (hierna: richtlijn strafbaarstelling).191 Nederland is vanaf het begin van de onderhandelingen een groot voorstander geweest
van de EU-brede harmonisatie op dit terrein. Aanleiding voor de richtlijn zijn de
grote verschillen tussen lidstaten in de mogelijkheid (strafrechtelijk) op te treden
tegen overtreding van beperkende EU-maatregelen. Door harmonisatie van de strafbaarstelling
wordt het risico op forumshopping beperkt. Daarnaast verbetert het voorstel mogelijkheden
tot internationale samenwerking tussen lidstaten. Het voorstel moedigt stafrechtelijke
handhaving aan maar sluit bestuursrechtelijke handhaving niet uit.192
Naast het voorzien in minimumvoorschriften en sancties, verplicht de richtlijn strafbaarstelling
ook tot het nemen van de nodige maatregelen om de bevriezing en confiscatie van de
opbrengsten van sanctieschendingen mogelijk te maken.193 Ook verplicht de richtlijn tot de nodige maatregelen om gesanctioneerde tegoeden
of goederen te bevriezen en te confisqueren wanneer een gesanctioneerde persoon of
een vertegenwoordiger van een gesanctioneerde entiteit beperkende maatregelen schendt.194 Voorts voegt de richtlijn de schending van EU-sancties toe aan de lijst met gronddelicten
in de richtlijn voor de strafrechtelijke aanpak van witwassen (2018/1673), waardoor
regels en bevoegdheden met betrekking tot die gronddelicten ook gelden voor de schending
van EU-sancties.195 Tot slot verplicht de richtlijn om ervoor te zorgen dat er doeltreffende en evenredige
onderzoeksmiddelen zijn om sanctieschendingen te onderzoeken en te vervolgen. Waar
passend omvatten die middelen speciale onderzoeksmiddelen, zoals die welke worden
ingezet bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit.196
In Nederland is de overtreding van internationale sanctiemaatregelen al strafbaar
op grond van de Sanctiewet 1977 in combinatie met de Wet op de economische delicten.
De Wet internationale sanctiemaatregelen blijft vasthouden aan deze systematiek. Op
28 april 2025 is mede in dat licht medegedeelddat de richtlijn is geïmplementeerd
door middel van bestaande regelgeving.197
4.2.4. Confiscatierichtlijn
Op 24 april 2024 is ook de richtlijn betreffende ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen
vastgesteld (hierna: Confiscatierichtlijn).198 Hoewel dit wetsvoorstel niet dient ter implementatie van de Confiscatierichtlijn,
betreft de Confiscatierichtlijn deels het onderwerp sancties. Dat wordt hieronder
kort toegelicht, ook om duidelijk te maken dat de daarin vervatte materie voor wat
betreft sancties, dus niet in dit voorstel geregeld hoeft te worden. De Confiscatierichtlijn
stelt minimumvoorschriften voor confiscatie in het kader van procedures in strafzaken
en is ook van toepassing op de strafbare feiten die vallen onder de richtlijn strafbaarstelling.
Hierdoor is het mogelijk om tegoeden te confisqueren van partijen die de EU-sancties
niet naleven.199 Lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om de snelle opsporing en identificatie
mogelijk te maken van goederen die het voorwerp zijn of worden van bevriezings- of
confiscatiebevelen op grond van de richtlijn strafbaarstelling.200
Bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen (ARO’s)
Krachtens het Kaderbesluit van 2007 van de Raad betreffende de bureaus voor de ontneming
van vermogensbestanddelenmoeten de lidstaten bureaus voor de ontneming van vermogensbestanddelen
(Asset Recovery Offices, hierna: ARO’s) oprichten.201 De Confiscatierichtlijn vervangt onder meer dat Kaderbesluit en bevat ook bepalingen
over ARO’s. In aanvulling op de huidige regels krijgen ARO’s onder meer de taak gegevens
uit te wisselen met ARO’s in andere lidstaten, ook in het kader van het voorkomen,
opsporen en onderzoeken van de schending van EU-sancties. Om de opsporing van strafbare
feiten die verband houden met de schending van EU-sancties te vergemakkelijken, krijgen
ARO’s de bevoegdheid om goederen van gesanctioneerde personen op te sporen en te identificeren,
als dat nodig is om de opsporing van sanctieschendingen te vergemakkelijken. Nationale
bevoegde autoriteiten moeten daartoe een verzoek doen dat is gebaseerd op aanwijzingen
en redelijke gronden om aan te nemen dat een dergelijk strafbaar feit is gepleegd.202 Voor hun taken op het gebied van sancties, moeten ARO’s ook toegang hebben tot bepaalde
openbare registers.203 Voorts moeten ARO’s gegevens kunnen uitwisselen met ARO’s in andere lidstaten, ook
met betrekking tot sanctieschendingen.204 In dat verband moeten ARO’s ook de bevoegdheid hebben onmiddellijk op te treden om
goederen veilig te stellen met het oog op de tijdelijke bevriezing van het betrokken
voorwerp.205 Het kabinet heeft de uitbreiding van de bevoegdheden van de ARO’s om sanctieovertredingen
te kunnen detecteren en vermogen te kunnen bevriezen en confisqueren van partijen
die sancties niet naleven verwelkomd. Dit is belangrijk om ervoor te zorgen dat sancties
effect hebben.206
Geconfisqueerde goederen en het gebruik daarvan
De Confiscatierichtlijn moedigt lidstaten aan om de nodige maatregelen te treffen
op basis waarvan geconfisqueerde goederen waar passend kunnen worden gebruikt voor
het algemeen belang of maatschappelijke doeleinden.207 In dat kader biedt de Confiscatierichtlijn lidstaten ook de mogelijkheid om in verband
met sanctieschendingen geconfisqueerde hulpmiddelen, opbrengsten of goederen te gebruiken
om bij te dragen aan mechanismen ter ondersteuning van derde landen die getroffen
zijn door situaties waarvoor beperkende maatregelen van de Unie zijn genomen. Het
gaat dan met name om aanvalsoorlogen.208 De Commissie moet de samenwerking tussen de lidstaten onderling en met derde landen
vergemakkelijken en kan richtsnoeren verstrekken over de meest doeltreffende procedures
en financiële mechanismen die beschikbaar zijn om dergelijke derde landen te ondersteunen,
teneinde het gebruik van geconfisqueerde hulpmiddelen, opbrengsten of goederen voor
dat doel te bevorderen. 209
Bureaus voor vermogensbeheer (AMO’s)
Nadat vermogensbestanddelen zijn bevroren of geconfisqueerd moet elke lidstaat het
beheer van dit vermogen onderbrengen bij een daarvoor aangewezen Bureau voor vermogensbeheer
(Asset Management Office, hierna: AMO).210 AMO’s hebben onder meer tot taak om te zorgen voor een efficiënt beheer van bevroren
en geconfisqueerde goederen, hetzij door die rechtstreeks te beheren, hetzij door
steun en expertise te verlenen aan andere bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk
zijn voor het beheer van bevroren en geconfisqueerde goederen.211 Deze regels zijn ook van toepassing op voorwerpen die zijn geïdentificeerd in het
kader van de uitvoering van beperkende maatregelen van de Unie, voor zover deze zijn
bevroren in verband met strafrechtelijke onderzoeken, zoals de schending van EU-sancties.212 Lidstaten kunnen daarbij vereisen dat de kosten voor het beheer van bevroren goederen
ten minste gedeeltelijk ten laste komen van de uiteindelijk begunstigde.213 Ook moeten lidstaten ervoor zorgen dat goederen die het voorwerp zijn van een bevriezingsbevel
nog vóór een definitief confiscatiebevel kunnen worden overgedragen of verkocht als
de opslag- of onderhoudskosten van de goederen niet in verhouding staan tot de marktwaarde
ervan.214
4.2.5. Mededeling en Verordening nieuw Douanewetboek van de Unie
In de uitvoering van internationale sancties is het toezicht van de Douane onderhevig
aan de bevoegdheden en werkwijze die het Douanewetboek van de Unie voorschrijft. Op
17 mei 2023 heeft de Europese Commissie haar voorstel voor een hervorming van het
Douanewetboek van de Unie gepubliceerd.215 Dit voorstel moet leiden tot een toekomstbestendige, eenvoudigere en meer data-gedreven
douane-unie. Dit wetboek schept het kader waaronder de Douane kan handelen en haar
toezicht kan regelen op de goederen die de douane-unie binnenkomen en verlaten. De
handhaving van internationale sanctiemaatregelen is onderdeel van dit toezicht en
douaneautoriteiten worden verplicht alle nodige maatregelen te nemen om aan EU-sancties
te voldoen, rekening houdend met de richtsnoeren van de EU-douaneautoriteit.216
Risicoprioritering
In het voorstel krijgt de Commissie de rol om gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden
en gemeenschappelijke risicocriteria en -normen vast te stellen voor elk soort risico.217 De handhaving van sancties tegen Rusland wordt als een voorbeeld genoemd van een
besluit over risicoprioritering.218
Samenwerking Douane met andere autoriteiten
Het voorstel bevat ook een kader voor de samenwerking tussen douaneautoriteiten en
andere autoriteiten op nationaal niveau op het gebied van andere door de douaneautoriteiten
toegepaste wetgeving.219 Ook kunnen douaneautoriteiten overeenkomstig de andere door de douaneautoriteiten
toegepaste wetgeving, bepaalde maatregelen nemen. Deze omvatten onder meer het waarschuwen
van andere autoriteiten voor risico’s die relevant zijn voor hun werkzaamheden, en
het verrichten van follow-up wanneer het goederenverkeer inbreuk maakt op andere door
de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.220 Dit is ook voor de uitvoering van sancties relevant.
Sanctie-taken EU-hub voor douanegegevens
De EU-hub voor douanegegevens biedt een beveiligde omgeving van elektronische diensten
voor het gebruik van gegevens voor douanedoeleinden en heeft in die voorgestelde opzet
ook een rol met betrekking tot het toezicht op handelssancties. Personen kunnen onder
voorwaarden toegang krijgen tot de EU-hub voor douanegegevens opgeslagen gegevens.
Eén van de voorwaarden voor toegang is om te voldoen aan de rapportageverplichtingen
van die persoon uit hoofde van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.221 Hieronder vallen ook de rapportageverplichtingen met betrekking tot EU-handelssancties.
Een douaneautoriteit kan de in de EU-hub voor douanegegevens opgenomen gegevens onder
meer verwerken voor het vervullen van haar taken met betrekking tot de uitvoering
van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.222 Ook de Commissie kan deze gegevens verwerken, voor zover dit noodzakelijk is voor
het doel om toe te zien op de uitvoering en het waarborgen van de uniforme toepassing
van andere door de douaneautoriteiten toegepaste wetgeving.223
Sanctie-taken EU-douaneautoriteit
Het voorstel voorziet in de oprichting van een EU-douaneautoriteit. Onderdeel van
haar taken is het ondersteunen van de Commissie en de lidstaten in het tegengaan van
sanctieomzeiling.224 De EU-douaneautoriteit krijgt meer algemeen de taak bij te dragen aan de correcte
toepassing van EU-sancties, door toe te zien op de uitvoering ervan op de onder haar
bevoegdheid vallende gebieden.225 Ook krijgt de EU-douaneautoriteit de bevoegdheid om de douaneautoriteiten passende
richtsnoeren te verstrekken op het gebied van sancties.226 De douaneautoriteiten moeten tot slot de EU-douaneautoriteit, de Commissie en de
nationale autoriteiten die bevoegd zijn voor de uitvoering van sancties, in kennis
stellen van elk vermoeden en van elk geval van sanctieontwijking en van de risicobeperkende
maatregelen die zij in dat verband hebben genomen.227
4.3. Rijkssanctiewet
Sanctiemaatregelen van de EU werken niet automatisch door op grond van het EU-recht
in de autonome landen van het Caribische deel van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en
Sint Maarten). Om de eenheid van het buitenlandse beleid van het Koninkrijk te waarborgen,
regelt de Rijkssanctiewet228 de toepassing van Europese sanctiemaatregelen in Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
De Rijkssanctiewet is op 1 januari 2017 in zijn geheel in werking getreden voor Curaçao
en gedeeltelijk voor Aruba, Sint Maarten en Nederland.229
De gedeeltelijke inwerkingtreding voor Aruba, Sint Maarten en Nederland is beperkt
tot de bepaling dat Aruba, Curaçao en Sint-Maarten betrokken worden bij de standpuntbepaling
van Nederland met het oog op de totstandkoming van GBVB-besluiten en verordeningen.230
Voor Curaçao geldt aanvullend dat bestaande en toekomstige Europese sanctieverordeningen
rechtstreeks van overeenkomstige toepassing zijn op Curaçao.231 Curaçao moet daarbij alle voorzieningen treffen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van Europese sanctieverordeningen (zoals handelsbeperkingen en bevriezing van tegoeden)
en sanctiebesluiten (zoals wapenembargo’s en visumbeperkingen).232
De rechtstreekse overeenkomstige toepassing van Europese sanctieverordeningen geldt
niet voor Aruba en Sint Maarten.233 Aruba en Sint Maarten voorzien derhalve in (eigen) nationale regelgeving op grond
waarvan sanctiebesluiten en verordeningen daar van toepassing zijn. In Aruba gebeurt
dit op basis van de Sanctieverordening 2006.234 In Sint Maarten is de wettelijke basis hiervoor de Sanctielandsverordening houdende
regels om ter uitvoering van internationale verplichtingen beperkingen vast te stellen
voor de betrekkingen met bepaalde staten, gebieden, individuele personen, groepen
en organisaties.235
5. Verhouding tot andere nationale regelgeving
In dit hoofdstuk wordt aangeduid hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot aanverwante
nationale regelgeving en regelgeving die op het moment van schrijven nog in voorbereiding
is. Hierbij is de keuze gemaakt om in dit hoofdstuk alleen in te gaan op regelgeving
die raakt aan het wetsvoorstel maar hierdoor niet gewijzigd wordt. Dit laatste komt
aan de orde in hoofdstuk 10 van het artikelsgewijze deel van deze toelichting. De
verhouding tot regelgeving in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba(BES)
komt in paragraaf 8.3 van het algemeen deel van deze toelichting aan bod. De rechtsbeschermingsaspecten
worden besproken in hoofdstuk 6.
5.1. Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden
Op 19 juni 2024 is de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (WGS) door
de Eerste Kamer aangenomen. Deze wet strekt er toe om de verwerking van persoonsgegevens
en andere gegevens door samenwerkingsverbanden van een adequate juridische basis te
voorzien. In twee van deze samenwerkingsverbanden worden gezamenlijk gegevens verwerkt
op het gebied van sancties: het Financieel-Expertisecentrum (FEC) en de Infobox Crimineel
en Onverklaarbaar Vermogen (iCOV).
5.1.1. Financieel-Expertisecentrum (FEC)
Het FEC is een samenwerkingsverband van diverse overheidsorganisaties dat als doel
heeft de integriteit van de financiële sector te versterken. De deelnemers in het
FEC treden gezamenlijk op tegen bedreigingen en risico’s ten aanzien van de integriteit
van de financiële sector, houden toezicht op de naleving van de hiervoor relevante
regelgeving of handhaven deze waar nodig. Deelnemers aan het FEC zijn het Openbaar
Ministerie, de Politie, de Financial Intelligence Unit-Nederland (FIU), de Rijksbelastingdienst,
de FIOD, de AFM, DNB en het BFT.
Verschillende leden van het FEC houden zich dus bezig met de handhaving van sancties.
Het gaat bijvoorbeeld om de toezichtstaken van DNB en AFM op grond van de Sanctiewet
1977.236 Verder maakt de strafrechtelijke handhaving van sanctieschendingen onderdeel uit
van de algemene taken en bevoegdheden van het Openbaar Ministerie, en de bijzondere
opsporingstaak van de FIOD.237 Ook kunnen meldingen van ongebruikelijke transacties bij de FIU-NL betrekking hebben
op financiële diensten of transacties waarbij gesanctioneerde personen of entiteiten
betrokken zijn (zie ook paragraaf 6),238 waardoor ook die gegevens binnen het FEC verwerkt kunnen worden.239
De politie en de FIOD kunnen in dit verband ook politiegegevens verstrekken aan het
FEC. Politiegegevens moeten verstrekt worden, voor zover noodzakelijk voor het doel
van het FEC, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten.240 Het Openbaar Ministerie kan in dit kader ook justitiële en strafvorderlijke gegevens
verstrekken, en moet dit doen voor zover noodzakelijk voor het doel van het FEC, tenzij
zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten.241
5.1.2. Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (iCOV)
De iCOV is een samenwerkingsverband van diverse overheidsorganisaties, waaronder het
Openbaar Ministerie, de politie, de Koninklijke Marechaussee, de FIU, de bijzondere
opsporingsdiensten en DNB. De iCOV stelt rapportages samen die bijdragen aan de bestrijding
van diverse vormen van financieel-economische criminaliteit. Het gaat daarbij voor
het overgrote deel om verschijnselen die een ondermijnend karakter hebben en hun tentakels
uitsteken tot diep in de verschillende sectoren van de samenleving. De rapportages
van iCOV maken inzichtelijk waar het criminele of fiscale ontdoken vermogen wordt
verborgen. Ze tonen tevens welke sleutelfiguren zich hiermee bezighouden. Het geldspoor
volgen is daarbij van onschatbare waarde om de daadwerkelijk belanghebbenden te traceren
en de modus operandi bloot te leggen. Dit is allereerst van belang bij het oplossen
van strafrechtelijke, fiscale of bestuurlijke cases. Maar de rapportages dragen ook
bij aan een meer strategisch inzicht over waar bepaalde problemen zich voordoen en
wat de kenmerken hiervan zijn. Dit maakt een effectievere inzet van mensen en middelen
mogelijk en zorgt dat barrières kunnen worden opgeworpen tegen (de facilitering van)
criminele geldstromen. Er speelt nog een ander belang. Door crimineel of fiscaal ontdoken
vermogen af te pakken, wordt de stimulans om met ondermijnende activiteiten door te
gaan onaantrekkelijker gemaakt.
De deelname van DNB in de iCOV is expliciet mede vanuit de uitoefening van haar taak
op grond van de Sanctiewet 1977.242 Voor de overige deelnemers geldt dat de uitoefening van hun bevoegdheden op sanctiegebied,
onderdeel uitmaken van de taakuitoefening waarvoor ze aan de iCOV deelnemen. Zo maakt
de strafrechtelijke handhaving van sanctieschendingen onderdeel uit van de algemene
taken en bevoegdheden van het Openbaar Ministerie, en de bijzondere opsporingstaken
van bijzondere opsporingsdiensten zoals de FIOD en de Inlichtingen- en Opsporingsdienst
van de Inspectie Leefomgeving en Transport.243 Ook kunnen meldingen van ongebruikelijke transacties bij de FIU-NL een sanctiecomponent
hebben,244 waardoor ook die gegevens binnen de iCOV verwerkt kunnen worden.245
De politie, de Koninklijke Marechaussee en de bijzondere opsporingsdiensten kunnen
in dit verband ook politiegegevens verstrekken aan de iCOV. Politiegegevens moeten
verstrekt worden, voor zover noodzakelijk voor het doel van de iCOV, tenzij zwaarwegende
redenen zich daartegen verzetten.246 Het Openbaar Ministerie kan in dit kader ook justitiële en strafvorderlijke gegevens
verstrekken, en moet dit doen voor zover noodzakelijk voor het doel van de iCOV, tenzij
zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten.247
5.1.3. Wijziging Sanctiewet 1977
Met de inwerkingtreding van de WGS is ook de Sanctiewet 1977 gewijzigd, door daarin
een uitzonderingsbepaling op de geheimhoudingsplicht toe te voegen voor de verstrekking
aan een samenwerkingsverband in de zin van de WGS.248 Dit maakt het mogelijk dat de AFM en DNB vanuit hun Sanctiewet-taken kunnen deelnemen
aan samenwerkingsverbanden en dat zij gegevens die zij op grond van de Sanctiewet
1977 verkrijgen, ook kunnen uitwisselen in FEC en iCOV verband.249
5.2. Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid
De Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid regelt een aantal
taken van de Minister van Justitie en Veiligheid op het terrein van de bestrijding
van terrorisme en bescherming van de nationale veiligheid en de daarmee gepaard gaande
verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens.250 Deze wet bevat ook een grondslag op basis waarvan overheidsorganisaties (persoons)gegevens
kunnen verstrekken aan de Minister van Justitie en Veiligheid ten behoeve van zijn
coördinatietaak op grond van de wet. De Minister van Buitenlandse Zaken kan in dat
verband de (persoons)gegevens die worden verwerkt in verband met zijn taken en bevoegdheden
op grond van de bij of krachtens de Sanctiewet 1977 gestelde regels aan de Minister
van Justitie en Veiligheid verstrekken.251 Het doel van deze gegevensverstrekking moet verenigbaar zijn met het doel waarvoor
deze gegevens zijn verzameld. Op zijn beurt kan de Minister van Justitie en Veiligheid
ten behoeve van zijn coördinatietaak ook (persoons)gegevens verstrekken aan de Minister
van Buitenlandse Zaken.252 De Minister van Justitie en Veiligheid kan hierbij ook bijzondere persoonsgegevens
en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard verwerken.253
5.3. Het recht van enquête (artikelen 2:344–359 BW)
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft ten aanzien van de bepalingen omtrent
de continuïteit en afwikkeling van ondernemingen geadviseerd de mogelijkheden die
het burgerlijk recht thans al biedt in het kader van de enquêteprocedure te betrekken.
De regering heeft dit nader bezien en concludeert dat het enquêterecht voor de bevoegde
vennootschapsorganen geen alternatief biedt voor de bewindvoerder. Evenmin kan de
mogelijkheid die de enquêteprocedure de advocaat-generaal (A-G) bij het ressortsparket254 biedt om een verzoek te doen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid
en de gang van zaken bij een rechtspersoon om redenen van openbaar belang een alternatief
zijn voor de voorgestelde bewindvoerder.
Het gaat bij enquêteprocedures om een door de Ondernemingskamer (OK) gelast onderzoek
naar het beleid en gang van zaken binnen een rechtspersoon. De OK kan een enquête
gelasten wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang
van zaken te twijfelen. Als de OK gegronde redenen aanwezig acht om aan juist beleid
te twijfelen, gaat zij over tot de benoeming van een of meer onderzoekers. Een verzoek
tot het houden van een enquête kan worden ingediend door degenen die daartoe binnen
een rechtspersoon bevoegd zijn op grond van Boek 2 BW, zoals aandeelhouders, certificaathouders,
de leden van een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij of de rechtspersoon
zelf.255 Ook de A-G van het ressortspakket kan om een enquête verzoeken «om redenen van openbaar
belang».256 Het enquêterecht is daarmee een van de civiele deelterreinen waar het Openbaar Ministerie
als hoeder van het openbaar belang bevoegdheden heeft.
Als uit het verslag van de OK-onderzoekers van wanbeleid is gebleken, kan de OK op
verzoek een of meer in de wet genoemde voorzieningen treffen.257 De OK kan eveneens bevelen tot voorlopige tenuitvoerlegging van dergelijke voorzieningen.258 Voorts kan de OK in elke stand van het geding een onmiddellijke voorziening treffen
voor ten hoogste de duur van het geding, «indien gelet op de belangen van de rechtspersoon
en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken
een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon
of in het belang van het onderzoek».259 Eén van de mogelijke voorzieningen is de tijdelijke aanstelling van een of meer bestuurders
of commissarissen.260
De OK kan een enquêteverzoek alleen toewijzen, wanneer blijkt van gegronde redenen
om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen.261 Dit kader geldt onverminderd wanneer het verzoek gedaan is door de A-G om redenen
van openbaar belang. In de situatie waarvoor de in het wetsvoorstel voorgestelde aanwijzing
van een bewindvoerder bedoeld is, hoeft geen sprake te zijn van redenen om aan een
juist beleid of juiste gang van zaken bij de onderneming in kwestie te twijfelen.
Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een bedrijf met een Russische aandeelhouder
dat tot 2022 zaken deed op een kundige en professionele wijze. Door de inval van Rusland
in Oekraïne kan de aandeelhouder, geheel buiten de schuld van (de leiding van) het
bedrijf, op de sanctielijst terecht komen. In een dergelijk geval is er geen reden
om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken, maar ondervindt het
bedrijf wel problemen als gevolg van de sanctiemaatregelen.
Voor de inzet van de bewindvoerder als voorzien in dit wetsvoorstel is vereist dat
de toepassing van een sanctiemaatregel nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit
of continuïteit van de onderneming met zich brengt en dat dit ernstige maatschappelijke,
economische of werkgelegenheidseffecten voor de Nederlandse samenleving kan veroorzaken.
Waar de enquêteprocedure ziet op een ingrijpen binnen de onderneming dat in de regel
genoodzaakt is door een doen of nalaten binnen de onderneming (zoals het beleid van het bestuur) en ziet op het herstellen van een
juiste gang van zaken en een juist beleid binnen de onderneming, is de aanwijzing van een bewindvoerder een ingrijpen bij een onderneming
vanwege oorzaken die in de regel buiten de onderneming liggen. Verder staat bij de enquêteprocedure de gang van zaken binnen
de onderneming centraal, waar het instrument van de bewindvoerder in dit wetsvoorstel
bedoeld is om ernstige maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten voor
de Nederlandse samenleving te mitigeren. De aard van de enquêteprocedure verschilt
al met al wezenlijk van de met het wetsvoorstel voorgestelde figuur van de bewindvoerder
en biedt derhalve ook geen passend instrument om de negatieve bijeffecten van de betreffende
sanctiemaatregel tegen te gaan of te mitigeren. Het enquêterecht kan daarom niet als
alternatief worden gezien voor hetgeen het wetsvoorstel op dit punt beoogt te regelen.
Daarbij geldt dat het uitbreiden van de toegang tot de enquêteprocedure, bijvoorbeeld
door de Minister van Economische Zaken een directe ingang tot de procedure te geven,
evenmin een probaat alternatief zou zijn. De bovengenoemde verschillen tussen de enquêteprocedure
en de figuur van de bewindvoerder zijn dusdanig wezenlijk, dat de enquêteprocedure
hiervoor fundamenteel gewijzigd zou moeten worden. Dit acht de regering niet wenselijk.
5.4. Wetsvoorstel personeelsbehoud bij Crisis
Momenteel is ook het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis in voorbereiding. Dit
wetsvoorstel heeft als doel om levensvatbare bedrijven in een crisis buiten het ondernemersrisico
te ondersteunen bij het behouden van zoveel mogelijk werknemers. Een van de omstandigheden
die door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (in overeenstemming met
de Minister van Buitenlandse Zaken en de Staatssecretaris Buitenlandse Handel) op
grond van dat wetsvoorstel als crisis kan worden aangewezen is «een door een buitenlandse overheid aan Nederland of in Nederland gevestigde ondernemingen
opgelegde sanctie, voor zover het aanwijzen van de sanctie als crisis in overeenstemming
is met het Nederlandse buitenlandbeleid». Aangezien de in het onderhavige wetsvoorstel omschreven sanctiemaatregelen (artikel 1.1)
hier niet onder vallen, kunnen deze ook niet als crisis in de zin van het Wetsvoorstel
personeelsbehoud bij crisis worden aangewezen. De internationale sanctiemaatregelen
waaraan op grond van dit wetsvoorstel uitvoering kan worden gegeven, zijn immers geen
door een buitenlandse overheid opgelegde sancties. De instrumenten uit het Wetsvoorstel
personeelsbehoud bij crisis kunnen daarom niet worden ingezet op basis van een sanctiemaatregel
in de zin van dit wetsvoorstel.
5.5. Uitvoeringswetsvoorstel verordening bij geldovermakingen en overdrachten van
cryptoactiva te voegen informatie
Begin 2025 zijn de Uitvoeringswet verordening cryptoactiva, de Uitvoeringswet verordening
bij geldovermakingen en overdrachten van cryptoactiva te voegen informatie en het
Uitvoeringsbesluit MiCA en TFR in werking getreden ter implementatie en uitvoering
van Europese regelgeving die geldt voor aanbieders van cryptodiensten.
Als gevolg hiervan is de definitie van cryptoaanbieders aangepast in artikel 10 van
de Sanctiewet 1977. Daarnaast is artikel 8 Wwft aangepast dat ziet op vereisten binnen
het verscherpte cliëntenonderzoek door aanbieders van cryptoactivadiensten.
6. Rechtsbescherming
In deze paragraaf wordt overkoepelend ingegaan op de effecten van het wetsvoorstel
op de rechtsbescherming. Ook zal in bredere zin worden stilgestaan bij de rechtsbescherming
ten aanzien van internationale sanctiemaatregelen meer in het algemeen.262
6.1. Rechtsbescherming bij EU-sancties
EU-sanctiemaatregelen, in EU-sanctieverordeningen en -besluiten, dienen de nodige
bepalingen over juridische waarborgen te bevatten.263 Deze zien onder meer op de mogelijkheid om herziening van de plaatsing op een EU-sanctielijst
te verzoeken en informatie over de toepasselijke procedures. Tegen EU-besluiten op
grond van artikel 29 VEU en EU-Verordeningen op grond van artikel 215 VWEU, kunnen
natuurlijke en rechtspersonen beroep instellen bij het EU-Gerecht, en eventueel een
hogere voorziening bij het EU-Hof.264
Door natuurlijke en rechtspersonen kan ook tegen nationale handelingen ter uitvoering
van EU-sanctiemaatregelen beroep worden ingesteld bij de nationale rechter. De nationale
rechter kan de genoemde nationale handelingen toetsen aan zowel nationale als EU-rechtsnormen.
Ook kan de nationale rechter prejudiciële vragen stellen over de uitleg of geldigheid
van deze sanctiemaatregelen aan het EU-Hof.265
Het EU-Hof toetst aan de eerbiediging van de grondrechten, zoals die binnen de EU
gelden, zowel als het gaat om autonome EU-sancties en EU-sancties die uitvoering geven
aan VN Veiligheidsraad-resoluties. Het EU-Hof heeft zich (namelijk) bevoegd verklaard
om de EU-handelingen die uitvoering geven aan VN Veiligheidsraad-resoluties te toetsen
aan de eerbiediging van de grondrechten. Het EU-Hof is niet bevoegd de rechtmatigheid
van een VN Veiligheidsraad-resolutie zelf te toetsen.266
De EU-rechter moet kunnen nagaan of de gronden voor een plaatsing op een EU-sanctielijst
gestaafd worden door informatie of bewijs en hij mag toetsen of de grondrechten (zoals
de rechten van verdediging en effectieve rechterlijke bescherming) worden nageleefd.
Ten minste één van de aangevoerde redenen voor de plaatsing op een EU-sanctielijst,
moet als toereikende grondslag kunnen dienen voor dat plaatsingsbesluit. Dit wordt
door de EU-rechter grondig getoetst, waarbij de aangevoerde redenen voor sanctionering
voldoende nauwkeurig en concreet moeten zijn.267 Het onderhavige wetsvoorstel brengt hierin geen verandering.
6.2. Bestuursrechtelijke rechtsbescherming
Het is algemeen wetgevingsbeleid, dat in een bijzondere wet in beginsel geen bepalingen
over bestuursrechtelijke rechtsbescherming worden opgenomen. In beginsel wordt volstaan
met het in de Awb en de Wet administratieve rechtspraak BES (WarBES) neergelegde stelsel
van rechtsbescherming.268 Zo staat de rechtsgang van bezwaar en beroep open tegen aanwijzingsbeschikkingen
(artikel 7.1.3), besluiten tot het opleggen van een last onder bestuursdwang (artikel 7.1.4)
of het opleggen van een bestuurlijke boete (artikel 7.1.5). Ook staat bestuursrechtelijke
rechtsbescherming open tegen een besluit tot beheerovername van een registergoed.
Overigens de afzonderlijke beheerhandelingen die een beheerder kan verrichten met
betrekking tot het in beheer gekregen registergoed zijn alle handelingen die volgens
het burgerlijk recht tot de rechten en plichten van een eigenaar behoren (zie artikel 6.1,
vierde lid). Deze afzonderlijke beheerhandelingen zijn derhalve geen besluiten in
de zin van de Awb. Voorts staat, voor het plaatsen van een aantekening in een register,
de rechtsgang van bezwaar en beroep open. Als een belanghebbende bezwaar wil maken
tegen een aantekening, moet hij dit kenbaar maken bij de beheerder van het register.
De beheerder zal op grond van de doorzendplicht het bestuursorgaan dat de informatie
heeft gedeeld op grond waarvan de aantekening is geplaatst hiervan onverwijld op de
hoogte stellen, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.269 Dat bestuursorgaan zal de verdere behandeling ter hand nemen door de informatie die
is gedeeld met het register te delen met de afzender, voorzien van een rechtsmiddelenclausule.
Omdat de beheerder van het register waar oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten
worden geregistreerd zelf actief zorgdraagt voor een aantekening geldt de doorzendplicht
niet voor hem.
Wel wijkt dit wetsvoorstel op twee punten af van het algemene kader van de Awb inzake
rechtsbescherming. Dat betreft allereerst de rechterlijke competentieverdeling, waarbij
voor afdeling 5 van de Sanctiewet 1977,270 de bestuursrechtelijke rechtsbescherming bij de rechtbank Rotterdam en het College
van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) geconcentreerd blijft en voor bepalingen over
de continuïteit en afwikkeling van ondernemingen voor dezelfde rechterlijke competentieverdeling
wordt gekozen. Ook wordt ervoor gekozen om de bestuursrechtelijke rechtsbescherming
bij de rechtbank Rotterdam en het CBb te concentreren als de Minister van Economische
Zaken, in overeenstemming met de Minister die het mede aangaat, ingrijpt bij ontduiking
of ondermijning (artikel 7.1.7). Ten tweede wordt bij de regels over de continuïteit
en afwikkeling van ondernemingen administratief beroep opengesteld. Overigens verdient
nog opmerking dat de strafrechtelijke handhaving op het gebied van sancties eveneens
geconcentreerd is. Omdat de officier van justitie van het functioneel parket met de
vervolging van sanctieschendingen is belast, zijn de rechtbank Amsterdam, de rechtbank
Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel en de rechtbank Rotterdam bevoegd.271
Er is in dit geval een goede reden om, in afwijking van de in de Awb opgenomen hoofdregel
van bestuursprocesrecht, beroep bij een andere rechtbank dan volgens de regels over
relatieve competentie mogelijk te maken en hoger beroep open te stellen bij een andere
bestuursrechter dan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hier heeft
ook de Raad voor de Rechtspraak toe geadviseerd. Uit het Toetsingskader wettelijke
concentratie272 volgt dat concentratie van het beroep in eerste aanleg bij een specifieke rechtbank
is aangewezen als er specifieke deskundigheid is vereist voor de behandeling van de
beroepszaken en het gaat om een beperkt aantal zaken per jaar. Verder geldt dat ook
voor het aanwijzen van de hogerberoepsrechter moet worden bezien of het wenselijk
is niet de algemene maar een van de hogerberoepsrechters bevoegd te maken. De Raad
voor de Rechtspraak heeft gelet hierop geadviseerd om te voorzien in een bijzondere
bevoegdheidsregeling voor het beroep en het hoger beroep en in verband daarmee bijlage
2 bij de Awb aan te passen. Ten aanzien van de bestuursorganen die in het kader van
dit wetsvoorstel bevoegdheden krijgen toebedeeld die vergelijkbaar zijn met die waarvoor
in bijlage 2 van de Awb al in concentratie is voorzien, past het volgens de Raad om
deze te concentreren bij de desbetreffende rechtbank en appelinstantie. Als voorbeeld
noemde de Raad concentratie in eerste aanleg bij de rechtbank Rotterdam en in hoger
beroep bij het CBb van besluiten van de AFM, DNB en BFT inzake dit wetsvoorstel.
Het is daarom wenselijk om ook hier te voorzien in een bijzondere competentie voor
de rechtbank Rotterdam in eerste aanleg en in hoger beroep bij het CBb omdat er een
samenhang bestaat met de Wet op het financieel toezicht en de Wet toezicht trustkantoren
2018 en ook met de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames, waarvoor
de rechtbank Rotterdam en het CBb al bevoegd zijn. Het zou onwenselijk zijn als er
in het kader van dit wetsvoorstel een versnippering zou ontstaan van bevoegdheden
en daarmee ook een verschil in expertise. De Raad wees er verder op dat in de Sanctiewet
1977 ook, en op goede gronden, al is gekozen voor deze rechtsgang.273 Nu de verwachting is dat dit wetsvoorstel niet tot een substantiële extra instroom
van zaken zal leiden is ook aan de tweede voorwaarde van het hiervoor gemelde Toetsingskader
voldaan, zodat er ook geen kwantitatieve belemmering is voor concentratie van het
beroep bij één rechtbank.
In het kader van de regels met betrekking tot de continuïteit en afwikkeling van ondernemingen,
wordt administratief beroep opengesteld. Uit het stelsel van de Awb en de WarBES volgt
dat de bezwaarschriftprocedure regel en administratief beroep uitzondering is.274 Administratief beroep geldt alleen voor de opdrachten van een aangewezen persoon.
Tegen het aanwijzingsbesluit kan gewoon bezwaar en beroep worden ingesteld.
Net als in het kader van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames
die ook regels stelt over de continuïteit van ondernemingen, wordt ervoor gekozen
om, voor besluiten met betrekking tot de continuïteit en afwikkeling van ondernemingen,
de bestuursrechtelijke rechtsbescherming te concentreren bij de rechtbank Rotterdam
en het CBb.
Voor zover er bezwaren bestaan tegen de opdrachten van een aangewezen persoon en het
bestuur bijvoorbeeld van oordeel is dat een opdracht niet in het belang van de betrokken
onderneming is, staat tegen opdrachten van een aangewezen persoon administratief beroep
open bij de Minister van Economische Zaken (zie artikel 5.4, vierde lid). Hiermee
komt tot uitdrukking dat de aangewezen persoon een bestuursorgaan is en dat een door
deze persoon verstrekte opdracht een beschikking in de zin van de Awb is, waartegen
rechtsbescherming open staat. De keuze voor administratief beroep als eerste stap
in het kader van rechtsbescherming hangt samen met de aanwijzing die de Minister van
Economische Zaken doet van de aangewezen persoon: door middel van administratief beroep
wordt een vorm van toezicht op het handelen van de aangewezen persoon gerealiseerd.
De aangewezen persoon fungeert immers als «vooruitgeschoven bestuursorgaan» dat binnen
de onderneming op operationeel niveau aanwijzingen kan geven om de belangen die de
Minister van Economische Zaken heeft geïdentificeerd te borgen en de negatieve maatschappelijke
effecten die de Minister van Economische zaken onacceptabel vond te mitigeren. Het
is dan ook voor de hand liggend dat als eerste de Minister van Economische Zaken,
die de aangewezen persoon heeft aangewezen, in individuele gevallen kan corrigeren.
6.3. Rechten van betrokkenen in de zin van de AVG
De AVG voorziet in de mogelijkheid om bepaalde rechten van betrokkenen te beperken,
als dat gebeurt bij Unierecht of lidstatelijk recht die een noodzakelijke en evenredige
maatregel vormt ter waarborging van enkele in de AVG vermelde belangen. Het beperken
van de rechten van betrokkenen behoeft geen grondslag in dit wetsvoorstel, omdat de
Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) hiervoor de noodzakelijke
grondslagen biedt. Allereerst biedt artikel 47 UAVG een algemene uitzondering op de
rechten van betrokkene bij openbare registers. Het inzagerecht, recht op rectificatie,
recht op beperking van de verwerking en de kennisgevingsplicht inzake rectificatie
of wissing van persoonsgegevens of verwerkingsbeperking zijn niet van toepassing op
bij de wet ingestelde openbare registers, als bij of krachtens die wet een bijzondere
procedure voor de verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming van gegevens
is geregeld.275 Het recht van bezwaar is geheel niet van toepassing op bij de wet ingestelde openbare
registers.276
Ten tweede voorziet artikel 41 UAVG al in de mogelijkheid voor de verwerkingsverantwoordelijke
om de rechten van betrokkene buiten toepassing te laten wanneer dit noodzakelijk en
evenredig is ter waarborging van een aantal daar genoemde belangen. In het stelsel
van de aantekeningen in registers gaat het om een taak op het gebied van toezicht,
inspectie of regelgeving die (al dan niet incidenteel) verband houdt met de uitoefening
van openbaar gezag ter waarborging van de nationale veiligheid, de landsverdediging,
de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten,
of andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de EU of van Nederland.277 De verwerkingsverantwoordelijke kan zodoende op basis van de UAVG de rechten van
betrokkene desnoods buiten toepassing laten. Naar het zich laat aanzien, zal er in
de regel in ieder geval reden zijn om het inzagerecht buiten toepassing te verklaren.
Het informatierecht en het recht op rectificatie daarentegen zullen in beginsel onverkort
van toepassing kunnen blijven.
7. Uitvoering
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de uitvoeringsaspecten van het wetsvoorstel, waaronder
de financiële gevolgen. Duidelijk maken welke nationale instanties belast zijn met
de uitvoering van bestaande en toekomstige internationale sanctiemaatregelen, is essentieel
om nog beter te kunnen voldoen aan de eisen die gesteld worden vanuit internationale
sanctiemaatregelen, en dus om de daarmee beoogde resultaten te verwezenlijken. Allereerst
wordt ingegaan op wie de uitvoerders zijn. Vervolgens wordt ingegaan op de resultaten
van de uitgevoerde uitvoeringstoetsen en wat daarmee is gedaan.
Op grond van de Sanctiewet 1977 zijn in sanctieregelingen verschillende bevoegde instanties
aangewezen die uitvoering geven aan de verschillende EU-sanctieverordeningen en -besluiten.
Zoals aangegeven blijft deze systematiek in stand. Met dit wetsvoorstel krijgt een
aantal extra organisaties een rol bij de uitvoering van sancties en wordt een nieuw
organisatieonderdeel, het centraal meldpunt sancties, ingericht (zie daarover paragraaf 3.7).
Ook wordt de rol van een aantal organisaties die al betrokken zijn bij de uitvoering
van internationale sanctiemaatregelen op enigerlei wijze aangepast. De volgende tabel
bevat een vergelijking tussen de bestaande en de voorgestelde nieuwe rolverdeling
binnen het Nederlandse sanctielandschap.278
Organisatie
Huidige rol in het sanctiestelsel
Verandering(en) bij modernisering
Toezicht en handhaving
Douane
De Douane houdt toezicht op de in- en uitvoer van goederen en diensten, en controleert
of goederen onder de sanctiemaatregelen vallen.
De Douane zal aangewezen worden als bestuursrechtelijke handhavingsinstantie.
Bureau Toetsing Investeringen (BTI)
BTI is toezichthouder op de naleving van de Europese sancties voor zover het gaat
om de eigendom van of zeggenschap over niet-beursgenoteerde in Nederland gevestigde
ondernemingen. Het BTI ziet erop toe dat Nederlandse ondernemingen die in eigendom
zijn van, onder zeggenschap staan van, of handelen op aanwijzing van een gesanctioneerde
entiteit of persoon, geen (verboden) transacties kunnen uitvoeren met een gesanctioneerde
moedermaatschappij of eigenaar of minderheidsaandeelhouder. Dit houdt bijvoorbeeld
in dat zo’n onderneming geen dividend mag uitkeren aan een moedermaatschappij of gelden
mag ontvangen voor hun bedrijfsactiviteiten. Ook betekent dit dat elke vorm van zeggenschap
door gesanctioneerde partijen over een onderneming moet worden geblokkeerd. Ook is
BTI meldpunt voor de eigendom en zeggenschap van niet-beursgenoteerde ondernemingen.
Het BTI zal aangewezen worden als bestuursrechtelijke handhavingsinstantie. De meldingsplichten
zullen overgaan naar het CMS.
Koninklijke Marechaussee
De Koninklijke Marechaussee voert onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie
en Veiligheid de grenscontroles aan de buitengrenzen uit. Personen die onder de sanctiemaatregelen
vallen, mogen Nederland niet in.
Geen
Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT)
De ILT houdt toezicht op het naleven van sanctiemaatregelen op het gebied van luchtvaart
en maritieme zaken.
Geen
Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed
De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed controleert samen met de Douane de import
en export van kunst- en cultuurgoederen.
Geen
Toezicht op Sanctiewet-instellingen
Autoriteit Financiële Markten (AFM)
De AFM houdt toezicht op de naleving van de op grond van de Sanctiewet 1977 gestelde
regels met betrekking tot het financieel verkeer door beheerders van beleggingsinstellingen,
beleggingsondernemingen en aanbieders van cryptoactivadiensten. AFM ontvangt zogenoemde
hit-meldingen.1
In het voorstel wordt beter aangesloten bij de definities uit de Wwft. Hierdoor wordt
voorkomen dat beleggingsinstellingen of icbe’s die in Nederland gevestigd zijn buiten
het toezicht vallen als hun beheerders in het buitenland gevestigd zijn. AFM ontvangt
niet meer de hit-meldingen. Hit-meldingen van huidige en toekomstige groepen onder
toezicht zullen naar het centraal meldpunt sancties gaan.
De Nederlandsche Bank (DNB)
DNB houdt toezicht op de naleving van de op grond van de Sanctiewet 1977 gestelde
regels met betrekking tot het financieel verkeer door banken, wisselinstellingen,
pensioenfondsen, verzekeraars, trustkantoren, elektronisch geldinstellingen, betaaldienstverleners
en aanbieders van cryptodiensten. DNB ontvangt zogenoemde hit-meldingen.
DNB ontvangt niet meer de hit-meldingen. Hit-meldingen van huidige en toekomstige
groepen onder toezicht zullen naar het centraal meldpunt sancties gaan.
Europese Centrale Bank (ECB)
De ECB houdt als financieel toezichthouder toezicht op de belangrijke banken die inbreuk
maken op rechtstreeks toepasselijk Unierecht of op besluiten of verordeningen van
de ECB.
Geen
Bureau Financieel Toezicht (BFT)
Geen
BFT wordt toezichthouder op het bedrijfsvoeringstoezicht voor (kandidaat-)notarissen
en toegevoegd-notarissen, (register-)accountants, en belastingadviseurs. Ook zal BFT
aangewezen worden als bestuursrechtelijke handhavingsinstantie.
De deken, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet
Geen
De deken zal worden aangewezen als toezichthouder op het bedrijfsvoeringstoezicht
voor advocaten.
Financial Intelligence Unit – Nederland (FIU-NL)
De FIU-NL fungeert als meldpunt voor meldingen van ongebruikelijke transacties op
grond van de Wwft. Financiële instellingen moeten verzoeken om financiële diensten
of transacties waarbij gesanctioneerde personen of entiteiten betrokken zijn, op grond
van het Besluit melding transacties financiering terrorisme ook melden bij de FIU-NL.
Specifiek moeten financiële instellingen in het kader van het sanctieregime tegen
Noord-Korea redelijke vermoedens van financiering van proliferatie melden bij de FIU-NL.
Geen
Strafrechtelijke handhaving
Openbaar Ministerie (OM)
Het OM geeft leiding aan strafrechtelijke onderzoeken naar vermeende overtredingen
van sanctiemaatregelen en is belast met de vervolging daarvan. Daarvoor wordt samengewerkt
met instanties zoals de politie, andere opsporingsdiensten en toezichthouders.
Door de introductie van bestuursrechtelijke handhaving zullen het OM en de bestuursrechtelijke
handhavingsinstanties het boete- respectievelijk vervolgingsbeleid op elkaar af moeten
stemmen, om dubbele vervolging te voorkomen.
Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD)
De FIOD legt zich als opsporingsdienst toe op de strafrechtelijke handhaving van de
Sanctiewet 1977. De FIOD kan onder gezag van een officier van justitie strafrechtelijk
onderzoek doen naar overtredingen van de Sanctiewet 1977. Dat betreft het hele spectrum
van het sanctiedomein, zoals financiële sancties en onder de sanctiemaatregelen vallende
goederenbewegingen of dienstverlening. Tijdens een opsporingsonderzoek kan de FIOD
beslag leggen. De FIOD is niet belast met het bevriezen van tegoeden, maar kan wel
beslag leggen als tijdens een onderzoek blijkt dat een tegoed ten onrechte niet is
bevroren.
Geen
Overige rollen (o.a. meldingsplichten, ontheffingen, vergunningen en beheer en bewind)
Minister van Financiën
Bevoegd tot vrijgave of beschikbaarstelling van tegoeden of informatie van financiële
aard. Bevoegd tot ontvangen bepaalde sanctiemeldingen.
Niet langer bevoegd voor de sanctiemeldingen; deze meldingen worden bij het centraal
meldpunt gedaan.
Minister van Buitenlandse Zaken
Bevoegd tot vrijgave of beschikbaarstelling van goederen of diensten en andere ontheffingen.
Bevoegd tot ontvangen bepaalde sanctiemeldingen.
