Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Kostic´ over het nodeloos vertragen van de openbaarmaking van emissiegegevens van veehouderijen
Vragen van het lid Kostić (PvdD) aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het nodeloos vertragen van de openbaarmaking van emissiegegevens van veehouderijen (ingezonden 13 februari 2026).
Antwoord van Minister Wiersma (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) (ontvangen
18 februari 2026).
Vraag 1
Hoe reflecteert u op het feit dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding
(ACOI) zich genoodzaakt ziet om voor de tweede keer een zeer kritisch advies uit te
brengen omdat u vasthoudt aan een onnodige, kostbare en bureaucratische zienswijzeprocedure,
die in strijd is met het eerdere advies van het Adviescollege?1
Antwoord 1
Ik heb kennisgenomen van het ACOI-advies en de inhoud daarvan. Bij brief van 4 februari
2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het advies van het ACOI en mijn reactie daarop2.
Vraag 2
Kunt u bevestigen dat het ACOI u expliciet heeft geadviseerd uw keuze voor individuele
aanschrijvingen voor zienswijzeverzoeken te herzien?
Antwoord 2
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie
daarop met uw Kamer gedeeld.
Vraag 3
Kunt u bevestigen dat het ACOI u heeft geadviseerd om in te zetten op actieve openbaarmaking
die recht doet aan álle betrokken belangen, waaronder het publieke belang van transparantie?
Antwoord 3
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie
daarop met uw Kamer gedeeld.
Vraag 4
Erkent u dat u deze adviezen naast u neerlegt?
Antwoord 4
Nee. In mijn brief van 4 februari 2026 heb ik bij uw Kamer aangegeven wat mijn reactie
is op de adviezen van het ACOI.
Vraag 5
Waarom weigert u nog altijd uitvoering te geven aan de Wet open overheid (Woo)-verzoeken
over emissiegegevens van veehouderijen in Nederland in 2023, 2024 en 2025?
Antwoord 5
De behandeling van deze verzoeken verloopt volgens wettelijke kaders, waaronder de
garantie op zorgvuldige besluitvorming en rechtsbescherming. Zie ook mijn brief van
4 februari 2026.
Vraag 6
Wat bedoelt u precies met uw uitspraak dat emissiegegevens binnen de huidige wetgeving
«in principe» openbaar gemaakt zouden moeten worden (Kamerstuk 32 802, nr. 137)?
Antwoord 6
Emissiegegevens moeten openbaar worden gemaakt. Dit doet echter geen afbreuk aan het
feit dat sprake moet zijn van een ordentelijk proces en notificatie richting agrarisch
ondernemers, zodat zij (als zij daar aanleiding toe zien) ook de gelegenheid hebben
om rechtsmiddelen aan te wenden. De mogelijkheid bestaat dat in voorkomende gevallen
conform de wet wordt