De Minister van Buitenlandse Zaken krijgt de bevoegdheid om meldingen te ontvangen
en daaraan verwante bevoegdheden uit te oefenen (centraal meldpunt sancties).
Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO)
Bevoegd tot vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen of informatie
anders dan van financiële aard voor zijn competentiegebied. Bevoegd tot ontvangen
bepaalde sanctiemeldingen.
De Minister van VRO krijgt de bevoegdheid om een onroerende zaak die is bevroren uit
hoofde van een sanctiemaatregel in beheer te (laten) nemen. Niet langer bevoegd voor
de sanctiemeldingen; deze meldingen worden bij het centraal meldpunt gedaan.
Minister van Economische Zaken (EZ)
Bevoegd tot vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen of informatie
anders dan van financiële aard voor zijn competentiegebied.
De Minister van EZ krijgt de bevoegdheid om (al dan niet op verzoek) een of meer personen
aan te wijzen die opdrachten kunnen verstrekken aan een in Nederland gevestigde onderneming.
Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW)
Bevoegd tot vrijgave of beschikbaarstelling van economische middelen of informatie
anders dan van financiële aard voor zijn competentiegebied. Bevoegd tot ontvangen
bepaalde sanctiemeldingen.
De Minister van IenW krijgt de bevoegdheid om teboekgestelde schepen of luchtvaartuigen
die zijn bevroren uit hoofde van een sanctiemaatregel in beheer te (laten) nemen.
Niet langer bevoegd voor de sanctiemeldingen; deze meldingen worden bij het centraal
meldpunt gedaan.
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)
RVO heeft een Sanctieloket Rusland dat is bedoeld voor ondernemers die te maken hebben
met de sancties tegen Rusland en Belarus, en met andere gevolgen van de oorlog in
Oekraïne. Het loket bevat informatie over de diverse sancties. Daarnaast heeft het
Sanctieloket Rusland ook een apart telefoonnummer voor ondernemers die persoonlijk
advies of steun nodig hebben. RVO verzorgt het voorportaal (front office) van het Loket Kennisveiligheid (de backoffice stemt af met vertegenwoordigers van
de betrokken ministeries).
Onderdeel van RVO is het Octrooicentrum Nederland. Het Octrooicentrum Nederland krijgt
als beheerder van het register voor de depots van oorspronkelijke topografieën van
halfgeleiderprodukten de bevoegdheid om een aantekening te maken van een relatie die
bestaat tussen een chipsrecht en een gesanctioneerde persoon of entiteit.
Beheerders van openbare registers
Kamer van Koophandel (KvK)
De KvK is bevoegd om bij in het Handelsregister ingeschreven onderneming of rechtspersoon
een aantekening op te nemen van een relatie die bestaat tussen enig in het Handelsregister
opgenomen gegeven over die onderneming of rechtspersoon en natuurlijke personen of
rechtspersonen, entiteiten of lichamen, of met hen verbonden natuurlijke personen
of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU)
nr. 269/2014.
De bevoegdheid van de KvK wordt verbreed tot de bevoegdheid om bij een in het Handelsregister
(waaronder het UBO-register) ingeschreven onderneming, rechtspersoon of uiteindelijk
belanghebbende of in het UBO-trustregister geregistreerde trust of geregistreerde
uiteindelijk belanghebbende van een trust een aantekening op te nemen van een relatie
die bestaat tussen een in het Handelsregister opgenomen gegeven over die onderneming,
rechtspersoon of uiteindelijk belanghebbende en gesanctioneerde entiteiten waarvan
de tegoeden en economische middelen zijn bevroren of waarvan het aangaan of voortzetten
van de economische of financiële betrekkingen beperkt of verboden is.
De Dienst voor het Kadaster en de openbare registers
De Dienst voor het Kadaster en de openbare registers is bevoegd om in de basisregistratie
kadaster, de registratie voor schepen en de registratie voor luchtvaartuigen een aantekening
te stellen als het een registergoed betreft dat bevroren moet worden op grond van
artikel 2, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 269/2014.
De bevoegdheid van de Dienst voor het Kadaster en de openbare registers wordt verbreed
tot de bevoegdheid om in de basisregistratie kadaster, de registratie voor schepen
en de registratie voor luchtvaartuigen een aantekening te stellen als het een registergoed
betreft dat bevroren is of moet worden op grond van een sanctiemaatregel.
Minister van Economische Zaken (ruimtevoorwerpenregister)
Geen
De Minister van EZ krijgt als beheerder van het ruimtevoorwerpenregister de bevoegdheid
daarin een aantekening op te nemen als er sprake is van een relatie tussen dat geregistreerd
ruimtevoorwerp en gesanctioneerde entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen
zijn bevroren of waarvan het aangaan of voortzetten van de economische of financiële
betrekkingen beperkt of verboden is.
De Raad voor Plantenrassen
Geen
De Raad voor Plantenrassen krijgt de bevoegdheid een aantekening op te nemen in het
nationaal rassenregister bij het ras waarvoor een kwekersrecht is verleend, als er
sprake is van een relatie tussen dat geregistreerde ras en kwekersrecht en gesanctioneerde
entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren of waarvan het
aangaan of voortzetten van de economische of financiële betrekkingen beperkt of verboden
is.
X Noot
1
Als een instelling constateert dat de identiteit van een relatie overeenkomt met een
gesanctioneerde (rechts)persoon of entiteit, moet de instelling dit momenteel op grond
van artikel 3 van de Regeling toezicht Sanctiewet 1977 onverwijld melden aan de toezichthouder.
Mede naar aanleiding van het rapport van de Nationaal Coördinator heeft het Ministerie
van Buitenlandse Zaken de nationale coördinerende rol ten aanzien van sancties versterkt.
Er is een nauwere Rijksbrede samenwerking opgebouwd waarin alle organisaties met een
rol in sanctienaleving bijdragen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid. Om een doeltreffend,
geïntegreerd en samenhangend handhavingssysteem op het gebied van de uitvoering van
sancties te bewerkstelligen, werken deze organisaties met elkaar samen in de uitvoering
van hun sanctietaken. Daarvoor wisselen bevoegde autoriteiten ook onderling informatie
uit voor operationele en strategische doeleinden (zie ook paragraaf 3.6). Daarbij
gaat het bijvoorbeeld om het bewerkstelligen van effectieve handhaving bij overtredingen,
effectieve (internationale) samenwerking op het gebied van opsporing, vervolging,
het verlenen van ontheffingen en het opzetten van nieuwe vormen van samenwerking en
uitvoering. Een voorbeeld van dit laatste is het door de ministerraad in november
2022 ingestelde Samenwerkingsplatform Sanctienaleving (SPS). In het SPS komen de overheidspartners
met een rol in de sanctienalevingsketen regelmatig bijeen om casuïstiek te delen,
dubbel werk te voorkomen en gegevensuitwisseling tussen de sanctiepartners te bevorderen.
Tot slot werken veel van de betrokken instanties ook bilateraal samen en in andere
bestaande verbanden, zoals het FEC en de iCOV (zie ook paragraaf 5.1).
Uitvoeringsorganisaties waarvoor het wetsvoorstel ingrijpende gevolgen heeft, zijn
gevraagd een uitvoeringstoets te doen. De resultaten van de ontvangen uitvoeringstoetsen
en wat hiermee is gedaan, worden hieronder besproken. Voor de financiële gevolgen
geldt dat bij de Voorjaarsbesluitvorming 2025 structureel EUR 36,5 miljoen is vrijgemaakt
voor de instandhouding en verdere versterking van de sanctienaleving in Nederland.
Deze middelen zijn deels ook bedoeld voor al lopende financieringsbehoeften voor toezicht
op en de handhaving van de sanctieverordeningen. De middelen zijn toegevoegd aan de
begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als coördinerend departement.
Van deze middelen wordt oplopend tot structureel 31 miljoen euro overgeboekt naar
andere departementen, grotendeels bedoeld voor lopende financieringsbehoeften en deels
voor kosten als gevolg van het wetsvoorstel.279 Met de resterende middelen op de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken
wordt het centraal meldpunt sancties ingericht. In het volgende overzicht is te zien
(x 1.000) welk bedrag voor welke instantie beschikbaar komt en onder welke begroting
dit valt. Het betreft alleen de middelen die bedoeld zijn voor uitvoering van het
wetsvoorstel.
2025
2026
2027
2028
2029
2030
Bureau Financieel Toezicht (BFT) en Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) – (J&V)
-
€ 600
€ 2.200
€ 2.200
€ 2.200
€ 2.200
Bureau Toetsing Investeringen (BTI) – (EZ)
-
€ 280
€ 580
€ 580
€ 580
€ 580
Douane – (FIN)
-
-
€ 393
€ 393
€ 393
€ 393
Fiscale Inlichtingen- Opsporingsdienst (FIOD) – (FIN)
€ 430
-
-
-
-
-
Centraal Meldpunt Sancties (CMS) – (BZ)
€ 1.100
€ 1.100
€ 5.500
€ 5.500
€ 5.500
€ 5.500
Kamer van Koophandel (KvK) – (EZ)
€ 512
€ 62
€ 62
€ 62
€ 62
€ 62
Organisatie
Resultaten en opvolging uitvoeringstoetsen
Autoriteit Financiële Markten (AFM)
De AFM verwacht in staat te zijn zonder extra capaciteit uitvoering te kunnen geven
aan het wetsvoorstel. Als een grotere inzet voor de uitvoering van het wetsvoorstel
nodig mocht zijn, zal deze verhoogde inzet ten koste gaan van andere toezichtactiviteiten
van de AFM op het terrein van de Wwft en de Sanctiewet 1977.
Bureau Financieel Toezicht (BFT)
Het BFT concludeert de uitbreiding van het toezicht uitvoerbaar, maar pleit tegen
het opnemen van ontheffingsmogelijkheden vanwege praktische bezwaren. Hieraan is tegemoetgekomen.
In artikel 10b, derde lid, van de Sanctiewet 1977 was een ontheffingsmogelijkheid
opgenomen van de regels die zijn gesteld voor de bedrijfsvoering met betrekking tot
de administratieve organisatie en interne controle. Deze ontheffingsmogelijkheid is
geschrapt.
Het BFT moet beschikken over voldoende middelen (ca 0,9 mln structureel) en capaciteit
om de uitbreiding van de toezichtswerkzaamheden effectief uit te voeren.
Bevorderen van compliant gedrag
Om invulling te kunnen geven aan het bedrijfsvoeringstoezicht zullen regels worden
vastgesteld conform artikel 10b van de Sanctiewet 1977, waarbij samenwerking met andere
toezichthouders wordt nagestreefd voor een uniforme uitvoering. Daarnaast zal er voorlichting
worden gegeven aan de onder toezicht staande instellingen.
Toezichtsonderzoeken
Het BFT zal risicogestuurde onderzoeken uitvoeren, waarbij gekeken wordt naar de naleving
van de Sanctiewet 1977 op basis van eigen analyses en ontvangen signalen. Naast deze
onderzoeken zullen schriftelijke en deelonderzoeken worden uitgevoerd die zich richten
op specifieke aspecten van de wet.
In het kader van de toezicht- en handhavingstaken zal het BFT gebruik gaan maken van
de volgende interventie-instrumenten: onderzoeksrapporten (beoordeling van rapportages
door de afdeling Juridische Zaken), formele afdoeningen (aanwijzingen aan instellingen
die niet voldoen aan verplichtingen), lasten onder dwangsom en bestuurlijke boetes
voor overtredingen, publicatie van sancties en procedures voor bezwaar en beroep,
tuchtrechtelijke klachten (toezicht op notarissen en accountants, met mogelijkheid
tot tuchtklachten) en informele afdoeningen (zoals normoverdragende gesprekken en
waarschuwingen).
BFT heeft aangegeven dat voor de uitvoering van het wetsvoorstel aanvullende capaciteit
en financiële middelen benodigd zijn. Hierin is onderscheid gemaakt tussen éénmalige
en structurele middelen. De eenmalige activiteiten betreffen personele inzet (opstellen
van regelgeving/leidraad, herziening werkprocessen, opstellen voorlichtende documentatie,
aanpassen van de website) en de ondersteunende werkzaamheden. Totaal wordt hiervoor
in 2025 € 262.000 geraamd.
De structurele activiteiten (vanaf 2027) voor de uitvoering van het wetsvoorstel worden
begroot op tenminste 6,2 fte (€ 908.000/jaar). Dit betreft medewerkers voor voorlichting,
analyse, onderzoek, handhaving en ondersteuning. In de praktijk zal er sprake zijn
van gefaseerde groei. Het eerste jaar zal vooral gericht zijn op voorlichting, schriftelijke
onderzoeken en informele handhavingsinterventies. Na verloop van tijd zullen de integrale
onderzoeken en formele handhavingsinterventies toenemen. De extra geraamde gelden
benodigd voor de nieuwe taak bedragen in 2025 € 545.000, in 2026 € 727.000 en in 2027
en volgende € 908.000.
Voor het bepalen van de kosten is het vertrekpunt de Handleiding Overheidstarieven
(HOT) 2024 (november 2023) van het Ministerie van Financiën én ramingen gebaseerd
op de situatie in 2024. Ontwikkelingen vanaf 2025 (bijvoorbeeld loonstijgingen) zijn
niet meegenomen. Wel zijn ontwikkelingen (bijvoorbeeld nieuwe CAO) in 2024 meegenomen.
Zie onderstaande tabel voor de fte-verdeling vanaf 2027.
Bureau Toetsing Investeringen (BTI)
Het wetsvoorstel geeft aanvullende bestuursrechtelijke bevoegdheden aan de Minister
van Economische Zaken en in het bijzonder aan de ambtenaren van BTI. Zij zullen daarmee
naar het oordeel van BTI beter zijn toegerust om de taak van toezichthouder op de
naleving van sancties te verrichten. Daarmee wordt de uitvoering en toezicht op de
naleving van de internationale sanctieregimes verbeterd en versterkt. Het wetsvoorstel
leidt tevens tot extra verantwoordelijkheden zoals bijvoorbeeld bij de verwerking
van persoonsgegevens en bij de aanwijzing van bewindvoerders. Deze extra bevoegdheden
en verantwoordelijkheden moeten worden geregeld, maar zijn beslist uitvoerbaar voor
de Minister van Economische Zaken.
Meldingen
Het BTI verwacht dat meldingen die voorheen bij het BTI meldpunt sancties werden ingediend
– bij het centraal meldpunt sancties zullen worden gedaan. Het gaat om een minimaal
aantal meldingen (circa 10) dat een te verwaarlozen impact had op de omvang van de
werkzaamheden van BTI.
Continuïteit en afwikkeling van ondernemingen
De Minister van Economische Zaken wijst een bewindvoerder aan bij een in Nederland
gevestigde onderneming. Dit zal leiden tot nieuwe en aanvullende werkzaamheden voor
het BTI Sanctieteam en de directie Wetgeving Juridische Zaken (WJZ) van het Ministerie
van Economische Zaken. Het gaat hierbij om het beoordelen van verzoeken van ondernemingen,
het adviseren daarover, het selecteren en aanwijzen van bewindvoerders en het scherp
toezicht houden op geselecteerde ondernemingen.
Aanwijzing van toezichthouders
Momenteel zijn de ambtenaren van BTI op grond van de Regeling toezichthoudende ambtenaren
Sanctiewet 1977 aangewezen om toezicht te houden op de naleving van de sancties voor
zover het gaat om de eigendom van of zeggenschap over niet-beursgenoteerde ondernemingen.
Het wetsvoorstel geeft nieuwe bevoegdheden aan toezichthouders zoals het geven van
een aanwijzingsbeschikking, het opleggen van een last onder bestuursdwang of het opleggen
van een bestuurlijke boete. Deze nieuwe taken zullen moeten worden geregeld in de
bedrijfsvoering van BTI.
Gegevensverwerking en -verstrekking
De gegevensverwerking en verstrekking zijn nadrukkelijk van toepassing op het Ministerie
van Economische Zaken en geven aan de ambtenaren van BTI meer duidelijkheid over bevoegdheden
en verplichtingen. Het toepassen van deze bevoegdheden en het verwerken van gegevens
leidt tot een extra beroep op de capaciteit van BTI.
De inzet van het Ministerie van Economische Zaken en BTI gaat niet slechts om de huidige
sanctieregimes tegen Rusland en Belarus, maar ook om andere sanctieregimes waarbij
toezicht op eigendom en zeggenschap van Nederlandse ondernemingen geldt. Het wetsvoorstel
zal leiden tot extra inzet op toezicht door BTI en tot extra coördinatie tussen BTI
en Beleidsdirecties van het Ministerie van Economische Zaken. Ook vergt dit extra
capaciteit van WJZ.
In 2026 zal € 280.000 nodig zijn om voor te kunnen bereiden op de extra taken die
het BTI in 2027 toebedeeld zal krijgen.
Het Ministerie van Economische Zaken schat dat met ingang van het wetsvoorstel – waarbij
is uitgegaan van uitvoering wettelijke verplichting per 2027 – structureel een intensivering
ter waarde van ongeveer 580.000 EUR benodigd zal zijn (4 FTE). Deze intensivering
betreft de uitvoering van additionele wettelijke taken: de uitbreiding van de bestuursrechtelijke
bevoegdheden van het BTI, onderdeel sanctienaleving, waaronder bijvoorbeeld het aanstellen
van bewindvoerders bij bedrijven. Om effectiviteit van de modernisering van de Sanctiewet
1977 en van de naleving van de sanctieverordeningen te vergroten, zal het BTI (onderdeel
sanctienaleving) pro-actiever gaan toezicht houden (denk hierbij bijvoorbeeld aan
het uitvoeren van quick-scans bij aankondiging van mogelijke nieuwe, voordat die in
werking treden). Risico’s van onvoldoende intensivering zijn ondermijning van de effectiviteit
van de sancties en mogelijke negatieve consequenties voor het Nederlandse bedrijfsleven.
Centraal meldpunt sancties
De benodigde kosten voor het centraal meldpunt sancties worden tijdens de aanloopperiode
geschat op in totaal € 2,2 miljoen (€ 1,1 mln in 2025 en 2026, daarna (vanaf 2027)
bedragen de jaarlijkse kosten naar verwachting € 5,5 miljoen.
De Nederlandsche Bank (DNB)
DNB concludeert dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is en geen grote handhavingscomplicaties
met zich brengt. DNB doet daarbij enkele inhoudelijke aanbevelingen, waaronder: verbreding
van de reikwijdte van bepaalde artikelen in het wetsvoorstel, het opnemen van een
duidelijke regeling voor het toezicht op de naleving van meldingsplichten, aanpassingen
in de informatieverstrekking door het centraal meldpunt sancties aan DNB en wijzigingen
in de meldingsplichten in bestaande regelgeving om het centraal meldpunt sancties
als centraal meldpunt te integreren. Een aantal van deze punten is verwerkt in het
wetsvoorstel. Verschillende punten over het centraal meldpunt sancties worden meegenomen
in de uitwerking van dit meldpunt.
Continuïteit en afwikkeling van ondernemingen
DNB merkt op dat in de bepalingen over de continuïteit en afwikkeling van ondernemingen
alleen de Wet op het financieel toezicht en de Wet toezicht trustkantoren 2018 worden
genoemd. DNB adviseert ook relevante andere wetten, zoals de Pensioenwet en de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, op te nemen om de reikwijdte te verbreden. Hier
is gevolg aan gegeven.
Er wordt ook gesuggereerd dat de bevoegdheden van DNB en de Minister van Economische
Zaken duidelijker gedefinieerd moeten worden, zodat er overeenstemming is over het
uitoefenen van bevoegdheden met betrekking tot onder toezicht staande instellingen.
Deze aanbeveling is overgenomen.
Wijzigingen van de Sanctiewet 1977
De voorgestelde aanpassingen in het toezicht op de bedrijfsvoering verduidelijken
volgens DNB haar rol als toezichthouder. DNB adviseert om de formulering in de wet
zo aan te passen dat duidelijk wordt dat DNB verantwoordelijk is voor het toezicht
op naleving van sancties in het financiële verkeer. Dit is opgepakt door in afdeling
5 van de Sanctiewet 1977 (die blijft doorbestaan tot de tweede tranche deze intrekt)
zo aan te passen dat daaruit de verantwoordelijk toezichthouders blijken.
De deken in het eigen arrondissement op grond van de Advocatenwet (de deken)
De Nederlandse Orde van advocaten (hierna: «NOvA») heeft samen met de dekens (toezichthouder
op de advocatuur) en met input van het college van toezicht (hierna: «CvT») een uitvoeringstoets
opgesteld. In de geconsulteerde versie van dit wetsvoorstel werd eenn door de algemene
raad van de Nederlandse orde van advocaten bij besluit aan te wijzen deken als toezichthouder
aangewezen.
Uit de uitvoeringstoets kan worden opgemaakt dat de nieuwe bevoegdheden en verplichtingen
voortvloeiende uit het wetsvoorstel, leiden tot een toename van zowel personele als
materiële kosten bij de toezichthouder, de NOvA en de advocatenkantoren tezamen.
In de uitvoeringstoets werd aangegeven dat de regeldruk en de impact van dit wetsvoorstel
op de advocatuur groot zou zijn. Het stevig aan te passen toezichtmodel (terwijl een
transitie naar een nieuw toezicht op de advocatuur aanstaand lijkt), het nieuwe stelsel
van bedrijfsvoeringsregels – waarbij het CvT een nieuwe rol erbij krijgt – en een
nieuw centraal meldpunt, zullen extra kosten meebrengen
Volgens de NOvA wijkt het wetsvoorstel fundamenteel af van het huidige systeem van
toezicht dat is opgenomen in de Advocatenwet, door uit te gaan van aanwijzing van
één deken die toezicht zal gaan houden, in plaats van de in de Advocatenwet huidige
neergelegde systematiek van aanwijzing van de deken per arrondissement als toezichthouder.
De deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement waarbinnen een advocaat kantoor
houdt, is immers de wettelijk toezichthouder.1 In reactie hierop is uiteindelijk gekozen om aan te sluiten bij de huidige systematiek
van het toezicht.
Daarnaast wordt in het voorgestelde artikel 10b van de Sanctiewet 1977 de regelgevende
bevoegdheid ten aanzien van de bedrijfsvoering bij het CvT belegd. Deze regelgevingsbevoegdheid-
strookt volgens de NOvA niet met de wettelijk verankerde verdeling van bevoegdheden.
In deze verdeling heeft de NOvA als publiekrechtelijke beroepsorganisatie tot taak,
door middel van verordeningen, voor advocaten verbindende regels te creëren en ziet
de deken als toezichthouder toe op naleving van deze bepalingen.2 Het CvT is systeemtoezichthouder en kan vanuit die rol beleidsregels voor de uitoefening
van het toezicht vaststellen.
De dekens en de NOvA adviseren om het voorstel aan te laten sluiten bij de huidige
systematiek van de Advocatenwet, door in het voorgestelde artikel 9a Sw de deken in
de zin van artikel 22, tweede lid, Advocatenwet aan te wijzen als toezichthoudende
instantie en het College van Afgevaardigden (CvA) de bevoegdheid te geven om nadere
regels te stellen in het voorgestelde artikel 10b Sw. In reactie hierop is ervoor
gekozen om aan te sluiten bij de Wwft systematiek. Op grond van artikel 28, vijfde
lid, Advocatenwet is, kortgezegd, bepaald dat de CVA geen verordeningen vaststelt
ten aanzien van de uitoefening van het Wwft-toezicht door de deken. In onderhavig
wetsvoorstel wordt, gezien de samenhang tussen de naleving van de Wwft en de Sanctiewet
1977, deze lijn doorgetrokken. Om die reden is ervoor gekozen om de bevoegdheid nadere
regels te stellen bij het CvT te beleggen.
Toezichtstructuur
In beginsel is gedurende consultatie uitgegaan van nalevingstoezicht door een door
de algemene raad aan te wijzen deken en van bedrijfsvoeringsregels die door het CvT
zijn opgesteld. Inmiddels in besloten dat de deken, bedoeld in artikel 45a, eerste
lid, van de Advocatenwet is aangewezen voor het nalevingstoezicht.
Naast het bestaande tuchtrecht heeft de deken toegang tot bestuursrechtelijke middelen
en zal deze steeds vaker gebruiken. Op de toezichtstructuur zoals opgenomen tijdens
consultatie werd in de uitvoeringstoets aangegeven dat in het geval één aangewezen
deken de bevoegdheid zou krijgen dit toezicht uit te oefenen, rijst de vraag welke
Raad van Discipline bevoegd is om de tuchtrechtelijke kwesties van deze deken te behandelen.
Daarnaast rijst de vraag of de aangewezen deken mee kan klagen met een andere deken
bij een cumulatieve normschending van de betrokken advocaat. Deze opmerkingen zijn
niet meer van toepassing door de aansluiting op de huidige systematiek van de Advocatenwet.
Wat betreft de wetgeving en beleid, moet de Advocatenwet worden aangepast om de nieuwe
bevoegdheden van de deken en de samenwerking tussen verschillende arrondissementen
te verduidelijken.
Ten aanzien van de expertise op het gebied van de (veelal internationale) sanctieregelgeving
en de toepassing ervan in het toezichtkader, zal een kenniscentrum moeten worden belegd
bij de betreffende deken. Denkbaar is dat deze expertise centraal belegd wordt bij
de Landelijke Organisatie Toezicht Advocatuur.
Daarnaast zullen de huidige ICT-systemen aangepast moeten worden om de nieuwe toezichtsstructuren
te ondersteunen, vooral om gegevens uit verschillende arrondissementen toegankelijk
te maken voor de deken.
De financiële gevolgen voor de arrondissementsdeken worden door de markt (advocatuur)
bekostigd en komen derhalve niet ten laste van de Rijksbegroting.
Douane
De impact van het wetsvoorstel op de Douane is beperkt. Voor de Douane zijn met name
de introductie van bestuursrechtelijke handhaving, het mogelijk maken van beheer en
bewind van (langdurig) bevroren tegoeden en economische middelen en het verder verbeteren
van de mogelijkheden om informatie uit te wisselen van belang. Het wetsvoorstel zoals
dat aan de Douane ter toets was voorgelegd, bevatte de mogelijkheid om de Douane in
een sanctiebesluit of sanctieregeling aan te wijzen als bestuursorgaan dat bestuursrechtelijk
handhavend kan optreden tegen overtredingen van sanctiemaatregelen. Voordat deze mogelijkheid
kan worden geëffectueerd, zal volgens de Douane eerst wel een aantal (implementatie-)vragen
beantwoord moeten worden. Als de Douane als toezichthouder wordt aangewezen om bestuursrechtelijk
te handhaven, zorgt dit volgens de Douane voor een structuurwijziging die 12–24 maanden
vraagt.
Mede op basis van deze uitvoeringstoets van de Douane en nader overleg tussen de Douane
en het Ministerie van Buitenlandse Zaken, is de structuur van de bepalingen over bestuursrechtelijke
handhaving aangepast. De Douane wordt in het wetsvoorstel direct aangewezen als bestuursrechtelijke
handhavingsinstantie.
De bepalingen ten aanzien van beheer en bewind en informatie-uitwisseling hebben geen
wezenlijk effect op de Douane.
Het wetsvoorstel brengt ook enige uitvoeringskosten voor de Douane met zich.
Voor het opleggen van bestuurlijke boetes heeft de Douane 2 fte (€ 262.000) nodig
vanaf 2027. Verder is voor het behandelen van bezwaren 1 fte (€ 131.000) benodigd
vanaf 2027.
De Dienst voor het Kadaster en de openbare registers (het Kadaster)
Het wetsvoorstel is voor het Kadaster uitvoerbaar. De aantekenbevoegdheid van de bewaarder
op grond van het wetsvoorstel past bij de aantekenbevoegdheden die de bewaarder (al)
heeft op grond van de Kadasterwet. Verder zijn er vooralsnog geen wijzigingen of aanpassingen
nodig in de ICT-systemen van het Kadaster en zijn de personele gevolgen te overzien.
Van de Kamer van Koophandel (KvK) of de inspecteur en ontvanger (Belastingdienst)
ontvangt de bewaarder informatie die het mogelijk maakt voor de bewaarder om een aantekening
te plaatsen in de kadastrale registraties. De bewaarder hoeft zelf geen onderzoek
(te) doen naar de juistheid van de informatie. Hij mag ontvangen informatie alleen
gebruiken voor het stellen van een aantekening. De bewaarder mag (ook) op basis van
de sanctielijsten zelf overgaan tot het plaatsen van een aantekening.
Organisatorische aspecten (werkprocessen)
Het wetsvoorstel heeft impact op de werkprocessen van het Kadaster. Hoewel de bewaarder
inmiddels enigszins bekend is met het (kunnen) stellen van aantekeningen in de registraties
naar aanleiding van de sancties tegen Rusland in verband met de oorlog in Oekraïne,
zijn hierbij nog de volgende aandachtspunten te benoemen.
Volgens het Kadaster zouden updates van sanctielijsten aan de bewaarder gemeld moeten
worden door degene die hierover gaat. Dit zou centraal gecoördineerd moeten worden
waardoor meteen alle betrokken instanties geïnformeerd zijn. De regering begrijpt
deze wens, maar ziet zulke centrale coördinatie als een onnodige vertraging tussen
de aanpassing van een sanctielijst en de doorvoering van de aanpassing door het Kadaster.
De actualisaties van sanctielijsten zijn bovendien al centraal beschikbaar via het
Publicatieblad van de EU. Naar het oordeel van de regering zou het Kadaster zich eenvoudig
kunnen inschrijven voor notificaties van actualisaties van de zogenoemde consolidated list.
Volgens het Kadaster zou het zo moeten zijn dat de bewaarder alleen informatie over
rechtspersonen geleverd krijgt wanneer sprake is van een rechtspersoon waarin een
gesanctioneerde een overwegend belang heeft en het onroerend goed van die rechtspersoon
daardoor bevroren moet worden. Dan is duidelijk voor de bewaarder («zonder twijfel»)
dat als de informatie van de KvK/Belastingdienst een treffer oplevert in de registraties
van het Kadaster, er terstond een aantekening gesteld moet worden. En dan zou het
ook zo moeten zijn dat als er géén sprake meer is van een overwegend belang van een
gesanctioneerde, dit aan de bewaarder wordt gemeld waardoor de aantekening terstond
ongedaan gemaakt kan worden.
In de toelichting staat dat als er geen sprake meer is van een bevroren registergoed,
de aantekening wordt verwijderd. In het voorgelegde voorgestelde artikel 118b van
de Kadasterwet was echter niet opgenomen op basis van welke informatie dit kan/moet
plaatsvinden respectievelijk welke instantie hierover informatie doorgeeft aan de
bewaarder zodat de aantekening kan worden verwijderd. Bovendien was in het betreffende
artikel ook de bevoegdheid van de bewaarder om de aantekening te verwijderen, niet opgenomen. Dit was voor KvK
en de beheerder van het UBO-register wel geregeld. Het Kadaster achtte het dan ook
wenselijk dat de wetgever op dit punt het voorstel en/of de toelichting aanvult. Het
voorgestelde artikel 118b van de Kadasterwet is aangepast om aan de bovenstaande kritiekpunten
van het Kadaster op de eerdere versie van het wetsontwerp tegemoet te komen.
Gegevensuitwisseling afnemers/ketenpartners
Het wetsvoorstel heeft in beginsel geen consequenties voor de afnemers/ketenpartners van het Kadaster. In verband met
komende wetgeving is voor de aantekening van bevroren registertegoeden nog wel een
aandachtspunt. In de toelichting staat dat de aantekening bedoeld is om een relatie
kenbaar te maken tussen een gesanctioneerde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit
of lichaam en het voorwerp van de registratie met het oogmerk een verhoogde en verbeterde
naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit internationale sanctiemaatregelen.
Die verplichtingen gelden in beginsel voor alle burgers, bedrijven en overheidspartijen.
Met ingang van de voorgestelde wijziging van het Kadasterbesluit in verband met het
beperken van de zoekingang op naam,3 is het op termijn niet meer voor eenieder mogelijk om in de registers van het Kadaster
te kunnen zoeken op naam. Dit betekent dat het voor burgers en diverse bedrijven lastiger
wordt om te ontdekken of een natuurlijke persoon met wie zij zaken willen doen, een
gesanctioneerde is met een bevroren registergoed op naam, omdat zij aan de hand van
de naam van een natuurlijke persoon, niet meer de registers van het Kadaster kunnen
bevragen. Dit is naar het oordeel van de regering geen belemmering omdat de personen
die het Kadaster ten behoeve van burgers en bedrijven raadplegen, zoals notarissen,
deze toegang behouden.
Gegevensverwerking (bescherming persoonsgegevens)
Het Kadaster heeft een Privacy Risico Analyse uitgevoerd waarmee de privacy risico’s
die de invoering van artikel 118b in de Kadasterwet oplevert voor de rechten en vrijheden
van betrokkenen in kaart zijn gebracht. Het voornaamste risico op grond van de analyse
ziet op het niet direct voldoen aan de verwerkingsbeginselen die volgen uit artikel 5
AVG. Navolgende privacy aangelegenheden moeten nader uitgedacht worden om de privacy
van betrokkenen zo veel als mogelijk te kunnen borgen:
– De wijze waarop persoonsgegevens worden uitgewisseld tussen partijen. Om datalekken
te voorkomen en de kans hierop te verkleinen zullen technische en organisatorische
maatregelen getroffen moeten worden. Hierbij ziet het belangrijkste risico op een
(mogelijke) onveilige manier waarop gegevens vanuit de KvK en/of de Belastingdienst
toekomen aan het Kadaster. Voor het Kadaster is niet duidelijk hoe de uitwisseling
van gegevens gaat geschieden.
– Het tijdig vernietigen van de aantekening zodra de bewaartermijn is verstreken.
Niet helder is hoe het Kadaster binnen interne dossiers en de openbare registers wenst
om te gaan met de situatie waarin de aantekening wordt verwijderd waardoor een registergoed
niet meer bevroren is. Om het risico aangaande een tijdige en eenduidige vernietiging
te mitigeren, zal de wetgever moeten besluiten op basis van welk signaal moet worden
vernietigd door het Kadaster en hoe doorwerking tussen partijen onderling zich verhoudt.
– Tot slot is dataminimalisatie een risico. Op grond van het huidige wetsvoorstel
ontvangt de bewaarder regelmatig meer informatie dan nodig voor het behalen van het
doel van deze verwerking. Vanuit privacy oogpunt levert het voorgaande strijdigheid
op met artikel 5 AVG, omdat organisaties niet meer gegevens mogen verzamelen dan strikt
noodzakelijk voor het beoogde doel.
De regering onderkent het belang van deze resultaten van de door het Kadaster uitgevoerde
Privacy Risico Analyse. Voorgestelde artikel 118b in de Kadasterwet is – mede ook
naar aanleiding van de toets van de Autoriteit Persoonsgegevens – aangepast om hieraan
tegemoet te komen (zie ook paragraaf 9.3.3 van het algemeen deel van deze toelichting).
Daarbij zij opgemerkt dat het beperken van de privacyrisico’s deels ook in de praktijk
zijn beslag zal moeten krijgen.
Financial Intelligence Unit – Nederland (FIU-NL)
De inschatting is dat de impact van het voorstel voor FIU-NL beperkt is en dat er
geen beperkingen zijn voor de uitvoering daarvan. De FIU-NL heeft een aantal aspecten
uit het wetsvoorstel geanalyseerd die mogelijk impact hebben op de FIU-NL. Het aspect
gegevensverwerking door het centraal meldpunt sancties heeft daarbij volgens de FIU-NL
weinig tot neutraal impact. Het centraal meldpunt sancties kan gegevens verstrekken
aan aangewezen partijen bij sanctieregeling of -besluit, waaronder de FIU-NL. Hierdoor
kan een kleine toename ontstaan aan meldingen bij de FIU-NL na de centralisatie van
de meldingsplichten. Daarnaast zijn toezichthoudende autoriteiten bevoegd informatie
te delen waarbij de geheimhouding uit artikel 10g van de Sanctiewet 1977 kan worden
doorbroken. Deze informatie kan ook gedeeld worden met de FIU-NL. De toezichthouders
op het wetsvoorstel kunnen informatie delen met de Minister van Justitie en Veiligheid
en FIU-NL ten behoeve van haar taakstelling. De impact hiervan op FIU-NL is beperkt.
De overige aspecten van het voorstel hebben weinig tot geen impact op de FIU-NL.
Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed
De Inspectie beschouwt het wetsvoorstel op dit moment als uitvoerbaar. Het introduceren
van bestuursrechtelijke handhaving, het verbeteren van informatie-uitwisseling en
het opzetten van een centraal meldpunt, kan volgens de Inspectie bijdragen aan effectiever
toezicht en handhaving, en daarmee aan een betere bescherming van cultureel erfgoed.
Het effect van toekomstige ontwikkelingen, zoals het aantal voor de Inspectie relevante
sanctiemaatregelen, of de concrete invulling van nadere regelgeving, kan echter nog
niet volledig worden ingeschat.
Handhaving en capaciteitsinzet
De Inspectie werkt samen met andere instanties, zoals de Douane en de politie, om
gesanctioneerd internationaal verkeer in cultuurgoederen te controleren. De benodigde
handhaving is afhankelijk van het aantal sancties dat specifiek cultuurgoederen betreft.
De Inspectie beschikt momenteel over voldoende capaciteit om toezicht te houden.
Beoordeling van handhavingsbevoegdheden
Momenteel worden sanctiemaatregelen strafrechtelijk gehandhaafd via de Wet op de economische
delicten. Het wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om aanvullende bestuursrechtelijke
handhavingsbevoegdheden in te voeren. Dit betekent dat aangewezen bestuursorganen
meer bevoegdheden kunnen krijgen om sancties te handhaven. De Inspectie verwacht dat
strafrechtelijke handhaving een belangrijke rol zal blijven spelen, vooral als het
gaat om inbeslagneming van cultuurgoederen. Bestuursrechtelijke handhaving kan echter
aanvullend zijn en biedt meer flexibiliteit bij het reageren op overtredingen.
Centraal meldpunt en gegevensdeling
Het voorstel voor een centraal meldpunt sancties wordt gezien als een belangrijke
verbetering in het toezicht en de handhaving van sancties. Het zal de meldingsplicht
stroomlijnen en efficiëntie bevorderen. Er moeten echter nog afspraken gemaakt worden
over de samenwerking en de informatie-uitwisseling tussen de Inspectie en het meldpunt,
vooral met betrekking tot de behandeling van bevroren goederen met culturele waarde.
De Inspectie verwacht geen knelpunten in de gegevensverwerking en -uitwisseling, zolang
dit goed is ingericht.
Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT)
De ILT heeft een uitvoeringstoets uitgevoerd op het wetsvoorstel. Over het algemeen
lijkt het wetsvoorstel voor de ILT grotendeels uitvoerbaar te zijn. Volgens de ILT
lijkt het wetsvoorstel echter te stellen dat de ILT de taak wordt toebedeeld om onderhoud
te plegen aan bevroren (lucht)vaartuigen die in het kader van de sanctiewetgeving
bevroren zijn. Deze taak is zeer ongewenst aangezien de kosten voor onderhoud of het
inhuren van een partij, erg hoog zijn. Daarnaast komt hierbij de rol van onafhankelijke
toezichthouder in de knel die juist toezicht houdt op het onderhoud van toestellen.
Volgens de ILT is het voorstel op dit punt niet uitvoerbaar als dit zo geïnterpreteerd
moet worden. Artikel 6.1 van het wetsvoorstel voorziet in de bevoegdheid voor de Minister
van Infrastructuur en Waterstaat voor wat betreft vaartuigen en luchtvaartuigen, om
aan een eigenaar of degene die om een andere reden bevoegd is tot het in beheer of
gebruik geven van een registergoed mede te delen dat het beheer van het registergoed
over wordt genomen door die Minister, dan wel aan een persoon of instelling die door
die Minister is aangewezen. Hoewel het dus mogelijk is om een beheerovername bij de
ILT te beleggen, zal dit niet per definitie het geval zijn.
Verder vraagt de ILT aandacht voor de manier van gegevensuitwisseling tussen organisaties.
De invulling van de ministeriële regeling moet duidelijk maken in welke mate er gegevens
uitgewisseld kunnen worden. Deze vraag lijkt uit te gaan van een verkeerd begrip van
het wetsvoorstel. Dit onderwerp kan weliswaar in voorkomend geval bij ministeriële
regeling worden geregeld, maar de hoofdregel is dat gegevensuitwisseling tussen bevoegde
autoriteiten beheerst wordt door de Europese sanctieverordeningen (zie hierover uitgebreid
paragraaf 3.6).
Kamer van Koophandel (KvK)
Het wetsvoorstel is uitvoerbaar voor de KvK op voorwaarde dat er tijdig voldoende
duidelijke antwoorden zijn op de vragen over de invulling van deze wetgeving, zoals
de mogelijkheid voor bezwaar en beroep. De impact van het wetsvoorstel op de stakeholders,
klanten, IT-systemen en bedrijfsvoeringsprocessen is beperkt.
De KvK heeft in het kader van de uitvoeringstoets een aantal punten opgesomd, inclusief
de gevolgen voor de uitvoerbaarheid. De belangrijkste van deze punten zijn hier opgenomen
en door de regering van een reactie voorzien.
De KvK geeft in haar uitvoeringstoets aan dat er op dit moment geen openbare lijst
op kvk.nl komt, omdat het wetsvoorstel spreekt van een aantekening inhet register. Het wetsvoorstel zou volgens de KvK niet voorzien in een openbare lijst
omwille van privacyoverwegingen. De KvK beschouwt een openbare lijst niettemin als
een transparante en eenvoudige oplossing voor alle doelgroepen en een extra manier
om sanctie-aantekeningen te ontsluiten. De regering weerspreekt deze zienswijze en
merkt te dien aanzien op dat het aantekeningenstelsel juist tot doel heeft om de openbaarheid
van sanctiemaatregelen te vergroten. Het bijhouden van een openbare lijst is daarom
niet in strijd met privacyoverwegingen en een keuze die door de betreffende registerbeheerder
gemaakt kan worden.
De KvK is ook de opvatting toegedaan dat de tekst van een sanctie-aantekening in het
Handelsregister geen persoonsgevoelige gegevens zou mogen bevatten, omdat de relatie
tot de gesanctioneerde persoon of entiteit op KvK-nummer is, en niet opgaat bij een
natuurlijke persoon. Het gevolg is, volgens de KvK, een risico bij de eenpersoonsvennootschap.
De regering ziet dit risico niet, omdat sancties die van toepassing zijn op personen
immers openbaar zijn. Het plaatsen van een aantekening bij een eenpersoonsvennootschap
laat enkel zien dat de betrokken persoon onderwerp is van sanctiemaatregelen.
De KvK geeft voorts aan te willen realiseren dat de sanctie-aantekening voor het Handelsregister
altijd leidt tot sanctie-aantekening voor het UBO-register en andersom. Daarvoor zou
een wettelijke bepaling nodig zijn en opgeroepen wordt om dit in de toelichting te
verduidelijken. De regering heeft het voorgestelde artikel 16c van de Handelsregisterwet
opnieuw tegen het licht gehouden tegen de achtergrond van deze opmerking. De conclusie
daarvan is dat deze bepaling de beheerder niet in de weg staat om aantekeningen simultaan
in het Handelsregister (waaronder het UBO-register) op te nemen.
De KvK geeft aan dat vooraf een limitatieve lijst zal worden bepaald met de verschillende
soorten sanctie-aantekeningen die KvK kan plaatsen op alle producten. Het type sanctiemaatregel
zou moeten worden aangeleverd door de bevoegde instantie. De KvK wil alleen verschillende
teksten gebruiken als die uitputtend zijn beschreven in de wet of de toelichting.
Het gevolg hiervan is dat als de KvK in de sanctie-aantekeningen moet aangeven wat
de verbintenis is met de sanctie (zoals bestuurder staat op sanctielijst etc.) dit
alleen uitvoerbaar is als in de wet of de toelichting de mogelijke typen sanctie-aantekening
uitputtend staan benoemd. Aan deze opmerking heeft de regering gevolg gegeven door
in het voorgestelde artikel 16c van de Handelsregisterwet te specificeren wat de precieze
verbintenis tussen de gesanctioneerde entiteit en het onderwerp van het Handelregister
moet zijn.
KvK geeft aan geen handhavende inspanningen (controle) te zullen verrichten. Het gevolg
is volgens de KvK dat de organisaties met bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheden
al dan niet zullen moeten overgaan tot handhaving. Hieronder schaart de KvK het centraal
meldpunt sancties. De regering merkt in reactie voor de goede orde op dat het centraal
meldpunt sancties geen handhavende bevoegdheden zal krijgen aangaande meldingsplichten.
KvK geeft aan geen controle/melding te doen bij de Afgifte van exportdocumenten voor
een organisatie met een sanctie-aantekening. Het gevolg hiervan is volgens de KvK
dat er een risico is dat exportdocumenten worden afgegeven voor een organisatie met
een sanctie-aantekening.
De KvK geeft aan niet actief de gegevens over sanctie-aantekeningen aan het RDW te
verstrekken voor bevriezing van bezittingen. Volgens de KvK is er in het wetsvoorstel
alleen verstrekking door KvK aan het Kadaster genoemd. De regering merkt in reactie
hierop op dat op grond van de doorgifteplicht aan registers (artikel 8.2.4) ook voor
de KvK geldt dat als dat relevant is de informatie wordt doorgestuurd aan de RDW.
KvK is niet de instantie voor bezwaar en beroep over sanctie-aantekeningen. KvK kan
alleen overgaan tot plaatsen van aantekeningen als duidelijk is wat de bezwaar- en
beroepsprocedure is. Het gevolg hiervan is dat de KvK geen aantekeningen kan plaatsen
zolang dit niet duidelijk is, wat de uitvoerbaarheid zeer beperkt. De regering merkt
in reactie hierop op dat als een belanghebbende bezwaar wil maken tegen een aantekening,
hij dit kenbaar moet maken bij de KvK. De KvK zal op grond van de doorzendplicht het
bestuursorgaan dat de informatie heeft gedeeld op grond waarvan de aantekening is
geplaatst hiervan onverwijld op de hoogte stellen, onder gelijktijdige mededeling
daarvan aan de afzender.4 Dat bestuursorgaan zal de verdere behandeling ter hand nemen door de informatie die
is gedeeld met het register te delen met de afzender, voorzien van een rechtsmiddelenclausule.
De kosten voor registratie en verstrekking van een sanctie-aantekening in het Trustregister
zijn erg hoog in verhouding tot het aantal registraties. Voor een kosten-efficiëntere
inzage van sanctie-aantekeningen uit het UBO-register Trusts is volgens de KVK dan
ook een andere oplossing wenselijk, zoals een wettelijke grondslag voor een openbare
lijst.
Het wetsvoorstel brengt een aantal aanvullende taken met zich voor de KvK. Deze vergen
zowel structurele als incidentele middelen. Structureel is personele capaciteit nodig
voor de handmatige (de-)registratie van sanctie-aantekeningen door een KvK-medewerker
in het Handelsregister, UBO-register en UBO-register Trusts. Hierbij is uitgegaan
van maximaal 10 aantekeningen per jaar. Dit vergt de volgende eenmalige werkzaamheden:
– Het opstellen van processen en werkinstructies voor aanlevering, (de-)registratie
en uitlevering van sanctie-aantekeningen.
– UBO-autorisatie voor instanties die toezicht houden op de naleving van de Sanctiewet
1977. Als nieuwe instellingen bij algemene maatregel van bestuur tot sanctie-instelling
worden aangewezen moet KvK die objectief kunnen herkennen voor het toekennen van UBO-autorisaties
om autorisatie voor inzage te geven.
– Security- en privacyaspecten, fraudebestendigheid en gegevensuitwisseling. Sanctie-aantekeningen
bevatten privacygevoelige informatie, wat hoge eisen stelt aan de uitwisseling van
deze data; dit geldt zowel de handmatige aanlevering vanuit de bevoegde instanties
aan KvK als de aanlevering vanuit KvK aan het Kadaster.
De kosten voor de benodigde aanpassingen zijn begroot op eenmalig € 450.000 en structureel
€ 62.000 per jaar. Bij deze berekening is gebruikgemaakt van de uurtarieven van de
Rijksoverheid zoals die zijn vastgelegd in de Handleiding Overheidstarieven (HOT).
Dit betreft een raming. De werkelijke kosten worden berekend op basis van nacalculatie
binnen een bandbreedte van 10%.
De Raad voor Plantenrassen
De Raad voor Plantenrassen beoordeelt de uitvoerings- en financiële consequenties
van het wetsvoorstel voor haar werkzaamheden als gering. Het plaatsen of verwijderen
van een aantekening in het Nederlands Rassenregister op basis van aangiften van derden
is technisch goed te doen.
De Belastingdienst, inclusief de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD)
De FIOD doet onderzoek naar schendingen van sancties en draagt daardoor bij aan een
effectieve uitvoering van de internationale sanctiemaatregelen. Specifiek voor het
wetsvoorstel concludeert de FIOD in de uitvoeringstoets dat het wetsvoorstel uitvoerbaar
is. Wel merkte de FIOD op dat er geen zicht is op structurele financiering en na 2026
geen budget beschikbaar voor de continuering van de werkzaamheden op het gebied van
sancties. Inmiddels is in structurele financiering voorzien. Met de Voorjaarsnota
2025 is structureel 36,5 miljoen euro vrijgemaakt voor versterken van de sanctienaleving
in Nederland. Daarnaast acht de FIOD het van belang dat er duidelijkheid komt over
het opdrachtgeverschap. Dit behoeft geen regeling bij wet, want dit kan besloten worden
op basis van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.5
Ook buiten de FIOD geldt voor de Belastingdienst dat het wetsvoorstel de mogelijkheden
verbetert die bevoegde autoriteiten, zoals toezichthouders en handhavingsinstanties,
hebben om informatie uit te wisselen. Tevens moet als gevolg van het wetsvoorstel
op termijn een geautomatiseerde complexe beveiligde verbinding geïmplementeerd worden.
De incidentele uitvoeringskosten die daarvoor nodig zijn en dus met de uitvoering
van het wetsvoorstel samenhangen bedragen in 2025 eenmalig € 430.000. Dit is wenselijk
in 2025 zodat het kan meelopen in de geplande activiteiten in het IV-portfolio.
X Noot
1
Zie artikel 45a Advocatenwet.
X Noot
2
Zie artikel 28 Advocatenwet.
X Noot
3
Zie https://www.internetconsultatie.nl/kadasterbesluitmaatregelen/b1.
X Noot
4
Artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
X Noot
5
Artikel 3, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.
8. Gevolgen
Naast de in hoofdstuk 3 beschreven gewenste effecten van het wetsvoorstel, is de verwachting
dat deze nieuwe wet in bredere zin gevolgen zal hebben binnen en buiten Nederland.
Voor Nederlandse burgers en bedrijven, en ook voor de duurzame ontwikkelingsdoelen
(Sustainable Development Goals, hierna: SDG's) en brede welvaart. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens stilgestaan
bij de brede welvaartseffecten en de gevolgen van sanctienaleving voor de SDG’s. Vervolgens
wordt ingegaan op de regeldrukeffecten van het wetsvoorstel, waarbij ook aandacht
wordt besteed aan het doenvermogen van burgers. In paragraaf 8.3 worden de financiële
gevolgen in kaart gebracht. Paragraaf 8.4 sluit af met de gevolgen voor Caribisch
Nederland.
8.1. Sanctienaleving, brede welvaart en SDG’s
Het vanuit de brede welvaart en de SDG-doelen kijken naar wet- en regelgeving gaat
erover dat keuzes die gemaakt worden om de welvaart in het «hier en nu» op peil te
houden ook gevolgen hebben voor de welvaart van toekomstige generaties (later) en
voor mensen in andere landen, met name ontwikkelingslanden (elders). Het is daarom
belangrijk dat de manier waarop sanctienaleving in Nederland ingevuld wordt zoveel
mogelijk dienstbaar is aan het verhogen van brede welvaart en het behalen van de Duurzame
Ontwikkelingsdoelen (Sustainable Development Goals, SDG’s), in Nederland en wereldwijd.
Het instellen van sancties is een instrument dat kan worden ingezet wanneer met diplomatie
en dialoog geen resultaten (meer) kunnen worden bereikt die wel essentieel zijn voor
de veiligheid, goed bestuur, het naleven van mensenrechten en het tegengaan van geweld.
In het algemeen kan dus gesteld worden dat sanctienaleving bijdraagt aan SDG 16 dat
bovenstaande nastreeft.
In het bijzonder dient sanctienaleving subdoelen 16.3 en 16.4 door het bevorderen
van de rechtsregels op nationaal en internationaal niveau en het indijken van onwettige
financiële en wapenstromen.280 De noodzaak hiertoe wordt temeer onderstreept door de resultaten uit de laatste voortgangsrapportage
over SDG 16 op mondiaal niveau. Het jaar 2022 zag een toename van meer dan 50 procent
in het aantal conflict-gerelateerde burgerdoden, de grootste stijging sinds het aannemen
van de 2030 agenda in 2015. 90 procent van de sterfgevallen vond daarbij plaats in
Europa en Afrika ten zuiden van de Sahara, en 4 van de 10 burgerdoden vielen in Oekraïne.281
De uiteindelijke doelstelling van internationale sanctiemaatregelen is om gedragsverandering
van de gesanctioneerde entiteit te bewerkstelligen. Het sanctie-instrumentarium draagt
bij aan het beëindigen van geweld en conflicten en het handhaven van de vrede. Dit
leidt tot een veiligere wereld die als fundament dient ter bevordering van de SDG’s.
De manier van sanctienaleving, timing en precisie is van belang om mogelijke onbedoelde neveneffecten zo klein mogelijk
te houden. Deze effecten kunnen zowel in Nederland als in de landen waar sancties
tegen gericht zijn plaatsvinden en hebben in het algemeen (bedoeld of onbedoeld) gevolgen
voor SDG 8 dat gaat over economische groei en waardig werk. De regering zet zich er
voor in dat de gevolgen van sancties voor de lokale bevolking in het gesanctioneerde
land zo klein mogelijk blijven. In het geval van ernstige (maatschappelijke) gevolgen
voor in Nederland geregistreerde ondernemingen kan de Staat ingrijpen om bijvoorbeeld
de continuïteit en/of afwikkeling van de betrokken onderneming te managen.
De Monitor Brede Welvaart & SDG’s 2023 van het Centraal Bureau voor de Statistiek
toont onder de brede welvaartsgevolgen voor mensen van andere landen (dimensie «elders»)
aan dat onder invloed van de geopolitieke spanningen (zoals de oorlog in Oekraïne)
verschuivingen in handelsstromen zijn opgetreden.282
8.2. Regeldruk en doenvermogen
Naar verwachting heeft het wetsvoorstel zeer beperkte negatieve regeldrukeffecten.
De Europese sanctieverordeningen waarin sanctiemaatregelen in de regel zijn vastgesteld
werken immers rechtstreeks. Wel zijn er als gevolg van dit wetsvoorstel regeldrukeffecten
voor ondernemingen die de Minister van Economische Zaken verzoeken om een bewindvoerder
aan te stellen. Een onderneming is hier weliswaar niet toe verplicht, maar de kosten
die voortkomen uit de wettelijke verplichtingen als gevolg van zo’n verzoek moeten
worden beschouwd als regeldrukkosten. Verder is de verwachting dat de mogelijkheid
om een aantekening te plaatsen in diverse openbare registers als er een relatie is
tussen het onderwerp van het register en een gesanctioneerde persoon of entiteit,
de ervaren regeldruk kan doen afnemen en het doenvermogen wordt verhoogd. Dit geldt
ook voor het in het leven roepen van een centraal meldpunt sancties. Om dit op een
inclusieve wijze te toetsen, zijn in aanloop naar dit wetsvoorstel verschillende contactmomenten
geweest met de voorziene groep die gebruik zal gaan maken van het aantekeningenstelsel
en het centraal meldpunt sancties. Daarnaast is de doenvermogencoördinator van het
Ministerie van Buitenlandse Zaken geraadpleegd. Ten slotte zijn er regeldrukkosten
voor de juridische beroepsgroepen waarvoor het toezicht op de bedrijfsvoering zal
gaan gelden ter adequate naleving van sancties.
Internationale sanctiemaatregelen kunnen leiden tot lastendruk voor Nederlandse burgers
en bedrijven, en daarmee tot kosten voor burgers en bedrijven om de verplichtingen
die voortvloeien uit internationale sanctiemaatregelen correct na te leven. Aangezien
eenieder wordt geacht zich aan de geldende sanctiemaatregelen te houden, doen deze
ook een beroep op het doenvermogen van burgers. Het gaat dan bijvoorbeeld om informatieverplichtingen,
zoals het moeten voldoen aan meldingsplichten uit Europese sanctieverordeningen.283 Ook worden er in financieel-rechtelijke verordeningen aan financiële marktpartijen
extra eisen gesteld aan de bedrijfsvoering, bijvoorbeeld om beheersmaatregelen te
nemen om het risico op schending of omzeiling van gerichte financiële sancties tegen
te gaan.284 De snelheid waarmee sanctiepakketten elkaar soms opvolgen kan voor burgers en bedrijven
bovendien tot meer dan gebruikelijke kennisnamekosten leiden. Ook bieden sanctieverordeningen
in de regel de mogelijkheid voor bevoegde autoriteiten om toestemming te verlenen
voor het verrichten van een in beginsel op grond van die verordening verboden handeling,
bijvoorbeeld voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen.285 Deze niet-uitputtend bedoelde voorbeelden illustreren dat de naleving van sancties
zeker niet zonder regeldrukeffecten is. De regeldrukeffecten van de sanctieverordeningen
staan echter los van de regeldrukeffecten van dit wetsvoorstel.286 Voor het wetsvoorstel als zodanig geldt dat bedrijven die in hun werkzaamheden te
maken hebben met internationale sanctiemaatregelen hier kennis van zullen willen nemen.
Conform de Rijksbrede methodiek wordt de benodigde tijd voor deze eenmalige kennisname
geschat op 60 minuten per bedrijf en 15 minuten per burger. Aannemende dat de kennisname
bij de relevante bedrijven plaats zal vinden door hoogopgeleide medewerkers, die een
intern uurtarief van € 54,– kennen, zijn de kosten per relevant bedrijf € 3.240. Omdat
de wet in de praktijk niet voor alle bedrijven relevant zal zijn, is het niet mogelijk
om een inschatting te geven van de totale eenmalige kennisnamekosten. De overige onderdelen
van het wetsvoorstel brengen geen regeldruk met zich, omdat de normen alleen tot overheidspartijen
zijn gericht, of de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving van sanctiemaatregelen
betreffen. Kosten die aan burgers en bedrijven zelf te wijten zijn, omdat zij de wet
overtreden, worden niet meegenomen bij de berekening van de regeldruk.287
8.2.1 Aantekeningen in registers en centraal meldpunt sancties
Het wetsvoorstel kent twee onderdelen die zien op het toegankelijker en eenvoudiger
maken van informatie die betrekking heeft op de naleving van internationale sanctiemaatregelen,
namelijk aantekeningen in registers en het centraal meldpunt sancties. Dit draagt
bij aan het doenvermogen van de betrokken partijen. Om dit op een inclusieve wijze
te toetsen, zijn in aanloop naar dit wetsvoorstel verschillende contactmomenten geweest
met de partijen die gebruik zullen gaan maken van het aantekeningenstelsel en het
centraal meldpunt sancties (het bedrijfsleven en poortwachters). Daarnaast is de doenvermogencoördinator
van het Ministerie van Buitenlandse Zaken geraadpleegd.
Het plaatsen van een aantekening in een register draagt bij aan de mogelijkheid voor
burgers, toezichthouders en bedrijven (waaronder poortwachters) om zicht te houden
op welke ondernemingen, registergoederen en andere vermogensbestanddelen die in registers
zijn geregistreerd, verbonden zijn (direct of indirect) met krachtens door de EU vastgestelde
sancties jegens natuurlijke personen, rechtspersonen en entiteiten. Het opnemen van
aantekeningen in registers draagt in die zin bij aan het doenvermogen288 van burgers en bedrijven. De aantekeningen stellen eenieder namelijk in staat om
gemakkelijker te achterhalen of de partij waarmee zij handelen in verband kan worden
gebracht met sanctiemaatregelen. De registers die het betreft zijn openbaar en goed
toegankelijk voor partijen. Het verdient daarbij wel de opmerking dat een aantekening
een hulpmiddel is om breder inzichtelijk te maken dat er sprake is van sanctionering.
Het is dus een aanvullend middel om de wet te kunnen kennen en te kunnen naleven.
Het naleven van sancties blijft de verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven,
zoals in het algemeen als rechtsbeginsel geldt dat iedereen geacht wordt de wet te
kennen. De aantekening is daarbij een hulpmiddel om de naleving te vermakkelijken.
Ook als een aantekening niet aanwezig is, kan een natuurlijke persoon, rechtspersoon
of entiteit nog steeds gesanctioneerd zijn. Het ontbreken van een aantekening ontslaat
marktpartijen dus niet van de verplichting om zich te houden aan de wet- en regelgeving
ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen. Hoe burgers en bedrijven dat
doen, volgt in het algemeen niet uit de sanctiemaatregelen, onderzoeksverplichtingen
voor bepaalde partijen niettegenstaande. Wel zal het zeker bij grensoverschrijdend
zakendoen vaak verstandig en vanzelfsprekend zijn om als bedrijf zelf verder onderzoek
te doen. In het bijzonder kan het voorkomen dat de noodzaak tot aantekeningen nog
moet worden onderzocht en daarna verwerkt, nadat personen of entiteiten op internationale
sanctielijsten worden geplaatst. In dit tijdsbestek moeten partijen zich ook aan de
geldende sanctiemaatregelen houden.
Het doen van zoekopdracht in een register kan worden uitgevoerd door administratief
personeel (€ 39,– per uur) en kwalificeert als de handeling «verkrijgen van gegevens»
(matig), waardoor dit gemiddeld tien minuten in beslag zal nemen.289 Dat komt uit op een gemiddeld kostenplaatje van € 6,50 per zoekopdracht.
In de preconsultatie (zie paragraaf 9.1) is door verschillende consultatiepartijen
de wens uitgesproken om terecht te kunnen bij één loket voor het doen van meldingen
over de naleving van internationale sanctiemaatregelen. Het gaat daarbij hoofdzakelijk
om meldingsplichten uit EU-sanctieverordeningen waaraan burgers en bedrijven moeten
voldoen. Omdat het Nederlandse sanctiestelsel in beginsel een decentraal karakter
heeft, moeten deze meldingen vaak bij verschillende nationale autoriteiten worden
gedaan. Ter illustratie, om in Nederland uitvoering te geven aan de zogenoemde «zelfmeldplicht»
zijn vijf verschillende meldpunten ingericht bij vijf verschillende ministeries.290 Het kan daardoor voorkomen dat een meldingsplichtige bij meerdere meldpunten een
meldingsformulier moet invullen om te kunnen voldoen aan zijn meldingsplicht. De regering
komt tegemoet aan de wens tot meer centralisatie omtrent sanctiemeldingen door het
inrichten van een centraal meldpunt sancties. Daarmee wordt voorzien in één loket
voor het doen van huidige en toekomstige sanctiemeldingen. Dit vereenvoudigt het doen
van meldingen voor het bedrijfsleven en burgers, omdat zij niet meer op zoek hoeven
te gaan naar het juiste meldpunt en/of hun meldingen op verschillende punten hoeven
in te dienen; zij kunnen voor al hun meldingen (met uitzondering van de meldingen
bij CDIU van de Douane) terecht bij het centraal meldpunt sancties. Dit levert tijdswinst
op voor meldingsplichtigen omdat zij niet langer hoeven uit te zoeken bij welk meldpunt
zij precies hun melding(en) moeten doen. Daarnaast zou voor bepaalde meldingsplichten
kunnen worden volstaan met het invullen van een enkel formulier, in plaats van meerdere
formulieren bij verschillende meldpunten. Het doen van de melding wordt daarmee voor
meldingsplichtigen vereenvoudigd hetgeen zal bijdragen aan het doenvermogen van burgers
en bedrijven om te voldoen aan hun meldingsplichten, doordat het voorstel meer duidelijkheid
biedt over waar zaken gemeld kunnen worden. Zo wordt het eenvoudiger en overzichtelijker
om een melding te doen.
Dat neemt niet weg, dat het voor burgers en (mkb-)bedrijven die voor het eerst rekening
moeten houden met internationale sanctiemaatregelen, belangrijk is om regelhulp te
kunnen krijgen. De RVO zal de rol die het al heeft als Sanctieloket Rusland voor vragen
van ondernemers, dan ook voortzetten. De website van de RVO biedt daarbij een overzicht
van welke sancties er zijn, is gericht op ondernemers die willen weten of hun bedrijf
met sancties te maken krijgt, biedt antwoord op een aantal veel gestelde vragen en
verwijst zo nodig door naar de juiste organisatie.291 In bredere zin blijft de regering ook lopende het moderniseringstraject informatie
over de naleving van sanctiemaatregelen voor burgers en bedrijven online beschikbaar
stellen, zoals de door het Ministerie van Financiën opgestelde Leidraad Financiële
Sanctieregelgeving, waarin het uitlegt hoe personen, bedrijven en organisaties om
moeten gaan met financiële sancties. In dat verband wordt ook gewezen op een aantal
specifieke handreikingen voor financiële sectorpartijen, zoals de door de AFM en DNB
opgestelde Leidraden Wwft en Sw, en de Handreiking Sanctiewet voor Pensioenfondsen, de Q&A Sanctiewet voor schadeverzekeraars en de Q&A
Sanctiecheck wisselinstellingen van DNB.292 Handelaren in en exporteurs van strategische goederen vinden in het Handboek strategische goederen en diensten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken de nodige informatie, waaronder contactgegevens.293 Alle sanctiemaatregelen van de EU zijn per land of thema beschikbaar, via de Engelstalige
website «EU Sanctions Map».294 Ten slotte stelt de Europese Commissie specifieke richtsnoeren beschikbaar betreffende
de sancties die zijn vastgesteld naar aanleiding van de militaire agressie van Rusland
tegen Oekraïne en de betrokkenheid van Belarus daarbij.295
8.2.2. Uitbreiding bestuursrechtelijk toezicht naar juridische beroepsgroepen
Juridische beroepsgroepen moeten zich op dit moment al, net als elk ander bedrijf,
houden aan de in Nederland geldende sanctiemaatregelen. Om de sanctiemaatregelen adequaat
na te kunnen leven is het al nodig dat juridische beroepsgroepen begrijpen welke sanctiemaatregelen
voor hen van toepassing zijn, welke risico’s zij lopen op het niet goed naleven en
maatregelen te formuleren hoe binnen de kaders van de sanctiemaatregelen te handelen.
De sanctiemaatregelen schrijven echter niet voor hoe zij nageleefd kunnen worden en
welke maatregelen vereist zijn om een adequate naleving te realiseren. Door het toezicht
op de bedrijfsvoering uit te breiden naar juridische beroepsgroepen (zie hierover
uitgebreider paragraaf 3.8) krijgen zij een duidelijker handelingskader welke maatregelen
te treffen om sanctiemaatregelen na te leven. Daarbij wordt aan het BFT en het college
van toezicht van de Nederlandse orde van advocaten de bevoegdheid toegekend om bedrijfsvoeringsregels
op te stellen. Hierop worden de juridische beroepsgroepen door de betreffende toezichthouders,
respectievelijk BFT en de aan te wijzen deken, getoetst.
Het uitgangspunt bij het opstellen van deze bedrijfsvoeringsregels is dat deze nauw
aansluiten bij de huidige (nalevings)praktijk van de betreffende juridische beroepsgroep.
Dit betekent ook aansluiting bij de Wwft, waar deze juridische beroepsgroepen al onder
vallen, zodat de inspanningen die op basis van die wet al verricht worden, ook ingezet
worden voor de naleving van sanctiemaatregelen. Zo kan voor het opstellen van beleid
en procedures en voor het doen van onderzoek naar klanten, worden geleund op de activiteiten
die al worden ontplooid op grond van de Wwft. Voor wat betreft het voorkomen van terrorismefinanciering,
dat expliciet binnen het bereik van de Wwft valt, geldt al dat het meenemen van de
naleving van sanctiemaatregelen op deze gebieden een vereiste is.
Zowel de Nederlandse orde van advocaten als het BFT hebben een leidraad uitgevaardigd
waarin uiteen is gezet op welke wijze de juridische beroepsgroepen zich moeten houden
aan de verplichtingen die de Wwft aan hen stelt. In beide voornoemde leidraden wordt
geadviseerd om daarbij ook de verplichtingen uit de Sanctiewet 1977 te betrekken,
omdat eenieder zich al aan de naleving van deze wet moet houden.
Omdat juridische beroepsgroepen in de praktijk al handelingen moeten verrichten om
te kunnen voldoen aan de geldende sanctiemaatregelen, en omdat er een synergie bestaat
met de inspanningen onder de Wwft, zijn de regeldrukkosten voor de naleving van sancties
beperkt. Vast staat wel dat, als gevolg van het geven van een duidelijker handelingskader,
juridische beroepsgroepen hun bestaande beleid, procedures en maatregelen tegen het
licht zullen moeten houden om dit in overeenstemming te brengen met de gestelde bedrijfsvoeringsregels.
Dit brengt kennisnamekosten met zich.
Daarnaast zullen juridische beroepsgroepen structurele kosten maken om te voldoen
aan verzoeken van de toezichthouder en, als zij geselecteerd worden voor een toezichtsonderzoek,
tijd moeten vrijmaken voor een toezichtsbezoek en/of onderzoek. Dit zal echter voor
het gros van de instellingen niet aan de orde zijn gezien het toezicht risicogebaseerd
van aard is. Dat wil zeggen dat de toezichthouders de inzet van hun middelen afstemmen
op de vastgestelde risico’s onder hun toezichtspopulatie. Ten slotte is het aannemelijk
dat de toezichthouders het naleven van de Wwft en de sanctiemaatregelen zoveel als
mogelijk in een onderzoek zullen onderbrengen gegeven de samenloop hiervan. Door deze
samenloop zijn de regeldrukeffecten beperkter dan in het geval het kader meer af zou
wijken van de Wwft.
De bovenstaande omschreven kennisnamekosten en kosten voor het toezicht brengen regeldrukkosten
met zich mee voor twee groepen: juridische beroepsgroepen onder toezicht van BFT296 en advocaten onder toezicht van de aan te wijzen deken. Het gaat hierbij om respectievelijk
50.000 beroepsuitoefenaars en bedrijven in de eerste groep en 18.513 in de tweede
groep.297
Voor wat betreft de kennisnamekosten wordt ingeschat dat de eenmalige kosten voor
de herziening van beleid, procedures en maatregelen per bedrijf of beroepsuitoefenaar
gemiddeld genomen € 1.512,– zullen bedragen. Daarbij wordt uitgegaan van een uurtarief
van € 54,– en een tijdsbesteding van 28 uur voor het vernieuwen, afstemmen en implementeren
van dit beleid en deze procedures en maatregelen.298
Ervaringscijfers op basis van de Wwft laten zien dat de toezichthouders ten aanzien
van hun populaties ongeveer 120 onderzoeken voor wat betreft de eerste groep en 75
onderzoeken voor wat betreft de tweede groep uitvoeren in een jaar.299 Als dit aantal, gezien de samenhang tussen de Wwft en de naleving van sanctiemaatregelen,
wordt doorgetrokken dan is de verwachting dat een select aandeel van de toezichtpopulatie
te maken krijgt met een onderzoek. De kosten hiervan zullen afhangen van de omvang
en diepgang van het betreffende onderzoek. De inschatting is dat op basis van een
gemiddeld onderzoek, als een beroepsuitoefenaar of bedrijf wordt geselecteerd, € 486,–
bedraagt. Hierbij wordt uitgegaan van een uurtarief van € 54,– en een tijdsbesteding
van negen uur. Uitgaande van 195 onderzoeken in een jaar bedraagt dit € 94.770,– waarbij
niet van te voren in te schatten is bij welke beroepsuitoefenaars of bedrijven deze
kosten zullen landen.
Ten slotte zullen de juridische beroepsgroepen gehoor moeten geven aan verzoeken van
de toezichthouder. Hierbij is het voorstelbaar, gezien de huidige risico gebaseerde
praktijk, dat de toezichthouders periodiek schriftelijk vragen stellen over de mate
van naleving van sanctiemaatregelen door bedrijven of beroepsuitoefenaars. Ook het
invullen en beantwoorden van zulke vragen brengen structurele kosten met zich die
mede afhankelijk zijn van de aard en complexiteit van de activiteiten van het betreffende
bedrijf of beroepsuitoefenaar. Gemiddeld genomen wordt uitgegaan van een bedrag van
€ 162,– per jaar bij een uurtarief van € 54,– en een tijdsbesteding van drie uur.
8.3. Gevolgen voor Caribisch Nederland
De Caribische delen van het Koninkrijk hebben ook groot belang bij een functionerende
internationale rechtsorde. De Sanctiewet 1977 is bij gelegenheid van de herziening
van de Koninkrijksverhoudingen op 10 oktober 2010 ook van toepassing verklaard in
de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES), met uitzondering van de
normen die gelden voor Sw-instellingen.300 Hiervoor is indertijd gekozen om op overeenkomstige wijze als in Europees Nederland
uitvoering te kunnen geven aan internationale sancties. De toepassingsverklaring zou
omzetting van resoluties van de VN-Veiligheidsraad, die voor het gehele Koninkrijk
verplichtingen met zich brengen, voor de BES vereenvoudigen. Vanuit het oogpunt van
eenheid van buitenlandsbeleid werd het daarbij als wenselijk gezien om GBVB-besluiten
en -verordeningen ook in de BES na te leven, ook al strekt het GBVB zich niet uit
tot het Caribisch deel van het Koninkrijk.301 Omdat de Wet op de economische delicten niet van toepassing is in Caribisch Nederland,
bevat de Sanctiewet 1977 voor de BES een aantal bepalingen van strafrechtelijke aard.302
De normen die gelden voor Sanctiewet-instellingen op grond van de Sanctiewet 1977
zijn als zodanig niet van toepassing op de BES. Op basis van sectorale wetgeving geldt
een deel daarvan echter wél voor financiële sectorpartijen op de BES, dit vanwege
de grote mate van verwevenheid van de financiële sector van de openbare lichamen met
Curaçao en Sint Maarten.303 In het bijzonder geldt voor financiële ondernemingen op de BES momenteel ook al een
sanctiemeldingsplicht bij de DNB op grond van de Wwft-BES.304 Deze ziet op tegoeden die op grond van de sanctiewetgeving bevroren moeten worden.
In het Europese deel van Nederland is deze materie geregeld in de Regeling toezicht
Sanctiewet 1977 op grond van de Sanctiewet 1977. Aangezien de bepaling met de desbetreffende
grondslag in de Sanctiewet 1977 niet van kracht is in de openbare lichamen, is ervoor
gekozen deze meldingsplicht te regelen in de Wwft-BES, zodat zowel de meldingsplicht
voor ongebruikelijke transacties als de sanctiewetmeldingsplicht voor financiële ondernemingen
in een regeling gebundeld zijn.305 Ook zijn de toezichtautoriteiten op grond van de Wet financiële markten BES (Wfm-BES)
bevoegd tot intrekking van de vergunning als de vergunninghouder de bij of krachtens
de Sanctiewet 1977 gestelde regels niet naleeft,306 en is de verplichte naleving van de van de bij of krachtens de Sanctiewet 1977 met
betrekking tot het financieel verkeer gestelde regels onderdeel van de verplichte
integere bedrijfsuitoefening.307 Op de naleving hiervan wordt toegezien door de AFM en DNB.
De regering stelt voor om dit wetsvoorstel ook van toepassing te laten zijn in de
BES, met de bestaande uitzondering van de normen die gelden voor Sanctiewet-instellingen.
Op dat onderwerp zullen de bestaande normen in de sectorale wetgeving van kracht blijven.
Dit is in lijn met het uitgangspunt van «comply or explain»: alle Europees-Nederlandse
beleidsintensiveringen en de daaruit voortvloeiende wetgeving en financiële gevolgen
zijn van toepassing voor Caribisch Nederland, tenzij er redenen zijn om dat niet te
doen.308 Zodoende zijn de voorgestelde wijzigingen onverkort van toepassing voor marktpartijen
op de BES. De op grond van de Sanctiewet 1977 bevoegde opsporingsambtenaren en toezichthouders
blijven ook op grond van dit wetsvoorstel ter zake bevoegd.
Op grond van artikel 209 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
zijn de bestuurscolleges hierover geconsulteerd. In reactie daarop heeft het Openbaar
Lichaam Bonaire (OLB) aangegeven akkoord te zijn met de inhoud en de strekking van
het wetsvoorstel. Het is het OLB gebleken dat het wetsvoorstel voornamelijk consequenties
heeft voor Sanctiewet-instellingen, niet zijnde het OLB. Bovendien zijn de wijzigingen
grotendeels al van kracht op de BES via andere wetgeving, waardoor de wijzigingen
alleen maar meer in lijn zijn met de uitvoeringspraktijk. Dit ziet het OLB als positief.
9. Advies en consultatie
9.1 Preconsultatie
Het wetsvoorstel is in preconsultatie gegeven van 14 juli 2023 tot en met 25 augustus
2023.309 Het betrof een beleidsnota met een aantal eerste voorstellen, inclusief concrete
vragen voor respondenten. Hierop zijn 20 reacties ontvangen, waarvan 19 openbare reacties.
Daarnaast heeft van 21 tot en met 24 augustus 2023 de Week van de Modernisering van
het Nederlandse Sanctiestelsel plaatsgevonden. Op uitnodiging van het Ministerie van
Buitenlandse Zaken kwamen verschillende experts en vertegenwoordigers van brancheorganisaties
bij elkaar om te spreken over de modernisering van het Nederlandse sanctiestelsel
en de voorstellen die daartoe al waren gepubliceerd tijdens de preconsultatie. De
reacties op de preconsultatie en tijdens de Week van de Modernisering van het Nederlandse
Sanctiestelsel waren zeer waardevol voor de verdere vormgeving van het wetsvoorstel.
In de beleidsnota is aangegeven dat de regering voornemens is om bestuursrechtelijke
handhaving mogelijk te maken voor bepaalde sanctieschendingen, naast de bestaande
mogelijkheden om strafrechtelijk te handhaven. Daarbij is vermeld dat daarvoor een,
zo veel als mogelijk, flexibel systeem zal worden gehanteerd dat rekening houdt met
toekomstige sanctieregels. De respondenten hebben aangegeven positief te staan tegenover
het regelen van bestuursrechtelijke handhaving, mits duidelijkheid bestaat over de
specifieke regels. Daarnaast is in deze toelichting op verzoek van een andere respondent
aandacht voor het voorstel voor een richtlijn van december 2022 van het Europees Parlement
en de Raad betreffende de definitie van strafbare feiten en sancties voor de schending
van beperkende maatrelen van de Unie.310
Een aantal vragen in de beleidsnota ging over het onderwerp beheer en bewind van langdurig
bevroren tegoeden en economische middelen. Bijna alle respondenten geven aan positief
te zijn over een dergelijk mechanisme. De respondenten hebben de behoefte geuit aan
een uitgebreide toelichting op dit onderwerp, om zo eventuele onduidelijkheid in de
praktijk zo veel als mogelijk weg te nemen. Dit zag met name ook op de mogelijke situaties
waarin beheer en bewind ingesteld zou kunnen worden. De regering heeft geprobeerd
daaraan tegemoet te komen. Ook zijn er als onderdeel van de preconsultaties een aantal
voorstellen gedaan (zoals de beheer en bewind systematiek inzetten voor het eventueel
gebruiken van bevroren tegoeden voor wederopbouw Oekraïne, evenals het helpen van
Nederlandse entiteiten bij doorbreken van banden met gesanctioneerde partijen), waarvan
de regering de voorkeur geeft hier Europese mogelijkheden en oplossingen voor te zoeken.
Het is daarom geen onderdeel van dit wetsvoorstel.311 Allerlaatst is door verschillende respondenten gewezen op de spanning tussen het
stelsel van beheer en bewind en het eigendomsrecht. De regering heeft daar bijzondere
aandacht voor gehad in dit wetsvoorstel.312
Een ander punt van aandacht tijdens de preconsultatie betrof het centraliseren van
informatie, in het bijzonder sanctiemeldingen. Vrijwel alle respondenten zien meerwaarde
in een dergelijke centralisatie. De respondenten geven daarbij aan dat centralisering
van meldingen kan leiden tot effectievere naleving. De regering komt hieraan tegemoet
en introduceert met dit wetsvoorstel een centraal meldpunt sancties.
Als laatste is in de beleidsnota aangegeven dat de regering voornemens is om de aantekenbevoegdheden
die al bestaan in het kader van de Ruslandsancties te verankeren en uit te breiden
naar een groter aantal registers. Het kabinet heeft daarbij expliciet gevraagd of
aantekeningen in registers in de optiek van respondenten een geschikt middel zijn
om de publieke kenbaarheid van sanctiemaatregelen te vergroten, en of de geïdentificeerde
openbare registers daarvoor voldoende uitputtend zijn. De meeste respondenten hebben
aangegeven dat deze aantekeningen bijdragen aan de openbare kenbaarheid van internationale
sanctiemaatregelen. Er zijn geen aanvullende openbare registers gesuggereerd. Wel
werd door een aantal respondenten aandacht gevraagd voor de kaders, randvoorwaarden
en aanverwante ontwikkelingen. De regering heeft daar in de toelichting aandacht aan
besteed.
9.2 Internetconsultatie
Het wetsvoorstel is gepubliceerd op www.internetconsultatie.nl waarbij eenieder van 7 juni tot en met 9 augustus 2024 in de gelegenheid is gesteld
zijn zienswijze over het ontwerp naar voren te brengen. Op het wetsvoorstel zijn in
totaal 22 zienswijzen ontvangen. Voor zover deze reacties openbaar gemaakt mochten
worden, zijn deze te vinden op de website www.internetconsultatie.nl. Tijdens de internetconsultatie zijn ook wederom op uitnodiging van het Ministerie
van Buitenlandse Zaken experts en vertegenwoordigers van brancheorganisaties bij elkaar
gebracht om inbreng op te halen. Ongeveer 80 genodigden namen op 5 augustus 2024 in
dat verband deel aan de Dag van de Modernisering van het Sanctiestelsel. Tijdens deze
dag is ook de bedrijfseffectentoets/MKB-toets verricht. Deze had de vorm van een panelgesprek,
waarin deelnemers uit het bedrijfsleven gevraagd werd actief mee te denken over de
vormgeving van het wetsvoorstel. De deelnemers konden op basis van praktijkervaring
concreet aangeven of het wetsvoorstel werkbaar en uitvoerbaar is. Ook werden de deelnemers
aangemoedigd om aan te geven waar eventuele knelpunten zitten en hoe de regeldruk
zoveel mogelijk beperkt of voorkomen kan worden.
De reacties op zowel de internetconsultatie als tijdens de Dag van de Modernisering
van het Sanctiestelsel hebben geleid tot wijziging van het wetsvoorstel en de memorie
van toelichting. In het consultatieverslag dat openbaar zal worden gemaakt via www.internetconsultatie.nl wordt ingegaan op de ingebrachte zienswijzen. Dit deel van de toelichting beperkt
zich tot de belangrijkste onderdelen waarop gereageerd is.
Meerdere partijen benadrukken het belang van de uitvoering en uitvoerbaarheid van
internationale sanctiemaatregelen, net als het belang van het tegengaan van de negatieve
maatschappelijke bijeffecten daarvan. Ook het belang van de modernisering van het
sanctiestelsel respectievelijk het hebben van een adequaat sanctiestelsel wordt breed
onderschreven. Een aantal partijen noemt in dit kader in het bijzonder het belang
van een goede informatievoorziening.
Tegelijkertijd heeft een aantal partijen uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor de negatieve
bijeffecten die geldende internationale sanctiemaatregelen met zich kunnen brengen.
Zo is vanuit het maatschappelijk middenveld gevraagd om een onafhankelijke periodieke
meting van de gevolgen voor burgers (inclusief mkb) van het poortwachterstoezicht.
Ook is door meerdere partijen aandacht gevraagd voor de discriminatie die burgers
ervaren in hun contacten met banken en betaalinstellingen bij het vervullen van hun
poortwachtersrol. Als er discriminatie plaatsvindt is dit eenvoudigweg onacceptabel.
Artikel 1 van de Grondwet is hier duidelijk over: discriminatie is verboden. Dit is
een breder vraagstuk waarop vanuit het Ministerie van Financiën en in samenwerking
met de DNB en de Nederlandse Vereniging van Banken een aantal concrete actielijnen
op lopen. Een daarvan is het verbeteren van de toepassing van de Wwft en de sanctiewetgeving.
Tevens zal het kabinet aandacht houden voor het voorkomen van discriminatie bij de
herziening van de sanctiewetgeving (tweede tranche).313
Ten slotte is door meerdere betrokkenen verzocht om meer helderheid te scheppen over
de toepassing van internationale sanctiemaatregelen bij complexe eigendoms- en/of
zeggenschapsstructuren van ondernemingen. Op dit vlak zal de bestaande praktijk gecontinueerd
worden. Het Bureau Toezicht Investeringen (BTI) bij het Ministerie van Economische
Zaken geeft op verzoek al bestuurlijke rechtsoordelen. BTI zal vaker een bestuurlijk
rechtsoordeel opstellen, doch uitsluitend op verzoek van een onderneming, om te beoordelen
wat de sanctiestatus van een onderneming is. Het oordeel kan vervolgens leiden tot
een aantekening in het Handelsregister.
9.2.1. Bestuursrechtelijke handhaving van sanctieschendingen
De reacties op de voorgenomen introductie van bestuursrechtelijke handhaving zijn
eensluidend positief. Vanuit het bedrijfsleven (o.a. VNO-NCW en MKB-Nederland) wordt
de introductie van bestuursrechtelijke handhaving verwelkomd. Wel is daarbij aandacht
gevraagd voor de verhouding tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving.
De toelichting is op dit punt verduidelijkt. Een aantal consultatiereacties van meer
gedetailleerde aard wordt uitgebreider besproken in het consultatieverslag.
9.2.2. Bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige niet-naleving of ontduiking
van sanctiemaatregelen
Ten aanzien van de bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige niet-naleving of
ontduiking van sanctiemaatregelen is er gevraagd om guidance over hoe om te gaan met een relatie die onderworpen is aan de bijzondere handhavingsbevoegdheid,
is verzocht om aanvullende kaders voor wanneer de inzet van deze bevoegdheid gerechtvaardigd
is, en is gevraagd naar de status van vervangend bestuurders en de verhouding van
de bevoegdheid tot de mogelijkheid die het Openbaar Ministerie op basis van de Wet
op de economische delicten heeft om voorlopige maatregelen op te leggen. Op deze punten
is de toelichting verduidelijkt. Voor meer informatie zij verwezen naar het consultatieverslag.
9.2.3. Beheer van (langdurig) bevroren economische middelen
Vanuit het bedrijfsleven is positief gereageerd op de introductie van het instrument
van beheer van (langdurig) bevroren economische middelen. Eén van de geconsulteerde
partijen heeft daarbij expliciet opgemerkt dat de maatregelen die een onderneming
op grond van de internationale sanctiemaatregel zelf al moet nemen, zoals het bevriezen
van dividenduitkeringen en het bevriezen van stemrechten van de desbetreffende aandeelhouder,
onvoldoende zijn. De introductie van dit instrument wordt dan ook verwelkomd.
Wel wordt vanuit verschillende hoeken gepleit voor uitzonderingen dan wel aanvullingen
op de personele reikwijdte van het instrument. Naar aanleiding van deze reacties heeft
het kabinet het wetsontwerp op dit punt opnieuw tegen het licht gehouden, met de uitkomst
dat de reikwijdte van het instrumentarium beperkt is. Voor financiële ondernemingen
geldt kort gezegd dat er al verscheidene (sub)sectorale bevoegdheden zijn die qua
karakter soortgelijk zijn aan het voorgestelde instrumentarium. Het bestaan van die
bevoegdheden rechtvaardigt een aantal specifieke uitzonderingen en reikwijdtebepalingen
die elders in de toelichting nader uiteen zijn gezet. Voor de advocatuur geldt dat
de onafhankelijkheid van de juridische professie met zich brengt dat het niet passend
wordt geacht om deze beroepsgroep onderhevig te kunnen laten zijn aan het voorgestelde
instrumentarium.
Verscheidene partijen hebben bovendien verzocht de bevoegdheid tot het aanwijzen van
een bewindvoerder voor ondernemingen neer te leggen bij één bewindspersoon. Hier is
gevolg aan gegeven door te bepalen dat de Minister van Economische Zaken het besluit
neemt en dit doet in overeenstemming met de bewindspersoon die het mede aangaat.
Verder is gevraagd om aandacht te besteden aan verschillende rechtsvormen en over
de verhouding van de figuur van de bewindvoerder tot verschillende ondernemingsstructuren,
respectievelijk vennootschapsorganen. Hierop wordt elders in deze toelichting en in
het consultatieverslag ingegaan.
9.2.4. Aantekeningen in registers
Partijen uit verschillende sectoren uiten zich positief over het voornemen om de mogelijkheid
tot het plaatsen van aantekeningen uit te breiden naar alle sanctieregimes en een
groter aantal openbare registers. Er wordt tegelijkertijd terecht gewezen op de mogelijke
gevolgen van dergelijke aantekeningen. Het kabinet is zich hiervan bewust en wijst
daarbij ook op de aard van de verschillende registers. In een aantal gevallen, zoals
bij de kadastrale registraties, gaat het bijvoorbeeld om het kenbaar maken van een
internationale bevriezingsmaatregel aan het bredere publiek. Een aantekening wordt
in dat geval alleen geplaatst als onomstotelijk vaststaat dat het betrokken geregistreerde
voorwerp bevroren is. In het geval van het Handelsregister kan ook een aantekening
worden geplaatst zonder dat de ingeschreven onderneming als zodanig bevroren is. Met
de aantekening wordt het dan mogelijk voor burgers en bedrijven om op eenvoudige wijze
informatie in te winnen over de vraag of sprake is van een (rechts)relatie met een
gesanctioneerde (verbonden) persoon, entiteit of lichaam.
Een onderwerp waar in dit kader ook aandacht voor wordt gevraagd is de noodzakelijke
rechtsbescherming. Het is belangrijk dat belanghebbenden de mogelijkheid hebben om
beroep aan te tekenen tegen een aantekening. Als een belanghebbende bezwaar wil maken
tegen een aantekening, moet hij dit kenbaar maken bij de beheerder van het betreffende
register. Deze zal, op grond van de doorzendplicht in het bestuursrecht, het bestuursorgaan
dat de informatie heeft gedeeld op grond waarvan de aantekening is geplaatst hiervan
onverwijld op de hoogte stellen, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.
Dat bestuursorgaan zal de verdere behandeling ter hand nemen door de informatie die
is gedeeld met het register te delen met de afzender, voorzien van een rechtsmiddelenclausule.
Het kabinet wil er tot slot op wijzen dat aantekeningen in registers een hulpmiddel
zijn voor eenieder om een goede naleving van internationale sanctiemaatregelen te
vergemakkelijken. Hoewel het kabinet ernaar streeft dat de aantekeningen in de verschillende
registers zo volledig mogelijk zijn, kan dit niet worden verzekerd. Dat zou een real-time verwerking van aantekeningen moeten betekenen en is op dit moment praktisch niet
haalbaar.
9.2.5. Centraal meldpunt sancties
Een groot aantal partijen verwelkomt de oprichting van het centraal meldpunt sancties.
De komst van het centraal meldpunt sancties voorziet wat het kabinet betreft dus duidelijk
in een behoefte. Enkele partijen werpen vragen op over hoe het meldpunt met de meldingen
om zal gaan. Ook is aandacht gevraagd voor de taakverdeling tussen het centraal meldpunt
en andere partijen, zoals de CDIU bij de Douane en de FIU-NL. Naar aanleiding van
deze en andere vragen zijn zowel het wetsvoorstel als de toelichting aangepast.
Een aantal partijen roept op tot het verbreden van de taken van het centraal meldpunt
sancties naar een centraal informatiepunt over sancties en/of een centrale sanctieautoriteit.
Een bredere informatietaak is overwogen en heeft mogelijk ook meerwaarde gezien de
centrale loketfunctie. Het geven van informatie is en blijft momenteel echter nog
bij meerdere partijen belegd. Er is in dit stadium dus gekozen voor een gedeeltelijke
centralisatie richting het centraal meldpunt. In de toekomst is het echter zonder
deze wet te wijzigen mogelijk het centraal meldpunt sancties in taken uit te breiden,
door de sanctieregelingen aan te passen. Als het gaat om de verbreding tot een centrale
sanctieautoriteit, hangt die keuze samen met de keuze op dit moment niet één bestuursorgaan
aan te wijzen dat belast is met de bestuursrechtelijke handhaving van alle soorten
sanctieschendingen. Een ontwikkeling richting een meeromvattende autoriteit is voor
de toekomst echter zeker niet uit te sluiten en hangt ook samen met de inrichtingskeuzes
ten aanzien van aanpalende beleidsvelden. Het kabinet zal hiernaar in de komende periode
onderzoek doen.
9.2.6. Verbeterde gegevensuitwisseling
Het bedrijfsleven is een voorstander van de verbeterde gegevensuitwisseling waarin
het wetsvoorstel voorziet omdat dit de rechtszekerheid voor bedrijven verbetert. Op
enkele punten is gevraagd om een verduidelijking van de reikwijdte. Daarin is voorzien.
9.2.7. Aanpassingen op het toezicht op de bedrijfsvoering en uitbreiding naar juridische
beroepsgroepen
In de consultatiereacties onderschrijven alle partijen het belang van modernisering
van het sanctiestelsel, maar worden vragen gesteld over de precieze invulling van
het bedrijfsvoeringstoezicht. Financiële instellingen, waaronder de Nederlandse Vereniging
van Banken, de Verenigde Betaalinstellingen Nederland en het Verbond van Verzekeraars,
pleiten voor een risicogebaseerde benadering en vragen om nauwe aansluiting bij bestaande
regelgeving in het kader van de Wwft en relevante Europese wetgeving. Zij benadrukken
het belang van duidelijke definities van begrippen als «relatie» en «verbonden personen»
om een eenduidige toepassing van de regelgeving te waarborgen. Tevens wordt gewezen
op het risico van dubbele of inefficiënte controles als gevolg van overlappende regelgevende
kaders en verschillende toezichthouders. Deze aandachtspunten worden onderkend en
raken enerzijds aan de praktische inrichting van het toezicht, en anderzijds aan de
nadere uitwerking van regelgeving door de AFM, DNB, het BFT en het College van Toezicht
van de Nederlandse orde van advocaten.
De juridische beroepsgroepen, waaronder de Nederlandse Orde van advocaten, Netwerk
Notarissen en de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants, brengen
aanvullende aandachtspunten in met betrekking tot de uitbreiding van het bedrijfsvoeringstoezicht
naar hun sectoren. De Nederlandse orde van advocaten pleit voor aansluiting bij de
bestaande toezichtsystematiek van de Advocatenwet, hetgeen is overgenomen.
De Nederlandse orde van advocaten en Netwerk Notarissen vragen om duidelijke waarborgen
bij de doorbreking van de geheimhoudingsplicht. Voor de geheimhoudingsplicht sluit
het wetsvoorstel aan voor het toezicht op de bedrijfsvoering bij de systematiek uit
de Wwft: werkzaamheden die betrekking hebben op de bepaling van de rechtspositie,
vertegenwoordiging en verdediging in rechte vallen buiten de reikwijdte van het toezicht.
Daarnaast worden artikelen 45a, tweede lid, van de Advocatenwet en 111a, derde lid,
van de Wet op het notarisambt, van overeenkomstige toepassing verklaard. Hierdoor
zijn de advocaat en de notaris niet gehouden aan hun geheimhoudingsplicht ten behoeve
van het toezicht door respectievelijk de deken en BFT.
De Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants wijst op mogelijke samenloop
tussen sanctiewetgeving en de controleplicht van accountants. Gelet op het primaat
van rechtstreeks werkende Europese sanctieverordeningen prevaleren dergelijke verboden
boven nationale verplichtingen. Verder pleit de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie
van Accountants voor uniforme definities tussen sanctieregelgeving en de Wwft en vraagt
zij aandacht voor de uitvoerbaarheid, met name bij kleinere kantoren. Dit laatste
wordt onderkend in die zin dat bij de invulling van het toezicht rekening gehouden
wordt met de aard en omvang van de instellingen.
Ook vraagt de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants om coördinatie
van meldplichten via één centraal meldpunt en tijdige terugkoppeling bij meldingen.
Zoals in het wetsvoorstel is gemotiveerd, is het de bedoeling dat meldingen centraal
worden ontvangen bij het meldpunt. Daarbij wordt voorzien in een bevestiging van ontvangst
richting meldende partijen. Het meldpunt krijgt tevens een voorlichtingsfunctie over
de invulling van de meldingsplicht. Netwerk Notarissen vraagt daarnaast om verdere
verduidelijking bij de beoordeling van complexe eigendoms- en zeggenschapsverhoudingen.
De overige punten die in bovenstaande alinea’s niet direct zijn geadresseerd, hangen
samen met de nadere uitwerking van de bedrijfsvoeringsregels die door de AFM, DNB,
het BFT en het College van Toezicht van de Nederlandse orde van advocaten zullen worden
vastgesteld. Deze aandachtspunten zullen bij de betreffende toezichthouders en het
College van Toezicht aan de orde worden gesteld. Daarnaast komen deze onderwerpen
aan de orde bij de voorbereiding van de tweede tranche wetgeving met betrekking tot
de bedrijfsvoering en het daarop gerichte toezicht.
9.3 Adviezen
9.3.1. Adviescollege toetsing regeldruk (ATR)
Op 8 augustus 2024 heeft het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) advies uitgebracht
over dit wetsvoorstel. Het ATR beoordeelt de regeldrukgevolgen aan de hand van het
volgende toetsingskader:
1. Nuloptie (nut en noodzaak): is er een taak voor de overheid en is wetgeving het meest
aangewezen instrument?
2. Zijn er minder belastende alternatieven mogelijk?
3. Is gekozen voor een uitvoeringswijze die werkbaar is voor de doelgroepen die de wetgeving
moeten naleven?
4. Zijn de gevolgen voor de regeldruk volledig en juist in beeld gebracht?
De noodzaak van het voorstel beschouwt het ATR als gegeven door het feit dat de Sanctiewet
1977 verouderd is. Het nut van het voorstel ziet het ATR beschreven in de toelichting,
waarin wordt beschreven hoe de voorgestelde maatregelen bijdragen aan de effectiviteit
van internationale sanctiemaatregelen. Naar het oordeel van het ATR is de mate waarin
de voorgestelde wijzigingen hieraan bijdragen echter niet duidelijk, waardoor in een
evaluatie ook niet goed kan worden bepaald of de modernisering van het sanctiestelsel
de gewenste effecten heeft. Het ATR heeft daarom geadviseerd om in de toelichting
bij het voorstel inzicht te bieden in de mate waarin de effectiviteit van het sanctieregelgeving
zal toenemen. De regering heeft dit adviespunt ter harte genomen en is naar aanleiding
hiervan in de toelichting waar mogelijk uitgebreider ingegaan op de mate waarin de
voorgestelde maatregelen bijdragen aan de effectiviteit van internationale sanctiemaatregelen.
Ook is gepreciseerd welke aspecten in de wetsevaluatie aan bod moeten komen.
Met betrekking tot eventuele minder belastende alternatieven, heeft het ATR geconstateerd
dat de toelichting hier aandacht aan besteedt. Zo is bij de uitbreiding van bestuursrechtelijk
toezicht naar juridische beroepsgroepen aansluiting gezocht bij de Wwft en de toezichthouders
van de Wwft. Ook bij het centraal meldpunt zijn minder centrale varianten overwogen
maar verworpen. Voorts is overwogen om ontheffingen die nu door de verschillende Ministers
worden verleend, te centraliseren. Hetzelfde geldt voor de vraagbaakfunctie en de
bestuursrechtelijke handhaving. In dat licht adviseert het ATR zo veel mogelijk te
kiezen voor één organisatie die niet alleen meldpunt is, maar ook de andere hierboven
genoemde bevoegdheden krijgt. De regering volgt het ATR niet in dit advies, en is
van opvatting dat de regeldruk daar ook niet mee geholpen zou zijn geweest. Bestuursrechtelijk
toezicht brengt meer regeldruk met zich voor onder toezicht staande instellingen wanneer
daarbij niet aangesloten wordt bij de Wwft-groepen (op termijn: AML-groepen). De synergetische
voordelen van aansluiten bij de Wwft-toezichthouders worden ook al benoemd in de toelichting.
Bestuursrechtelijke handhaving is voorts volgend en niet leidend bij de rol die een
autoriteit binnen het sanctiestelsel heeft. Het ligt daarmee niet voor de hand om
een centrale autoriteit bevoegd te maken tot het handhaven van normen, wanneer het
toezicht op de naleving daarvan elders belegd is (bijvoorbeeld Douane en BFT). Het
alternatief zou meer regeldruk met zich brengen voor bedrijven, doordat ze met twee
verschillende overheidsorganisaties te maken krijgen op dezelfde norm. Ook zou dit
voor toenemende afstemmingslasten leiden voor de betreffende overheidspartijen. Het
in de toekomst beleggen van de vraagbaakfunctie bij het centraal meldpunt sancties
houdt de regering op dit moment nog in overweging. Dat geldt ook voor het beleggen
van de ontheffingsbevoegdheden. Dit kan in de toekomst gaande de bredere modernisering
van het sanctiestelsel eventueel worden meegenomen.
Op het gebied van de werkbaarheid van het voorstel concludeert het ATR dat het onderwerp
voldoende aandacht heeft gekregen. Zowel het centraal meldpunt als het uniforme meldformulier
hebben niet alleen voordelen voor de overheid, maar maken toekomstige meldingen ook
eenvoudiger. De mogelijkheid van een invoeringstoets was echter niet vermeld en het
ATR heeft geadviseerd om een jaar na inwerkingtreding van het wetsvoorstel een invoeringstoets
uit te voeren om na te gaan of het raadplegen van de registers, de meldingen en de
aanvragen voor een bewindvoerder in de praktijk goed werkbaar zijn. De regering neemt
dit adviespunt in dank over, met dien verstande dat het tijdstip waarop de invoeringstoets
zal worden verricht nader bepaald zal moeten worden. Vastgehouden zal worden aan het
uitgangspunt dat de invoeringstoets wordt uitgevoerd op het vroegst mogelijke moment
waarop iets nuttigs gezegd kan worden over de werking van de regelgeving in de praktijk.314
Op het punt van de regeldrukkosten adviseert het ATR ten slotte om de regeldrukberekening
op een aantal punten aan te vullen, overeenkomstig de Rijksbrede systematiek. Hier
is in de regeldrukparagraaf gevolg aan gegeven.
9.3.2. Raad voor de Rechtspraak
Op 5 september 2024 heeft de Raad voor de Rechtspraak (hierna: de Raad) advies uitgebracht
over het wetsvoorstel. De Raad maakt adviesopmerkingen over de grondslagen om uitvoering
te geven aan internationale sanctiemaatregelen, over de bestuursrechtelijke rechtsbescherming
en over de geheimhoudingsplicht voor juridische beroepsgroepen. De Raad verwacht op
basis van het wetsvoorstel geen substantiële werklastverzwaring voor de rechterlijke
macht.
Met betrekking tot de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen wijst de Raad
er in het kader van het legaliteitsbeginsel en in het belang van rechtszekerheid op,
dat in het geval (met spoed) een ministeriële regeling wordt opgesteld, de inhoud
van die regeling kenbaar en toegankelijk moet worden gemaakt voor degenen die het
aangaat. Dat is noodzakelijk teneinde een (rechts)persoon (strafrechtelijk) aansprakelijk
te kunnen stellen voor het overtreden van een voorschrift gesteld bij de ministeriële
regeling in kwestie.
De regering onderschrijft het belang hiervan. Grondwettelijk kunnen deze ministeriële
regelingen als zogeheten andere vanwege het Rijk vastgestelde algemeen verbindende
voorschriften niet in werking treden voordat zij bekend zijn gemaakt.315 Op grond van de Bekendmakingswet worden bij ministeriële regeling vastgestelde algemeen
verbindende voorschriften door plaatsing in de Staatscourant bekendgemaakt.316 Dat is voor sanctieregelingen niet anders en is dan ook vaste praktijk. Hierbij verdient
nog aantekening dat het een wet in formele zin is waarin bepaald wordt dat de inhoud
van sanctieregelingen strafbaar is. Dat wordt namelijk bepaald in de Wet op de economische
delicten.317 De wet bepaalt ook de op te leggen straf.
De Raad maakt in dit verband ook een opmerking over artikel 7.1.2 van het wetsvoorstel.
Deze bepaling bevat de grondslag om bestuursorganen met bepaalde handhavende bevoegdheden
(artikel 7.1.2) aan te wijzen. De Raad vindt het minder passend de aanwijzing van
het bevoegde bestuursorgaan pas bij nader besluit of regeling te laten plaatsvinden
omdat hier sprake is van verstrekkende bevoegdheden, zoals bijvoorbeeld het opleggen
van bestuurlijke boetes of het aanwijzen van personen die het bestuur van een onderneming
overnemen. In theorie kan zo elk bestuursorgaan worden opgedragen deze verstrekkende
bevoegdheden uit te oefenen, aldus de Raad. De Raad adviseert dan ook om in de wet
in formele zin te regelen welke bestuursorganen bij nader besluit of regeling kunnen
worden aangewezen als het bevoegde bestuursorgaan voor de betreffende sanctieregeling.
De regering volgt de Raad op dit punt ten dele. De bestuursorganen waarvan bij de
voorbereiding van dit wetsvoorstel al duidelijk is dat zij een bestuursrechtelijke
handhavingstaak zullen krijgen, zijn in het wetsvoorstel zelf opgenomen. Daarbij is
de mogelijkheid behouden om bij sanctiebesluit of sanctieregeling aanvullende bestuursorganen
aan te wijzen met bestuursrechtelijk handhavende bevoegdheden. Bij het aanwijzen van
aanvullende bestuursorganen is mede naar aanleiding van de opmerking van de Afdeling
advisering van de Raad van State ook de waarborg geïntroduceerd dat na een dergelijke
aanwijzing een wetsvoorstel zal worden ingediend om de bevoegde bestuursorganen alsnog
in de wet vast te leggen. Er geldt wel een aantal nuances bij de opmerking van de
Raad. Allereerst is er, anders dan de Raad stelt, in artikel 7.1.2 geen sprake van
het aanwijzen van een bestuursorgaan dat de bevoegdheid zou hebben om personen aan
te wijzen die het bestuur van een onderneming kunnen overnemen. De grondslag is beperkt
tot het aanwijzen van bestuursorganen die een bestuurlijke boete, aanwijzingsbeschikking
of last onder bestuursdwang kunnen opleggen. In die zin was en is de bepaling beperkt
tot de klassieke bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheden. Het is daarbij niet
mogelijk om uitputtend op voorhand te bepalen welke bestuursorganen het best geëquipeerd
zijn om uitvoering te geven aan (een onderdeel van) een bepaalde internationale sanctiemaatregel.
Het is tot slot een misvatting om te denken dat het mogelijk is om voor een sanctieregeling
een enkel bestuursorgaan aan te wijzen. De reden hiervoor is dat sanctieregelingen
vaak uitvoering geven aan normen die verspreid liggen over de werkvelden van meerdere
bestuursorganen.
Met betrekking tot de bestuursrechtelijke rechtsbescherming merkt de Raad op dat uit
het Toetsingskader wettelijke concentratie318 volgt dat concentratie van het beroep in eerste aanleg bij een specifieke rechtbank
is aangewezen als er specifieke deskundigheid is vereist voor de behandeling van de
beroepszaken en het gaat om een beperkt aantal zaken per jaar. Verder geldt dat ook
voor het aanwijzen van de hogerberoepsrechter moet worden bezien of het wenselijk
is niet de algemene maar een van de bijzondere bestuursrechtelijke hogerberoepsrechters
bevoegd te maken. De Raad adviseert gelet hierop om in het wetsvoorstel te voorzien
in een bijzondere bevoegdheidsregeling voor het beroep en het hoger beroep en in verband
daarmee bijlage 2 bij de Awb aan te passen. Ten aanzien van de bestuursorganen die
in het kader van het wetsvoorstel bevoegdheden krijgen toebedeeld die vergelijkbaar
zijn met die waarvoor in bijlage 2 van de Awb al in concentratie is voorzien, past
het volgens de Raad om deze te concentreren bij de desbetreffende rechtbank en appelinstantie.
De Raad acht het daarom wenselijk om ook hier te voorzien in een bijzondere competentie
voor de rechtbank Rotterdam in eerste aanleg en in hoger beroep bij het College van
Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) omdat er vaak een samenhang bestaat met de Wet
op het financieel toezicht en de Wet toezicht trustkantoren 2018, waarvoor de rechtbank
Rotterdam en het CBb al bevoegd zijn. Het zou in de optiek van de Raad onwenselijk
zijn als er in het kader van het wetsvoorstel een versnippering zou ontstaan van bevoegdheden
en daarmee ook een verschil in expertise. De Raad wijst er verder op dat in de Sanctiewet
1977 ook, en op goede gronden, al is gekozen voor deze rechtsgang. De regering heeft
het wetsvoorstel overeenkomstig dit adviespunt aangepast en voorgelegd aan de Raad
voor de Rechtspraak voor een nadere werklastbeoordeling door het CBb. Uitkomst van
de nadere werklastbeoordeling is dat de Raad geen significant werklasteffect ziet
voor de Rechtspraak.
De Raad merkt op dat in artikel 3.2.2, eerste lid, een grondslag wordt gegeven voor
doorbreking van de vertrouwelijkheid tussen advocaat en cliënt als ook tussen notaris
en cliënt. Uit de toelichting blijkt volgens de Raad echter niet duidelijk of dit
ook geldt in gevallen waarin sprake is van punitieve sancties. Categorie v van (het
voorgestelde) artikel 10, tweede lid, onderdeel o, van de Sanctiewet 1977, te weten
«werkzaamheden op fiscaal gebied die vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden van de
in onderdeel q beschreven beroepsgroepen», is naar opvatting van de Raad zodanig ruim
geformuleerd dat daaronder ook fiscale sancties zouden kunnen vallen. Daarbij wordt
opgemerkt dat het doorbreken van de vertrouwelijkheid als het om punitieve sancties
gaat op gespannen voet staat met het bepaalde in artikel 6 EVRM. Geadviseerd wordt
daarom om het wetsvoorstel op dit punt aan te vullen dan wel van een nadere toelichting
te voorzien.
De regering merkt op dat het al dan niet doorbreken van de geheimhoudingsplicht niet
volgt uit dit wetsvoorstel als zodanig, maar wordt beheerst door de toepasselijke
Europese sanctieverordening. Zo geldt de doorbreking van de geheimhoudingsplicht alleen
als dat in een juridisch bindende internationale sanctiemaatregel is bepaald, waarbij
de doorbreking geldt voor meldingsplichten en het Sanctiewet-toezicht. Die meldingsplicht
geldt voor beperkende maatregelen en maatregelen ten behoeve van de uitvoering daarvan,
met betrekking tot de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid,
de bevordering van de internationale rechtsorde of de bestrijding van terrorisme.
Deze maatregelen betreffen geen punitieve sancties.
9.3.3. Autoriteit Persoonsgegevens (AP)
Op 20 mei 2025 heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) haar toets uitgebracht over
het wetsvoorstel. De AP onderschrijft de inzet op een helder gemoderniseerd kader
voor onder andere de verwerking van persoonsgegevens in het verband van de uitvoering
van internationale sanctiemaatregelen, maar had enkele aanmerkingen die om aanpassing
van het concept vroegen. De opmerkingen van de AP en de wijze waarop de regering hieraan
opvolging geeft staan in onderstaande tabel.
Opmerking
Opvolging
1.1 Delegatiegrondslagen
De artikelen 2.1.1 en 2.2.1 bevatten delegatiegrondslagen voor het bij algemene maatregel
van bestuur of ministeriële regeling stellen van regels ter uitvoering van internationale
sanctiemaatregelen. Specifiek voor de verwerking van gegevens bepaalden de artikelen 8.3.1
en 8.3.2 van het aan de AP voorgelegde concept dat bij algemene maatregel van bestuur
of ministeriële regeling regels gesteld kunnen worden over de verwerking van gegevens voor zover dat nodig is ter uitvoering van
internationale sanctiemaatregelen.
De AP begrijpt dat inherent hieraan is dat niet op voorhand vaststaat wat toekomstige
internationale sanctiemaatregelen precies zullen inhouden, terwijl deze maatregelen,
als ze eenmaal zijn aangenomen, doorgaans op zeer korte termijn geïmplementeerd moeten
worden in de Nederlandse rechtsorde. Dit brengt mee dat wettelijke bepalingen ter
uitvoering van internationale sanctiemaatregelen een voldoende ruime reikwijdte dienen
te hebben, om zo de implementatie van internationale sanctiemaatregelen te kunnen
faciliteren. De AP is desalniettemin van oordeel dat het bij de delegatie van regelgevende
bevoegdheid wel mogelijk is om meer concreet en nauwkeurig aan te geven waarover in
elk geval regels moeten worden gesteld betreffende de verwerking van persoonsgegevens.
In de artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 8.3.1 en 8.3.2 is immers al aangegeven
dat in de nadere regeling nog nader invulling zal worden gegeven aan de doeleinden
van de verwerking, dat daarin concrete gegevensverstrekkingen beschreven kunnen worden
en dat regels kunnen worden gesteld over andere verwerkingen, zoals het bewaren en
vernietigen van gegevens.
De AP concludeerde dat het concept in de toepassing onvoldoende voorspelbaar was,
zodat aanpassing van de wettekst nodig was in de zin dat de betreffende delegatiebepalingen
imperatief geformuleerd moesten worden en daarin de onderwerpen benoemd zouden moeten
worden waarvoor bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling in elk
geval regels moeten worden gesteld.
Het advies van de AP om de delegatiegrondslagen in de artikelen 8.3.1 en 8.3.2 imperatief
te formuleren is overgenomen voor artikel 8.3.2, dat betrekking heeft op de uitvoering
van internationale sanctiemaatregelen uit aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties
en internationale afspraken. Voor deze niet-juridisch bindende sanctiemaatregelen
geldt dat de noodzakelijke gegevensverwerkingsgrondslagen in de nationale regelgeving
zullen worden neergelegd, om daarmee te voorzien in een rechtmatige verwerkingsgrondslag
als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, AVG. Op voorhand valt niet uitputtend
vast te stellen welke regels over gegevensverwerking nodig zijn voor een goede uitvoering
van de toepasselijke internationale sanctiemaatregelen. Wel ligt het voor de hand
dat er in ieder geval regels worden gesteld over de doeleinden van de gegevensverwerking
en over gegevensuitwisselingen die nodig zijn voor een gedegen uitvoering. Overeenkomstig
het advies van de AP, wordt deze specificering neergelegd in artikel 8.3.2.
Het advies van de AP is niet overgenomen voor artikel 8.3.1. Dit artikel heeft betrekking
op internationale sanctiemaatregelen uit verdragen en bindende besluiten van volkenrechtelijke
organisaties. Voor deze categorie geldt voor Nederland als uitgangspunt dat de grondslagen
tot gegevensverwerking toereikend zijn opgenomen in het verdrag of bindende besluit.
Nederland zal zich daar in internationaal verband telkens voor inspannen. De voorgestelde
delegatiegrondslag in artikel 8.3.1 is bedoeld voor die gevallen waarin er geen grondslagen
in het verdrag of bindende besluit zijn opgenomen. Daarnaast biedt de grondslag uit
artikel 8.3.1 ruimte voor gevallen waarin de internationale grondslag weliswaar toereikend
is, maar nadere concretisering wenselijk is, bijvoorbeeld om handelingsverlegenheid
weg te nemen als de internationale grondslag in ruime zin is geformuleerd. Daarbij
kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een regeling waarin wordt geconcretiseerd welke
gegevensuitwisselingen in ieder geval mogelijk zijn op basis van de grondslag uit het verdrag of bindende besluit.
Het gebruik van de grondslag uit artikel 8.3.1 zal niet altijd nodig zijn. Om die
reden is het advies van de AP om de grondslag imperatief te formuleren niet overgenomen
voor artikel 8.3.1. Het advies om de onderwerpen te benoemen waarover regels worden
gesteld is om eenzelfde reden niet overgenomen. De inhoud van de te stellen regels
zal telkens afhankelijk zijn van de regels die al zijn opgenomen in het verdrag en
bindende besluit. Het nader specificeren van de onderwerpen vergt dan ook maatwerk
dat niet op wetsniveau kan worden geboden.
Voor de volledigheid merkt de regering op dat de grondslagen in hoofdstuk 2 van het
wetsvoorstel op zichzelf al voldoende ruimte bieden voor het stellen van regels over
gegevensverwerking. Met de gespecificeerde grondslagen in artikelen 8.3.1 en 8.3.2
wordt een eerste invulling gegeven aan het doelbindingsvereiste van artikel 5, eerste
lid, onderdeel b, AVG (zie ook de artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 8.3.1
en 8.3.2) en wordt voor de gevallen waarin een internationale verwerkingsgrondslag
ontbreekt of ontoereikend is, buiten twijfel gesteld dat sprake is van een rechtmatige
verwerkingsgrondslag als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, AVG.
1.2 Bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke
aard
De AP heeft geconstateerd dat het concept geen regeling bevatte voor het verwerken
van bijzondere categorieën van persoonsgegevens of persoonsgegevens van strafrechtelijke
aard ten behoeve van de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen. Ook in de
toelichting was hierover niets opgenomen. De AP was daarbij van oordeel dat het in
algemene zin wel aannemelijk is dat bij de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen
in bepaalde mate verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en/of
persoonsgegevens van strafrechtelijke aard aan de orde zal zijn.
De AP concludeerde dat aanpassing van de wettekst nodig is in de zin dat daarin een
grondslag wordt opgenomen voor het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens
en/of persoonsgegevens van strafrechtelijke aard en de toelichting op dit punt moet
worden aangevuld.
Het algemeen deel van deze toelichting is aangevuld met een passage waarin wordt aangegeven
dat er bij de uitvoering van sanctiemaatregelen inderdaad ook sprake kan zijn van
het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en/of gegevens van strafrechtelijke
aard. Er is niet voor gekozen om te voorzien in een specifieke grondslag, omdat het
bij zulke verwerkingen ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen steeds
gaat om verwerkingen ter voldoening aan volkenrechtelijke verplichtingen. De Uitvoeringswet
AVG (UAVG) bevat op dit punt daarom al voldoende uitzonderingsgronden. Hierbij verdient
het nog opmerking dat als de volkenrechtelijke verplichting de vorm heeft van een
bindende EU-rechtshandeling, de AVG zelf al voorziet in de nodige uitzonderingsgronden
in artikel 9, tweede lid, onderdeel g, en in artikel 10. Tot slot is naar aanleiding
van deze opmerking voorzien in de mogelijkheid om ter uitvoering van een niet-bindende
internationale sanctiemaatregel ook regels te stellen over de verwerking van bijzondere
persoonsgegevens en gegevens van strafrechtelijke aard (zie uitgebreider: paragraaf 3.6).
2. Centraal meldpunt sancties – gebruik persoonsgegevens voor analysetaak
Het voorstel voorziet in de grondslag voor een bij het Ministerie van Buitenlandse
Zaken in te richten centraal meldpunt sancties (CMS). De hoofdtaak van het CMS is
het verzamelen, registreren, bewerken en analyseren van de gegevens die het CMS verkrijgt
naar aanleiding van sanctiemeldingen om te bezien of deze gegevens van belang kunnen
zijn voor de uitvoering en ontwikkeling van sanctiemaatregelen. Zo kunnen de analyses
van het CMS een bijdrage leveren aan sanctieontwikkeling, beleidsevaluatie en -analyse
en sanctienaleving (waaronder anti- omzeiling) en kunnen ze de basis vormen voor de
aanvang van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures. Ook in EU-verband
wordt belang gehecht aan het analyseren van meldingen, zoals ook blijkt uit de analyseplichten
die in sanctieverordeningen kunnen zitten.1 Naar het oordeel van de AP was het doel van de in het concept voorgestelde analysetaak
ruimer dan het doel van de in Europese dan wel internationale sanctiemaatregelen genoemde
analysetaak. De AP was daarom van oordeel dat, voor zover het doel van de voorgestelde
analysetaak inderdaad ruimer is dan in Europese dan wel internationale sanctiemaatregelen
is voorgeschreven, op nationaal niveau moet worden voorzien in een op zichzelf staande
onderbouwing van de noodzaak hiervoor. Daarnaast is het volgens de AP de vraag of
voor het uitvoeren van analyses door het CMS verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk
is. Als verwerking van persoonsgegevens hiervoor inderdaad noodzakelijk is, moet deze
noodzaak in de toelichting worden onderbouwd en moet daarbij worden ingegaan op de
mogelijkheid om dit gepseudonimiseerd te doen.
De onderbouwing voor de analyse taak van het CMS wordt gevonden in de noodzaak voor
lidstaten om op effectieve wijze uitvoering te geven aan het EU-recht. Dit geldt zowel
voor de uitvoering van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB),2 dus de naleving, als voor de bijdrage die Nederland als lidstaat levert aan de verdere
ontwikkeling van het GBVB door bij te dragen aan de totstandkoming van EU-sancties.3 Zo kan uit analyse van meldingsinformatie het beeld naar voren komen van een bepaalde
sector die voor sanctionering in aanmerking komt wegens omzeilingsrisico, of kan een
persoon of entiteit in beeld komen als mogelijk onderwerp voor oplijsting. Dit heeft
zich eerder voorgedaan in het kader van het Samenwerkingsplatform Sanctienaleving.
De verwerking van persoonsgegevens is noodzakelijk om deze taak te kunnen vervullen.
In geval van sectoren zal het naar verwachting mogelijk zijn dit gepseudonimiseerd
te doen.
3. Aantekeningen in registers
3.1 Gegevensverstrekking aan beheerder
De begrippen «relatie» en «verbonden» zijn onvoldoende concreet en de betekenis blijkt
niet uit de wetstekst en de toelichting. Hierdoor is niet eenduidig vast te stellen
of er al dan niet sprake is van een verplichting tot het verstrekken van gegevens.
Aangezien beide begrippen randvoorwaarden zijn voor de toepassing van de wettelijke
bepaling, is een eenduidige invulling van de termen – al dan niet in gedelegeerde
regelgeving – cruciaal voor een voldoende voorspelbaarheid in de toepassing. De AP
concludeert dat dit omwille van rechtszekerheid moet worden aangepast.
Aan deze opmerking is waar mogelijk opvolging gegeven. De begrippen «relatie» en «verbondenheid»
zijn vervangen door de begrippen «eigendom» en «zeggenschap» bij het Handelsregister
(waaronder het UBO-register) en de kadastrale registraties. Met deze begripskeuze
wordt nauwer aangesloten bij de formuleringen in de Europese sanctieverordeningen.
In die registers waar de begrippen eigendom en zeggenschap niet zonder meer passend
zijn, is vastgehouden aan de (bredere) begrippen «relatie» en «verbondenheid». Dat
geldt ook voor de doorgifteplicht, omdat deze voor alle registers moet functioneren.
De reden dat de begrippen eigendom en zeggenschap niet voor alle registers passend
is, is omdat de relatie tussen een gesanctioneerde persoon of entiteit in sommige
gevallen vanwege het onderwerp van het register naar de aard een andere is. Dit geldt
specifiek voor het register voor de depots van oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten,
het ruimtevoorwerpenregister en het Nederlands rassenregister (m.b.t. plantenrassen).
3.2 Verwerkingsverantwoordelijkheid
De toelichting gaf naar het oordeel van de AP een diffuus beeld van de verwerkingsverantwoordelijkheidsverdeling
in de relatie aanleveraar-beheerder. De AP concludeerde dat in de toelichting helder
moest worden uiteengezet dat aanleveraars en beheerders verwerkingsverantwoordelijk
zijn voor hun verwerkingen en wat daarvan de consequenties zijn.
De verwerkingsverantwoordelijkheidsverdeling is in de artikelsgewijze toelichting
steeds waar relevant verduidelijkt. In de kern komt het erop neer dat zowel de aanleverende
partij als de beheerder allebei eigenstandig verwerkingsverantwoordelijke zijn in
de zin van de AVG. De aanleverende partij is verwerkingsverantwoordelijke voor de
informatie die geleverd wordt aan de beheerder en de verwerking van het aanleveren
zelf. De beheerder die deze informatie ontvangt, bewaart en op basis daarvan een aantekening
plaatst, is verwerkingsverantwoordelijke voor die verwerkingen. Er is dus geen sprake
van een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid in de zin van artikel 26 AVG.
3.3 Juistheidsbeginsel
3.3.1 – Mechanisme voor periodieke controle
Naar het oordeel van de AP vereist het juistheidsbeginsel dat in het voorstel een
mechanisme wordt opgenomen dat een periodieke controle van de juistheid van de aantekeningen
verzekert. Zulk een mechanisme zou op verscheidene manieren kunnen worden vormgegeven.
Zo zou bijvoorbeeld kunnen worden geregeld dat een aantekening na een bepaald aantal
jaren komt te vervallen en dat de beheerder voor verlenging actuele gegevens aanlevert.
Ook zou een periodieke onderzoeksplicht voor de verstrekker in het leven kunnen worden
geroepen, waarin de verstrekker wordt verplicht na te gaan of de gelegde relatie nog
bestaat. Tevens kunnen er regels worden gesteld ten aanzien van de termijn waarbinnen
onjuiste aantekeningen dienen te worden verwijderd.
De AP concludeerde dat de wetstekst op dit punt moest worden aangevuld.
Aan deze opmerking is gevolg gegeven door te kiezen voor de door de AP gesuggereerde
modaliteit van een periodieke onderzoeksplicht. Voor de invulling hiervan is gekozen
voor een jaarlijkse onderzoeksplicht. Daarbij geldt dat er zoveel eerder onderzoek
verricht wordt als er nieuwe informatie binnenkomt.
3.3.2 – Verstrekkingsverplichting informatie die een relatie ontkracht
De AP concludeert dat artikel 8.2.4, eerste lid, zou moeten worden aangepast in de
zin dat verstrekkers van informatie die een relatie legt of bevestigt, worden verplicht
om informatie waaruit blijkt dat die relatie zich niet langer voordoet, ook te verstrekken.
Aan deze opmerking is gevolg gegeven door een derde lid toe te voegen aan artikel 8.2.4.
3.4 Plaatsing aantekening
Het voorstel bevat voor verschillende openbare registers een grondslag voor de beheerder
om daarin aantekeningen op te nemen als er een relatie bestaat tussen het onderwerp
van het register en een gesanctioneerde persoon of entiteit. Hiertoe worden artikelen
ingevoegd in de sectorale regelgeving van elk register. Deze artikelen hebben telkens
eenzelfde opbouw en grotendeels gelijke bewoordingen.
Het tweede lid van de sectorale artikelen van het handelsregister en het UBO-register
trusts had daarbij een afwijkende formulering. Die bepalingen luidden als volgt: «Een
aantekening [...] wordt in ieder geval in het handelsregister opgenomen, indien de
[beheerder] informatie ontvangt [...] die de relatie legt of bevestigt.» Alhoewel
de woorden «in ieder geval» de suggestie wekken dat er ook andere gevallen bestaan,
blijkt uit het concept noch uit de toelichting welke andere gevallen hier onder vallen.
De AP concludeerde dat de wetsteksten moeten worden aangepast in de zin dat daarin
duidelijk moet worden aangegeven in welke andere gevallen een aantekening in het register
kan worden opgenomen.
Aan deze opmerking is gevolg gegeven door in de betreffende bepalingen de woorden
«in ieder geval» te schrappen.
3.5 Verwijdering aantekening
De AP constateerde dat tussen de verwijderingsbepalingen voor de verscheidene registers
enkele verschillen bestaan. De redenen daarvoor bleken niet uit de toelichting.
Bovendien merkte de AP op dat het mogelijk is dat een aantekening is geplaatst op
basis van andere informatie dan die de beheerder van een dergelijke instantie heeft
ontvangen, bijvoorbeeld als op eigen gezag een relatie wordt vastgesteld. Ook in dergelijke
gevallen dient de aantekening te worden verwijderd zodra de relatie zich niet langer
voordoet. In een dergelijk geval zal de beheerder echter geen informatie ontvangen
van een «instantie als bedoeld in het tweede lid».
De AP concludeerde dat de wettekst op dit punt moest worden aangepast.
Op het eerste punt is de toelichting verrijkt. Het verschil in formulering zit hem
erin dat er een tweedeling bestaat tussen bepalingen waarbij de beheerder op eigen
gezag een aantekening plaatst en die bepalingen waarbij het alleen op basis van verstrekte
informatie van een ander bestuursorgaan of toezichthouder gebeurt.
Door het schrappen van de woorden «in ieder geval» uit de bepalingen waar dit in stond,
is de tweede opmerking niet meer aan de orde.
3.6 Verdere verwerking
De AP acht het aannemelijk dat de verstrekkingsverplichting in het wetsvoorstel een
noodzakelijke en evenredige maatregel kan vormen ter waarborging van «de voorkoming
[...] van strafbare feiten»4 dan wel ter waarborging van «andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang».5 Uit de toelichting blijkt echter niet op grond van welke afwegingen en motieven een
verdere verwerking van gegevens ten behoeve van de uitvoer van de verstrekkingsverplichting,
zodat aanvulling van de toelichting op dit punt nodig is, aldus de AP.
Deze opmerking is opgevolgd door in het algemeen deel van deze toelichting de redenering
over de functie van de figuur van aantekeningen in registers te completeren. Aantekeningen
vormen een hulpmiddel om te voorkomen dat burgers en bedrijven onbedoeld sancties
schenden. De gegevensverwerking die in dit kader plaatsvindt vormt daarmee een noodzakelijke
en evenredige maatregel ter waarborging van de voorkoming van strafbare feiten.
3.7 Beperking rechten van betrokkenen
De AVG voorziet in de mogelijkheid om bepaalde rechten van betrokkenen te beperken,
als dat gebeurt bij Unie- of lidstatelijk recht welke een noodzakelijke en evenredige
maatregel vormt ter waarborging van enkele in de AVG vermelde belangen.
Alhoewel van deze mogelijkheid geen gebruik hoeft te worden gemaakt, ligt het in het
stelsel van de plaatsing van aantekeningen in openbare registers allicht voor de hand
om enkele rechten van betrokkenen te beperken, aldus de AP. Dergelijke beperkingen
vereisen een wettelijke bepaling en een motivering in de bijbehorende toelichting.
Hier voorzag het concept niet in. De AP concludeerde dan ook dat als en voor zover
beperkingen van de rechten van betrokkenen wel wenselijk zouden zijn, aanpassing van
de wettekst en de toelichting gepast is.
Naar aanleiding van deze opmerking is bezien of het wenselijk zou zijn om op dit punt
de rechten van betrokkenen specifiek te beperken. De uitkomst hiervan is dat dit inderdaad
wenselijk is, maar dat een aanpassing van de wettekst niet aan de orde hoeft te zijn.
Zie hiervoor de toelichting bij paragraaf 6.3.
X Noot
1
Artikel 5 novodecies, derde lid, Verordening (EU) nr. 2014/833.
X Noot
2
Daarbij zij specifiek nog gewezen op artikel 24, derde lid, VEU. Daarin wordt bepaald
dat lidstaten geven in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve
en onvoorwaardelijke steun geven aan het GBVB.
X Noot
3
Waarvoor Nederland als lidstaat op grond van artikel 30, eerste lid, VEU initiatieven
kan doen en voorstellen kan voorleggen.
X Noot
4
Artikel 23, eerste lid, onderdeel d, AVG.
X Noot
5
Artikel 23, eerste lid, onderdeel e, AVG.
Los van de bovenstaande toetsopmerkingen, is de AP verzocht om in te gaan op de verhouding
tussen de brede gegevensdelingsgrondslagen in EU-verordeningen – die Nederland als
lidstaat niet mag overschrijven of beperken – en de tegen die achtergrond voorgestelde
generieke rechtsgrondslag in artikel 8.2.5. Daarbij wordt tevens gevraagd expliciet
in te gaan op de verplichting dat verwerkingsdoeleinden welbepaald en uitdrukkelijk
omschreven moeten zijn. Ten aanzien van dit punt merkte de AP op dat de regels in
het voorstel strekken ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen, waaronder
ook toekomstige internationale sanctiemaatregelen, en het daarom in dit geval gerechtvaardigd
is dat wettelijke bepalingen ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen
een voldoende ruime reikwijdte moeten hebben, om zo de implementatie van – mogelijk
verstrekkende – internationale sanctiemaatregelen te kunnen faciliteren.
9.3.4. Commissie Vennootschapsrecht
Voorafgaand aan de internetconsultatie is over een voorontwerp van dit wetsvoorstel
gesproken met de Commissie vennootschapsrecht. Met de gemaakte opmerkingen is rekening
gehouden. Hier wordt kort ingegaan op de belangrijkste daarvan. Allereerst is in overeenstemming
met de Commissie vennootschapsrecht de verhouding van het beheer van (langdurig) bevroren
economische middelen tot het enquêterecht toegelicht. De figuur van de bewindvoerder
verhoudt zich goed tot de taken van bevoegdheid van de onderzoekers van de Ondernemingskamer
(artikel 351 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek) en de tijdelijke bestuurder(s)
of commissaris(sen) die wegens wanbeleid wordt aangesteld (artikel 356, aanhef en
onderdeel c, van Boek 2 van het burgerlijk Wetboek). Artikel 5.5, derde lid, van het
wetsvoorstel is aangepast om dit buiten alle twijfel te stellen. Ten tweede is naar
aanleiding van de bespreking in de Commissie vennootschapsrecht in goede afstemming
met de Minister van Financiën en de financieel toezichthouders in een samenloopregeling
voorzien in artikel 5.5. In het geval gebruik wordt gemaakt van artikel 1:76 van de
Wet op het financieel toezicht wordt de benoeming van de bewindvoerder ingetrokken.
Voorts is artikel 7.1.7 (bijzondere handhavingsbevoegdheid) nader toegelicht, en dat
geldt ook voor het ondernemingsbegrip in artikel 1.1. en de verhouding daarvan tot
verschillende rechtsvormen. Tot slot is naar aanleiding van de bespreking artikel 231,
tweede tot en met vierde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (de bepalingen
over de algemene vergadering bij de Besloten Vennootschap) toegevoegd aan artikel 5.3,
tweede lid.
9.3.5. Europese Centrale Bank (ECB)
Op 26 augustus 2024 heeft de Europese Centrale Bank (ECB) advies uitgebracht over
het wetsvoorstel. De ECB verwelkomt de mogelijkheid dat DNB informatie met betrekking
tot sancties direct met de ECB kan delen. Ook de versterking van de wettelijke basis
en de verduidelijking van de toezichtbevoegdheden van DNB weegt de ECB als positief.
De ECB geeft verder de volgende adviespunten mee.
De ECB doet de suggestie om bij de bepalingen over het beheer van bevroren economische
tegoeden een verplichting op te nemen de ECB te informeren over genomen maatregelen,
voor zover dergelijke maatregelen gevolgen kunnen hebben voor de prudentiële vereisten
die van toepassing zijn op een instelling die onder ECB toezicht valt. De ECB adviseert
om de samenloop tussen het aanstellen van een bewindvoerder bij een onderneming en
de mogelijkheid van afwikkelingsmaatregelen beter uit te werken, door in het wetsvoorstel
bijvoorbeeld rekening te houden met de rol van de gemeenschappelijke afwikkelingsraad
(Single Resolution Board of SRB) binnen de bankenunie. Ook zou overwogen moeten worden dat de verantwoordelijke
Minister verplicht wordt de gemeenschappelijke afwikkelingsraad en DNB te informeren.
Daarnaast moet het wetsvoorstel in de opvatting van de ECB voorzien in het delen van
informatie over internationale sanctiemaatregelen door DNB met de Gemeenschappelijke
Afwikkelingsraad (Single Resolution Board of SRB) en de afwikkelingsfunctie binnen DNB, aangezien in het wetsvoorstel een grondslag
voor het delen van dergelijke informatie ontbreekt. Tot slot adviseert de ECB om de
betrokkenheid DNB van bij het beheer van bevroren economische tegoeden uit te breiden
van alleen de toezichtstaak naar ook de taak van DNB als macroprudentiële autoriteit.
Deze punten zijn overgenomen door in artikel 5.6 van het wetsvoorstel ook te regelen
dat de bewindvoerder aan AFM en DNB alle gegevens en inlichtingen verstrekt die nodig
zijn voor de vervulling van hun taken. Dit omvat ook de rol van DNB als macroprudentiële
autoriteit. Aan DNB verstrekt de bewindvoerder bovendien alle gegevens en inlichtingen
die nodig zijn voor de vervulling van de taken op grond van de verordening gemeenschappelijk
afwikkelingsmechanisme, de verordening herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen
en de verordening bankentoezicht. Op grond van een met dit wetsvoorstel voorgestelde
aanpassing van de Wet op het financieel toezicht kan DNB die gegevens en inlichtingen
vervolgens verstrekken aan onder meer de afwikkelingsraad en de ECB in haar hoedanigheid
van toezichthoudende autoriteit.
Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
Internationale sanctiemaatregelen
Evenals de huidige Sanctiewet 1977, is de Wet internationale sanctiemaatregelen een
kaderwet die het mogelijk maakt om uitvoering te geven aan maatregelen die Nederland
in internationaal verband is overeengekomen (verwezen wordt naar de artikelsgewijze
toelichting bij hoofdstuk 2 van dit wetsvoorstel). Maatregelen die zijn opgenomen
in verdragen, bindende besluiten of aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties,
of internationale afspraken, die betrekking hebben op de handhaving of het herstel
van de internationale vrede en veiligheid, de bevordering van de internationale rechtsorde
of de bestrijding van terrorisme, kwalificeren als internationale sanctiemaatregelen
en kunnen daarmee de grondslag vormen voor het stellen van uitvoeringsregels op grond
van dit wetsvoorstel. Het begrip internationale sanctiemaatregelen is dan ook bepalend
voor het toepassingsbereik van de Wet internationale sanctiemaatregelen.
Het begrip «internationale sanctiemaatregelen» verwijst zowel naar de beperkende maatregelen
die voorvloeien uit het betreffende verdrag, besluit, aanbeveling of afspraak, als
naar maatregelen in het betreffende internationale instrument die betrekking hebben
op de uitvoering daarvan. Voor de eerste categorie kan worden gedacht aan bevriezingsmaatregelen.
Bij de laatste categorie kan worden gedacht aan maatregelen als meldingsplichten,
die op zichzelf geen beperkende maatregelen betreffen, maar wel essentieel zijn voor
een adequate uitvoering daarvan. Het begrip internationale sanctiemaatregelen is daarmee
een overkoepelend begrip dat in beginsel verwijst naar alle maatregelen die in het
betreffende internationale instrument zijn neergelegd.
Het gaat om maatregelen die betrekking hebben op de handhaving of het herstel van
de internationale vrede en veiligheid, de bevordering van de internationale rechtsorde
of de bestrijding van terrorisme.
De verwijzing naar de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid,
sluit aan bij artikel 39 van het VN-Handvest. Artikel 39 van het VN-Handvest wijst
op de bevoegdheid van de Veiligheidsraad tot het doen van aanbevelingen en het nemen
van maatregelen tot handhaving of herstel van de internationale vrede en veiligheid.
Deze verwijzing sluit ook aan bij artikel 21 VEU, waarin de beginselen en doelstellingen
van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU zijn uiteengezet.
Het begrip internationale sanctiemaatregelen is in lijn met de doelstellingen zoals
opgenomen in artikel 21, tweede lid, VEU, waaronder:
– de bescherming van de waarden, fundamentele belangen en veiligheid van de EU;
– handhaving van de vrede;
– consolidering en ondersteuning van de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten
en de beginselen van het internationaal recht;
– voorkoming van conflicten en versterking van de internationale veiligheid.
Het begrip internationale sanctiemaatregelen omvat daarmee dus in ieder geval alle
maatregelen in besluiten genomen op grond van artikel 29 VEU, en alle maatregelen
in verordeningen genomen op grond van artikel 215 VWEU.
Ten slotte is de verwijzing naar de bestrijding van terrorisme als doelstelling in
de Sanctiewet 1977 opgenomen na de terroristische aanslagen van 11 september 2001
in de Verenigde Staten. Deze doelstelling wordt ook opgenomen in dit wetsvoorstel,
omdat elke twijfel over de vraag of terrorismebestrijding de internationale rechtsorde
aangaat moet worden voorkomen. Het geval kan zich namelijk voordoen dat een terroristische
entiteit een overwegend lokaal actieradius heeft, maar haar activiteiten een zodanige
impact hebben dat op haar internationale sancties van toepassing zijn. Met andere
woorden: het terrorisme zelf hoeft geen internationaal element te hebben, maar in
internationaal verband moet tegen het desbetreffende terrorisme worden opgetreden
om onder dit wetsvoorstel te vallen.
Onderneming
Het begrip onderneming zoals opgenomen in deze definitiebepaling sluit aan bij het
ondernemingsbegrip zoals dat in Europese regelgeving wordt uitgelegd. Als een onderneming
in de zin van artikel 101, eerste lid, VWEU, wordt gezien elke eenheid die een economische
activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.319 Een economische activiteit bestaat uit het leveren van goederen of diensten op een
bepaalde markt.320 Deze definitie is in lijn met het ondernemingsbegrip dat in Nederland wordt gebruikt
in het kader van onder meer de Mededingingswet en subsidieregelgeving. Ook buitenlandse
rechtsvormen kunnen hier dus onder vallen.
Sanctiebesluit en sanctieregeling
Met deze begrippen wordt verwezen naar respectievelijk algemene maatregelen van bestuur
en ministeriële regelingen die regels bevatten ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen.
Deze algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen vinden hun grondslag
in de artikelen 2.1.1, 2.2.1 en 2.2.4 van dit wetsvoorstel. De begrippen verwijzen
naar de instrumenten op zichzelf, en niet naar de maatregelen die daarin zijn opgenomen.
Sanctiemaatregelen
Het begrip sanctiemaatregelen verwijst naar internationale sanctiemaatregelen (zie
de definitie van dat begrip) en de maatregelen die op grond van hoofdstuk 2 van dit
wetsvoorstel ter implementatie van de internationale sanctiemaatregelen in een sanctiebesluit
of sanctieregeling worden neergelegd. Daarmee is het begrip sanctiemaatregelen een
overkoepelend begrip dat in beginsel verwijst naar alle internationale sanctiemaatregelen
en alle maatregelen die zijn opgenomen in sanctiebesluiten en sanctieregelingen.
Aanvullende begripsbepalingen in hoofdstuk 5
In hoofdstuk 5 zijn aanvullende begripsbepalingen opgenomen. De betreffende begripsbepalingen
worden in hoofdstuk 5 opgenomen in plaats van in artikel 1.1, omdat de betreffende
definities alleen relevant zijn voor dat hoofdstuk. Dit komt de leesbaarheid van het
wetsvoorstel ten goede.
Artikel 1.2 Openbare lichamen
Dit artikel regelt dat de Wet internationale sanctiemaatregelen mede van toepassing
is in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en dus voor het gehele
grondgebied van Nederland geldt. Uitgezonderd zijn de artikelen uit hoofdstuk 4 en
paragraaf 7.2, die respectievelijk zien op bedrijfsvoeringsvoorschriften voor zogenoemde
Sanctiewet-instellingen en het toezicht op de naleving daarvan. Deze onderdelen, die
met een tweede tranche worden toegevoegd aan de Wet internationale sanctiemaatregelen,
zullen niet van toepassing zijn in de openbare lichamen. Voor een nadere toelichting
wordt verwezen naar paragraaf 8.3 van het algemeen deel. Op een aantal (overige) onderdelen
van dit wetvoorstel is het daarnaast noodzakelijk om voor Bonaire, Sint Eustatius
en Saba andere regels te stellen dan voor het Europese deel van Nederland. Dit betreffen
regels over de uitvoering van het toezicht en strafrechtelijke bepalingen, die noodzakelijk
zijn omdat respectievelijk de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Wet op de economische
delicten niet van toepassing zijn in de openbare lichamen. Hoofdstuk 9 voorziet daarin.
Hoofdstuk 2. Uitvoering van internationale sanctiemaatregelen
Hoofdstuk 2 bevat grondslagen om regels te stellen ter uitvoering van internationale
sanctiemaatregelen. Daarbij is net als in de huidige Sanctiewet 1977 een onderscheid
gemaakt tussen de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen die zijn neergelegd
in juridisch bindende instrumenten, en internationale sanctiemaatregelen die zijn
neergelegd in niet-juridisch bindende instrumenten. De eerste categorie ziet op internationale
sanctiemaatregelen uit verdragen en bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties
(paragraaf 2.1). De vraag of een volkenrechtelijke organisatie bevoegd is tot het
nemen van bindende besluiten vloeit in beginsel voort uit het oprichtingsverdrag van
de betreffende organisatie. De tweede categorie betreft internationale sanctiemaatregelen
uit aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties of internationale afspraken (paragraaf 2.2).
Uit deze maatregelen vloeien voor de betrokken staten geen verplichtingen voort die
juridisch bindend van aard zijn.
In de huidige praktijk is voor Nederland met name de eerste categorie van belang.
Het merendeel van de sanctiemaatregelen vloeit voort uit bindende besluiten van de
Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, die in de regel worden overgenomen door de
EU, en (autonome) sanctiemaatregelen van de EU, uitgevaardigd door de Raad in samenwerking
met de Europese Commissie. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.3
van het algemeen deel.
§ 2.1 Uitvoering van verdragen en bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties
Artikel 2.1.1 Uitvoeringsregels
Dit artikel biedt een grondslag om regels te stellen ter uitvoering van internationale
sanctiemaatregelen uit verdragen en bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Het artikel regelt dat de implementatie kan geschieden bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur of bij ministeriële regeling.321 Daarbij is het gebruik van de ministeriële regeling geclausuleerd, in die zin dat
dit instrument kan worden gebruikt als sprake is van spoed of beleidsarme implementatie.
Sinds de introductie van de mogelijkheid in de Sanctiewet 1977 om juridisch bindende
internationale sanctiemaatregelen bij ministeriële regeling te kunnen implementeren,322 heeft de implementatie van dergelijke sanctiemaatregelen uitsluitend langs die weg
plaatsgevonden.323 Dit wetsvoorstel brengt geen verandering in deze praktijk. Het verplichtende karakter
van deze internationale sanctiemaatregelen en de spoedeisendheid die daar doorgaans
mee gepaard gaat, maken de ministeriële regeling tot het aangewezen instrument voor
de implementatie. Het is essentieel dat Nederland onmiddellijk na de totstandkoming
van de internationale sanctiemaatregelen adequaat en slagvaardig kan optreden, mede
om anticipatie op de maatregelen te voorkomen.324 Met een ministeriële regeling kan daarin worden voorzien.
Daarbij is van belang om in ogenschouw te blijven nemen dat in het algemeen terughoudendheid
moet worden betracht met delegatie van regelgevende bevoegdheden aan een Minister.325 In de huidige Sanctiewet 1977 is het gebruik van dit instrument niet geclausuleerd.
Er is – in geval van juridisch bindende internationale sanctiemaatregelen – een vrije
keuze tussen implementatie bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling.
Met het voorgestelde artikel 2.1.1 wordt de huidige praktijk gecodificeerd, in die
zin dat de redenen die het gebruik van een ministeriële regeling rechtvaardigen worden
neergelegd in de wet (tweede lid, onderdelen a en b). Deze redenen worden hierna nader
toegelicht.
Implementatie bij ministeriële regeling is in de eerste plaats gerechtvaardigd als
er sprake is van voorschriften die met spoed moeten worden vastgesteld (onderdeel
a). Dit is, zoals hiervoor ook aangegeven, in de huidige praktijk altijd het geval.
De ervaring heeft tot nu toe ook laten zien dat wijzigingen in internationale sanctiemaatregelen
elkaar snel kunnen opvolgen, waardoor het noodzakelijk is om de nationale regels frequent,
en tevens ook wederom met spoed, te kunnen wijzigen.326 Een rechtvaardiging voor implementatie bij ministeriële regeling kan in de tweede
plaats worden gevonden in het gegeven dat de implementatie doorgaans beperkt is tot
het stellen van regels die de Nederlandse wetgever weinig tot geen ruimte laat voor
het maken van keuzes van beleidsinhoudelijke aard. Deze grond wordt neergelegd in
het tweede lid, onderdeel b. De meeste implementatieregelingen zijn op dit moment
beperkt tot het regelen van de strafbaarstelling van overtredingen van de internationale
sanctiemaatregelen327 en het aanwijzen van bevoegde autoriteiten, bijvoorbeeld voor het ontvangen van meldingen
of het verlenen van ontheffingen. Ook bij omzetting van internationale sanctiemaatregelen
uit EU-raadsbesluiten is de beleidsruimte beperkt. Vanzelfsprekend kan op voorhand
niet worden uitgesloten dat er internationale sanctiemaatregelen worden uitgevaardigd
die veel beleidsruimte laten voor de noodzakelijke implementatie.328 De praktijk laat tot nu toe echter zien dat er vrijwel altijd sprake is van beleidsarme
implementatie. De beleidskeuzes zijn dan al op het internationale niveau gemaakt.
Met de wettelijke verankering van deze gronden wordt nadrukkelijk geen wijziging van
de huidige praktijk beoogd: het betreft een codificatie die de rechtszekerheid ten
goede komt. Op basis van de huidige praktijk is de verwachting dat slechts in uitzonderlijke
gevallen sprake zal zijn van situaties waarin het instrument van de algemene maatregel
van bestuur moet worden ingezet.
Overwogen alternatief
Als alternatief is overwogen om in het wetsvoorstel te regelen dat de implementatie
van juridisch bindende internationale sanctiemaatregelen altijd bij ministeriële regeling
geschiedt en het gebruik van een algemene maatregel van bestuur dus categorisch uit
te sluiten. Hier is niet voor gekozen, omdat niet kan worden uitgesloten dat een algemene
maatregel van bestuur in een voorkomend geval wel het meest geëigende instrument zal
zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een situatie waarin een juridisch
bindende internationale sanctiemaatregel een ruimere implementatietermijn kent en
er maatregelen getroffen moeten worden waarbij veel beleidsruimte geldt voor de (lid)staten.
De regering kiest er daarom voor om implementatie bij algemene maatregel van bestuur
open te houden en in de wet te verankeren in welke gevallen implementatie bij ministeriële
regeling mogelijk is.
Inhoud van ministeriële regelingen en algemene maatregelen van bestuur
Over de inhoud van de op grond van artikel 2.1.1 tot stand te komen ministeriële regelingen
en, in voorkomend geval, algemene maatregelen van bestuur, kan het volgende worden
vermeld. Nederland heeft tot nu toe met name te maken met internationale sanctiemaatregelen
vanuit de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, die in de regel worden overgenomen
door de EU, en (autonome) sanctiemaatregelen vanuit de EU. De inhoud van de ministeriële
regelingen die uitvoering geven aan deze internationale sanctiemaatregelen kunnen
op hoofdlijnen als volgt worden samengevat, waarbij uitgegaan is van de huidige praktijk.
• Voor zover internationale sanctiemaatregelen zijn neergelegd in een EU-verordening
hoeven deze niet omgezet te worden in Nederlandse regelgeving. Europese verordeningen
hebben rechtstreekse werking in EU-lidstaten en zijn voor eenieder verbindend. Bij
implementatie van internationale sanctiemaatregelen uit een EU-verordening kan doorgaans
worden volstaan met bepalingen die voorzien in de strafbaarstelling van overtredingen
van de daarvoor in aanmerking komende bepalingen van die verordening en de aanwijzing
van bevoegde autoriteiten, bijvoorbeeld voor het ontvangen van meldingen of het verlenen
van vergunningen of ontheffingen. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal in
aanvulling daarop in voorkomende gevallen, voor zover daar aanleiding toe is, onder
meer worden voorzien in de aanwijzing andere bestuursorganen die handhavend kunnen
optreden dan de bestuursorganen die al zijn aangewezen in hoofdstuk 7 van dit wetsvoorstel
en zullen, als dat nodig is, nadere regels worden gesteld over gegevensverwerking
(hoofdstuk 8 van dit wetsvoorstel).
• Voor internationale sanctiemaatregelen die uitsluitend zijn neergelegd in een EU-Raadsbesluit,
en niet in een EU-verordening, is het nodig om deze volledig om te zetten in nationale
regelgeving, in die zin dat de inhoud als het ware wordt overgeschreven in nationale
regelgeving. Het gaat hierbij in de huidige praktijk bijvoorbeeld om het onderwijs
en onderzoekembargo dat geldt voor Noord-Korea.
§ 2.2 Uitvoering van aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties en internationale
afspraken
Artikel 2.2.1 Uitvoeringsregels
Dit artikel bevat een grondslag om regels te stellen ter uitvoering van internationale
sanctiemaatregelen uit aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties of internationale
afspraken. Het onderscheid met de internationale sanctiemaatregelen uit artikel 2.1.1,
is dat de betrokken staten vanuit juridisch oogpunt niet gebonden zijn om uitvoering
te geven aan de maatregelen. Vanwege het niet-juridisch bindende karakter, is het
van belang dat de wijze waarop door het vaststellen van nationale regelgeving uitvoering
wordt gegeven aan deze maatregelen, met voldoende waarborgen wordt omkleed.
De uitvoering van deze categorie internationale sanctiemaatregelen geschiedt in beginsel
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.329 Vooruitlopend op een dergelijke algemene maatregel van bestuur, is het mogelijk om
bij ministeriële regeling tijdelijk een onmiddellijke voorziening te treffen die in
overeenstemming is met het in voorbereiding zijnde ontwerpbesluit. De eerste waarborg
is gelegen in een maximale geldingsduur van acht maanden van deze regeling. Dit is
uitgewerkt in artikel 2.2.4. Een tweede waarborg is gelegen in de parlementaire betrokkenheid
bij de algemene maatregel van bestuur. Dit is uitgewerkt in artikel 2.2.2. Een derde
waarborg is tot slot gelegen in een beperking van de werkingsduur van een dergelijke
algemene maatregel van bestuur. Dit is uitgewerkt in artikel 2.2.3. Met deze waarborgen
wordt grotendeels aangesloten bij de waarborgen die ook op basis van de huidige Sanctiewet
1977 gelden voor de uitvoering van deze categorie internationale sanctiemaatregelen.
Artikel 2.2.2 Parlementaire betrokkenheid
In dit artikel is voorzien in parlementaire betrokkenheid bij een algemene maatregel
van bestuur die uitvoering geeft aan niet-juridisch bindende internationale sanctiemaatregelen.
De keuze voor een vorm van parlementaire betrokkenheid houdt verband met de aard van
niet-juridisch bindende sanctiemaatregelen. Na de totstandkoming van sanctiemaatregelen
die zijn opgenomen in aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties of internationale
afspraken is immers nog ruimte voor een nationale afweging over de opvolging en de
invulling van de aanbeveling of afspraak. Met de voorgestelde regeling wordt zeker
gesteld dat het parlement zich kan uitspreken over de keuze van de regering om uitvoering
te geven aan de betreffende internationale aanbeveling of afspraak en de wijze waarop
de regering dat beoogt te doen.
Artikel 2.2.2 regelt dat een algemene maatregel van bestuur waarin regels zijn neergelegd
ter uitvoering van aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties of internationale
afspraken, gedurende een termijn van vier weken wordt voorgelegd aan beide Kamers
der Staten-Generaal. Binnen die termijn kan een van beide Kamers, of ten minste een
vijfde deel van de leden van een van de Kamers, eisen dat het besluit wordt bekrachtigd
bij wet. In dat geval wordt zo spoedig als mogelijk een daartoe strekkend voorstel
van wet ingediend. Dit is dezelfde regeling die in artikel 6, tweede lid, van de huidige
Sanctiewet 1977 is opgenomen voor de parlementaire betrokkenheid bij niet-juridisch
bindende sanctiemaatregelen.
Als het voorstel van wet wordt ingetrokken of niet wordt aangenomen, schrijft het
tweede lid van artikel 2.2.2 voor dat de algemene maatregel van bestuur door de regering
wordt ingetrokken. Als het voorstel van wet tot bekrachtiging van de algemene maatregel
van bestuur wordt aangenomen, blijft de algemene maatregel van bestuur in werking.
De overlegging van de algemene maatregel van bestuur aan de Kamers geschiedt na de
vaststelling van de algemene maatregel van bestuur. Het is aan de regering om het
moment van inwerkingtreding te bepalen. Daarbij geldt dat de voorschriften in deze
situaties in de regel al in werking zullen treden voordat het parlement zich erover
heeft uitgesproken. Dit zal doorgaans noodzakelijk zijn omdat bij opvolging van een
niet-juridisch bindende internationale sanctiemaatregel, evenals bij juridisch bindende
internationale sanctiemaatregelen, snelle interventie geboden is, en anticipatie op
nieuwe maatregelen, bijvoorbeeld door middel van kapitaalvlucht, moet worden voorkomen.330 Het is aan de regering om daar een afgewogen keuze in te maken, daarbij rekenschap
gevend van de mogelijkheid dat het parlement, binnen de vierwekentermijn waarin de
algemene maatregel van bestuur wordt voorgelegd, de wens te kennen kan geven dat de
algemene maatregel van bestuur bij wet moet worden bekrachtigd en het wetsvoorstel
vervolgens verworpen kan worden, waardoor de in werking getreden maatregelen alleen
voor een korte periode gelding hebben gehad.
Artikel 2.2.3 Werkingsduur algemene maatregel van bestuur
Dit artikel regelt dat een algemene maatregel van bestuur waarmee uitvoering wordt
gegeven aan niet-juridisch bindende internationale sanctiemaatregelen, uiterlijk drie
jaar na de inwerkingtreding van het besluit vervalt. Op deze wijze wordt verzekerd
dat binnen deze termijn een herbeoordeling plaatsvindt van de noodzaak om uitvoering
te geven aan de betreffende niet-juridisch bindende internationale sanctiemaatregelen
en ook het parlement zich daarover kan uitspreken.
Het voorgestelde artikel komt op hoofdlijnen overeen met artikel 6, vierde lid, van
de huidige Sanctiewet 1977. Op grond van dat artikel vervalt een algemene maatregel
van bestuur die uitvoering geeft aan niet-juridisch bindende internationale sanctiemaatregelen
drie jaar na inwerkingtreding van het besluit, tenzij bij nadere wet anders wordt
bepaald. Deze bepaling is in de Sanctiewet 1977 opgenomen om de Staten-Generaal de
gelegenheid te geven zich over de inhoud van het besluit uit te spreken als er aanleiding
bestaat deze langer dan drie jaar toe te passen.331 Met het voorgestelde artikel 2.2.3 wordt de vervaltermijn van drie jaren overgenomen.
Daarbij wordt eveneens verzekerd dat het parlement zich kan uitspreken over een eventuele
verlenging van de maatregelen, zij het dat dit op grond van het tweede lid geschiedt
volgens de procedure uit artikel 2.2.2, en dus geen nadere wet vereist wordt.
Het kan wenselijk zijn dat de algemene maatregel van bestuur op een eerder tijdstip
dan drie jaar na inwerkingtreding vervalt, bijvoorbeeld als de regering, al dan niet
na overleg in internationaal verband, vaststelt dat er geen noodzaak meer toe is.
Het artikel regelt dat de Minister van Buitenlandse Zaken dan een vervaldatum kan
vaststellen. Voor deze constructie is gekozen omdat het tijdstip waarop het besluit
moet vervallen niet op voorhand kan worden vastgesteld.332
Als de regering het wenselijk acht dat het besluit na een termijn van drie jaar na
inwerkingtreding in stand blijft, zal zij tijdig een nieuwe algemene maatregel van
bestuur moeten vaststellen. Deze algemene maatregel van bestuur kan inhoudelijk van
aard zijn, maar kan zich ook beperken tot een verlenging van de werkingsduur van het
te verlengen besluit. In beide gevallen zal het parlement op grond van artikel 2.2.2
opnieuw in staat worden gesteld om zich uit te spreken over de wenselijkheid en inhoud
van de (te verlengen) maatregelen.
Artikel 2.2.4 Onmiddellijke voorziening
Dit artikel regelt dat de Minister van Buitenlandse Zaken, vooruitlopend op een algemene
maatregel van bestuur, tijdelijk een onmiddellijke voorziening kan treffen die in
overeenstemming is met het in voorbereiding zijnde ontwerpbesluit. Dit is alleen mogelijk
als naar het oordeel van de Minister van Buitenlandse Zaken «een gewichtige reden»
een onmiddellijke voorziening vereist. Hoewel van de daarvoor bestaande mogelijkheid
tot op heden geen gebruik is gemaakt, geldt onverkort dat ook ter uitvoering van internationale
aanbevelingen of afspraken onmiddellijke voorzieningen noodzakelijk kunnen zijn,333 bijvoorbeeld om anticipatie op nieuwe maatregelen, bijvoorbeeld door middel van kapitaalvlucht,
te voorkomen.334 Ook door de gewijzigde internationale context zal mogelijk vaker teruggevallen gaan
worden op aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties of internationale afspraken
waarbij onmiddellijke voorzieningen noodzakelijk kunnen zijn. De voordracht en vaststelling
van de algemene maatregel van bestuur geschiedt zo spoedig mogelijk. De regeling heeft
een maximale geldingsduur van acht maanden. In de Sanctiewet 1977 had een dergelijke
regeling een geldingsduur van tien maanden. De reden dat de regeling een maximale
geldingsduur heeft van acht maanden in plaats van de huidige tien maanden is dat de
twee maanden «wachttijd» tussen de publicatie en inwerkingtreding van algemene maatregelen
van bestuur ter uitvoering van niet-juridisch bindende sanctiemaatregelen is komen
te vervallen.
Het bovenstaande kan worden samengevat in onderstaand figuur.
§ 2.3 Weigering toegang en verblijf vreemdeling en intrekking verblijfsvergunningen
op grond van de Vreemdelingenwet 2000
Artikel 2.3.1 Weigering toegang en verblijf vreemdeling en intrekking verblijfsvergunningen
Dit artikel maakt het mogelijk vreemdelingen de toegang tot en het verblijf in Nederland
te ontzeggen in afwijking van de regels die daarvoor gelden op grond van de Vreemdelingenwet
2000. In het bijzonder hoeft dus niet te worden vastgesteld dat de vreemdeling een
gevaar vormt of oplevert voor de openbare orde of nationale veiligheid (artikelen 3,
eerste lid, onderdeel b en 12, eerste lid, onderdeel d, van de Vreemdelingenwet 2000).
Evenmin is daarvoor vereist dat de vreemdeling, die beschikt over een verblijfsvergunning
als bedoeld in de artikelen 14 en 20 van de Vreemdelingenwet 2000, een gevaar voor
de nationale veiligheid vormt (artikel 22, eerste lid, onderdeel c, van de Vreemdelingenwet
2000). Tegen de intrekking van een verblijfsvergunning kunnen rechtsmiddelen worden
aangewend waarin de Vreemdelingenwet 2000 voorziet (artikel 19 respectievelijk artikel 22
van de Vreemdelingenwet 2000).
Hoofdstuk 3. Meldingsplichten
§ 3.1 Taken en bevoegdheden inzake meldingsplichten
Artikel 3.1.1 Aanwijzing bestuursorgaan inzake meldingsplichten
De Europese sanctieregelgeving bevat diverse meldingsplichten en deze zijn op dit
moment bij verschillende meldkanalen belegd. Om ervoor te zorgen dat melders makkelijker
aan hun meldingsplicht kunnen voldoen voorziet artikel 3.1.1 in een grondslag om in
een sanctiebesluit of sanctieregeling een bestuursorgaan aan te wijzen dat belast
is met de taken en bevoegdheden inzake meldingsplichten. In eerste instantie zal de
Minister van Buitenlandse Zaken in de betreffende sanctiebesluiten of sanctieregelingen
worden aangewezen om de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 3.1.2, uit te voeren.
De Minister van Buitenlandse Zaken zal een centraal meldpunt sancties inrichten dat
ontvangstpunt wordt voor de meldingen voortkomend uit de (toekomstige en bestaande)
meldingsplichten van VN- en EU-sanctieregimes. Als bijvoorbeeld een meldingsplicht
in een sanctieverordening is opgenomen wordt in de betreffende sanctieregeling de
Minister van Buitenlandse Zaken aangewezen om die meldingen in ontvangst te nemen,
tenzij een ander meldpunt beter geschikt is voor het ontvangen van die meldingen.
Als dat laatste het geval is dan wordt er in de betreffende sanctieregeling een ander
meldpunt aangewezen. Dat meldingen bij een ander meldpunt moeten worden gedaan kan
ook voortvloeien uit andere regelgeving. Het gaat in laatstgenoemd geval bijvoorbeeld
om meldingen die bij de Centrale Dienst In- en Uitvoer (CDIU) van de Douane moeten
worden gedaan, omdat deze zijn gerelateerd aan de import en export van gesanctioneerde
goederen en daarom rechtstreeks vallen onder het toezicht van de Douane. De aanwijzing
van de CDIU gebeurt op grond van de bestaande bevoegdheden van de CDIU en wordt niet
gedaan op grond van dit artikel.
Artikel 3.1.2 Taken en bevoegdheden inzake meldingsplichten
In dit artikel zijn de taken en bevoegdheden van het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1,
opgenomen inzake de meldingsplichten die voortvloeien uit sanctiemaatregelen. Zoals
bij artikel 3.1.1 al aangegeven zal in eerste instantie de Minister van Buitenlandse
Zaken hiervoor worden aangewezen. Voor de uitvoering van deze taken en bevoegdheden
zal een centraal meldpunt sancties worden ingericht. De taken en bevoegdheden die
in dit artikel zijn opgenomen zullen dus door het centraal meldpunt sancties, onder
verantwoordelijkheid van de Minister van Buitenlandse Zaken, worden uitgevoerd. Voor
de leesbaarheid zal hierna steeds gesproken worden van het centraal meldpunt sancties
of centraal meldpunt in plaats van de Minister van Buitenlandse Zaken.
In de onderdelen a en b, is de taak neergelegd voor het centraal meldpunt om meldingen
in ontvangst te nemen, de melder een ontvangstbevestiging te sturen en de gemelde
informatie zo nodig te controleren. Het meldpunt zal onder andere nagaan of de meldingen
inhoudelijk volledig, op de juiste wijze en tijdig gedaan zijn. Daarnaast kan het
meldpunt in het kader van zijn analysetaak constateren dat gegevens niet kloppen.
Deze gegevens kunnen zo nodig worden uitgewisseld met de toezichthouders en handhavers.
In onderdeel c is de hoofdtaak van het centraal meldpunt sancties opgenomen, namelijk
het verzamelen, registreren, bewerken en analyseren van de gegevens die het verkrijgt
teneinde te bezien of deze gegevens van belang kunnen zijn voor de uitvoering van
sanctiemaatregelen en voor sanctieontwikkeling. Bij deze gegevens gaat het om meldingen
door degenen op wie de meldingsplicht van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2.1,
eerste lid. Een belangrijke taak is dus het analyseren van de gegevens die het centraal
meldpunt ontvangt. De analyses van het centraal meldpunt kunnen een bijdrage leveren
aan sanctieontwikkeling, beleidsevaluatie en -analyse en sanctienaleving (waaronder
anti-omzeiling) en kunnen de basis vormen voor de aanvang van een bestuursrechtelijke
of strafrechtelijke procedure. Ook in EU-verband wordt er belang gehecht aan het analyseren
van ontvangen meldingen. In het 12e sanctiepakket tegen Rusland is de plicht geïntroduceerd om de ontvangen informatie
uit meldingen te analyseren. Deze analyseplicht is opgenomen in artikel 5 novodecies,
derde lid, van Verordening (EU) nr. 2014/833.
Een andere taak van het centraal meldpunt sancties is om voorlichting te geven over
de invulling van meldingsplichten (onderdeel d).
In onderdeel e is de taak opgenomen dat het centraal meldpunt sancties een actueel
overzicht beheert van de ontvangen meldingen en een totaaloverzicht van bevroren tegoeden
en economische middelen. Om het overzicht actueel te kunnen houden is het noodzakelijk
dat als onderdeel van het melden van tegoeden en economische middelen die zijn bevroren,
er door de melder wordt aangegeven als de betreffende tegoeden en economische middelen
niet langer bevroren zijn. Om die reden bevat artikel 3.2.1 (meldingsplicht) de grondslag
om, ter uitvoering van een meldingsplicht, nadere regels te stellen over de wijze
waarop de melding geschiedt. Verder is het noodzakelijk dat de bevoegde autoriteiten
gegevens over ontheffingen uitwisselen met het centraal meldpunt sancties.
Voor wat betreft de bevoegdheid van het centraal meldpunt sancties om gegevens aan
de bevoegde autoriteiten te verstrekken over het meldgedrag van degenen die onder
de meldingsplicht vallen, wordt verwezen naar hoofdstuk 8 waarin de bevoegdheden tot
gegevensverstrekking zijn opgenomen.
§ 3.2 Meldingsplicht
Artikel 3.2.1 Meldingsplicht
In het eerste lid is de grondslag opgenomen om meldingen te doen bij het centraal
meldpunt sancties als een meldingsplicht op grond van een sanctiemaatregel is opgelegd.
Een voorbeeld van zo’n meldingsplicht is opgenomen in artikel 9, tweede lid, van Verordening
(EU) nr. 269/2014, waarin is bepaald dat het voor personen en entiteiten op de sanctielijst
verplicht is om de onder de jurisdictie van een lidstaat vallende tegoeden en economische
middelen te melden.
De hoofdregel is dus dat meldingen bij het centraal meldpunt moeten worden gedaan
tenzij bij sanctiebesluit of sanctieregeling anders is bepaald. Dit betekent dat de
mogelijkheid bestaat om bepaalde meldingsplichten bij een ander meldpunt te beleggen,
omdat dat meldpunt beter geschikt is voor het ontvangen van die meldingen. Dat geldt
bijvoorbeeld voor meldingen over import en export die zullen blijven binnenkomen bij
de CDIU van de Douane.
Het eerste lid biedt dus de grondslag om meldingen te doen bij het centraal meldpunt
sancties. Ervan uitgaande dat in een sanctiemaatregel wordt bepaald welke gegevens
bij een melding moeten worden aangeleverd, is ervoor gekozen om dit niet nader uit
te werken in het eerste lid en alleen te bepalen dat de benodigde gegevens moeten
worden aangeleverd.
Als het nodig is voor een goede uitvoering van het eerste lid, biedt het tweede lid
de mogelijkheid om bij sanctiebesluit of sanctieregeling regels te stellen over de
wijze waarop de melding geschiedt en de gegevens die worden verstrekt.
Artikel 3.2.2 Doorbreking geheimhouding in verband met de meldingsplicht
Dit artikel regelt de verhouding tussen de geheimhoudingsplicht voor advocaten en
notarissen en de meldingsplicht op grond van artikel 3.2.1. Advocaten en notarissen
vallen onder de reikwijdte van afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 die met dit wetsvoorstel
wordt gewijzigd, voor zover zij de in artikel 10, tweede lid, onderdeel o, respectievelijk
onderdeel p, van de Sanctiewet 1977, bedoelde werkzaamheden verrichten. In artikel 10,
tweede lid, van de Sanctiewet 1977, is daarnaast een uitzondering neergelegd, die
ertoe strekt dat advocaten en notarissen niet onder de reikwijdte van afdeling 5 van
die wet vallen voor zover zij bepaalde werkzaamheden verrichten voor een cliënt, waaronder
werkzaamheden betreffende de bepaling van de rechtspositie van de cliënt.
Als een advocaat of notaris werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 10, tweede
lid, onderdeel o, respectievelijk onderdeel p, van de Sanctiewet 1977 en de uitzondering
van het tweede lid, niet van toepassing is, dan geldt de meldingsplicht uit artikel 3.2.1
onverkort. Het voorgestelde artikel 3.2.2 regelt ten behoeve van deze meldingsplicht
een doorbreking van de geheimhoudingsplicht voor advocaten in artikel 11a van de Advocatenwet
en voor notarissen in artikel 22 van de Wet op het notarisambt, voor zover dat in
een sanctiemaatregel is bepaald. Het regelt dat de advocaat of notaris in afwijking
van zijn geheimhoudingsplicht de voor de melding benodigde informatie moet verstrekken
aan het centraal meldpunt sancties. Artikel 3.3.2 regelt daarnaast dat het centraal
meldpunt sancties, voor de uitvoering van zijn taak, gegevens kan opvragen bij een
advocaat of notaris als het centraal meldpunt van oordeel is dat de betreffende advocaat
of notaris beschikt over gegevens die relevant zijn voor het analyseren van de gegevens
die het centraal meldpunt verkrijgt naar aanleiding van een melding.
De doorbreking van de geheimhoudingsplicht houdt verband met verordeningen waarin
dit is geregeld. Een goed voorbeeld is Verordening (EU) 2022/1273 van de Raad van
21 juli 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende
maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit
en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen. Artikel 8, eerste lid,
van deze verordening bevat sinds 21 juli 2022 de verplichting om alle informatie die
de naleving van de verordening vergemakkelijkt, onverwijld te verstrekken aan de bevoegde
autoriteit. Deze verplichting geldt «niet tegenstaande de geldende voorschriften inzake
rapportage, vertrouwelijkheid en beroepsgeheim» en is thans ook van toepassing op
advocaten en notarissen.
De meldingsplicht voor advocaten en notarissen geldt alleen voor zover in een verdrag
of bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie wordt bepaald dat de geheimhoudingsplicht
wordt doorbroken.
§ 3.3 Gegevensverwerking inzake meldingen
Artikel 3.3.1 Verwerking van gegevens
Het centraal meldpunt sancties verwerkt voor zijn taken en bevoegdheden gegevens,
waaronder persoonsgegevens. Bij de verwerking van persoonsgegevens kan worden gedacht
aan het beheren van een actueel overzicht van bevroren tegoeden en economische middelen
en verleende ontheffingen en het gebruik van persoonsgegevens bij het onderzoek van
ontvangen meldingen.
Artikel 3.3.2 Verstrekking van gegevens
Het eerste lid voorziet in de mogelijkheid voor het centraal meldpunt sancties om
nadere gegevens op te vragen, naar aanleiding van een ontvangen melding. Het centraal
meldpunt kan deze gegevens opvragen bij degene die de melding heeft gedaan. Ook heeft
het centraal meldpunt de bevoegdheid om naar aanleiding van een melding gegevens op
te vragen bij een instelling als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Sanctiewet
1977 (zogenoemde Sanctiewet-instellingen) die naar het oordeel van het centraal meldpunt
beschikt over gegevens die relevant zijn voor het analyseren van de gegevens die door
de melder zijn verstrekt.
Op grond van het tweede lid is de melder aan wie de gegevens worden gevraagd verplicht
om deze te verstrekken. Hij moet deze gegevens onverwijld in schriftelijke vorm verstrekken
of mondeling als er sprake is van een spoedeisend geval.
Hoofdstuk 4. Bepalingen betreffende de bedrijfsprocessen van instellingen
Dit hoofdstuk zal met een tweede tranche worden toegevoegd aan de Wet internationale
sanctiemaatregelen en wordt daarom aangeduid als gereserveerd. Voor een nadere toelichting
wordt verwezen naar paragraaf 3.8 van het algemeen deel.
Hoofdstuk 5. Bepalingen over de continuïteit en afwikkeling van ondernemingen
Artikel 5.1 Begripsbepalingen
Dit artikel bevat een aantal definities die nodig zijn om zowel de werking van de
in hoofdstuk 5 geregelde bevoegdheden te kunnen begrijpen in verhouding tot de Wet
op het financieel toezicht, de Wet toezicht trustkantoren 2018, de Wet toezicht accountantsorganisaties,
de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Wet financiële markten
BES als de bevoegdheden van de financiële toezichthouders en de Europese Centrale
Bank zoals voorzien in artikel 5.5 van dit wetsvoorstel. De definities van «verordening
bankentoezicht», «verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme» en «verordening
herstel en afwikkeling centrale tegenpartijen» verwijzen naar de relevante EU-wetgevingsinstrumenten
waarin de bevoegdheden zijn voorzien voor de toezichthouders op de financiële markten.
De definitie van opdracht beoogt duidelijk te maken dat het niet gaat om een overheidsopdracht
als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012, maar gezien moet worden als een instructie
die door de aangewezen persoon wordt gegeven aan het bestuur of sleutelfunctionarissen
van een onderneming. Deze opdrachten zijn dwingend en moeten opgevolgd worden (zie
bijvoorbeeld artikel 5.4, eerste lid, van dit wetsvoorstel) en doorbreken op deelaspecten
daarmee de bevoegdheid van het bestuur om de strategie en het beleid van de onderneming
te voeren.
Artikel 5.2 Uitoefening taken en bevoegdheden
Omdat de Minister van Economische Zaken in het kader van zijn competenties al taken
en bevoegdheden uitoefent op het gebied van beheer van ondernemingen is ervoor gekozen
om voor dit hoofdstuk de Minister van Economische Zaken aan te wijzen als bevoegde
Minister. Vervolgens regelt deze bepaling dat de Minister van Economische Zaken de
taken en bevoegdheden op grond van dit hoofdstuk uitoefent in overeenstemming met
de Minister(s) die het mede aangaat. Komt bijvoorbeeld door een sanctiemaatregel de
continuïteit van een onderneming in gevaar waarbij ernstige werkgelegenheidseffecten
kunnen optreden, dan oefent de Minister van Economische Zaken de taken en bevoegdheden
uit in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In de
artikelen 5.3 tot en met 5.6 wordt dus alleen verwezen naar de Minister van Economische
Zaken, maar door middel van deze bepaling moet hierin tevens worden gelezen «in overeenstemming
met de Minister(s) die het mede aangaat». De bepaling over het administratief beroep
is hiervan uitgezonderd (artikel 5.4, vierde lid). Voor deze bepaling geldt dat alleen
de Minister van Economische Zaken bevoegd is.
Artikel 5.3 Ambtshalve aanwijzing van een bewindvoerder
De bevoegdheid vastgelegd in artikel 5.3 is erop gericht de Minister van Economische
Zaken de mogelijkheid te bieden om mogelijke ernstige negatieve maatschappelijke,
economische of werkgelegenheidseffecten te beperken als door de toepassing van een
sanctiemaatregel de financiële stabiliteit of continuïteit van een onderneming in
gevaar komt. De bevoegdheid zoals bepaald in het eerste lid is dubbel geclausuleerd
en kan pas worden uitgeoefend als 1) de financiële stabiliteit of continuïteit van
de onderneming in het geding is en 2) vervolgens dat weer mogelijke ernstige negatieve
maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten voor de Nederlandse samenleving
met zich mee kan brengen. De bevoegdheid is enkel van toepassing op in Nederland gevestigde
ondernemingen, waaronder ondernemingen gevestigd op de BES,335 en dus niet op ondernemingen gevestigd in andere landen van het Koninkrijk.
De Minister van Economische Zaken kan een persoon aanwijzen die feitelijk de rol gaat
vervullen van een bewindvoerder. De Minister van Economische Zaken wijst daarbij op
grond van het tweede lid alleen personen aan met kennis en ervaring op het gebied
van het beheren, herstructureren of afwikkelen van ondernemingen. De groep personen
waaruit geselecteerd zal worden, kan in veel gevallen samenvallen met de groep personen
en kantoren die worden ingeschakeld als herstructureringsdeskundige in het kader van
de Wet Homologatie Onderhands Akkoord, of als bewindvoerder bij surséance van betaling
of als curator bij een faillissement. In voorkomend geval zal ook buiten deze groep
een persoon kunnen worden aangewezen als er sprake is van een zeer specialistische
onderneming waarvoor bijzondere kennis is vereist. Het is zelfs mogelijk dat de Minister
van Economische Zaken voor de desbetreffende onderneming meerdere personen aanwijst.
De kosten verbonden aan de inschakeling van deze aangewezen persoon komen voor rekening
van de rijksbegroting, omdat met deze inschakeling een publiek belang wordt gediend.
Het derde lid van artikel 5.3 maakt, in samenhang met artikel 5.4, duidelijk dat de
opdrachten die de aangewezen persoon kan uitvaardigen moeten voldoen aan de doelbinding
neergelegd in het derde lid: de opdrachten moeten gericht zijn op enerzijds het waarborgen
van de effectiviteit van de naleving van sanctiemaatregelen en anderzijds het beperken
van de mogelijke negatieve maatschappelijke effecten onder het gelijktijdig streven
naar de financiële stabiliteit of continuïteit van de onderneming of de zorgvuldige
afwikkeling ervan. Hiermee wordt kleur gegeven aan wat de aard en het doel van deze
opdrachten moet zijn, waarbij het (deel)belang van de onderneming niet losstaat van
het maatschappelijk belang.
In het vierde lid wordt de mogelijkheid van de Minister van Economische Zaken opgenomen
om bij de aanwijzing van de bewindvoerder te bepalen dat de bewindvoerder de rechtspersoon
die de onderneming drijft kan vertegenwoordigen. Ook kan de Minister van Economische
Zaken bepalen dat de bewindvoerder het bestuur of de leiding van de onderneming vervangt.
Dit zijn verdergaande ingrepen in de structuur en governance van de onderneming. Om
die reden wordt ervoor gekozen te regelen dat de Minister van Economische Zaken dit
alleen doet als dat vereist is. Op die manier gaat de ingreep in andere gevallen,
waarin het bestuur niet vervangen wordt en de bewindvoerder niet de vertegenwoordigingsbevoegdheid
krijgt, niet verder dan nodig. Verder wordt in het vijfde lid bepaald dat de aangewezen
persoon die het bestuur of de leiding van een onderneming vervangt zich richt naar
het belang van de onderneming, voor zover dat verenigbaar is met het nastreven van
de doelen waarop de opdrachten van de bewindvoerder gericht moeten zijn op grond van
het derde lid.
Het zesde lid, voorziet in een eindigheid van de aanwijzing. Deze wordt door de Minister
van Economische Zaken ingetrokken wanneer de noodzaak van de aanwijzing is komen te
vervallen. De intrekking vindt in ieder geval plaats als de verplichting op grond
van een sanctiemaatregel niet meer van toepassing is op de onderneming. Dit kan bijvoorbeeld
het geval zijn als de aandelen in de onderneming verkocht zijn waardoor de band met
een gesanctioneerde natuurlijke persoon niet langer aanwezig is. Ook kan hier sprake
van zijn als de betrokken onderneming bijvoorbeeld een herijking van de activiteiten
heeft gerealiseerd waardoor alle activiteiten in een land waarvoor sanctiemaatregelen
zijn ingesteld zijn beëindigd.
Het besluit dat strekt tot de aanwijzing door de Minister van Economische Zaken wordt
door middel van plaatsing in de Staatscourant openbaar gemaakt op grond van het zesde
lid. Daarmee heeft het besluit ook externe kenbaarheid en werking en is inschrijving
van de aangewezen persoon in het Handelsregister niet nodig. De bevoegdheden van de
aangewezen persoon zijn vastgelegd in dit wetsvoorstel en niet afhankelijk van de
inschrijving in het Handelsregister. De aangewezen persoon is zelf geen bestuurder,
maar een persoon aangesteld krachtens publiekrecht met een wettelijke taak die geconcretiseerd
is door het aanwijzingsbesluit en de eventueel daaraan verbonden voorschriften (vergelijk
artikel 5.3, eerste lid, laatste zin).
De persoon wordt aangewezen bij besluit van de Minister en is dus met openbaar gezag
bekleed. De primaire relatie tussen de Minister en de aangewezen persoon is dus publiekrechtelijk
van aard en dat verklaart ook waarom het handelen van de aangewezen persoon (dat wil
zeggen de opdrachten aan het bestuur, tenzij het gaat om feitelijk handelen) vatbaar
is voor administratief beroep. Wel zal naast het aanwijzingsbesluit een overeenkomst
gesloten moeten worden waarin betaling van kosten, informatie-uitwisseling etc. nader
geregeld worden. Dat is een overeenkomst die eigenlijk kwalificeert als een «uitvoeringsovereenkomst»
en in de kern een overeenkomst tot dienstverlening is tussen de Staat (de Minister)
en de desbetreffende persoon. De aangewezen persoon is met openbaar gezag bekleed
en is om die reden geen medewerker van de onderneming waarvoor de persoon wordt aangewezen.
Ook is er jegens de Staat geen sprake van een werkgever – werknemer situatie: dit
wetsvoorstel attribueert rechtstreeks wettelijke taken en bevoegdheden aan de aangewezen
persoon zodra deze is aangewezen krachtens besluit zoals nader uitgewerkt in een overeenkomst
tot dienstverlening. De aangewezen persoon handelt binnen de grenzen van de wet en
het besluit (inclusief voorschriften van het besluit), maar handelt niet in mandaat
namens de Minister. De aanwijzing noch de overeenkomst zijn aanbestedingsplichtig,
omdat hier sprake is van de uitoefening van openbaar gezag. De wettekst is in lijn
gebracht met artikel 32 van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames
om het karakter van de aanwijzing goed tot uitdrukking te brengen. De betaling geschiedt
altijd vanuit de Staat. Hiervoor zal incidenteel de budgettaire dekking ten laste
van de Rijksbegroting gevonden moeten worden.
Omdat de eigen beroepsregels van advocaten en notarissen al voorzien in een instrument
waar dit artikel op ziet is in het achtste lid bepaald dat dit artikel niet van toepassing
is op ondernemingen die als advocaat, notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris
werkzaamheden verrichten.
Toezicht op de advocatuur is vanwege de rol en positie van de advocaten onafhankelijk
van de Staat vormgegeven. Juist vanwege deze rol en positie van de advocaat is het
niet verenigbaar dat door de Minister van Economische Zaken kan worden ingegrepen
in de bedrijfsvoering of praktijkuitoefening van een advocatenkantoor door een bij
de Minister aangewezen persoon of personen. Daarnaast heeft de advocaat een wettelijke
geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht van al hetgeen de advocaat op grond van
zijn beroepsuitoefening kennis neemt (artikel 11a Advocatenwet). De Advocatenwet heeft
voldoende instrumenten die door de toezichthouder kunnen worden ingezet mocht blijken
dat een advocaat niet handelt zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Gelijkelijk daaraan,
moeten ook notarissen worden uitgezonderd van dit artikel. Notarissen hebben ook een
wettelijke geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht en daarmee is niet te verenigen
dat een derde wordt aangewezen om het bestuur van de onderneming over te nemen of
anderszins wordt ingegrepen in de bedrijfs- of praktijkuitoefening. Ook de beroepsregels
van notarissen regelen al een dergelijk instrument als waar dit artikel op ziet. De
toezichthouder op het notariaat, het Bureau Financieel Toezicht (BFT) of de Koninklijke
Notariële Beroepsorganisatie kan een verzoek doen bij de kamer voor het notariaat
(=tuchtrechter) om een stille bewindvoerder aan te wijzen als de continuïteit van
de praktijk in gevaar dreigt te komen (artikel 25b Wet op het notarisambt). De kamer
voor het notariaat kan dit ook ambtshalve doen.
Artikel 5.4 Regels over opdrachten van de bewindvoerder
Dit artikel regelt de verhouding tussen enerzijds de onderneming, de bestuurders,
commissarissen, feitelijke leidinggevenden en andere werknemers en anderzijds de aangewezen
persoon.336 Oogmerk van de bevoegdheid neergelegd in artikel 5.3 is de effectiviteit van de sanctiemaatregel
veilig te stellen, terwijl de negatieve maatschappelijke effecten worden geminimaliseerd
door de continuïteit van de betrokken onderneming te waarborgen of de beëindiging
en afwikkeling van de betrokken onderneming zorgvuldig te laten plaatsvinden. In beginsel
bemoeit de aangewezen persoon zich dus niet met de dagelijkse gang van zaken van de
doelonderneming en grijpt hij alleen in via gerichte opdrachten, als er (rechts)handelingen
worden verricht die – in het licht van de geldende sanctiemaatregelen – leiden tot
negatieve maatschappelijke effecten, omdat de financiële stabiliteit en de continuïteit
van de betrokken onderneming in het geding is. Ook kan de aangewezen persoon opdrachten
verstrekken om een «firewall» te realiseren of de onderneming tot herstructurering
over te laten gaan of tot een ordentelijke afwikkeling (zie paragraaf 3.4.1 van het
algemeen deel van de toelichting). De opdrachten kunnen er dus toe strekken dat bijvoorbeeld
een bestuurder wordt verplicht bepaalde feitelijke handelingen of rechtshandelingen
te verrichten of zich juist daarvan moet onthouden. Het middel is het aanstellen van
één of meer personen die dergelijke bindende opdrachten kunnen verstrekken aan bestuurders,
commissarissen, feitelijk leidinggevenden en andere werknemers van de betrokken onderneming.
Zij zijn verplicht alle informatie en medewerking te verstrekken aan een aangewezen
persoon (zie het eerste lid van artikel 5.4).
Dat betekent dat in beginsel het bestuur, de raad van commissarissen en sleutelfunctionarissen
onverminderd hun rol kunnen vervullen zoals in het Nederlandse ondernemingsrecht is
voorzien, binnen de grenzen die de opdrachten van de aangewezen persoon stelt. Er
is daarbij voorzien in een bescherming van bestuurders, commissarissen, feitelijk
leidinggevenden en andere werknemers van de betrokken onderneming tegen aansprakelijkheid
als zij de opdrachten van een aangewezen persoon opvolgen. Ze zijn wettelijk daartoe
verplicht zelfs als wettelijk, statutair of contractueel een voorafgaande instemming
van de houders van aandelen nodig zou zijn (zie artikel 5.4, tweede lid). Dit laatste,
de beperking van de aandeelhoudersrechten, is ontleend aan artikel 370, vijfde lid,
van de Faillissementswet. Hoewel de publiekrechtelijke medewerkingsverplichting al
uit het eerste lid van artikel 5.4 voortvloeit, is mede op grond van ontvangen reacties
vanuit de juridische adviseurs van het bedrijfsleven op de preconsultatie gekozen
om doorbreking van deze instemmingsverplichting te regelen. Daarmee wordt voorkomen
dat bestuurders en commissarissen in juridische procedures verzeild raken, omdat zij
aan de wettelijke verplichtingen krachtens deze wet voldoen.
Om de effectiviteit van de medewerkingsverplichting neergelegd in het eerste en tweede
lid van artikel 5.4 veilig te stellen, is met artikel 5.4, derde lid, voorzien in
de vernietigbaarheid van rechtshandelingen in strijd met de opdrachten van de aangewezen
persoon. Zijn in strijd met een opdracht van de aangewezen persoon rechtshandelingen
gedaan, dan kunnen zowel de aangewezen persoon zelf als de Minister van Economische
Zaken deze rechtshandelingen laten vernietigen. Hiervoor gelden de regels van het
burgerlijk (proces)recht.
Voor zover er bezwaren bestaan tegen de opdrachten en het bestuur bijvoorbeeld van
oordeel is dat een opdracht niet in het belang van de betrokken onderneming is, staat
tegen opdrachten van een aangewezen persoon administratief beroep open bij de Minister
van Economische Zaken (zie artikel 5.4, vierde lid). Hiermee komt tot uitdrukking
dat de aangewezen persoon een bestuursorgaan is en dat een door deze persoon verstrekte
opdracht een beschikking in de zin van de Awb is, waartegen rechtsbescherming open
staat. De keuze voor administratief beroep als eerste stap in het kader van rechtsbescherming
hangt samen met de aanwijzing die de Minister van Economische Zaken doet van de aangewezen
persoon: door middel van administratief beroep wordt een vorm van toezicht op het
handelen van de aangewezen persoon gerealiseerd. De aangewezen persoon fungeert immers
als «vooruitgeschoven bestuursorgaan» dat binnen de onderneming op operationeel niveau
aanwijzingen kan geven om de belangen die de Minister van Economische Zaken heeft
geïdentificeerd te borgen en de negatieve maatschappelijke effecten die de Minister
van Economische zaken onacceptabel vond te mitigeren. Het is dan ook voor de hand
liggend dat als eerste de Minister van Economische Zaken, die de aangewezen persoon
heeft aangewezen, in individuele gevallen kan corrigeren.
Tot slot is in artikel 5.4, vijfde lid, voorzien in een maatregel die de effectiviteit
van deze bevoegdheid waarborgt: de aangewezen persoon is niet aansprakelijk voor de
schade ten gevolge van de door hem verstrekte opdrachten. Daarmee kan de aangewezen
persoon zijn werk effectief doen zonder dreiging van grote schadeclaims. Tegelijkertijd
handelt de aangewezen persoon krachtens publiekrecht en wordt hij aangewezen door
de Minister van Economische Zaken. Om duidelijk te maken dat dergelijke schade wel
verhaald kan worden op de Staat, is gekozen voor het expliciteren van de staatsaansprakelijkheid
voor de handelingen van de aangewezen persoon. Dergelijke aansprakelijkheid van de
Staat brengt het risico met zich mee dat de Staat verplicht zou kunnen worden tot
het betalen van schadevergoeding voor de handeling van de bewindvoerder. De regering
acht deze risico’s echter aanvaardbaar in het licht van het beoogde doel. De aanwijzing
van een bewindvoerder kan immers alleen plaatsvinden als de onverkorte toepassing
van de sanctiemaatregel nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit of de continuïteit
van de onderneming met zich brengt. Zonder handelen van de Staat zou de onderneming
dus in zwaar weer komen of in ieder geval schade ondervinden als gevolg van de toepassing
van de sanctiemaatregel. De opdrachten die de bewindvoerder geeft moeten, krachtens
artikel 5.3, derde lid, gericht zijn op het naleven van deze wet en het beperken van
de nadelige maatschappelijke gevolgen van de sanctiemaatregel, waarbij gelijktijdig
gestreefd moet worden naar de financiële stabiliteit of continuïteit van de onderneming
of de zorgvuldige afwikkeling van de activiteiten van de onderneming. In die omstandigheden
acht de regering het risico beperkt dat de opdrachten van de bewindvoerder aanvullende
schade aanrichten, bovenop de gevolgen van de al geldende sanctiemaatregel. De eventuele
schade waarvoor de Staat aansprakelijk zou kunnen zijn, is om die reden in elk geval
beperkt.
Artikel 5.5 Aanwijzing bewindvoerder in de financiële sector
Financiële ondernemingen, trustkantoren, accountantsorganisaties, (beroeps)pensioenfondsen,
aanbieders van cryptoactiva en aanbieders van cryptoactivadiensten staan onder toezicht
van De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) op grond
van (achtereenvolgens) de Wet op het financieel toezicht, de Wet toezicht trustkantoren
2018, de Wet toezicht accountantsorganisaties, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling
en de verordening cryptoactiva. De grootste banken staan voorts onder toezicht van
de Europese Centrale Bank. Dit toezicht kan onder meer zien op markttoegang (toestemming
om in Nederland actief te mogen zijn) en afwikkeling (bevoegdheid tot ingrijpen om
de continuïteit van de kritieke financiële en economische functies van een falende
onderneming te waarborgen en de gevolgen van het falen van de onderneming te beperken).
In artikel 5.5 is de verhouding geregeld tussen de bevoegdheden van de Minister van
Economische Zaken op grond van dit hoofdstuk en de bedoelde bevoegdheden van die toezichthouders.
De Minister van Economische Zaken kan zijn bevoegdheden ten aanzien van dergelijke
ondernemingen alleen uitoefenen in overeenstemming met de relevante toezichthouder.
Dit laat ruimte voor die toezichthouder om de aanvaardbaarheid van de aan te wijzen
personen te beoordelen en om te beoordelen of inzet van de eigen bevoegdheden de voorkeur
verdient. Dit is geregeld in artikel 5.5, eerste lid.
In het tweede lid is geregeld dat waar de toezichthouder al heeft besloten tot afwikkeling
van de onderneming, de Minister van Economische Zaken zijn bevoegdheden op grond van
dit hoofdstuk niet uitoefent. In dat geval zullen de doeleinden van dit hoofdstuk
al zijn gediend met die vergaande maatregelen door de toezichthouder.
Zoals benoemd in het algemeen deel van de toelichting doen de maatregelen door de
Minister van Economische Zaken op grond van dit hoofdstuk niet af aan de bevoegdheden
van de toezichthouders. Dit is geregeld in het derde lid. In het verlengde hiervan
is ook een terugtred voorzien als een toezichthouder optreedt: in het vierde lid is
geregeld dat de Minister van Economische Zaken in beginsel een aanwijzing op grond
van dit hoofdstuk intrekt, als een toezichthouder naderhand zelf ingrijpt bij de onderneming.
Het gaat hier bijvoorbeeld om bevoegdheden die de toezichthouder toekomen om een curator
of bewindvoerder aan te stellen. Deze kunnen slechts in uitzonderlijke omstandigheden
worden ingezet, zoals de situaties omschreven in de artikel 1:76 en 1:76a van de Wet
op het financieel toezicht. Zo kan een curator bijvoorbeeld worden aangewezen als
een adequate functionering van de financiële onderneming ernstig in gevaar is en de
financiële onderneming voorafgaand haar zienswijze naar voren heeft kunnen brengen.
Op bovenstaande geldt een uitzondering: de Minister van Economische kan ervoor kiezen
om de aanwijzing niet in te trekken, als de relevante toezichthouder hiermee instemt.
Een dergelijke situatie zou zich voor kunnen doen als de belangen van het aanwijzen
van een bewindvoerder onvoldoende worden ondervangen door de handhavingsinstrumenten
genoemd in het vierde lid en tegelijkertijd het aanhouden van de bewindvoerder er
niet aan in de weg staat dat de handhavingsinstrumenten op een juiste manier worden
ingezet.
Verder moeten personen aangewezen op grond van dit hoofdstuk medewerking verlenen
aan de toezichtmedewerkers van DNB en AFM en aan de personen die door DNB worden belast
met de afwikkeling van financiële ondernemingen, bij de uitoefening van hun bevoegdheden
op grond van de hiervoor genoemde wetten. Op basis van de algemene medewerkingsverplichting
uit artikel 5:20 Awb is eenieder verplicht om aan een toezichthouder binnen een door
hem redelijk gestelde termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs
kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Deze medewerkingsverplichting
geldt ook jegens de personen die op grond van dit hoofdstuk als bewindvoerder zijn
aangesteld.
Voor de bedoelde toezichtmedewerkers volgt dit uit hun hoedanigheid van «personen,
bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving
van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift» in de zin van artikel 5:11
Awb. Zij beschikken om die reden over de toezichtbevoegdheden van afdeling 5.2 Awb
(uitgezonderd de bevoegdheden genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van die wet337). De medewerkingsplicht is geregeld in artikel 5:20 van die wet. In artikel 3A:8
van de Wet op het financieel toezicht is geregeld dat ook de personen die door DNB
worden belast met de afwikkeling van financiële ondernemingen beschikken over die
toezichtbevoegdheden, en dat jegens hen de medewerkingsplicht van overeenkomstige
toepassing is.
Die medewerkingsplicht geldt verder ten aanzien van DNB en AFM zelf, waar zij op grond
van de hiervoor genoemde wetten beschikken over bepaalde toezichtbevoegdheden – met
name de bevoegdheid inlichtingen te vragen – en ook de medewerkingsplicht van artikel 5:20
Awb van overeenkomstige toepassing is verklaard.
Artikel 5.6 Gegevensbescherming bij bewindvoering in de financiële sector
In aanvulling op de hiervoor bedoelde medewerkingsplicht is in artikel 5.6 geregeld
dat de bewindvoerder die is aangewezen met inachtneming van dit artikel eigener beweging
of desgevraagd aan de Minister van Economische Zaken en aan AFM en DNB alle gegevens
verstrekt die nodig zijn voor de vervulling van hun taken. Aan DNB verstrekt de bewindvoerder
bovendien alle gegevens die nodig zijn voor de vervulling van de taken op grond van
de verordeningen, genoemd in artikel 5.5, derde lid, van de bestuursorganen, genoemd
in artikel 1:90, zevende en achtste lid, van de Wet op het financieel toezicht. Dit
betreft onder meer de afwikkelingsraad, bedoeld in de verordening gemeenschappelijk
afwikkelingsmechanisme, en de Europese Centrale Bank in haar hoedanigheid van toezichthoudende
autoriteit. DNB kan die gegevens vervolgens op grond van de Wet op het financieel
toezicht verstrekken aan die bestuursorganen. Zo is geborgd dat AFM en DNB kunnen
beschikken over alle gegevens van de bewindvoerder bij een onderneming waar zij toezicht
op houden. Dit is met name van belang waar de onderneming een bank betreft, met het
oog op eventuele afwikkeling.
Artikel 5.5 ziet op de aanstelling van een bewindvoerder bij een onderneming die onder
toezicht staat op grond van de in artikel 5.5, eerste lid, genoemde wetten. In artikel 5.6,
derde lid, is geregeld dat het geheimhoudingsregime van de wet op grond waarvan de
onderneming onder toezicht staat van overeenkomstige toepassing is op die bewindvoering.
Ten aanzien van gegevens die bestuurders en andere betrokkenen op grond van artikel 5.4
moeten verstrekken aan de bewindvoerder gelden zodoende dezelfde waarborgen als ten
aanzien van gegevens die zij op grond van de toepasselijke toezichtwet moeten verstrekken
aan hun toezichthouder.
Hoofdstuk 6. Bepalingen over het beheer van registergoederen
Artikel 6.1 Beheerovername registergoederen
Met dit artikel wordt aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
voor wat betreft onroerende zaken en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat
voor wat betreft vaartuigen en luchtvaartuigen, de bevoegdheid gegeven om aan een
eigenaar of degene die om een andere reden bevoegd is tot het in beheer of gebruik
geven van een registergoed mede te delen dat het beheer van het registergoed over
wordt genomen door die Minister, dan wel aan een persoon of instelling die door die
Minister is aangewezen. De Minister heeft deze bevoegdheid alleen als er sprake is
van een bevroren registergoed en er naar het oordeel van de Minister sprake is van
risico’s op maatschappelijke schade met betrekking tot dat registergoed. Voorbeelden
van maatschappelijke schade zijn gevolgen voor de leefbaarheid, de veiligheid en gezondheid
en schade aan het milieu door onder meer langdurige leegstand of achterstallig onderhoud.
Ook als het belang van de huurder geschaad wordt door de bevriezing van het gehuurde
op grond van een sanctiemaatregel heeft de Minister de bevoegdheid om het beheer van
het bevroren registergoed over te nemen. Het kan hier zowel gaan om de huur van onroerende
zaken als om vaartuigen en luchtvaartuigen. De huur van vaartuigen en luchtvaartuigen
speelt op dit moment niet, maar in het belang van toekomstbestendige wetgeving is
ervoor gekozen om het tweede lid, onderdeel b, ook te laten zien op vaartuigen en
luchtvaartuigen.
Het beheer wordt overgenomen om de risico’s van de sanctiemaatregel te beperken, of
schade te voorkomen, te beperken of te herstellen.
Mogelijk worden persoonsgegevens verwerkt in het kader van de beheerovername. Dit
betreffen uitsluitend persoonsgegevens die degene aan wie het beheer is opgedragen
nodig heeft voor de uitvoering van het beheer. Hierbij kan gedacht worden aan persoonsgegevens
van huurders of andere gerechtigden. Dit zijn persoonsgegevens die noodzakelijk zijn
voor de uitoefening van de wettelijke taak die aan de beheerder is opgedragen. De
verwerking van deze persoonsgegevens is gerechtvaardigd op basis van artikel 6, eerste
lid, onderdeel c, van de Algemene verordening gegevensbescherming, op grond waarvan
de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig is als de verwerking noodzakelijk is
om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke
rust. De beheerder moet bij de verwerking van deze persoonsgegevens uiteraard voldoen
aan alle eisen die uit deze verordening voortvloeien.
Registergoederen zijn op grond van artikel 10 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek
goederen waarvoor inschrijving in het daartoe bestemde register noodzakelijk is voor
de overdracht of vestiging, zoals onroerende zaken en teboekgestelde schepen en luchtvaartuigen.
De regeling heeft betrekking op registergoederen die als gevolg van een sanctiemaatregel
zijn bevroren. Voor een onderbouwing van het in beheer nemen van registergoederen
wordt verwezen naar paragraaf 3.4.2 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
Met het vierde lid wordt bepaald wat in dit hoofdstuk onder beheer wordt verstaan.
Met beheer wordt in dit hoofdstuk bedoeld het verrichten van alle handelingen met
betrekking tot een registergoed die volgens het burgerlijk recht tot de rechten en
plichten van een eigenaar behoren, voor zover die rechten en plichten zien op het
wegnemen van de risico’s op maatschappelijke schade. Het vervreemden en bezwaren van
het registergoed valt niet onder beheer. Onder beheer vallen bijvoorbeeld wel alle
plichten die voortvloeien uit milieueisen, veiligheidseisen, etc. Ook het innen van
huurpenningen namens de eigenaar of het aan derden in gebruik geven van het registergoed
valt hieronder. De beheerhandelingen moeten wel zien op het wegnemen van de risico’s
op maatschappelijke schade die de reden zijn geweest voor de beheerovername.
Voor dit artikel is zoveel mogelijk aangesloten bij artikel 13b van de Woningwet,
een artikel dat het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft het
beheer van een gebouw, open erf of terrein over te nemen als er bijvoorbeeld sprake
is van overtreding van op grond van artikel 4.3 van de Omgevingswet gestelde voorschriften.
Uit het vijfde lid van artikel 6.1 volgt dat de Minister voorwaarden kan stellen aan
de uitvoering van het beheer van het registergoed. Hierbij kan gedacht worden aan
voorwaarden omtrent het beschikbaar stellen van een onroerende zaak voor een bepaald
doel. Per geval zal moeten worden afgewogen of tijdelijk beheer geschikt is om ongewenste
maatschappelijke effecten zoals verloedering te voorkomen en welke doelgroep geschikt
is voor tijdelijk gebruik.
De eigenaar van het registergoed kan zelf geen beheerhandelingen verrichten ten aanzien
van het registergoed, zolang het in beheer is genomen. Dit volgt uit het zesde lid.
De bevoegdheid om het beheer over te nemen eindigt zodra een registergoed niet meer
bevroren is op grond van een sanctiemaatregel of als naar het oordeel van de Minister
er geen sprake meer is van het risico op maatschappelijke schade met betrekking tot
dat registergoed. Uit het zevende lid volgt dat de beheerovername dan wordt beëindigd
door de Minister.
Artikel 6.2 Kostenverhaal beheerovername
Voor het beheer en alle daarbij behorende handelingen wordt een beheervergoeding vastgesteld.
De eigenaar van het in beheer genomen registergoed moet deze beheervergoeding betalen
aan de Minister die heeft besloten tot de beheerovername. Uit het tweede lid van dit
artikel volgt dat de beheervergoeding kostendekkend is voor de uitvoering van het
beheer. Als het in beheer genomen registergoed verhuurd wordt en de beheerder de huurpenningen
int namens de eigenaar, kan de beheervergoeding betaald worden uit die huurpenningen
(als de huurpenning hoger is dan de beheervergoeding). Als die mogelijkheid er niet
is, zal de gesanctioneerde eigenaar een ontheffing moeten krijgen om de beheervergoeding
te mogen betalen. Als nodig kan de Minister, op grond van het derde lid van dit artikel,
de beheervergoeding invorderen bij dwangbevel, ook na het aflopen van de sanctiemaatregel.
Hoofdstuk 7. Toezicht en handhaving
§ 7.1 Toezicht en handhaving ter naleving van sanctiemaatregelen
Paragraaf 7.1 regelt het toezicht- en handhavingsinstrumentarium voor de naleving
van sanctiemaatregelen. Het betreft de naleving van internationale sanctiemaatregelen
en de voorschriften die op grond van hoofdstuk 2 ter implementatie van deze maatregelen
worden gesteld. Voor de naleving van de bij of krachtens hoofdstuk 4 gestelde regels
voor Sanctiewet-instellingen, die met een tweede tranche aan de wet worden toegevoegd,
zal met de tweede tranche in paragraaf 7.2 worden voorzien in een apart instrumentarium.
De aard van die regels vraagt om een specifiek instrumentarium, waarbij op onderdelen
aansluiting zal worden gezocht bij financiële toezichtwetgeving.
§ 7.1.1 Aanwijzing toezichthouders
Artikel 7.1.1 Aanwijzing toezichthouders
Artikel 7.1.1 voorziet in het eerste lid in een grondslag om toezichthouders aan te
wijzen die belast zijn met het toezicht op de naleving van sanctiemaatregelen. De
bevoegdheid om toezichthouders aan te wijzen komt op grond van het eerste lid, onderdeel
a, in de eerste plaats toe aan de Minister van Buitenlandse Zaken, in overeenstemming
met de Ministers die het mede aangaat. De toezichthouders die op grond van dit onderdeel
worden aangewezen betreffen bijvoorbeeld personen die werkzaam zijn bij autoriteiten
die in een sanctiebesluit of sanctieregeling zijn aangewezen als bevoegde autoriteit,
en voor een adequate uitvoering van hun taken over toezichtbevoegdheden dienen te
beschikken.
Het eerste lid, onderdeel b, regelt daarnaast dat toezichthouders kunnen worden aangewezen
door de bestuursorganen die na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel op grond van
artikel 7.1.2, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, over handhavende bevoegdheden
beschikken. Dit zijn de Minister van Economische Zaken (Bureau Toetsing Investeringen)
en het Bureau Financieel Toezicht, en, in voorkomende gevallen, bij sanctiebesluit
of sanctieregeling aangewezen bestuursorganen (zie ook de toelichting bij artikel 7.1.2).
In het eerste lid, onderdeel c, wordt de inspecteur, genoemd in artikel 1:3, eerste
lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet en artikel 1.1, onderdeel h, van de Douane-
en Accijnswet BES (de Douane) aangewezen als toezichthouder. In het eerste lid, onderdeel
d, wordt tot slot de deken, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Advocatenwet,
aangewezen als toezichthouder. Het tweede lid schrijft voor dat een op grond van het
eerste lid, onderdelen a en b, genomen besluit tot aanwijzing van toezichthouders
wordt gepubliceerd in de Staatcourant.
Toezichthouders zijn natuurlijke personen. De personen die als toezichthouder worden
aangewezen beschikken als gevolg van de aanwijzing als toezichthouder bij de uitoefening
van hun taak over de bevoegdheden die zijn neergelegd in titel 5.2 Awb.338 Dit houdt onder meer in dat de aangewezen personen bevoegd zijn om ter vervulling
van hun taak inlichtingen te vorderen (artikel 5:16 Awb), inzage te vorderen van zakelijke
gegevens en bescheiden (artikel 5:17 Awb) en zaken en vervoermiddelen te onderzoeken
(artikelen 5:18 en 5:19 Awb). Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts
gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is (artikel 5:13
Awb). Daarnaast is het ook mogelijk dat de aan de toezichthouder toekomende bevoegdheden
worden beperkt in het besluit waarin de toezichthouder wordt aangewezen (artikel 5:14
Awb). Eenieder is verplicht om alle medewerking te verlenen die een toezichthouder
redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden (artikel 5:20
Awb).
Voor het toezicht dat wordt uitgeoefend door de Douane, wordt voor de volledigheid
opgemerkt dat het toezicht op de naleving van deze wet overlap kan vertonen met het
toezicht dat wordt uitgeoefend bij of krachtens de Algemene douanewet.339 In die gevallen volgt uit artikel 1:6 van de Algemene douanewet dat titel 5.2 Awb
niet van toepassing is. Aangewezen toezichthouders beschikken dan over de bevoegdheden
uit de Algemene douanewet, en niet over de toezichtbevoegdheden uit titel 5.2 Awb.
Caribisch Nederland
De Awb is niet van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
In hoofdstuk 9 van dit wetsvoorstel worden daarom aanvullende regels gesteld om ervoor
te zorgen dat toezichthouders in Caribisch Nederland over toereikende bevoegdheden
beschikken om uitvoering te geven aan hun toezichthoudende taken. Verwezen wordt naar
de toelichting bij artikel 9.2.
Verhouding tot de Regeling toezichthoudende ambtenaren 1977
Op grond van artikel 10, eerste lid, van de huidige Sanctiewet 1977 zijn personen
aangewezen die op dit moment toezicht houden op de naleving van de Sanctiewet 1977.
Dit is neergelegd in de Regeling toezichthoudende ambtenaren 1977. Bij de voorbereiding
van dit wetsvoorstel is bezien in hoeverre het wenselijk is dat de aanwijzing van
deze ambtenaren als toezichthouder moet worden voortgezet na de inwerkingtreding van
dit wetsvoorstel. Voor zover noodzakelijk, zal daar op het moment van inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel in worden voorzien. Voor een nadere toelichting wordt verwezen
naar hoofdstuk 7 van het algemeen deel.
§ 7.1.2 Handhaving ter naleving van sanctiemaatregelen
Artikel 7.1.2 Aanwijzing bestuursorganen met handhavende bevoegdheden
Overtredingen van sanctiemaatregelen vormen in Nederland een economisch delict in
de zin van de Wet op de economische delicten. Op grond van de huidige Sanctiewet 1977
worden na de totstandkoming van internationale sanctiemaatregelen, de noodzakelijke
uitvoeringsmaatregelen doorgaans getroffen in een ministeriële regeling (zie ook de
toelichting bij artikel 2.1.1). In deze ministeriële regeling wordt neergelegd dat
het verboden is te handelen in strijd met de relevante internationale sanctiemaatregelen.
Overtreding van deze verboden is strafbaar op grond van artikel 1, onderdeel 1°, van
de Wet op de economische delicten. Met dit wetsvoorstel wordt deze systematiek van
strafbaarstelling voortgezet. Dit betekent dat de strafrechtelijke weg open blijft
staan voor overtredingen van sanctiemaatregelen.
Met de voorgestelde paragraaf 7.1.2 wordt daarnaast de mogelijkheid geïntroduceerd
om, aanvullend op de mogelijkheden die het strafrecht biedt, bestuursrechtelijk handhavend
op te kunnen treden tegen overtredingen van sanctiemaatregelen. Voor een nadere toelichting
op de beleidsmatige overwegingen die hieraan ten grondslag liggen wordt verwezen naar
paragraaf 3.2 van het algemeen deel.
In artikel 7.1.2, eerste lid, worden bestuursorganen aangewezen die bestuursrechtelijk
handhavend kunnen optreden. Dit betreffen de Minister van Economische Zaken (Bureau
Toetsing Investeringen), het Bureau Financieel Toezicht, de inspecteur, genoemd in
artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet en artikel 1.1, onderdeel
h, van de Douane- en Accijnswet BES en de deken, bedoeld in artikel 45a, eerste lid,
van de Advocatenwet. De aangewezen bestuursorganen oefenen hun bevoegdheden uit ten
aanzien van de sectoren of handelingen genoemd in de betreffende onderdelen van het
eerste lid. Deze bestuursorganen beschikken over een bestuursrechtelijk handhavingsinstrumentarium
op grond van andere wetgeving en derhalve over expertise om dit instrumentarium ook
in te zetten ten aanzien van de schending van sanctiemaatregelen. Voor een nadere
toelichting wordt verwezen naar paragraaf 3.2 van het algemeen deel.
Vanwege het primaat van de wetgever worden voorschriften over sancties van bestuursrechtelijke
aard zoveel mogelijk in de wet opgenomen. Met de voorgestelde systematiek wordt het
bestuursrechtelijke handhavingsinstrumentarium neergelegd op het niveau van de wet.
Voor de bestuursorganen die worden aangewezen op het niveau van de wet geldt dat zij
handhavend kunnen optreden tegen het overtreden van sanctiemaatregelen die zien op
de sectoren of handelingen, bedoeld in artikel 7.1.1, eerste lid, onderdelen a tot
en met d. Voor deze bestuursorganen wordt bij lagere regelgeving alleen nog bepaald
dat zij bij overtreding van sanctiemaatregelen bestuursrechtelijk mogen handhaven.
Omdat niet te voorspellen is welke sanctiemaatregelen in de toekomst worden getroffen,
geeft artikel 7.1.2, tweede lid, een grondslag om ook andere bestuursorganen aan te
wijzen die zullen beschikken over het handhavingsinstrumentarium, opgenomen in de
artikelen 7.1.3 tot en met 7.1.5. In het sanctiebesluit of de sanctieregeling zullen
– vergelijkbaar met de (implementatie)systematiek die nu gehanteerd wordt voor de
strafbaarstelling van sanctiemaatregelen – daarbij ook de bepalingen worden vermeld
waartegen bestuursrechtelijk handhavend kan worden opgetreden. Dit betekent dat op
het moment dat er (nieuwe) internationale sanctiemaatregelen worden uitgevaardigd,
telkens zal worden bezien welke normen zich – naast de bestaande mogelijkheid tot
strafrechtelijke handhaving – lenen voor bestuursrechtelijke handhaving en welk bestuursorgaan
daartoe het beste geëquipeerd is.
Een aanwijzing van een bestuursorgaan op grond van artikel 7.1.2, tweede lid, geschiedt
in een sanctiebesluit of sanctieregeling. Dit kan een algemene maatregel van bestuur
betreffen, maar zal in de regel een ministeriële regeling zijn (zie ook de toelichting
bij artikel 2.1.1). In het algemeen is van belang dat terughoudendheid wordt betracht
bij delegatie van regelgevende bevoegdheden aan een Minister.340 De rechtvaardiging voor deze vorm van delegatie vloeit in dit geval voort uit de
wijze waarop sanctiemaatregelen tot stand komen. Voor sanctiemaatregelen geldt dat
de te handhaven voorschriften zijn opgenomen in een verdrag, een besluit of aanbeveling
van een volkenrechtelijke organisatie, of in internationale afspraken, dan wel in
regelgeving ter uitvoering daarvan. In de huidige praktijk zijn de normen doorgaans
opgenomen in EU-verordeningen of EU-besluiten. Deze internationale sanctiemaatregelen
zijn in beginsel tijdelijk van aard en aan wijzigingen onderhevig. Daarnaast is van
belang dat na de totstandkoming van internationale sanctiemaatregelen, uitvoeringsvoorschriften
met spoed worden vastgesteld, mede om anticipatie op de maatregelen te voorkomen.
Om deze redenen is het niet werkbaar om op het niveau van de wet in formele zin alle
bestuursorganen aan te wijzen die over handhavende bevoegdheden zullen beschikken
en alle gedragingen aan te wijzen waartegen handhavend kan worden opgetreden. Evenals
voor de huidige systematiek die gehanteerd wordt voor de strafbaarstelling van sanctiemaatregelen,
wordt daarom voorzien in een systematiek die het mogelijk maakt om de te handhaven
voorschriften bij lagere regeling aan te wijzen. Anders dan in het strafrecht, waar
vervolging is voorbehouden aan het Openbaar Ministerie, is het daarnaast in voorkomende
gevallen ook van belang om een bestuursorgaan aan te wijzen dat daartoe bevoegd is.
Omdat het hier om forse handhavende bevoegdheden gaat zal er na inwerkingtreding van
een dergelijk sanctiebesluit of sanctieregeling zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel
bij de Tweede Kamer worden ingediend.
De bestuursorganen die op grond van artikel 7.1.2, eerste en tweede lid, zijn of worden
aangewezen beschikken als gevolg daarvan over het handhavingsinstrumentarium dat is
neergelegd in de artikelen 7.1.3 tot en met 7.1.5. Dit betekent dat zij een aanwijzingsbeschikking
kunnen uitvaardigen en bevoegd zijn tot oplegging van een last onder bestuursdwang,
een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete. Ook wordt voorzien in de mogelijkheid
om in het sanctiebesluit of de sanctieregeling te bepalen dat de oplegging van een
bestuurlijke sanctie wordt gepubliceerd (artikel 7.1.6).
Artikel 7.1.3 Aanwijzingsbeschikking
Dit artikel voorziet in de bevoegdheid voor het bestuursorgaan om een aanwijzing te
geven aan eenieder die niet voldoet aan een krachtens een sanctiemaatregel op hem
rustende verplichting. Op deze wijze kan het bestuursorgaan concretiseren welke verplichtingen
uit de norm voortvloeien.
De aanwijzingsbeschikking betreft een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Bij de
voorbereiding en bekendmaking van het besluit zijn daarom de toepasselijke bepalingen
uit de Awb van toepassing. Dit vergt onder meer dat de aanwijzing berust op een deugdelijke
motivering (artikel 3:46 Awb) en bekend wordt gemaakt conform de voorschriften in
afdeling 3.6 Awb.
Artikel 7.1.4 Last onder bestuursdwang
Dit artikel geeft de aangewezen bestuursorganen de bevoegdheid om een last onder bestuursdwang
op te leggen. Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, Awb, beschikt het bestuursorgaan
als gevolg daarvan ook over de bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen.
De bepalingen uit de afdelingen 5.3.1 en 5.3.2 Awb zijn van toepassing.
Voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden in hoofdstuk 9 de
nodige aanvullende regels gesteld ten behoeve van de bevoegdheid tot oplegging van
een last onder bestuursdwang of dwangsom, aangezien de Awb niet van toepassing is
in Caribisch Nederland.
Tegen een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of dwangsom staat
in het Europees deel van Nederland bestuursrechtelijke rechtsbescherming open conform
de voorschriften uit de Awb. Voor Caribisch Nederland geldt het in de Wet administratieve
rechtspraak BES neergelegde stelsel van rechtsbescherming.
Artikel 7.1.5 Bestuurlijke boete
Op grond van dit artikel krijgen de aangewezen bestuursorganen de bevoegdheid om een
bestuurlijke boete op te leggen ter handhaving van sanctiemaatregelen. In het tweede
en derde lid wordt de maximumhoogte van de boete geregeld. Dit is conform artikel 5:46,
eerste lid, Awb, waarin is voorgeschreven dat de maximale boetehoogte wordt neergelegd
in de wet, en dus niet op een lager niveau van regelgeving.341 Bij het bepalen van de maximumhoogte geldt als uitgangspunt dat wordt aangesloten
bij de boetehoogte die ten hoogste kan worden opgelegd als een overtreding strafrechtelijk
wordt gehandhaafd. In dit geval betreft dat het maximum dat op grond van artikel 6,
eerste lid, onder 1°, van de Wet op de economische delicten geldt voor opzettelijke
overtredingen (misdrijven).
Het vierde lid regelt dat de op te leggen boete voor iedere overtreding kan worden
geregeld in het sanctiebesluit of de sanctieregeling. In dat geval bepaalt de regering
dan wel de Minister van Buitenlandse Zaken, in overeenstemming met Onze Minister(s)
die het mede aangaat, welke boete voor een bepaalde overtreding als evenredig moet
worden beschouwd. Het bestuursorgaan heeft dan in beginsel geen ruimte meer om een
andere boete op te leggen, met uitzondering van de situatie, bedoeld in artikel 5:46,
derde lid, Awb, op grond waarvan het bestuursorgaan in geval van een wettelijk gefixeerde
boete niettemin een lagere boete oplegt als de overtreder aannemelijk maakt dat de
wettelijk vastgestelde boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Bij het
opstellen van een sanctiebesluit of sanctieregeling waarin de bestuursrechtelijke
weg wordt geopend voor de handhaving van sanctiemaatregelen zal telkens worden bezien
of er aanleiding is om een wettelijk gefixeerde boete op te nemen. Voor die gevallen
waarin de boetehoogte niet in een sanctiebesluit of sanctieregeling wordt neergelegd,
geldt dat het aan het bestuursorgaan is om een passende hoogte vast te stellen, met
inachtneming van het in het tweede en derde lid neergelegde maximum. Daartoe kan een
bestuursorgaan beleidsregels vaststellen.
De oplegging van een bestuurlijke boete geschiedt volgens de regels die zijn neergelegd
in titel 5.4 Awb. Hieronder begrepen zijn voorschriften die relevant zijn voor duale
stelsels waarin overtredingen zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk kunnen
worden gehandhaafd. Zo vloeit uit artikel 5:44, eerste lid, Awb voort dat een bestuursorgaan
geen bestuurlijke boete oplegt als tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een
strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen. De bestuursrechtelijke
weg is in dat geval afgesloten. Artikel 5:44, tweede en derde lid, Awb regelt dat
er overleg plaats moet vinden tussen het Openbaar Ministerie en het bevoegde bestuursorgaan.
Uit deze bepalingen volgt dat het mogelijk is om elke gedraging apart voor te leggen
of algemene afspraken te maken. Het Openbaar Ministerie en het bestuursorgaan kunnen
bijvoorbeeld gezamenlijk criteria formuleren op basis waarvan in individuele gevallen
de keuze kan worden gemaakt tussen de bestuursrechtelijke of strafrechtelijke weg.
Deze criteria kunnen worden vastgelegd in een convenant of vervolgingsrichtlijnen
van het Openbaar Ministerie.
In hoofdstuk 9 worden aanvullende regels gesteld voor de uitoefening van de bevoegdheid
tot het opleggen van een bestuurlijke boete in Caribisch Nederland, waar de Awb niet
van toepassing is.
Tegen een besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete staat rechtsbescherming
open conform de voorschriften uit de Awb, of, voor Caribisch Nederland, de Wet administratieve
rechtspraak BES.
Artikel 7.1.6 Publicatie besluit tot oplegging bestuurlijke sanctie
Met dit artikel wordt voorzien in de mogelijkheid om in een sanctiebesluit of sanctieregeling
voor te schrijven dat besluiten tot oplegging van een bestuurlijke sanctie door het
bestuursorgaan openbaar worden gemaakt. De publicatie kan verschillende doelen dienen,
zoals het informeren of waarschuwen van marktpartijen en burgers, generale en specifieke
preventie, of het geven van inzicht in de handhavingspraktijk van het betrokken bestuursorgaan.
De publicatie van sanctiebesluiten is ingrijpend en kan verstrekkende gevolgen hebben
voor de overtreder. Het is daarom van belang dat een publicatieplicht met voldoende
waarborgen is omgeven. Het eerste lid regelt dat de openbaarmaking pas geschiedt nadat
het besluit onherroepelijk is geworden. Als een voorlopige voorziening wordt verzocht
om openbaarmaking te voorkomen, regelt het tweede lid dat de openbaarmaking wordt
opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. Het derde lid regelt
daarnaast dat in het sanctiebesluit of de sanctieregeling nadere regels worden gesteld
over de openbaarmaking, en specificeert een aantal elementen die daarin moeten worden
opgenomen.
§ 7.1.3 Bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige niet-naleving van sanctiemaatregelen
of risico op ernstige ontduiking
Artikel 7.1.7 Ingrijpen bij ontduiking of ondermijning
De bevoegdheid neergelegd in artikel 7.1.7 is verdergaand dan de bevoegdheden neergelegd
in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 en is bedoeld voor situaties waar sprake is van
een niet-naleving van sanctiemaatregelen of een duidelijk risico ontstaat of wordt
vergroot op ontduiking van of het actief bijdragen aan omzeiling van sanctiemaatregelen
door andere ondernemingen die met de betrokken onderneming verbonden zijn. In tegenstelling
tot de bevoegdheid neergelegd in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van dit wetsvoorstel
vervangt de aangewezen persoon het bestuur en stelt zich daarvoor in de plaats.
De aangewezen persoon heeft daarbij als hoofdtaak te waarborgen dat de onderneming
handelt overeenkomstig hetgeen is geregeld bij of krachtens deze wet en de verplichtingen
ingevolge de sanctiemaatregelen nakomt en niet bijdraagt aan de ontduiking ervan door
andere ondernemingen die aan de betrokken onderneming verbonden zijn. Bij dit laatste
kan het bijvoorbeeld gaan om een dochteronderneming die een sanctiemaatregel ontduikt.
Er is voor gekozen om de inzet van dit instrument mogelijk te maken bij een risico
op ernstige ontduiking omdat het voor de uitvoering van sanctiemaatregelen van groot
belang is om ernstige ontduiking tegen te gaan. Ter illustratie valt op dit moment
bijvoorbeeld te denken aan de situatie dat een onderneming het ernstige risico neemt
bij de export van zijn producten, al dan niet via een (buitenlandse) dochter, dat
deze ten bate komen van de Russische oorlogsmachine in strijd met de geldende sanctiemaatregelen.
In die situatie is het voor een goede uitvoering van de sancties niet voldoende om
te wachten tot dit risico zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. In dat geval zou
de schade in Oekraïne immers al zijn aangericht met behulp van deze Nederlandse onderneming.
Er is sprake van een reparatoire handhavingsmaatregel die verdere overtredingen moet
voorkomen en al verrichte overtredingen voor zover mogelijk ongedaan moet maken.
Voor zover dit past bij de hoofdtaak moet de aangewezen persoon zich ook richten naar
het belang van de onderneming (zie artikel 7.1.7, vierde lid). Dit laatste betekent
dat de aangewezen persoon ook rekening moet houden met de belangen van de stakeholders
van de onderneming zoals (minderheids)aandeelhouders, klanten, toeleveranciers en
werknemers. Het is juist bij deze stakeholders reëel dat (een deel) zich niet bewust
is van de rol die de betrokken onderneming heeft gehad bij het ontduiken van sancties.
Dat vergt van de aangewezen persoon voldoende inzet om voor zover mogelijk de belangen
van deze stakeholders veilig te stellen.
Gelet op deze taakvervulling is het wenselijk dat de aan te wijzen persoon in ieder
geval beschikt over kennis en ervaring op het gebied van controle op naleving van
wettelijke voorschriften ten aanzien van sanctiemaatregelen. De aan te wijzen persoon
kan bijvoorbeeld een achtergrond op het gebied van «compliance» hebben, waarbij ervaring
met implementatie van sanctiemaatregelen in bedrijfsvoering relevant kan zijn. In
de kern is er immers sprake van een aanzienlijk verscherpt toezicht van overheidswege
via de aangewezen persoon op de gedragingen van de onderneming. Tegelijkertijd kan
de aangewezen persoon de betrokkenen ook helpen bij het stabiliseren dan wel zorgvuldig
afwikkelen van de betrokken onderneming.
Bij het toepassen van deze bevoegdheid zal de Minister van Economische Zaken in overeenstemming
met de Minister(s) die het mede aangaat een afweging moeten maken tussen het publiek
belang van de effectieve naleving van sanctiemaatregelen, de EU-verplichting tot bestrijding
van omzeiling van sanctiemaatregelen, de belangen van de betrokken onderneming en
diens stakeholders en de belangen van de aandeelhouders of eigenaren van de onderneming.
De beginselen van behoorlijk bestuur en de bescherming van eigendomsrechten in combinatie
met de aard en inhoud van de betrokken sanctiemaatregel zullen daarbij leidend zijn.
Daarbij wordt de betrokkenheid van de onderneming bij het omzeilen of ontduiken van
sancties uitdrukkelijk meegewogen. Het wetsvoorstel voorziet daarbij in rechtsbescherming
– zowel ten aanzien van het aanwijzen van de aangewezen persoon als tegen de opdrachten
die de aangewezen persoon verstrekt. In beide gevallen staat bestuursrechtelijke rechtsbescherming
open.
Tot slot wordt in afwijking van de hoofdregel dat bij toezicht en handhaving de kosten
ten laste komen van de algemene middelen, wel degelijk de kosten voor de inschakeling
van de aangewezen persoon doorberekend aan de onderneming waarvoor hij wordt aangesteld
(artikel 7.1.7, zesde lid). Overeenkomstig de kaders van het Rapport Maat Houden342 kan deze kostendoorberekening worden gerechtvaardigd door het «de veroorzaker betaalt»-beginsel:
de vergaande reparatoire handhavingsmaatregel is noodzakelijk om voortzetting van
de overtredingen van de sanctiemaatregelen snel en effectief te beëindigen door de
(operationele) controle over de onderneming over te nemen. Juist het gedrag van de
onderneming is aanleiding voor deze extra en complexe handhavingsinspanning en tasten
de principes van goed toezicht niet aan. Ook leidt dit niet tot onaanvaardbare gevolgen
voor het bedrijfsleven in algemene zin: het gaat hier niet om ondernemingen die een
sanctiemaatregel (incidenteel) overtreden. Het gaat om een onderneming die actief
gebruikt wordt als middel om sanctiemaatregelen te omzeilen of te ontduiken. Het verhoogt
per saldo niet de regeldruk of de handhavingslasten, want is incidenteel. De gekozen
opzet zorgt er ook voor dat financiële motieven ook niet leidend kunnen zijn voor
de Minister.
In het zevende lid is een uitzondering opgenomen voor ondernemingen die onder toezicht
staan op grond van de Wet op het financieel toezicht, de Wet toezicht trustkantoren
2018, de Wet toezicht accountantsorganisaties, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling,
de Wet financiële markten BES, en de verordening cryptoactiva. Op grond van deze wetten
en verordening is al sprake van doorlopend toezicht, onder meer op integere bedrijfsvoering,
door DNB en AFM. Vastgestelde sanctieschendingen kunnen worden meegewogen in dat doorlopende
toezicht en bij de inzet van het toezichtinstrumentarium. DNB en AFM houden echter
geen toezicht op individuele schendingen van sancties en stellen deze overtredingen
ook niet vast. Bij de inzet van het toezichtinstrumentarium kan bijvoorbeeld worden
gedacht aan het geven van een aanwijzing, het opleggen van een last onder dwangsom
of bestuurlijke boete of het intrekken van de vergunning. Ook kunnen DNB en AFM overgaan
tot hertoetsing van, bijvoorbeeld, een bestuurder of commissaris (of het gehele collectief)
als daarvoor een redelijke aanleiding bestaat. Een redelijke aanleiding kan zich bijvoorbeeld
voordoen in geval van overtreding van wet- en regelgeving.
Het hiervoor genoemde bestaande financieel toezicht met het bestaande toezichtinstrumentarium
geeft voldoende aanleiding om de bevoegdheden tot interventie in deze sectoren te
laten bij de bestaande toezichthouders. De reikwijdte van het toezicht van DNB en
AFM blijft met dit artikel ongewijzigd.
Ook is een uitzondering opgenomen voor ondernemingen die als advocaat, notaris, toegevoegd
notaris of kandidaat-notaris werkzaamheden verrichten (zevende lid, onderdeel b).
Toezicht op de advocatuur is vanwege de rol en positie van de advocaten onafhankelijk
van de Staat vormgegeven. Juist vanwege deze rol en positie van de advocaat is het
niet verenigbaar dat door de Minister van Economische Zaken in overeenstemming met
de Minister die het mede aangaat het bestuur of de leiding van een advocatenkantoor
kan worden overgenomen door een bij de Minister aangewezen persoon of personen. Gelijkelijk
daaraan, moeten ook notarissen worden uitgezonderd van dit artikel. Voor een nadere
toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.3, achtste
lid.
§ 7.2 Toezicht en handhaving ter naleving van hoofdstuk 4
Deze paragraaf zal met een tweede tranche worden toegevoegd aan de Wet internationale
sanctiemaatregelen en wordt daarom aangeduid als gereserveerd. Voor een nadere toelichting
wordt verwezen naar paragraaf 3.8 van het algemeen deel.
§ 7.3 Strafrechtelijke handhaving
Artikel 7.3.1 Toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet
Dit artikel regelt dat de Nederlandse strafwet ook van toepassing is op Nederlanders
die zich buiten de Nederlandse landsgrenzen schuldig maken aan een bij of krachtens
deze wet strafbaar gesteld feit. Het artikel is gelijk aan artikel 13 van de huidige
Sanctiewet 1977. De achtergrond van dit artikel is gelegen in de aard van sanctieovertredingen,
in die zin dat het bij overtredingen van sanctiemaatregelen niet altijd makkelijk
is om na te gaan waar de verboden handelingen zijn gepleegd. Daarnaast is van belang
dat voorkomen wordt dat sanctiemaatregelen worden ontdoken door verboden handelingen
buiten de landsgrenzen te verrichten. Dit zou afbreuk doen aan de doelstellingen van
sanctiemaatregelen.343
Met dit artikel wordt voldaan aan artikel 12, eerste lid, onderdeel c, van Richtlijn
(EU) 2024/1226 inzake de strafbaarstelling van beperkende maatregelen,344 dat eisen stelt aan de vestiging van rechtsmacht ten aanzien van overtredingen van
in EU-verband tot stand gekomen sanctiemaatregelen. Deze eisen houden verband met
de wereldwijde activiteiten van daders, de grensoverschrijdende aard van de delicten
en de mogelijkheid om grensoverschrijdend onderzoek uit te voeren.345 Op grond van artikel 12, eerste lid, onderdeel c, van de richtlijn, dienen lidstaten
de nodige maatregelen te nemen om rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de in de
artikelen 3 en 4 van die richtlijn bedoelde strafrechtelijke delicten, als de dader
onderdaan van die lidstaat is. Met het voorgestelde artikel 7.3.1 wordt aan deze verplichting
voldaan. Tot aan het moment van inwerkingtreding van artikel 7.3.1 van dit wetsvoorstel
wordt aan dit vereiste uit de richtlijn voldaan met artikel 13 van de huidige Sanctiewet
1977. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat artikel 12, eerste lid, van de richtlijn
ook vereist dat lidstaten rechtsmacht vestigen als het strafrechtelijk delict werd
gepleegd aan boord van een vaartuig of een vliegtuig dat in de betrokken lidstaat
is geregistreerd of er de vlag van voert. Dit vloeit in Nederland voort uit artikel 3
van het Wetboek van Strafrecht.
Het begrip «Nederlander» omvat ook de Nederlandse rechtspersoon.346 Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat dochterondernemingen die zelf een Nederlandse
rechtspersoon zijn dus ook onder het bereik van dit artikel vallen. De vraag of een
dochteronderneming gekwalificeerd moet worden als een Nederlandse rechtspersoon, is
afhankelijk van verschillende criteria, die buiten het bereik van dit wetsvoorstel
liggen.
Hoofdstuk 8. Gegevensverwerking
§ 8.1 Toepassingsbereik
Artikel 8.1.1 Toepassingsbereik
Hoofdstuk 8 van dit wetsvoorstel bevat regels over het verwerken van gegevens, ten
behoeve van een effectieve naleving en uitvoering van sanctiemaatregelen. Artikel 8.1.1,
eerste lid, bepaalt dat de regels uit dit hoofdstuk niet van toepassing zijn op gegevens
die verwerkt worden door:
– een bewindvoerder bij een onderneming, aangewezen overeenkomstig artikel 5.5; en
– de AFM en DNB en de gegevens zijn ontvangen van een bewindvoerder als hiervoor bedoeld.
Voor de verwerking van gegevens verkregen bij bewindvoering bij een onderneming als
bedoeld in artikel 5.5, bedoeld in het eerste en tweede aandachtsstreepje hierboven,
zijn in artikel 5.6 de geheimhoudingsregimes van toepassing verklaard van de wetten
en verordening op grond waarvan die ondernemingen onder toezicht staan.
Het tweede lid verduidelijkt dat verplichtingen tot het verstrekken van gegevens in
internationale sanctiemaatregelen uit verdragen en bindende besluiten van volkenrechtelijke
organisaties blijven gelden. Deze verplichtingen werken rechtstreeks en gaan voor
op (eventueel conflicterende) nationale regels. Als bijvoorbeeld een Europese sanctieverordening
voorziet in een expliciet voorschrift tot verstrekking, blijft artikel 8.2.5 – dat
een generieke bevoegdheid voor gegevensverstrekking bevat – buiten toepassing. De
voorwaarden genoemd in artikel 8.2.5, tweede lid, kunnen dan niet voor de voorgeschreven
verstrekking worden tegengeworpen. Ditzelfde geldt ook voor de andere specifieke bepalingen
over gegevensverstrekking zoals opgenomen in dit hoofdstuk. Een voorbeeld van een
gegevensverwerkingsgrondslag in een Europese sanctieverordening is artikel 8, vierde
lid, van Verordening 269/2014 (PbEU 2023, L 159I):
«4. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten, met inbegrip van handhavingsautoriteiten,
douaneautoriteiten in de zin van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement
en de Raad, bevoegde autoriteiten in de zin van Verordening (EU) nr. 575/2013, Richtlijn
(EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2014/65/EU, alsmede
beheerders van officiële registers waarin natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten
en lichamen alsmede onroerende of roerende goederen worden geregistreerd, verwerken
onverwijld informatie, inclusief persoonsgegevens en, indien nodig, de in de leden
1 en 1 bis bedoelde informatie, en wisselen deze onverwijld uit met andere bevoegde
autoriteiten van hun lidstaat of andere lidstaten, en met de Commissie, indien die
verwerking en uitwisseling noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de taken van de
verwerkende autoriteit of de ontvangende autoriteit uit hoofde van deze verordening,
met name wanneer zij gevallen vaststellen van een schending of omzeiling, of van pogingen
tot schending of omzeiling, van de in deze verordening vastgestelde verbodsbepalingen.»
In dit voorbeeld moet exclusief naar het artikel in de Europese verordening worden
gekeken. Artikel 8.2.5 is dus niet van toepassing en dient daarmee ook niet om de
bepalingen in de verordening verder in te vullen.
§ 8.2 Gegevensverwerking
Artikel 8.2.1 Gegevensverstrekking inzake meldingen
Dit artikel regelt de bevoegdheid voor het uitwisselen van gegevens tussen het bestuursorgaan,
bedoeld in artikel 3.1.1 (lees: centraal meldpunt sancties), en de in dit artikel
genoemde autoriteiten. Deze bevoegdheid geldt als de grondslagen in Europese sanctieverordeningen
niet toereikend zijn voor het uitwisselen van de noodzakelijke gegevens tussen het
centraal meldpunt sancties en de in dit artikel genoemde autoriteiten en niet uitputtend
geregeld zijn.
Het centraal meldpunt sancties heeft als taak om de gegevens die het naar aanleiding
van de meldingen ontvangt, te verzamelen, registreren, bewerken en analyseren. Om
opvolging te kunnen geven aan de aanvang van een bestuursrechtelijke of strafrechtelijke
procedure is het niet alleen nodig om de inhoud van de meldingen te delen met de in
het eerste lid genoemde autoriteiten, maar ook de analyses die naar aanleiding van
de meldingen door het centraal meldpunt sancties gemaakt worden.
In eerste instantie zal het centraal meldpunt sancties uitgaan van de informatie die,
door degene op wie de meldingsplicht van toepassing is, bij de melding wordt gedaan.
Als het centraal meldpunt het noodzakelijk acht voor een nadere analyse van een melding
kan het op grond van het eerste lid gegevens opvragen bij de betreffende bevoegde
autoriteit. Andersom geldt hetzelfde; als de betreffende bevoegde autoriteit daar
aanleiding toe ziet kan hij, op grond van het tweede lid, gegevens uitwisselen met
het centraal meldpunt.
Overigens is het niet noodzakelijk dat het centraal meldpunt sancties iedere melding
doorstuurt naar de betreffende bevoegde autoriteit. Het centraal meldpunt kan de betreffende
gegevens uitwisselen als daar aanleiding toe is.
Artikel 8.2.2 Gegevensverwerking vanwege onderzoek naar ondernemingen
In het eerste lid is de grondslag van de verwerking van gegevens opgenomen en deze
grondslag is beperkt tot hetgeen noodzakelijk is voor een effectieve uitvoering van
sanctiemaatregelen.
In het tweede lid is bepaald dat de Minister van Economische Zaken verwerkingsverantwoordelijke
is. De Minister van Economische Zaken is niet de enige die in het kader van dit artikel
en artikel 8.2.3 persoonsgegevens zal verwerken. Er worden afspraken gemaakt over
de wijze van verwerking van persoonsgegevens, zodat deze op eenduidige wijze plaatsvindt,
zowel door de verschillende bij de uitvoering van artikel 8.2.3 betrokken Ministers
als door de instanties die informatie verstrekken. Deze afspraken zullen worden weergegeven
in een privacy impact assessment van de uitvoering.
Artikel 8.2.3 Gegevensverstrekking vanwege onderzoek naar ondernemingen
In dit artikel is een uitgebreide grondslag opgenomen voor de Minister van Economische
Zaken om als bevoegde autoriteit voor de eigendom van bedrijven te kunnen toetsen
of en op welke wijze de directe of indirecte eigendom van bedrijven is gestructureerd
en georganiseerd. Hiermee kan de Minister van Economische Zaken beoordelen of de personen,
entiteiten en lichamen genoemd in Europese sanctieverordeningen op enigerlei wijze
direct of indirect eigenaar zijn van of belangen hebben in bedrijven gevestigd in
Nederland. Hoewel de UBO-registratie van ondernemingen en rechtspersonen in het Handelsregister
een belangrijke eerste stap is in het achterhalen van deze eigendomsverhoudingen,
leert de praktijk dat bij complexe structuren meer en diepgravend onderzoek nodig
is. Met dit artikel wordt dit mogelijk gemaakt. De Minister van Economische Zaken
maakt bij het verkrijgen van onafhankelijk van de meldingsplichtige aanwezige informatie
in eerste instantie gebruik van de informatiebronnen opgenomen in het eerste lid.
De Minister van Economische Zaken kan bijvoorbeeld gebruik maken van overige openbare
registers bij de wet ingesteld. Hierbij kan gedacht worden aan de Meldingenregisters
AFM, het Register Trustkantoren, het Centraal insolventieregister en het Centraal
curatele- en bewindregister. Ook kan de Minister van Economische Zaken gebruik maken
van openbare informatie. Dit kan van alles zijn, zoals jaarrekeningen en jaarverslagen
en persberichten van ondernemingen, maar bijvoorbeeld ook berichtgeving in de media,
die kan helpen bij het gerichter zoeken naar andere informatie.
In het tweede lid zijn de partijen opgesomd die desgevraagd alle informatie verstrekken
die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit artikel en artikel 8.2.2. Het gaat
hierbij om informatie die niet met voldoende zekerheid uit openbare gegevens en registraties
als het Handelsregister kan worden opgehaald. Het gaat hierbij altijd om gegevensvragen
naar aanleiding van een specifieke casus die bij het BTI ligt. Het is nadrukkelijk
niet de bedoeling om gegevens bij deze partijen op te vragen zonder dat er een casus
aan ten grondslag ligt.
In het derde lid is bepaald dat de Minister van Economische Zaken een schriftelijk
verzoek om mededeling kan doen aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
of de Minister van Defensie, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van
dit artikel en artikel 8.2.2. In dat geval kunnen de diensten (AIVD en MIVD) de eigen
systemen raadplegen om te bezien of relevante informatie beschikbaar is en gedeeld
kan worden. Aldus is kenbaar dat ook informatie van beide diensten kan worden betrokken
bij de uitvoering van dit artikel en artikel 8.2.2. Het betreft hier een verzoek om
naslag en niet een verzoek van de Minister van Economische Zaken aan de dienst om
een onderzoek te verrichten. De diensten zijn niet verplicht om aan een dergelijk
verzoek gehoor te geven. Er kunnen immers redenen van nationale veiligheid zijn die
aan een eventuele verstrekking in de weg staan. De naslagtaak van de diensten is in
artikel 8, tweede lid, onderdeel f, en artikel 10, tweede lid, onderdeel g, van de
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 geregeld. De gevallen waarin naslag
kan worden gedaan, zijn limitatief opgesomd in de daarop gebaseerde Regeling naslag
Wiv 2017.
In het vierde lid is bepaald dat de notaris van tot zijn protocol behorende verklaringen
van erfrecht, desgevraagd afschriften uitgeeft aan de Minister van Economische Zaken,
voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van dit artikel en artikel 8.2.2.
In artikel 49b van de Wet op het notarisambt is bepaald dat de notaris desverlangd
afschriften uitgeeft van tot zijn protocol behorende verklaringen van erfrecht, aan
degenen die daarbij belang hebben in verband met een rechtsverhouding waarin zij tot
de erflater stonden. Artikel 8.2.3, vierde lid, is een aanvulling op deze verplichting.
In het geval de Minister van Economische Zaken deze informatie nodig heeft voor de
uitvoering van dit artikel en artikel 8.2.2 kan hij deze afschriften opvragen. Artikel 49b
van de Wet op het notarisambt is van overeenkomstige toepassing verklaard, omdat de
inkadering in dit artikel dat de verplichting uittreksels uit te geven alleen dat
gedeelte van de akte betreft dat betrekking heeft op feiten als bedoeld in artikel 188
van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, ook op artikel 8.2.3, vierde lid, van dit wetsvoorstel
van toepassing is. Dat geldt ook voor de in artikel 49b opgenomen van overeenkomstige
toepassing verklaring van artikel 49a van de Wet op het notarisambt. Dat de Minister
van Economische Zaken deze informatie kan verkrijgen is noodzakelijk omdat er ook
via een erfenis een overgang van zeggenschap of significante invloed kan optreden.
In het vijfde lid is bepaald, dat de geheimhoudingsplicht die op grond van artikel 22
van de Wet op het notarisambt op de notaris en onder zijn verantwoordelijkheid werkzame
personen rust, niet van toepassing is bij de naleving van de verplichting, bedoeld
in het vierde lid. Een gelijkluidende verplichting als in het vierde lid staat met
dezelfde reden in artikel 34, zesde lid, van de Wet veiligheidstoets investeringen,
fusies en overnames.
In het zesde lid is opgenomen dat de gegevensverstrekking op basis van dit artikel
kosteloos geschiedt. Een uitzondering wordt gemaakt voor de gegevens uit het Handelsregister
en het kadaster (eerste lid, onderdelen a en b). Deze partijen mogen op basis van
artikel 9, derde lid, van de Wet hergebruik van overheidsinformatie in samenhang met
artikel 50, tweede lid, van de Handelsregisterwet 2007 en artikel 108, derde lid,
van de Kadasterwet, kosten in rekening brengen.
In het zevende lid is bepaald dat de Minister van Economische Zaken, als blijkt dat
er onduidelijkheid bestaat over de eigendomsstructuur en -verhoudingen binnen een
onderneming, kan vragen om een uittreksel uit het door de onderneming gehouden aandeelhoudersregister.
Het zevende lid is van toepassing op een onderneming, voor zover deze geen beursgenoteerde
onderneming is.
Artikel 8.2.4 Doorgifteplicht aan registers
Dit artikel regelt de verplichting voor bestuursorganen en toezichthouders die bij
of krachtens de wet zijn belast met een taak ter uitvoering van sanctiemaatregelen,
om, als zij daarover beschikken, informatie over een relatie tussen een gesanctioneerde
natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam en het voorwerp van de registratie
in een register door te geven aan de beheerder van dat register. Daarmee worden de
beheerders van de registers in staat gesteld de bevoegdheid uit te oefenen om een
aantekening te plaatsen bij het voorwerp van de registratie en de daarmee samenhangende
en geregistreerde informatie. Weliswaar zal in diverse gevallen de beheerder van het
register ook zelf een dergelijke relatie kunnen leggen (bijvoorbeeld wanneer de rechthebbende
op bijvoorbeeld een kwekersrecht zelf op een lijst voorkomt van natuurlijke personen,
rechtspersonen, entiteiten of lichamen waarvan de economische middelen en tegoeden
bevroren moeten worden), maar in de meeste gevallen zal de beheerder van het register
tot een aantekening overgaan, omdat er informatie van een bestuursorgaan of toezichthouder
wordt ontvangen. Het is daarbij van belang te onderkennen dat in zulke gevallen voor
bepaalde registers geldt dat de beheerder van het register niet zelfstandig tot een
verificatie van de aangeleverde informatie overgaat, maar vertrouwt op de aangeleverde
gegevens.
Artikel 8.2.5 Bevoegdheid tot gegevensverstrekking
Dit artikel regelt een generieke bevoegdheid voor het uitwisselen van gegevens tussen
bestuursorganen, toezichthouders en andere personen of entiteiten die bij of krachtens
de wet zijn belast met een taak ter uitvoering van sanctiemaatregelen, onderling en
in internationaal verband. Op basis van deze bepaling kan geen gegevensverstrekking
plaatsvinden tussen private partijen, zoals Sanctiewet-instellingen. Deze generieke
bevoegdheid geldt, als er geen grondslagen zijn opgenomen in Europese sanctieverordeningen
of als er ontoereikende grondslagen zijn opgenomen die niet uitputtend zijn geregeld
en ook de grondslagen in de artikelen 8.2.1 tot en met 8.2.4 niet toereikend zijn
voor het uitwisselen van de noodzakelijke gegevens tussen de autoriteiten en toezichthouders
die een rol hebben binnen het regime van de sanctiemaatregelen. In geval de grondslag,
toereikend of ontoereikend, uitputtend geregeld is, vindt artikel 8.2.5 geen toepassing,
omdat toepassing ervan in strijd zou zijn met hetgeen uitputtend is geregeld in de
verordening. Zie voor een toelichting ook paragraaf 3.6 van het algemeen deel. Op
grond van het tweede lid is verstrekking van gegevens aan beperkingen onderworpen.
In het eerste lid is de generieke bevoegdheid voor het uitwisselen van gegevens opgenomen
die geldt voor de autoriteiten en toezichthouders die een rol hebben binnen het regime
van de sanctiemaatregelen. De tabel in hoofdstuk 7 van het algemeen deel bevat een
overzicht van de huidige toezichthouders en autoriteiten die op dit moment een taak
hebben. Deze toezichthouders en autoriteiten vallen dus onder het bereik van deze
bepaling. In de toekomst kunnen er ook andere toezichthouders en autoriteiten zijn
die een taak zullen krijgen in het toezien op de naleving of de uitvoering van sanctiemaatregelen
en daarmee ook onder deze bepaling kunnen vallen.
De ontvanger van de gegevens is een Nederlandse overheidsinstantie of een bij overheidswege
aangewezen instantie. De ontvanger van de gegevens kan ook een buitenlandse of een
buitenlandse van overheidswege aangewezen instantie zijn. In de regel zullen deze
buitenlandse overheidsinstanties gevestigd zijn in de EU, omdat ze alleen gegevens
kunnen ontvangen als ze belast zijn met de uitvoering van een sanctieverordening.347 Een bij overheidswege aangewezen instantie moet blijken uit een expliciete wettelijke
bepaling, zoals een Europese sanctieverordening, deze wet, of een nadere regeling
krachtens deze wet.
Bij de verstrekking van de gegevens gaat het altijd om gegevens die al rechtmatig
in het bezit zijn van de bevoegde autoriteiten of toezichthouders. Dit betekent dat
zij al een grondslag hebben voor de verwerking (waaronder het opslaan) van de gegevens.
De verstrekkingsplicht is beperkt tot gegevens waarover deze autoriteiten en toezichthouders
de beschikking hebben gekregen bij de vervulling van de hen bij of krachtens deze
wet opgedragen taken. In veel gevallen zal de grondslag voor de verwerking van die
gegevens gelegen zijn in de opdracht in een Europese sanctieverordening of bij of
krachtens deze wet.
De verstrekking van gegevens op grond van dit artikel heeft het toezicht op de naleving
of uitvoering van sanctiemaatregelen tot doel. Denk hierbij bijvoorbeeld aan gegevens
die verbondenheid kunnen vaststellen van personen en entiteiten aan een gesanctioneerd
persoon of gegevens die nodig zijn om een financiële ontheffing af te geven. In het
tweede lid, onderdeel a, van dit artikel is opgenomen dat deze gegevens in ieder geval
niet verstrekt mogen worden als dat doel onvoldoende bepaald is. Een instantie die
om gegevens verzoekt, zal het doel van de gegevens dus nader moeten specificeren.
Voor zover het gaat om persoonsgegevens geldt op grond van de AVG al dat het doeleinde
van de gegevensverwerking «welbepaald uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd»
moet zijn (artikel 5, eerste lid, onderdeel b, AVG). Het is aan de ontvanger, maar
ook aan degene die op grond van dit artikel gegevens verstrekt, om te beoordelen of
daaraan voldaan is. De verstrekte gegevens moeten ook voldoen aan artikel 5, eerste
lid, onderdeel c, AVG en niet verder gaan dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor
deze worden verstrekt.
De afweging of de gegevens rechtmatig verstrekt kunnen worden ligt bij de verstrekkende
partij. Het is belangrijk dat hierbij altijd een afweging wordt gemaakt tussen het
doel van de gegevensverstrekking en de eventuele inbreuk op het grondrecht op de bescherming
van persoonsgegevens. Voordat de verstrekking plaats kan vinden, moet de proportionaliteit
van deze verstrekking in het licht van de belangen die daarmee gediend worden gewogen
worden.
Tot gegevensverstrekking wordt in ieder geval niet overgegaan door de bevoegde autoriteit
of de toezichthouder in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en
met e. Het tweede lid, onderdeel a, is hierboven al toegelicht. Over het tweede lid,
onderdelen b tot en met d, wordt het volgende opgemerkt.
In onderdeel b vallen onder «de wet» niet alleen verplichtingen die uit andere Nederlandse
wet- en regelgeving volgen, maar ook verplichtingen voortvloeiend uit bindende internationale
en Europese wet- en regelgeving. Een geheimhoudingsplicht op grond van hoger recht
of een geheimhoudingsplicht waarop geen bij wet te bepalen uitzondering bestaat, staan
dus aan verstrekking van de bedoelde gegevens in de weg. Strijd met de AVG valt ook
onder deze weigeringsgrond.
Gelet op de groep van potentiële ontvangers van de gegevens, ligt het niet voor de
hand dat bij verstrekking sprake zal zijn van schending van de openbare orde. Desalniettemin
is ervoor gekozen dit wel mee te laten wegen. Het biedt enige ruimte om bijvoorbeeld
gevaar voor goederen mee te wegen in de beslissing op een verzoek om gegevens, zonder
dat meteen sprake hoeft te zijn van een schending van een wettelijk voorschrift.
In onderdeel c staat de mate waarin de geheimhouding van gegevens gewaarborgd moet
worden in verhouding tot de gevoeligheid van gegevens. De ontvangende partij moet
aannemelijk maken dat de maatregelen die hij neemt om de geheimhouding te waarborgen,
passend zijn, gelet op de aard en gevoeligheid van deze gegevens.
Het opsporingsbelang is een voorbeeld van een belang in de zin van deze wet dat in
onderdeel d in de weg kan staan aan gegevensverstrekking op grond van dit artikel.
§ 8.3 Nadere regels over gegevensverwerking
Artikelen 8.3.1 Nadere regels ter uitvoering van verdragen en bindende besluiten van
volkenrechtelijke organisaties en 8.3.2 Nadere regels ter uitvoering van aanbevelingen
van volkenrechtelijke organisaties en internationale afspraken
Op grond van hoofdstuk 2 van dit wetsvoorstel kunnen bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur of ministeriële regeling regels worden gesteld ter uitvoering van de betreffende
internationale sanctiemaatregelen.348 Met de artikelen 8.3.1 en 8.3.2 worden grondslagen opgenomen voor het stellen van
nadere regels over gegevensverwerking. Deze grondslagen zijn concreter dan die van
hoofdstuk 2. Met deze grondslagen wordt een eerste invulling gegeven aan het vereiste
van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, AVG, dat de doeleinden van de verwerking van
persoonsgegevens welbepaald en uitdrukkelijk omschreven moeten zijn. Bij het gebruik
van deze grondslag in concrete gevallen, wordt aan dat beginsel nog nader invulling
gegeven. Een dergelijke nadere regeling zal ook de noodzaak van de gegevensverwerking
voor die concrete gevallen moeten beschrijven in het licht van die doeleinden.
De artikelen 8.3.1 en 8.3.2 bevatten grondslagen voor het stellen van nadere regels
over gegevensverwerking, zodat in een sanctiebesluit of sanctieregeling concrete gegevensverstrekkingen
beschreven kunnen worden.
Vanwege de verschillende implementatiesystematiek die geldt voor het stellen van regels
ter uitvoering van juridisch bindende en niet-juridisch bindende internationale sanctiemaatregelen,
is een onderscheid gemaakt tussen het stellen van nadere regels ter uitvoering van
internationale sanctiemaatregelen uit verdragen en bindende besluiten van volkenrechtelijke
organisaties (artikel 8.3.1) en het stellen van nadere regels ter uitvoering van internationale
sanctiemaatregelen uit aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties en internationale
afspraken (artikel 8.3.2).
Als van de mogelijkheid uit artikel 8.3.1 of 8.3.2 gebruik wordt gemaakt, bevat de
gedelegeerde regelgeving een grondslag als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel
c, AVG. Bij deze regeling zal de AVG, en in het bijzonder artikel 5 ervan, in acht
moeten worden genomen. Op grond van artikel 8.3.1 kan de grondslag om bij algemene
maatregel van bestuur of ministeriële regeling de concrete gegevensverstrekking voor
te schrijven, alleen benut worden als dat nodig is ter uitvoering van de relevante
internationale sanctiemaatregelen. Deze noodzakelijkheid moet aannemelijk gemaakt
worden. Als de grondslag op grond van artikel 8.3.2 van toepassing is dan is het noodzakelijk
om regels over de verwerking van gegevens te stellen, omdat hierbij geen sprake is
van juridisch bindende besluiten, maar van aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties
en internationale afspraken. Vanwege het niet-juridisch bindende karakter, is het
nodig om nadere regels bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te leggen.349 Om die reden is in artikel 8.3.2, eerste lid, een grondslag opgenomen om gegevens
te verwerken met inbegrip van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens
van strafrechtelijke aard. Als naar het oordeel van de Minister van Buitenlandse Zaken
een gewichtige reden een onmiddellijke voorziening vereist, kunnen regels bij ministeriële
regeling worden gesteld die vervolgens binnen acht maanden moet worden vervangen door
een algemene maatregel van bestuur.
De grondslag voorziet in de mogelijkheid om concreet te beschrijven welke gegevens,
door welke organisatie aan welke (andere) organisatie moeten worden verstrekt in welke
gevallen. Een dergelijke concrete beschrijving kan daarom bijdragen aan het voorkomen
van twijfel over de rechtmatigheid of noodzaak van de verwerking. Twijfel die anders
tot handelingsverlegenheid kan leiden, waardoor essentiële gegevens niet of te laat
bij een betrokken bevoegde autoriteit bekend worden gemaakt. Die handelingsverlegenheid
kan in de weg staan aan een juiste uitvoering van de sanctiemaatregelen.
Naast verstrekking, kunnen regels worden gesteld over andere verwerkingen van gegevens.
Te denken valt bijvoorbeeld aan de verplichting om bepaalde gegevens voor enige tijd
te bewaren of juist te vernietigen.
Als van de bevoegdheid van artikel 8.3.1 gebruikgemaakt wordt, kan het nuttig zijn
om in het besluit of de regeling op te nemen dat de daarin opgenomen regels verplichtingen
van hoger recht die strekken tot verwerking onverlet laten. Het gaat in die gevallen
immers om nadere regels ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen uit verdragen
en bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die rechtstreekse werking
hebben. Deze rechtstreeks werkende bepalingen worden door de nadere regeling op grond
van dit artikel niet terzijde geschoven.
Hoofdstuk 9. Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Artikel 9.1 Toepasselijkheid EU-rechtshandelingen
Bindende besluiten die door de EU worden genomen in het kader van het Gemeenschappelijk
Buitenlands en Veiligheidsbeleid zijn in beginsel niet van toepassing in de openbare
lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Vanuit het oogpunt van eenheid van buitenlands
beleid en eenheid van regelgeving is met de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba (2010) de lijn ingezet dat het wenselijk is dat deze besluiten
ook op de openbare lichamen worden nageleefd.350 Dit standpunt wordt voortgezet. Om die reden wordt met dit artikel in het eerste
lid geregeld dat bindende besluiten van de EU voor de toepassing van dit wetsvoorstel
ook voor de openbare lichamen gelden als bindende besluiten. Op deze wijze wordt buiten
twijfel gesteld dat de grondslag in artikel 2.1.1, eerste lid, (ook) benut kan worden
voor het vaststellen van uitvoeringsregels in Caribisch Nederland. De bepaling komt
inhoudelijk overeen met het huidige artikel 14a van de Sanctiewet 1977.
In aanvulling op het voorgaande, wordt in het tweede lid geregeld dat bepalingen van
EU-rechtshandelingen waarnaar wordt verwezen in op grond van deze wet vast te stellen
(uitvoerings)regels, voor de toepassing van deze regels van overeenkomstige toepassing
zijn in de openbare lichamen, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald. Deze bepaling komt
inhoudelijk overeen met het huidige artikel 1, tweede lid, Sanctieregeling BES en
wordt met dit wetsvoorstel dus op het niveau van de wet vastgelegd. Regeling bij ministeriële
regeling is daarmee niet langer nodig.
Artikel 9.2 Toezicht
Op grond van hoofdstuk 7 van dit wetsvoorstel kunnen personen worden aangewezen die
belast zijn met het toezicht op de naleving van dit wetsvoorstel. De bevoegdheden
waar de aangewezen toezichthouders over beschikken bij de uitvoering van hun taak
zijn neergelegd in titel 5.2 Awb. De Awb is niet van toepassing in de openbare lichamen.
Om te verzekeren dat toezichthouders in Caribisch Nederland over de benodigde bevoegdheden
beschikken ter uitvoering van hun taak, wordt titel 5.2 Awb van overeenkomstige toepassing
verklaard. De verwijzing in 5.16a Awb naar de Wet op de identificatieplicht wordt
daarbij vervangen door een verwijzing naar de relevante bepaling uit de Wet op de
identificatieplicht BES.
Artikel 9.3 Strafrechtelijke handhaving
Overtredingen van sanctiemaatregelen vormen in het Europese deel van Nederland economische
delicten in de zin van de Wet op de economische delicten. De Wet op de economische
delicten is niet van toepassing in de openbare lichamen. Met dit artikel worden daarom
regels gesteld die de strafbaarstelling van overtredingen van sanctiemaatregelen in
de openbare lichamen verzekeren. Het artikel is inhoudelijk gelijkluidend aan het
huidige artikel 14c van de Sanctiewet 1977.
Daar waar mogelijk, wordt met dit artikel aangesloten bij de regels die voor het Europese
deel van Nederland gelden op grond van de Wet op de economische delicten. Anders dan
in het Europese deel van Nederland, komen de mogelijkheid tot oplegging van een taakstraf
of verhoging van een geldboete niet voor in het Wetboek van Strafrecht BES. Deze mogelijkheden
zijn daarom niet opgenomen in het voorgestelde artikel.
Artikel 9.4 Opsporingsbevoegdheden
Dit artikel is inhoudelijk gelijkluidend aan artikel 14b van de huidige Sanctiewet
1977. Het geeft de Minister van Justitie en Veiligheid de mogelijkheid om in overeenstemming
met de Minister van Buitenlandse Zaken, ambtenaren aan te wijzen die in Caribisch
Nederland belast zijn met de opsporing. Voor zover van deze bevoegdheid gebruik wordt
gemaakt, zijn deze ambtenaren bevoegd naast de ambtenaren die hun bevoegdheden tot
opsporing ontlenen aan artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES.
Hoofdstuk 10. Wijzigingen van andere wetten
Artikel 10.1 Wijziging Advocatenwet
Artikel 10.1 voert enkele wijzigingen in de Advocatenwet door. Deze vloeien voort
uit de wijziging van de Sanctiewet 1977 (artikel 10.8 van dit wetsvoorstel) waarin
de deken van de orde in het arrondissement wordt aangewezen om toezicht te houden
op de naleving van sanctiemaatregelen en houden verband met de huidige bepalingen
in de Advocatenwet over toezicht en handhaving op grond van de Advocatenwet. Ten aanzien
van het toezicht op de naleving en de handhaving van het bij en krachtens de Sanctiewet
1977 bepaalde, wordt in geval van advocaten dezelfde constructie gevolgd als waarvoor
is gekozen bij het toezicht op advocaten in geval van naleving van de Wwft. Zo wordt
een beslissing op grond van artikel 10c of 10d van de Sanctiewet 1977 tot oplegging
aan een advocaat van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete verwerkt op
het tableau, net als nu al het geval is bij dergelijke beslissingen op grond van de
Advocatenwet en de Wwft. Ook over het toezicht door de deken op grond van dit wetsvoorstel
stelt het college van afgevaardigden geen verordeningen vast. Het college van toezicht
stelt daarover beleidsregels vast. Bij het college van toezicht berust de taak tot
het houden van systeemtoezicht op het toezichthoudende werk van de deken. De deken
van de algemene raad kan, net als bij het toezicht op grond van de Advocatenwet en
de Wwft, aanwijzingen geven aan de deken, bedoeld in artikel 9a, onderdeel d, van
de Sanctiewet 1977, met betrekking tot de uitoefening van de toezichtstaak.
Artikel 10.2 (wijziging Algemene douanewet), artikel 10.9 (wijziging Telecommunicatiewet),
artikel 10.11 (wijziging Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid),
artikel 10.13 (wijziging Wet op de economische delicten), artikel 10.14 (wijziging
Wet op de kansspelen), artikel 10.19 (wijziging Wet ter voorkoming van witwassen en
financieren van terrorisme BES) en artikel 10.22 (wijziging Wet veiligheidstoets investeringen,
fusies en overnames)
De wijzigingen van deze wetten zijn technisch van aard en strekken ertoe verwijzingen
naar de Sanctiewet 1977 te vervangen door verwijzingen naar de Wet internationale
sanctiemaatregelen. Vanwege de tijdelijke instandhouding van afdeling 5 van de huidige
Sanctiewet 1977, is het voor een aantal wetten noodzakelijk om tijdelijk zowel te
verwijzen naar de Wet internationale sanctiemaatregelen als naar de Sanctiewet 1977.
Met de inwerkingtreding van de tweede tranche zullen de verwijzingen naar de Sanctiewet
1977 vervallen. De tweede tranche zal daarin voorzien.
Artikel 10.3 Wijziging Algemene wet bestuursrecht
De wijziging in onderdeel 1 van de onderdelen A en B is technisch van aard en strekt
ertoe om aan te sluiten op de nieuwe nummering van de artikelen in afdeling 5 van
de Sanctiewet 1977.
In onderdeel 2 van de onderdelen A en B wordt de Wet internationale sanctiemaatregelen
ingevoegd in de artikelen 7 en 11 van bijlage 2 van de Awb. Hiermee wordt bepaald
dat een beroepsprocedure in het kader van de continuïteit en afwikkeling van ondernemingen
(hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel) plaatsvindt bij de rechtbank Rotterdam, en hoger
beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Dit is in lijn met de bevoegdheidsverdeling
op grond van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames.
Artikel 10.4 Wijziging Handelsregisterwet 2007
Onderdeel A (artikel 16c)
In het kader van de effectieve tenuitvoerlegging van sanctiemaatregelen is het noodzakelijk
dat de Kamer van Koophandel op grond van ontvangen informatie in staat wordt gesteld
om kenbaar te maken dat er een relatie is tussen een al bestaande (of nieuw) ingeschreven
onderneming of rechtspersoon in het Handelsregister en een natuurlijke persoon of
rechtspersoon, entiteit of lichaam, die is opgenomen in een sanctiemaatregel waarvoor
een bevriezing van tegoeden en van economische middelen moet plaatsvinden.
Met het regelen van een dergelijke «aantekening» wordt het voor eenieder mogelijk
om op eenvoudiger wijze informatie in te winnen over of sprake is van een (rechts)relatie
met een persoon, entiteit of lichaam zoals is vastgelegd in de relevante sanctiemaatregelen.
Het is een hulpmiddel dat bijdraagt aan de juiste naleving door eenieder van die sanctiemaatregelen,
waarmee ook de rechtszekerheid in het economisch verkeer wordt gediend. Dit sluit
aan bij de doelen van het Handelsregister (zie artikel 2, onderdelen a en c, van de
Handelsregisterwet 2007).
De aantekening in de systemen van het Handelsregister zijn op dossierniveau en niet
voorzien op het niveau van een individueel geregistreerd gegeven. De reden hiervoor
ligt besloten in de kenmerken van het Handelsregister dat een veelheid aan informatie
bevat waardoor op verschillende aspecten van geregistreerde gegevens er een mogelijke
relatie met een gesanctioneerde natuurlijke persoon, rechtspersoon of entiteit gelegd
kan worden. De aantekening heeft voorts geen derdenwerking zoals voorzien in de artikelen 24
en 25 van de Handelsregisterwet 2007: de aantekening wijst enkel op een relatie. De
gevolgen die daaraan verbonden moeten worden, volgen rechtstreeks uit de toepasselijke
internationale sanctiemaatregel.351
De figuur van een «aantekening» is in het kader van het Handelsregister bekend: op
grond van artikel 16, tweede lid, en artikel 34, eerste lid, van de Handelsregisterwet
2007 brengt de Kamer een aantekening aan dat een gegeven in onderzoek is als de juistheid
van het desbetreffende gegeven onzeker is. Deze bevoegdheid tot aanbrengen van een
aantekening zoals neergelegd in de Handelsregisterwet 2007 is evenwel niet passend
om te voorzien in de behoefte van effectieve tenuitvoerlegging van sanctiemaatregelen.
De aard van de aantekening is namelijk anders. Daar waar de bestaande bevoegdheid
tot het aanbrengen van een aantekening ziet op een gegeven waarvan de juistheid uiteindelijk
door de Kamer op grond van verkregen en opgevraagde informatie wordt bepaald en zo
nodig het gegeven wordt gecorrigeerd, is dat niet het geval bij de aantekening zoals
voorzien in deze bepaling.
De aantekening zoals voorzien in het voorgestelde artikel 16c van de Handelsregisterwet
2007 heeft geen relatie tot een onderzoek door de Kamer zelf naar de juistheid van
een gegeven. De Kamer gaat niet zelfstandig over tot een verificatie van de aangeleverde
informatie, maar vertrouwt op de aangeleverde gegevens. De aantekening die de Kamer
aanbrengt, zorgt enkel voor een feitelijke weergave en vastlegging in het Handelsregister
van een relatie tussen een in het Handelsregister ingeschreven onderneming of rechtspersoon
en daaraan verbonden gegevens en een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit
of lichaam, zoals is vastgelegd in de relevante sanctiemaatregelen. Binnen de stand
van de techniek van het Handelsregister zal de Kamer van Koophandel de aantekening
opnemen en voor zover mogelijk reproduceren en doorgeven aan andere instanties.
De aanleverende partij en de Kamer zijn allebei eigenstandig verwerkingsverantwoordelijke
in de zin van de AVG. De aanleverende partij is verwerkingsverantwoordelijke voor
de informatie die geleverd wordt aan de Kamer en de verwerking van het aanleveren
zelf. De Kamer die deze informatie ontvangt, bewaart en op basis daarvan een aantekening
plaatst, is verwerkingsverantwoordelijke voor die verwerkingen. Er is dus geen sprake
van een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid in de zin van artikel 26 AVG.
De Kamer onderzoekt, behoudens andersluidende aanwijzingen, niet zelfstandig de juistheid
van de aangeleverde informatie maar vertrouwt op de partijen die de informatie daarover
hebben aangeleverd zoals de Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel
van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast
zijn met respectievelijk de uitvoering, het toezicht op de naleving van sanctiemaatregelen
of de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde. Het gevolg hiervan is ook
dat de aantekening die geplaatst wordt krachtens deze bepaling geen authentiek gegeven
is als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Handelsregisterwet 2007.
Als een belanghebbende bezwaar wil maken tegen een aantekening, moet hij dit kenbaar
maken bij de Kamer. De Kamer zal op grond van de doorzendplicht het bestuursorgaan
dat de informatie heeft gedeeld op grond waarvan de aantekening is geplaatst hiervan
onverwijld op de hoogte stellen, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.352 Dat bestuursorgaan zal de verdere behandeling ter hand nemen door de informatie die
is gedeeld met het register te delen met de afzender, voorzien van een rechtsmiddelenclausule.
Jaarlijks wordt gecontroleerd of de informatie nog reden geeft tot het opnemen van
een aantekening. De aantekening wordt verwijderd indien de relatie zich niet langer
voordoet (derde en vierde lid).
Onderdelen B (artikel 22a) en C (artikel 28)
Vanwege de tijdelijke instandhouding van afdeling 5 van de huidige Sanctiewet 1977,
is het voor de Handelsregisterwet 2007 noodzakelijk om tijdelijk zowel te verwijzen
naar de Wet internationale sanctiemaatregelen als naar de Sanctiewet 1977. Met de
inwerkingtreding van de tweede tranche zullen de verwijzingen naar de Sanctiewet 1977
komen te vervallen. De tweede tranche zal daarin voorzien.
Artikel 10.5 Wijziging Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van
trusts en soortgelijke juridische constructies
Onderdeel A (artikel 7)
Vanwege de tijdelijke instandhouding van afdeling 5 van de huidige Sanctiewet 1977,
is het voor de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van trusts
en soortgelijke juridische constructies noodzakelijk om tijdelijk zowel te verwijzen
naar de Wet internationale sanctiemaatregelen als naar de Sanctiewet 1977. Met de
inwerkingtreding van de tweede tranche zullen de verwijzingen naar de Sanctiewet 1977
komen te vervallen. De tweede tranche zal daarin voorzien.
Onderdeel B (artikel 15a)
Net als bij de aantekenbevoegdheid voor de Kamer bij het Handelsregister voorziet
het voorgestelde artikel 15a van de Implementatiewet registratie uiteindelijke belanghebbenden
van trusts en soortgelijke juridische constructies in een soortgelijke aantekenbevoegdheid
voor de beheerder van het register voor het registreren van trusts en uiteindelijk
belanghebbenden van trusts. Deze beheerder is de Kamer van Koophandel.
Ook hier draagt het regelen van een aantekenbevoegdheid bij aan de effectieve tenuitvoerlegging
van sanctiemaatregelen. De beheerder van het register wordt in staat gesteld om op
grond van ontvangen informatie kenbaar te maken dat er een relatie is tussen een al
bestaande (of nieuw) ingeschreven trust of geregistreerde uiteindelijk belanghebbende
van een trust en een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam, die
is opgenomen in een sanctiemaatregel waarvoor een bevriezing van tegoeden en van economische
middelen moet plaatsvinden.
Met het regelen van een dergelijke «aantekening» wordt het voor eenieder mogelijk
om op eenvoudiger wijze informatie in te winnen over of sprake is van een (rechts)relatie
met een persoon, entiteit of lichaam zoals is vastgelegd in de relevante sanctiemaatregelen.
Het is een hulpmiddel dat bijdraagt aan de juiste naleving door eenieder van die sanctiemaatregelen,
waarmee ook de rechtszekerheid in het economisch verkeer wordt gediend. Het register
heeft tot doel het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen
en financieren van terrorisme.353 Het opnemen van de aantekening in het register past daarin: internationale sanctiemaatregelen
zijn ook opgelegd aan niet-statelijke actoren of terroristische organisaties354 en trusts worden vaak gebruikt door gesanctioneerde personen en entiteiten om toepasselijke
internationale sanctiemaatregelen te omzeilen of bepaalde banden met gesanctioneerde
partijen te verhullen. Omgekeerd worden trusts en vergelijkbare juridische constructies
ook gebruikt om op een effectieve wijze de banden met een gesanctioneerde persoon
te doorbreken door het aanbrengen van een «firewall» tussen de gesanctioneerde persoon
en diens eigendom zoals bijvoorbeeld aandelenbelangen. Beide typen gebruik van een
trust en vergelijkbare juridische constructies in de context van internationale sanctiemaatregelen
onderstrepen het belang van de bevoegdheid om aantekeningen te plaatsen in dit register.
De aantekening zoals voorzien in het voorgestelde artikel 15a van de Implementatiewet
heeft geen relatie tot een onderzoek door de beheerder zelf naar de juistheid van
een gegeven. De Kamer gaat niet zelfstandig over tot een verificatie van de aangeleverde
informatie, maar vertrouwt op de aangeleverde gegevens. De aantekening die de beheerder
aanbrengt, zorgt enkel voor een feitelijke weergave en vastlegging in het register
van een relatie tussen de in het register ingeschreven trust of geregistreerde uiteindelijk
belanghebbende en daaraan verbonden gegevens en een natuurlijke persoon of rechtspersoon,
entiteit of lichaam, zoals is vastgelegd in de relevante sanctiemaatregelen.
De aanleverende partij en de Kamer zijn allebei eigenstandig verwerkingsverantwoordelijke
in de zin van de AVG. De aanleverende partij is verwerkingsverantwoordelijke voor
de informatie die geleverd wordt aan de Kamer en de verwerking van het aanleveren
zelf. De Kamer die deze informatie ontvangt, bewaart en op basis daarvan een aantekening
plaatst, is verwerkingsverantwoordelijke voor die verwerkingen. Er is dus geen sprake
van een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid in de zin van artikel 26 AVG.
De beheerder onderzoekt, behoudens andersluidende aanwijzingen, niet zelfstandig de
juistheid van de aangeleverde informatie maar vertrouwt op de partijen die de informatie
daarover hebben aangeleverd zoals de Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties
dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die
belast zijn met respectievelijk de uitvoering, het toezicht op de naleving van sanctiemaatregelen.
Daarnaast volgt uit de Implementatiewet dat in ieder geval ook de Minister van Financiën
en de Financiële inlichtingen eenheid relevante informatie kunnen verstrekken.
Als een belanghebbende bezwaar wil maken tegen een aantekening, moet hij dit kenbaar
maken bij de beheerder. De beheerder zal op grond van de doorzendplicht het bestuursorgaan
dat de informatie heeft gedeeld op grond waarvan de aantekening is geplaatst hiervan
onverwijld op de hoogte stellen, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.355 Dat bestuursorgaan zal de verdere behandeling ter hand nemen door de informatie die
is gedeeld met het register te delen met de afzender, voorzien van een rechtsmiddelenclausule.
Jaarlijks wordt gecontroleerd of de informatie nog reden geeft tot het opnemen van
een aantekening. De aantekening wordt verwijderd indien de relatie zich niet langer
voordoet (derde en vierde lid).
Artikel 10.6 Wijziging Kadasterwet
Met dit artikel wordt een nieuw artikel 118b toegevoegd aan de Kadasterwet. Hiermee
krijgt de bewaarder van het kadaster en de openbare registers de bevoegdheid om een
aantekening te plaatsen bij een registergoed in de basisregistratie kadaster, de registratie
voor schepen en de registratie voor luchtvaartuigen als de rechthebbende van dat registergoed
gesanctioneerd is op grond van een verdrag, een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie of een beperkende maatregel als bedoeld in artikel 215, tweede lid, VWEU.
Hiervan kan sprake zijn als de geregistreerde rechthebbende (zowel natuurlijke personen
als rechtspersonen) zelf voorkomt op een sanctielijst, maar ook als de geregistreerde
rechthebbende zodanig verbonden is met een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit
of lichaam op een sanctielijst dat ook de geregistreerde rechthebbende daarmee onder
de sancties valt.
Het doel van de kadastrale registraties is onder meer het bevorderen van rechtszekerheid
ten aanzien van registergoederen in het rechtsverkeer, in het economisch verkeer en
in het bestuurlijk verkeer tussen burgers en bestuursorganen (artikel 2a, onderdeel
a, van de Kadasterwet). Om die reden zal de bewaarder van het kadaster en de openbare
registers alleen overgaan tot het plaatsen van een aantekening als onomstotelijk duidelijk
is dat het een bevroren registergoed betreft. De bewaarder van het kadaster en de
openbare registers kan deze informatie verkrijgen van de sanctielijsten zelf, van
de Kamer van Koophandel en van de Belastingdienst. Voor die laatste twee verstrekkers
van informatie is in het tweede respectievelijk het derde lid van het artikel een
grondslag voor de gegevensverstrekking geregeld. De bewaarder van het kadaster en
de openbare registers heeft geen zelfstandige onderzoeksbevoegdheid om geregistreerde
rechthebbenden te onderzoeken. De bewaarder is dus afhankelijk van informatie van
derden voor het kunnen plaatsen van een aantekening als een geregistreerde rechthebbende
zodanig verbonden is met een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam
op een sanctielijst dat die rechthebbende daarmee onder de sancties valt. Alleen als
die informatie tot geen twijfel leidt dat er sprake is van een bevroren registergoed,
wordt overgegaan tot het plaatsen van een aantekening. Als geen sprake meer is van
een bevroren registergoed, wordt de aantekening verwijderd.
Als een belanghebbende bezwaar wil maken tegen een aantekening, moet hij dit kenbaar
maken bij de bewaarder. De bewaarder zal op grond van de doorzendplicht het bestuursorgaan
dat de informatie heeft gedeeld op grond waarvan de aantekening is geplaatst hiervan
onverwijld op de hoogte stellen, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.356 Dat bestuursorgaan zal de verdere behandeling ter hand nemen door de informatie die
is gedeeld met het register te delen met de afzender, voorzien van een rechtsmiddelenclausule.
Jaarlijks wordt gecontroleerd of de informatie nog reden geeft tot het opnemen van
een aantekening. De aantekening wordt verwijderd indien de relatie zich niet langer
voordoet (vierde en vijfde lid).
Artikel 10.7 Wijziging Pensioenwet
Waar een onderneming door toepasselijkheid van sancties komt te verkeren in de omstandigheden
van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel, kan de Minister van Economische Zaken een bewindvoerder
aanstellen. Ten aanzien van ondernemingen onder toezicht op grond van de Pensioenwet
is daartoe van belang dat de toezichthouders toezichtvertrouwelijke informatie kunnen
delen met die Minister. Dergelijke informatie kan nodig zijn voor de Minister om te
beoordelen of toepasselijkheid van sancties op die onderneming ernstige maatschappelijke,
economische of werkgelegenheidseffecten (artikel 5.3 van dit wetsvoorstel) kan veroorzaken.
Zulke informatie kan bijvoorbeeld zien op de investeringen en de clientèle van de
onderneming en de financiële positie en stabiliteit van de onderneming. Verder kan
informatie over eventuele incidenten die zich bij de onderneming hebben voorgedaan
relevant zijn, bijvoorbeeld voor de voorschriften die de Minister aan de aanwijzing
kan verbinden op grond van artikel 5.3, eerste lid, van dit wetsvoorstel. Daarnaast
kan zulke informatie inzicht geven in eventuele maatregelen die de onderneming al
neemt of heeft genomen op last van de toezichthouder om de gevolgen van sancties te
beperken. Het delen van zulke informatie kan ook nodig zijn voor het bereiken van
overeenstemming over die maatregel tussen de Minister en de relevante toezichthouder,
zoals ten aanzien van zulke ondernemingen voorgeschreven in artikel 5.6 van dit wetsvoorstel.
Om dit mogelijk te maken wordt voorgesteld in artikel 208, eerste lid, een grondslag
op te nemen voor het delen van zulke informatie met de Minister van Economische Zaken
ten behoeve van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel.
Artikel 10.8 Wijziging Sanctiewet 1977
Onderdelen B (artikel 9), C (artikel 9a) en L (artikel 10f)
De wijzigingen in deze artikelen zijn tweeledig. Ten eerste worden de bevoegdheden
uit afdeling 5 die op dit moment toekomen aan de Minister van Financiën, toegekend
aan AFM en DNB, die deze bevoegdheden op dit moment al uitoefenen als gevolg van de
overdracht van deze bevoegdheden in het Overdrachtsbesluit Sanctiewet 1977. Ten tweede
worden er twee nieuwe toezichthoudende autoriteiten aangewezen in de wet, vanwege
de nieuwe categorieën instellingen die onder het bereik van afdeling 5 worden gebracht.
Deze twee wijzigingen worden hierna nader toegelicht.
Het huidige artikel 10f regelt dat de bevoegdheden die de Minister van Financiën op
grond van afdeling 5 toekomen, overgedragen kunnen worden aan een of meer rechtspersonen
die op grond van artikel 10, tweede lid, zijn belast met het toezicht op de naleving
van de krachtens afdeling 5 gestelde regels. Deze rechtspersonen zijn de AFM en DNB.357 Met het Overdrachtsbesluit Sanctiewet 1977 is van de mogelijkheid uit artikel 10f
gebruik gemaakt. Als gevolg daarvan komen de bevoegdheden uit afdeling 5 van de Sanctiewet
1977 sinds 2002 toe aan AFM en DNB. Met de voorgestelde wijziging wordt deze huidige
praktijk verankerd in de wet. Dit betekent dat de bevoegdheden in de wet worden toegekend
aan AFM en DNB. Artikel 10f komt te vervallen.
Met het vervallen van de grondslag in artikel 10f komt ook het Overdrachtsbesluit
Sanctiewet 1977 te vervallen. Ook het besluit Aanwijzing rechtspersonen Sanctiewet
1977, dat zijn grondslag vindt in het huidige artikel 10, tweede lid, en dat strekt
tot de voornoemde aanwijzing van AFM en DNB als rechtspersonen die zijn belast met
het toezicht op de naleving van afdeling 5, komt te vervallen.
Naast de voornoemde wijziging, worden twee (nieuwe) toezichthoudende autoriteiten
aangewezen. Dit betreffen het BFT (onderdeel c) en de deken (onderdeel d). De aanwijzing
van deze autoriteiten houdt verband met het uitbreiden van de categorieën instellingen
die onder het bereik van de regels van afdeling 5 worden gebracht. Voor een nadere
toelichting op deze keuze wordt verwezen naar paragraaf 3.8 van het algemeen deel.
Onderdeel D (artikel 10)
Eerste en vierde lid
De wijziging in het eerste lid voorziet erin dat de toezichthoudende autoriteiten
toezichthouders kunnen aanwijzen die belast zijn met het toezicht op de naleving van
de bij of krachtens afdeling 5 gestelde regels. De personen die als toezichthouder
worden aangewezen beschikken als gevolg van de aanwijzing als toezichthouder bij de
uitoefening van hun taak over de bevoegdheden die zijn neergelegd in titel 5.2 Awb.
Dit houdt onder meer in dat de aangewezen personen bevoegd zijn om ter vervulling
van hun taak inlichtingen te vorderen (artikel 5:16 Awb), inzage te vorderen van zakelijke
gegevens en bescheiden (artikel 5:17 Awb) en zaken en vervoermiddelen te onderzoeken
(artikelen 5:18 en 5:19 Awb). Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts
gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is (artikel 5:13
Awb). Daarnaast is het ook mogelijk dat de aan de toezichthouder toekomende bevoegdheden
worden beperkt in het besluit waarin de toezichthouder wordt aangewezen (artikel 5:14
Awb). Eenieder is verplicht om alle medewerking te verlenen die een toezichthouder
redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden (artikel 5:20
Awb).
De aanwijzingsbesluiten die op grond van het eerste worden genomen dienen ingevolge
het nieuwe vierde lid (nieuw) te worden gepubliceerd in de Staatscourant. De wijziging
in het vierde lid is technisch van aard.
Tweede en derde lid
Het huidige artikel 10, eerste lid, kent de mogelijkheid om toezichthouders aan te
wijzen uitsluitend toe aan de Minister van Buitenlandse Zaken, in overeenstemming
met de Ministers die het mede aangaat. Op grond van deze bepaling zijn in de Regeling
toezichthoudende ambtenaren Sanctiewet 1977 toezichthouders aangewezen. De in die
regeling aangewezen toezichthouders houden toezicht op de naleving van sanctiemaatregelen
zelf, en niet op de bedrijfsvoeringsvoorschriften die op grond van afdeling 5 worden
gesteld. Het is niet nodig om deze bevoegdheid voor de Minister van Buitenlandse Zaken
te behouden in afdeling 5 van de Sanctiewet 1977, omdat deze bevoegdheid separaat
wordt opgenomen in hoofdstuk 7 van de Wet internationale sanctiemaatregelen, die met
dit wetsvoorstel wordt vastgesteld. Op grond van die bepaling zal worden voorzien
in de aanwijzing van de noodzakelijke toezichthouders die toezicht houden op de naleving
van sanctiemaatregelen. Het nieuwe eerste lid in artikel 10 van de Sanctiewet 1977,
beperkt zich dan ook tot de bevoegdheid van de toezichthoudende autoriteiten AFM,
DNB en BFT om toezichthouders aan te wijzen alsmede de aanwijzing van de deken als
toezichthouder, en heeft uitsluitend betrekking op het toezicht op de naleving van
de bij of krachtens afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 gestelde (bedrijfvoerings)regels.
In het tweede lid zijn de instellingen opgenomen waar afdeling 5 op van toepassing
is. Met de voorgestelde wijziging worden de volgende categorieën instellingen toegevoegd:
belastingadviseurs, accountants, advocaten en notarissen.
Voor de volledigheid wordt het volgende opgemerkt over aanbieders van cryptoactivadiensten.
Met de Uitvoeringswet verordening bij geldovermakingen en overdrachten van cryptoactiva
te voegen informatie (Uitvoeringswet TFR) wordt de reikwijdte van de Wwft uitgebreid
naar negen categorieën aanbieders van cryptoactivadiensten.358 Als gevolg van dit voorstel komt ook het huidige onderdeel m van artikel 2, tweede
lid, van de Sanctiewet 1977 te vervallen. De aanbieders van cryptoactivadiensten die
onder de reikwijdte van de Wwft komen te vallen, worden met de Uitvoeringswet TFR
ook onder de reikwijdte van afdeling 5 van de Sanctiewet 1977 gebracht door middel
van een wijziging van artikel 10. Op het moment dat onderhavig voorstel van wet wordt
ingediend bij de Tweede Kamer, zal zo nodig worden voorzien in een samenloopbepaling
ten aanzien van deze wijziging van artikel 10.
Het huidige derde lid van artikel 10 vervalt, omdat het niet nodig is om uitdrukkelijk
te bepalen dat de bepalingen uit afdeling 5.2 Awb van overeenkomstige toepassing zijn
op aangewezen toezichthouders. Dit is niet nodig, omdat personen als gevolg van hun
aanwijzing als toezichthouder zonder nadere regeling over de in de in titel 5.2 vermelde
bevoegdheden beschikken.
Onderdeel E (artikel 10a)
Het huidige artikel 10a regelt dat de Minister van Financiën de (op dit moment) aangewezen
rechtspersonen AFM en DNB in de gelegenheid kan stellen een zienswijze naar voren
te brengen over de uitvoering van regels ter implementatie van internationale sanctiemaatregelen
die het financiële verkeer betreffen. In de praktijk is geen noodzaak gebleken tot
behoud van deze bevoegdheid. Artikel 10a komt daarom te vervallen.
Onderdeel F (artikel 10aa)
Met dit onderdeel wordt een nieuw artikel ingevoegd in afdeling 5. Artikel 10aa schrijft
voor dat een toezichthoudende autoriteit haar taak op een risicogebaseerde en effectieve
wijze uitvoert. Dit sluit aan bij de wijze waarop het toezicht op de Wwft wordt uitgeoefend
(artikel 1d, zesde lid, van de Wwft). De aangewezen toezichthoudende autoriteiten
zijn ook op grond van die wet belast met een toezichthoudende taak en zijn dan ook
bekend met deze wijze van toezicht uitoefenen. Voor AFM en DNB geldt dat zij hun huidige
bevoegdheden op grond van afdeling 5 op dit moment al op deze wijze uitvoeren en betreft
dit dus een wettelijke verankering van de huidige werkwijze. Voor een nadere toelichting
wordt verwezen naar paragraaf 3.8 van het algemeen deel.
Doorbreking geheimhoudingsplicht (artikel 10ab)
Dit artikel regelt dat artikel 45a, tweede lid, van de Advocatenwet en 111a, derde
lid, van de Wet op het notarisambt van overeenkomstige toepassing zijn op het toezicht
op de naleving door respectievelijk advocaten en notarissen. Voor advocaten betekent
dit dat de advocaat, zijn medewerkers en personeel, alsmede andere personen die bij
de beroepsuitoefening betrokken zijn, niet gehouden zijn aan de in artikel 11a van de Advocatenwet
neergelegde geheimhoudingsplicht, voor zover het gaat om informatieverstrekking aan
de deken, die op grond van afdeling 5 toezicht uitoefent. Voor notarissen betekent
dit dat de notaris en de onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen, niet gehouden
zijn aan de in artikel 22 van de Wet op het notarisambt neergelegde geheimhoudingsplicht,
voor zover het gaat om informatieverstrekking aan de personen die op grond van afdeling
5 toezicht uitoefenen.
Onderdeel G (artikel 10b)
De wijzigingen in het eerste en tweede lid regelen dat de daarin genoemde bevoegdheden
tot het stellen van regels toekomen aan de toezichthoudende autoriteiten (verwezen
wordt ook naar de toelichting bij de artikelen 9, 9a en 10f). Dat geldt niet voor
de deken. Met het beleggen van deze bevoegdheid bij het college van toezicht, bedoeld
in artikel 36a van de Advocatenwet, is zoveel mogelijk aangesloten bij artikel 45h
Advocatenwet. De bevoegdheid om regels te stellen is niet belegd bij het college van
afgevaardigden omdat artikel 28, vijfde lid, Advocatenwet onder meer regelt dat het
college van afgevaardigden geen verordeningen vaststelt met betrekking tot het uitoefenen
van het toezicht. Voor AFM en DNB geldt dat deze verankering een voortzetting van
de huidige praktijk betreft. Op grond van het huidige artikel 10f van de Sanctiewet
1977 is de bevoegdheid voor de Minister van Financiën tot het stellen van regels overgedragen
aan AFM en DNB. Met de door AFM en DNB vastgestelde Regeling toezicht Sanctiewet 1977
is aan deze bevoegdheid invulling gegeven.
Het derde lid waarin de Minister van Financiën ontheffing of vrijstelling kan verlenen
voor de te stellen regels over de bedrijfsvoering vervalt, omdat die bevoegdheid niet
nodig is vanwege de keuze om risicogebaseerd toezicht te houden.
Regelgevende bevoegdheden worden slechts bij uitzondering toegekend aan zelfstandige
bestuursorganen. Het derde lid (nieuw) en vierde lid voorzien daarom in ministeriële
goedkeuring ten aanzien van de door AFM, DNB en BFT gestelde regels.359
Onderdeel H (artikel 10ba)
Met de wijziging in artikel 10ba wordt geregeld dat de aanwijzingsbevoegdheid (artikel 10ba)
en de bevoegdheid tot oplegging van een last onder dwangsom (artikel 10c) toekomen
aan de toezichthoudende autoriteiten. Voor AFM en DNB is dit een wettelijke verankering
van de huidige praktijk, gelet op het Overdrachtsbesluit Sanctiewet 1977. Verwezen
wordt ook naar de toelichting bij de artikelen 9, 9a en 10f.
Onderdeel I (artikel 10bb)
Met dit onderdeel wordt een nieuw artikel toegevoegd aan afdeling 5, op grond waarvan
de toezichthoudende autoriteiten AFM, DNB en BFT als bestuursorgaan zelf inlichtingen
kunnen vorderen. Deze bevoegdheid wordt verankerd in de wet, in aanvulling op de bevoegdheid
waar de als toezichthouder aangewezen personen, in beginsel medewerkers van de toezichthoudende
autoriteiten, op grond van artikel 5:16 Awb over beschikken. Aansluiting is gezocht
bij artikel 1:74 van de Wet op het financieel toezicht. In het tweede lid zijn de
artikelen 5:13 en 5:20, eerste en tweede lid, Awb van overeenkomstige toepassing verklaard.
Uit deze bepalingen vloeit voort dat de toezichthoudende autoriteit slechts van zijn
bevoegdheid gebruik maakt voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn
taak nodig is en dat de medewerkingsplicht en geheimhoudingsregels uit respectievelijk
artikel 5:20, eerste en tweede lid, gelden. Het derde lid van artikel 10bb regelt
dat ook artikel 5:20, derde lid, Awb van overeenkomstige toepassing is. Als gevolg
daarvan kunnen de toezichthoudende autoriteiten een last onder bestuursdwang, of een
last onder dwangsom gelet op artikel 5:32, eerste lid, opleggen ter handhaving van
de inlichtingenplicht uit artikel 10bb.
Artikel 10bb is niet van toepassing op de deken, bedoeld in artikel 45a, eerste lid,
van de Advocatenwet, omdat de deken naast toezichthoudende autoriteit, ook de toezichthouder
in de zin van de Awb is (artikel 10, eerste lid). De bepalingen in artikel 10bb hebben
voor de deken dus geen meerwaarde.
Onderdeel K (artikel 10d)
Artikel 10d regelt de bevoegdheid tot oplegging van een bestuurlijke boete ter handhaving
van de krachtens artikel 10b gestelde regels. Met de wijziging van het eerste lid
wordt in de eerste plaats geregeld dat deze bevoegdheid toekomt aan de toezichthoudende
autoriteiten (verwezen wordt ook naar de toelichting bij de artikelen 9, 9a en 10f).
Daarnaast wordt geregeld dat de toezichthoudende autoriteit een bestuurlijke boete
kan opleggen als niet wordt voldaan aan de medewerkingsplicht die is neergelegd in
artikel 5:20, eerste lid, Awb, op grond waarvan eenieder verplicht is om aan een toezichthouder
binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze
redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Ook wordt geregeld
dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter handhaving van artikel 10bb, op
grond waarvan inlichtingen kunnen worden gevorderd door de toezichthoudende autoriteiten
AFM, DNB en BFT zelf.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat toezichthoudende autoriteiten op grond van
artikel 5:20, derde lid, in samenhang met artikel 5:32, eerste lid, Awb, ook over
de bevoegdheid beschikken om een last onder dwangsom op te leggen als niet wordt voldaan
aan de in artikel 5:20, eerste lid, Awb neergelegde medewerkingsplicht. Dit geldt
ook voor gevallen waarin de inlichtingen op grond van artikel 10bb worden gevorderd
door de toezichthoudende autoriteit zelf (zie ook de toelichting bij artikel 10bb,
derde lid). De bevoegdheid tot oplegging van een last onder dwangsom voor overtredingen
van de inlichtingenplicht behoeft daarom, anders dan de bevoegdheid tot oplegging
van een bestuurlijke boete in een dergelijke situatie, geen nadere regeling.
In het huidige artikel 10d, tweede lid, is artikel 1:85 van de Wet op het financieel
toezicht van overeenkomstige toepassing verklaard ten aanzien van de instellingen
waar in dat lid naar wordt verwezen. In het huidige derde lid zijn verwijzingen opgenomen
naar de artikelen 184 van de Pensioenwet en 179 van de Wet verplichte pensioensregeling,
waarin eenzelfde regeling is opgenomen voor de pensioenfondsen en beroepspensioenfondsen.
De voornoemde artikelen uit de Wet op het financieel toezicht, Pensioenwet en de Wet
verplichte pensioensregelingen bevatten regels over de schorsing van de verplichting
tot betaling van de bestuurlijke boete. Met de voorgestelde wijziging van artikel 10d
worden regels over de schorsende werking van dergelijke besluiten opgenomen in het
tweede en derde lid, waardoor een verwijzing naar de voornoemde wetten niet meer nodig
is. De betreffende regeling wordt hierna inhoudelijk toegelicht. Voor de volledigheid
wordt opgemerkt dat de verwijzingen naar de artikelen 183 van de Pensioenwet en 178
van de Wet verplichte beroepspensioenregeling in het huidige artikel 10d, derde lid,
niet meer nodig zijn omdat de betreffende bepalingen zijn vervallen.
Uit artikel 4:87 Awb vloeit voort dat de betaling van een bestuurlijke boete geschiedt
binnen zes weken nadat het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, tenzij
het besluit een later tijdstip vermeldt of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
Het instellen van bezwaar of beroep heeft in beginsel geen schorsende werking (artikel 6:16
Awb), waardoor de verplichting tot betaling blijft bestaan als een rechtsmiddel wordt
ingesteld. Het voorgestelde artikel 10d, tweede lid, regelt dat de verplichting tot
het betalen van een bestuurlijke boete die op grond van artikel 10d, eerste lid wordt
opgelegd, wordt opgeschort als tegen het besluit tot oplegging van de boete een rechtsmiddel
is ingesteld. Als bezwaar wordt gemaakt tegen het besluit, wordt de verplichting tot
betaling opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken. Als tegen het besluit
beroep of hoger beroep is ingesteld, wordt de verplichting tot betaling opgeschort
totdat op het beroep dan wel hoger beroep is beslist. Deze regeling is wenselijk vanwege
de relatief hoge boetes die op grond van artikel 10e kunnen worden opgelegd. Het derde
lid regelt dat de instelling van een rechtsmiddel geen gevolgen heeft voor het moment
waarop de berekening van de wettelijke rente aanvangt. Hiermee wordt voorkomen dat
een rechtsmiddel wordt aangewend met de enkele reden om een rentevoordeel te behalen.
Als in bezwaar of (hoger) beroep blijkt dat een al betaalde boete ten oprechte is
opgelegd, wordt de boete inclusief de betaalde wettelijke rente terugbetaald aan de
instelling.
Met dit artikel wordt aangesloten bij artikel 32b Wwft en artikel 1:85 van de Wet
op het financieel toezicht. Op grond van het huidige artikel 10d, tweede lid, geldt
de opschortende werking van deze betalingsverplichting al ten aanzien van de oplegging
van een bestuurlijke boete aan de instellingen, genoemd in artikel 10, tweede lid,
onderdelen a tot en met k.360 Voor de in artikel 10, eerste lid, onderdeel l, genoemde instellingen geldt deze
regeling op dit moment niet. Dit betreft een omissie361 die met dit wetsvoorstel wordt hersteld.
Onderdelen M (artikelen 10g en 10h) en O (artikelen 10j, 10k en 10l)
De artikelen 10g, 10h, 10j en 10k vervangen de huidige informatie-uitwisselingssystematiek
uit afdeling 5 van de Sanctiewet 1977. Het uitgangspunt is dat er een brede geheimhoudingsplicht
geldt en dat er, onder specifieke voorwaarden, informatie gedeeld kan worden met andere,
vooraf bepaalde, overheidsorganisaties door de toezichthouders. Hierbij wordt aangesloten
bij de informatie-uitwisselingssystematiek uit paragraaf 3.5 (geheimhouding) van de
Wwft, waarmee deze toezichthouders al bekend zijn. Het gelijktrekken van de systematiek
maakt het voor de toezichthouders helderder en makkelijker om te bepalen wanneer informatie
gedeeld kan worden en reduceert de kans op fouten.
Artikel 10g schrijft een algemene geheimhoudingsplicht voor ten aanzien van de informatie
verkregen uit deze afdeling. Er wordt hierbij aangesloten bij artikel 22 Wwft. Het
vierde lid uit het oude artikel 10g Sanctiewet 1977 is behouden gebleven met het oog
op continuïteit.
Met artikel 10h wordt geregeld dat het BFT en toezichthouder, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018 onder voorwaarden informatie kunnen
delen met vooraf bepaalde overheidsorganisaties overeenkomstig artikel 22a Wwft. Wat
betreft de organisatie waarmee gedeeld kan worden zijn er een aantal verschillen met
artikel 22a Wwft. Zo is toegevoegd dat ook informatie gedeeld kan worden met verschillende
Ministers die verantwoordelijkheid dragen voor de verschillende beleidsterreinen op
het gebied van sancties. Verder is het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 3.1.1, opgenomen
die, ter uitvoering van de taken en bevoegdheden inzake meldingsplichten een centraal
meldpunt sancties zal inrichten. Het centraal meldpunt sancties zal een centrale rol
gaan spelen tussen de verschillende overheidsorganisaties. Wat betreft de voorwaarden
waaronder de gegevens gedeeld mogen worden wordt een-op-een aangesloten bij de Wwft.
Ten opzichte van het huidige artikel 10h Sanctiewet 1977 levert dit een verscherping
op van de voorwaarden omdat ook de voorwaarde is opgenomen, in het derde lid onderdeel
b, dat het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen moet passen in het kader
van het toezicht op de naleving van sanctiemaatregelen als bedoeld in artikel 1.1
van de Wet internationale sanctiemaatregelen of het toezicht op de naleving van de
krachtens deze afdeling gestelde regels. Daarmee wordt bedoeld dat het beoogde gebruik
ook niet in mag druisen tegen het achterliggende doel waarmee de sanctiemaatregelen
zijn ingesteld.
Artikel 10j regelt de specifieke informatie-uitwisselingsgrondslagen voor de AFM en
DNB overeenkomstig artikel 22b Wwft. Gezien de taakstelling van deze organisaties
is het noodzakelijk om nadere grondslagen te creëren. Ook wordt voorzien in een grondslag
voor het kunnen verstrekken van informatie aan de DNB voor zover zij taken uitoefent
anders dan als toezichthoudende autoriteit, om zo te borgen dat ook met andere organisatieonderdelen
gedeeld kan worden. Daarnaast zijn er een aantal leden toegevoegd die samenhangen
met de rol van de DNB als resolutie-autoriteit, zo kan onder andere informatie worden
verstrekt aan het Depositogarantiefonds, het Afwikkelingsfonds, Stichting Beleggers
Compensatiefonds, de Afwikkelingsraad en een bij afwikkeling betrokken instantie in
een andere lidstaat. Tevens is aan dit artikel toegevoegd dat informatie gedeeld kan
worden met verschillende Ministers die verantwoordelijkheid dragen voor de verschillende
beleidsterreinen op het gebied van sancties.
Voor het BFT wordt, overeenkomstig artikel 22c Wwft, de grondslag gecreëerd in artikel 10k
om informatie te verstrekken aan de AFM voor wat betreft het toezicht op belastingadviseurs
en accountants uit artikel 10, tweede lid, van dit wijzigingsonderdeel.
Publicatiebevoegdheden (artikel 10l)
Met het voorgestelde artikel 10l worden de regels over de publicatie van bestuurlijke
sancties uit de Wwft van overeenkomstige toepassing verklaard. Deze bevoegdheden worden
hierna op hoofdlijnen toegelicht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar
de parlementaire geschiedenis van de betreffende artikelen uit de Wwft. Voor de volledigheid
wordt opgemerkt dat de betreffende regels (ook) nauw aansluiten bij de publicatiebevoegdheden
waar AFM en DNB over beschikken op grond van de Wet op het financieel toezicht.
Op grond van de van overeenkomstige toepassingsverklaring van artikel 32e Wwft kan
de toezichthoudende autoriteit een waarschuwing of verklaring publiceren als sprake
is van een overtreding die gerangschikt is in de tweede of derde boetecategorie (zie
artikel 10e). Artikel 32f Wwft voorziet in de verplichting voor toezichthoudende autoriteiten
om een besluit tot oplegging van een bestuurlijke sanctie openbaar te maken, behoudens
de in artikel 32g van die wet opgenomen uitzonderingen. Het betreft de openbaarmaking
van een besluit tot oplegging van een aanwijzing, last onder dwangsom, bestuurlijke
boete of een last onder dwangsom die wordt opgelegd omdat niet wordt voldaan aan de
in artikel 5:20, eerste lid, Awb neergelegde medewerkingsplicht. In artikel 32g Wwft
zijn regels opgenomen over uitgestelde openbaarmaking, openbaarmaking in geanonimiseerde
vorm en redenen die aanleiding vormen voor het achterwege laten van de publicatie.
Artikel 32h Wwft bevat regels ten behoeve van de bescherming van persoonsgegevens.
Verder bevat artikel 32i van die wet regels over onder meer het moment van publicatie
en het beëindigen van het openbaar beschikbaar houden van betreffende gegevens. Artikel 32j
Wwft bevat regels die de vertrouwelijkheid van een procedure van een voorlopige voorziening
beogen te waarborgen.
Onderdeel N (artikel 10i)
De Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden heeft de Sanctiewet 1977 gewijzigd
en een nieuw artikel 10i ingevoegd. Dit artikel wordt gewijzigd om aan te sluiten
bij de wijzigingen van afdeling 5 van de Sanctiewet 1977.
Onderdeel P (artikel 15)
Dit artikel voorziet in overgangsrecht voor de voorgestelde aanpassing van afdeling
5. Het eerste lid regelt dat de publicatiebevoegdheden uit artikel 10l niet van toepassing
zijn op overtredingen die hebben plaatsgevonden en zijn beëindigd voor het tijdstip
van inwerkingtreding van artikel 10.8 van dit wetsvoorstel, dat voorziet in aanpassing
van afdeling 5 van de Sanctiewet 1977. Het tweede lid regelt dat de door AFM en DNB
vastgestelde Regeling toezicht Sanctiewet 1977 na inwerkingtreding van artikel 10.8
van dit wetsvoorstel berust op de juiste grondslag (artikel 10b, eerste lid) en wordt
geacht te zijn voorzien van ministeriële goedkeuring, zoals wordt vereist door het
voorgestelde artikel 10b, derde lid. Dit betekent dat de Regeling toezicht Sanctiewet
1977 in beginsel geen aanpassing behoeft en niet ter goedkeuring hoeft te worden voorgelegd
aan de Minister van Financiën. Eventuele wijzigingen van de Regeling toezicht Sanctiewet
1977 moeten wel ter goedkeuring worden voorgelegd.
Artikel 10.10 Wijziging Wet bescherming oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten
In verschillende internationale sanctiemaatregelen zijn bepalingen opgenomen die voorzien
dat alle tegoeden en economische middelen bevroren zijn die toebehoren aan, eigendom
zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van alle in een relevante bijlage
vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.362 Intellectuele eigendomsrechten zoals octrooien zijn economische middelen als gedefinieerd
in deze internationale sanctiemaatregelen en moeten dus ook bevroren worden.363 Daarnaast geldt krachtens sommige internationale sanctiemaatregelen ook expliciete
verboden om intellectuele eigendomsrechten of fabrieksgeheimen op enige andere wijze
te verkopen, in licentie te geven of over te dragen, alsmede rechten te verlenen op
toegang tot of hergebruik van materiaal of informatie die door middel van intellectuele-eigendomsrechten
wordt beschermd of die fabrieksgeheimen vormt in relatie tot goederen waarvoor een
exportbeperking geldt.364
Topografieën van halfgeleiders zijn driedimensionale ontwerpen voor de inrichting
en bouw van halfgeleiders. Degelijke topografieën zijn in feite de bouwtekening van
microchips. In de EU is bijzondere wetgeving tot stand gekomen die een specifiek beschermingsregime
in het leven roept voor deze topografieën: richtlijn 87/54/EEG betreffende de rechtsbescherming
van topografieën van halfgeleiderproducten. Deze richtlijn introduceerde een «sui
generis» bescherming van topografieën door middel van het verlenen van exclusieve
rechten op deze topografieën (artikel 2 Richtlijn 87/54/EEG). Dit exclusieve recht
omvat de mogelijkheid om als houder van het recht de volgende handelingen toe te staan
of te verbieden: de reproductie van de beschermde topografie, de commerciële exploitatie,
de invoer voor een dergelijke exploitatie, of de invoer van een halfgeleiderproduct
dat met deze beschermde topografie is gemaakt (artikel 5, eerste lid, Richtlijn 87/54/EG).
Om deze bescherming effectief te laten zijn, moet er een vorm van registratie per
lidstaat plaatsvinden, opdat kenbaar is dat de topografie bescherming heeft (zie onder
andere artikel 4 van de richtlijn). Zonder registratie is er geen beschermd intellectueel
eigendomsrecht.
De beheerder van het register waar deze topografieën worden geregistreerd – Octrooicentrum
Nederland – draagt zelf actief zorg voor de bevriezing van de economische middelen.
Een geregistreerd recht (of een aanvraag tot registratie van een recht) dat op naam
staat van een persoon of entiteit die onder het bevriezingsregime van een internationale
sanctiemaatregel valt (een «bevroren recht»), blijft in stand zolang aan de normale
voorwaarden daarvoor wordt voldaan. Wel wordt een aanvraag tot registratie opgeschort.
Een verzoek om inschrijving van een overdracht, licentie, zekerheidsstelling met betrekking
tot een bevroren recht wordt niet gehonoreerd.365 Een verzoek om inschrijving van een beslagrecht op een bevroren recht wordt wel gehonoreerd.
Gelet op de doorslaggevende betekenis van de registratie voor het bestaan van het
recht dat op naam wordt geregistreerd, wordt met voorgesteld artikel 10a de beheerder
van het register – Octrooicentrum Nederland – bevoegd om zowel op eigen initiatief
een aantekening vast te leggen als op grond van informatie verkregen van Nederlandse
of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege
aangewezen instanties die belast zijn met respectievelijk de uitvoering en het toezicht
op de naleving van internationale sanctiemaatregelen. Daarmee wordt effectief kenbaar
gemaakt dat een topografie is bevroren en bepaalde handelingen met dit intellectuele
eigendomsrecht niet meer mogelijk zijn. De regeling voorzien in artikel 10a wijkt
af van de bepalingen omtrent de bevoegdheid van de Kamer van Koophandel ten aanzien
van het Handelsregister en register voor het registreren van trusts en uiteindelijk
belanghebbenden van trusts, omdat het Octrooicentrum Nederland zelf de rechthebbende
identificeert, het recht (of de aanvraag) registreert en daarmee het bestaan van het
economisch middel in het economisch verkeer brengt en kenbaar maakt. Dit brengt een
andere rol voor het Octrooicentrum Nederland met zich mee, hetgeen op punten een afwijkende
regeling noodzaakt.
Jaarlijks wordt gecontroleerd of de informatie nog reden geeft tot het opnemen van
een aantekening. De aantekening wordt verwijderd indien de relatie zich niet langer
voordoet (derde en vierde lid).
Artikel 10.12 Wijziging Wet financiële markten BES
Onderdelen A (artikel 2:14) en B (artikel 3:8)
Vanwege de tijdelijke instandhouding van afdeling 5 van de huidige Sanctiewet 1977,
is het voor de Wet financiële markten BES noodzakelijk om tijdelijk zowel te verwijzen
naar de Wet internationale sanctiemaatregelen als naar de Sanctiewet 1977. Met de
inwerkingtreding van de tweede tranche zullen de verwijzingen naar de Sanctiewet 1977
komen te vervallen. De tweede tranche zal daarin voorzien.
Onderdeel C (artikel 1:21)
Waar een onderneming door toepasselijkheid van sancties komt te verkeren in de omstandigheden
van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel, kan de Minister van Economische Zaken een bewindvoerder
aanstellen. Ten aanzien van ondernemingen onder toezicht op grond van de Wet financiële
markten BES is daartoe van belang dat de toezichthouders toezichtvertrouwelijke informatie
kunnen delen met die Minister. Dergelijke informatie kan nodig zijn voor de Minister
om te beoordelen of toepasselijkheid van sancties op die onderneming ernstige maatschappelijke,
economische of werkgelegenheidseffecten (artikel 5.3 van dit wetsvoorstel) kan veroorzaken.
Zulke informatie kan bijvoorbeeld zien op de investeringen en de clientèle van de
onderneming en de financiële positie en stabiliteit van de onderneming. Verder kan
informatie over eventuele incidenten die zich bij de onderneming hebben voorgedaan
relevant zijn, bijvoorbeeld voor de voorschriften die de Minister aan de aanwijzing
kan verbinden op grond van artikel 5.3, eerste lid, van dit wetsvoorstel. Daarnaast
kan zulke informatie inzicht geven in eventuele maatregelen die de onderneming al
neemt of heeft genomen op last van de toezichthouder om de gevolgen van sancties te
beperken. Het delen van zulke informatie kan ook nodig zijn voor het bereiken van
overeenstemming over die maatregel tussen de Minister en de relevante toezichthouder,
zoals ten aanzien van zulke ondernemingen voorgeschreven in artikel 5.6 van dit wetsvoorstel.
Om dit mogelijk te maken wordt voorgesteld in artikel 1:21, eerste lid, een grondslag
op te nemen voor het delen van zulke informatie met de Minister van Economische Zaken
ten behoeve van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel.
Artikel 10.15 Wijziging Wet op het financieel toezicht
Onderdeel A (artikel 1:93)
Waar een onderneming door toepasselijkheid van sancties komt te verkeren in de omstandigheden
van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel, kan de Minister van Economische Zaken een bewindvoerder
aanstellen. Ten aanzien van ondernemingen onder toezicht op grond van de Wet op het
financieel toezicht is daartoe van belang dat de toezichthouders toezichtvertrouwelijke
informatie kunnen delen met die Minister. Dergelijke informatie kan nodig zijn voor
de Minister om te beoordelen of toepasselijkheid van sancties op die onderneming ernstige
maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten (artikel 5.3 van dit wetsvoorstel)
kan veroorzaken.
Zulke informatie kan bijvoorbeeld zien op de investeringen en de clientèle van de
onderneming en de financiële positie en stabiliteit van de onderneming. Verder kan
informatie over eventuele incidenten die zich bij de onderneming hebben voorgedaan
relevant zijn, bijvoorbeeld voor de voorschriften die de Minister aan de aanwijzing
kan verbinden op grond van artikel 5.3, eerste lid, van dit wetsvoorstel. Daarnaast
kan zulke informatie inzicht geven in eventuele maatregelen die de onderneming al
neemt of heeft genomen op last van de toezichthouder om de gevolgen van sancties te
beperken. Het delen van zulke informatie kan ook nodig zijn voor het bereiken van
overeenstemming over die maatregel tussen de Minister en de relevante toezichthouder,
zoals ten aanzien van zulke ondernemingen voorgeschreven in artikel 5.6 van dit wetsvoorstel.
Om dit mogelijk te maken wordt voorgesteld een onderdeel toe te voegen aan artikel 1:93,
eerste lid, met een grondslag voor het delen van zulke informatie met de Minister
van Economische Zaken ten behoeve van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van dit
wetsvoorstel.
Onderdeel B (artikel 1:104)
Vanwege de tijdelijke instandhouding van afdeling 5 van de huidige Sanctiewet 1977,
is het noodzakelijk om tijdelijk zowel te verwijzen naar de Wet internationale sanctiemaatregelen
als naar de Sanctiewet 1977. Met de inwerkingtreding van de tweede tranche zullen
de verwijzingen naar de Sanctiewet 1977 komen te vervallen. De tweede tranche zal
daarin voorzien.
Artikel 10.16 Wijziging Wet op het notarisambt
Artikel 10.16 voert enkele wijzigingen in de Wet op het notarisambt door. Deze vloeien
voort uit de wijziging van de Sanctiewet 1977 (artikel 10.8 van dit wetsvoorstel)
en houden verband met de huidige bepalingen in de Wet op het notarisambt over toezicht
en handhaving op grond van die wet. Artikel 5, tweede lid, onderdeel l, van de Wet
op het notarisambt bepaalt dat in het register voor het notariaat gegevens worden
opgenomen over een onherroepelijke en onvoorwaardelijke oplegging van een bestuurlijke
boete of een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 111b, tweede lid, van de Wet
op het notarisambt. Wordt een dergelijke boete of last opgelegd op grond van artikel 10c
of 10d, van de Sanctiewet 1077, dan moet ook die daar – niet openbaar – worden geregistreerd.
Dit is vergelijkbaar met de regeling voor overeenkomstige beslissingen die de deken
neemt jegens advocaten en die worden verwerkt op het tableau (artikel 10.1, onderdeel
A, van dit wetsvoorstel). Vergelijkbaar met de regeling voor advocaten (artikel 10.1,
onderdeel I) worden notarissen ook aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van inbreuken
op het bepaalde bij of krachtens de Sanctiewet 1977, net als nu het geval is voor
inbreuken op onder meer het bepaalde bij of krachtens de Wet op het notarisambt.
Artikel 10.17 Wijziging Wet open overheid
In de voorgestelde wijziging van de bijlage bij artikel 8.8 van de Wet open overheid
wordt naast de al genoemde artikelen 10g en 10h, artikel 10j van de Sanctiewet 1977
toegevoegd. Dat betekent dat de artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste en tweede lid,
en 5.2 van de Wet open overheid niet van toepassing zijn op de informatie waar in
deze artikelen naar verwezen wordt.
Artikel 10g wordt gemoderniseerd. In dit artikel blijft alle informatie die verkregen
is onder de geheimhoudingsplicht vallen, en valt daarmee buiten het regime van de
Wet open overheid. Dit gaat bijvoorbeeld om de toezichtvertrouwelijke informatie waarover
AFM en DNB beschikken op grond van hun toezichtstaak. Maar dit kan ook gaan om andere
informatie verkregen door een bevoegde autoriteit in Nederland die enige taak vervult
of heeft vervuld voor de naleving van sanctiemaatregelen.366
Omdat alleen het eerste lid van artikel 10g onder de geheimhoudingsplicht valt, wordt
in de voorgestelde wijziging van de bijlage alleen 10g, eerste lid, opgenomen. Het
tweede lid, dat gaat over het kunnen doen van algemene mededelingen, wordt niet opgenomen
op de bijlage bij de Wet open overheid. Het regime van de Wet open overheid is op
deze mededelingen dus wel van toepassing. Dat neemt niet weg dat herleidbare informatie,
waar het eerste lid betrekking op heeft, niet valt onder het regime van de Wet open
overheid – ook als deze de basis vormt voor het doen van een algemene mededeling.
In het aangepaste artikel 10h wordt, in tegenstelling tot het huidige artikel, uitgeschreven
met wie de toezichthouders gegevens mogen uitwisselen (dit artikel is ontleend aan
artikel 22a Wwft). Dezelfde redenering gaat ook op voor artikel 10j. In de oude situatie
stond de Minister van Financiën vermeld als toezichthouder, dit is echter gewijzigd
door het opnemen van de toezichthouders bij wet. Artikel 10j is nieuw op de bijlage.
Aangezien dit net als artikel 10h ziet op de uitwisseling van de informatie waarvan
geheimhouding gegarandeerd moet blijven, wordt dit op de bijlage bij de Wet open overheid
opgenomen. Dit artikel is ontleend aan artikel 22b Wwft, maar ook voor dit artikel
geldt dat er niet meer informatie op grond van de Sanctiewet 1977 mag worden uitgewisseld
dan nu het geval is.
De enige inhoudelijke wijziging is dat er nieuwe toezichthouders (de deken en BFT)
onder het stelsel worden gebracht en dit geheimhoudingsregime, met het oog op een
gelijk speelveld, ook zal gelden voor deze nieuwe toezichthouders.
Artikel 10.18 Wijziging Wet ruimtevaartactiviteiten
Met artikel 10.18 wordt met een nieuw artikel 11a een bevoegdheidsgrondslag geïntroduceerd
in de Wet ruimtevaartactiviteiten waarmee de Minister van Economische Zaken kan overgaan
tot het plaatsen van aantekeningen in het register met gegevens betreffende ruimtevoorwerpen
die gebruikt worden in het kader van ruimtevaartactiviteiten (artikel 11 van de Wet
ruimtevaartactiviteiten).
In verschillende internationale sanctiemaatregelen zijn bepalingen opgenomen die voorzien
dat alle tegoeden en economische middelen bevroren zijn die toebehoren aan, eigendom
zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van alle in een relevante bijlage
vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen. Onder economische
middelen valt ook het ter beschikking stellen van satellieten en het faciliteren van
de exploitatie ervan. Door middel van het vergunningenstelsel neergelegd in artikel 3
van de Wet ruimtevaartactiviteiten kan worden voorkomen dat nieuwe ruimtevaartactiviteiten
in of vanuit Nederland dan wel op of vanaf een Nederlands schip of Nederlands luchtvaartuig
plaatsvinden die ten goede komen aan door internationale sanctiemaatregelen gesanctioneerde
personen of entiteiten.
Tegelijkertijd geldt voor de ruimtevoorwerpen die al in gebruik zijn, dat juist de
mogelijke relatie van het geregistreerde ruimtevoorwerp met een gesanctioneerde persoon
of entiteit van betekenis is om het gebruik of ondersteuning van dit ruimtevoorwerp
zoals een communicatie- of observatiesatelliet te verhinderen. Dat ook bij ruimtevoorwerpen
er een risico bestaat op gebruik door gesanctioneerde personen en entiteiten is niet
illusoir: bij de internationale sanctiemaatregelen jegens de Russische Federatie zijn
beperkingen aangebracht jegens relevante Russische technologie-ondernemingen zoals
Rostec die betrokken zijn bij de ontwikkeling van satellieten of juist afnemers van
de diensten die door satellieten worden ondersteund.
Met het mogelijk maken van het plaatsen van aantekeningen wordt het voor andere partijen
kenbaar dat een geregistreerd ruimtevoorwerp een relatie heeft met een gesanctioneerde
persoon of entiteit. De informatie om tot een dergelijke aantekening te kunnen overgaan,
is afkomstig hetzij uit de eigen informatie die de Minister heeft in het kader van
voornoemde vergunningverlening, hetzij van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege
aangewezen instanties die belast zijn met respectievelijk de uitvoering, het toezicht
op de naleving van internationale sanctiemaatregelen.
Als een belanghebbende bezwaar wil maken tegen een aantekening, moet hij dit kenbaar
maken bij de Minister van Economische Zaken. De Minister zal op grond van de doorzendplicht
het bestuursorgaan dat de informatie heeft gedeeld op grond waarvan de aantekening
is geplaatst hiervan onverwijld op de hoogte stellen, onder gelijktijdige mededeling
daarvan aan de afzender.367 Dat bestuursorgaan zal de verdere behandeling ter hand nemen door de informatie die
is gedeeld met het register te delen met de afzender, voorzien van een rechtsmiddelenclausule.
Jaarlijks wordt gecontroleerd of de informatie nog reden geeft tot het opnemen van
een aantekening. De aantekening wordt verwijderd indien de relatie zich niet langer
voordoet (derde en vierde lid).
Artikel 10.20 Wijziging Wet toezicht accountantsorganisaties
Waar een onderneming door toepasselijkheid van sancties komt te verkeren in de omstandigheden
van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel, kan de Minister van Economische Zaken een bewindvoerder
aanstellen. Ten aanzien van ondernemingen onder toezicht op grond van de Wet toezicht
accountantsorganisaties is daartoe van belang dat de toezichthouders toezichtvertrouwelijke
informatie kunnen delen met die Minister. Dergelijke informatie kan nodig zijn voor
de Minister om te beoordelen of toepasselijkheid van sancties op die onderneming ernstige
maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten (artikel 5.3 van dit wetsvoorstel)
kan veroorzaken.
Zulke informatie kan bijvoorbeeld zien op de investeringen en de clientèle van de
onderneming en de financiële positie en stabiliteit van de onderneming. Verder kan
informatie over eventuele incidenten die zich bij de onderneming hebben voorgedaan
relevant zijn, bijvoorbeeld voor de voorschriften die de Minister aan de aanwijzing
kan verbinden op grond van artikel 5.3, eerste lid, van dit wetsvoorstel. Daarnaast
kan zulke informatie inzicht geven in eventuele maatregelen die de onderneming al
neemt of heeft genomen op last van de toezichthouder om de gevolgen van sancties te
beperken. Het delen van zulke informatie kan ook nodig zijn voor het bereiken van
overeenstemming over die maatregel tussen de Minister en de relevante toezichthouder,
zoals ten aanzien van zulke ondernemingen voorgeschreven in artikel 5.6 van dit wetsvoorstel.
Om dit mogelijk te maken wordt voorgesteld in artikel 63cc een lid toe te voegen met
een grondslag voor het delen van zulke informatie met de Minister van Economische
Zaken ten behoeve van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel.
Artikel 10.21 Wijziging Wet toezicht trustkantoren 2018
Onderdelen A (artikel 7), B (artikel 15) en C (artikel 56)
Vanwege de tijdelijke instandhouding van afdeling 5 van de huidige Sanctiewet 1977,
is het voor de Wet toezicht trustkantoren 2018 noodzakelijk om tijdelijk zowel te
verwijzen naar de Wet internationale sanctiemaatregelen als naar de Sanctiewet 1977.
Met de inwerkingtreding van de tweede tranche zullen de verwijzingen naar de Sanctiewet
1977 komen te vervallen. De tweede tranche zal daarin voorzien.
Onderdeel D (artikel 57)
Waar een onderneming door toepasselijkheid van sancties komt te verkeren in de omstandigheden
van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel, kan de Minister van Economische Zaken een bewindvoerder
aanstellen. Ten aanzien van ondernemingen onder toezicht op grond van de Wet toezicht
trustkantoren 2018 is daartoe van belang dat de toezichthouders toezichtvertrouwelijke
informatie kunnen delen met die Minister. Dergelijke informatie kan nodig zijn voor
de Minister om te beoordelen of toepasselijkheid van sancties op die onderneming ernstige
maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten (artikel 5.3 van dit wetsvoorstel)
kan veroorzaken.
Zulke informatie kan bijvoorbeeld zien op de investeringen en de clientèle van de
onderneming en de financiële positie en stabiliteit van de onderneming. Verder kan
informatie over eventuele incidenten die zich bij de onderneming hebben voorgedaan
relevant zijn, bijvoorbeeld voor de voorschriften die de Minister aan de aanwijzing
kan verbinden op grond van artikel 5.3, eerste lid, van dit wetsvoorstel. Daarnaast
kan zulke informatie inzicht geven in eventuele maatregelen die de onderneming al
neemt of heeft genomen op last van de toezichthouder om de gevolgen van sancties te
beperken. Het delen van zulke informatie kan ook nodig zijn voor het bereiken van
overeenstemming over die maatregel tussen de Minister en de relevante toezichthouder,
zoals ten aanzien van zulke ondernemingen voorgeschreven in artikel 5.6 van dit wetsvoorstel.
Om dit mogelijk te maken wordt voorgesteld in artikel 57, eerste lid, een grondslag
op te nemen voor het delen van zulke informatie met de Minister van Economische Zaken
ten behoeve van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel.
Artikel 10.23 Wijziging Wet verplichte beroepspensioenregeling
Waar een onderneming door toepasselijkheid van sancties komt te verkeren in de omstandigheden
van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel, kan de Minister van Economische Zaken een bewindvoerder
aanstellen. Ten aanzien van ondernemingen onder toezicht op grond van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling is daartoe van belang dat de toezichthouders toezichtvertrouwelijke
informatie kunnen delen met die Minister. Dergelijke informatie kan nodig zijn voor
de Minister om te beoordelen of toepasselijkheid van sancties op die onderneming ernstige
maatschappelijke, economische of werkgelegenheidseffecten (artikel 5.3 van dit wetsvoorstel)
kan veroorzaken.
Zulke informatie kan bijvoorbeeld zien op de investeringen en de clientèle van de
onderneming en de financiële positie en stabiliteit van de onderneming. Verder kan
informatie over eventuele incidenten die zich bij de onderneming hebben voorgedaan
relevant zijn, bijvoorbeeld voor de voorschriften die de Minister aan de aanwijzing
kan verbinden op grond van artikel 5.3, eerste lid, van dit wetsvoorstel. Daarnaast
kan zulke informatie inzicht geven in eventuele maatregelen die de onderneming al
neemt of heeft genomen op last van de toezichthouder om de gevolgen van sancties te
beperken. Het delen van zulke informatie kan ook nodig zijn voor het bereiken van
overeenstemming over die maatregel tussen de Minister en de relevante toezichthouder,
zoals ten aanzien van zulke ondernemingen voorgeschreven in artikel 5.6 van dit wetsvoorstel.
Om dit mogelijk te maken wordt voorgesteld in artikel 202, eerste lid, een grondslag
op te nemen voor het delen van zulke informatie met de Minister van Economische Zaken
ten behoeve van zijn taken op grond van hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel.
Artikel 10.24 Wijziging Zaaizaad- en plantgoedwet 2005
In verschillende internationale sanctiemaatregelen zijn bepalingen opgenomen die voorzien
dat alle tegoeden en economische middelen bevroren zijn die toebehoren aan, eigendom
zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van alle in een relevante bijlage
vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.368 Intellectuele eigendomsrechten zoals octrooien zijn economische middelen als gedefinieerd
in deze internationale sanctiemaatregelen en moeten dus ook bevroren worden.369 Kwekersrechten zijn ook intellectuele eigendomsrechten en vallen binnen het toepassingsbereik
van deze internationale sanctiemaatregelen.370
Daarnaast geldt krachtens sommige internationale sanctiemaatregelen ook expliciete
verboden om intellectuele eigendomsrechten of fabrieksgeheimen op enige andere wijze
te verkopen, in licentie te geven of over te dragen, alsmede rechten te verlenen op
toegang tot of hergebruik van materiaal of informatie die door middel van intellectuele-eigendomsrechten
wordt beschermd of die fabrieksgeheimen vormt in relatie tot goederen waarvoor een
exportbeperking geldt. Voor kwekersrechten is dit relevant, omdat de export van diverse
levende planten, bollen, knollen en wortelstokken en daarmee samenhangende intellectuele
eigendomsrechten is verboden.371
Gelet op de rechtstreeks werkende verplichtingen op grond van de internationale sanctiemaatregelen,
draagt de Raad voor plantenrassen zelf zorg voor de bevriezing van de economische
middelen in de vorm van geregistreerde kwekersrechten. Een geregistreerd kwekersrecht
(of een aanvraag tot registratie van een recht) dat op naam staat van een persoon
of entiteit die onder het bevriezingsregime van een internationale sanctiemaatregel
valt (een «bevroren recht»), blijft in stand zolang aan de normale voorwaarden daarvoor
wordt voldaan. Wel wordt een aanvraag tot registratie opgeschort.
In aanvulling hierop wordt met het voorgestelde artikel 56a van de Zaaizaad- en plantgoedwet
2005 de Raad een bevoegdheid verleend om zowel op eigen initiatief een aantekening
vast te leggen als op grond van informatie verkregen van Nederlandse of buitenlandse
overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen
instanties die belast zijn met respectievelijk de uitvoering en het toezicht op de
naleving van internationale sanctiemaatregelen. Daarmee wordt effectief extern kenbaar
gemaakt dat een kwekersrecht is bevroren en bepaalde handelingen met dit intellectuele
eigendomsrecht niet meer mogelijk zijn.
Als een belanghebbende bezwaar wil maken tegen een aantekening, moet hij dit kenbaar
maken bij de Raad. De Raad zal op grond van de doorzendplicht het bestuursorgaan dat
de informatie heeft gedeeld op grond waarvan de aantekening is geplaatst hiervan onverwijld
op de hoogte stellen, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.372 Dat bestuursorgaan zal de verdere behandeling ter hand nemen door de informatie die
is gedeeld met het register te delen met de afzender, voorzien van een rechtsmiddelenclausule.
Jaarlijks wordt gecontroleerd of de informatie nog reden geeft tot het opnemen van
een aantekening. De aantekening wordt verwijderd indien de relatie zich niet langer
voordoet (derde en vierde lid).
Deze regeling is inpasbaar in het systeem van registratie zoals voorzien in hoofdstuk 4
en hoofdstuk 7 van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005, omdat de Raad op grond van het
Besluit werkzaamheden Raad voor plantenrassen ruimte heeft gegevens op te nemen die
de Raad dienstig acht.373 Deze aanvullende grondslag vult deze mogelijkheid nader in met het oog op het verhogen
van de effectieve naleving van sanctiemaatregelen.
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Artikel 11.1 Evaluatie
Het is wenselijk om de doeltreffendheid van de wet, de (neven)effecten van de wet
in de praktijk, de uitvoerbaarheid, en de afstemming op andere regelingen te evalueren.
Bij de neveneffecten dient in het bijzonder aandacht te worden besteed aan eventuele
negatieve bijeffecten voor burgers en (mkb-)bedrijven. De tweede tranche zal een eigenstandige
evaluatiebepaling bevatten. Voor wat betreft de termijn wordt aangesloten bij de gebruikelijke
termijn voor wetsevaluaties.374 Los van deze evaluatie zal ook een invoeringstoets worden verricht (zie hierover
paragraaf 9.3.1).
Artikel 11.2 Integrale tekstpublicatie
Vanwege de omvang van dit wetsvoorstel, wordt gebruik gemaakt van een nummering van
de artikelen met meerdere cijfers. Om die reden wordt met dit artikel voorgesteld
om aan de Minister van Buitenlandse Zaken de opdracht te geven om voor de bekendmaking
in het Staatsblad waar nodig over te gaan tot een vernummering en verlettering van
artikelen, hoofdstukken en paragrafen. Hierdoor wordt voor de inwerkingtreding van
de Wet internationale sanctiemaatregelen een nieuwe doorlopende nummering mogelijk
gemaakt.
Artikel 11.3 Inwerkingtreding
Dit artikel regelt dat de inwerkingtreding van het wetsvoorstel geschiedt bij koninklijk
besluit en voorziet daarbij in de mogelijkheid van gedifferentieerde inwerkingtreding.
De vaste verandermomenten en minimuminvoeringstermijn worden in acht genomen, tenzij
er redenen zijn die zich daartegen verzetten. Dat wordt op dit moment niet voorzien.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat er geen aanleiding is tot het treffen van
overgangsrecht, anders dan de overgangsrechtelijke bepalingen die met artikel 10.8
van dit wetsvoorstel worden opgenomen in de Sanctiewet 1977.
De Minister van Buitenlandse Zaken, D.M. van Weel
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.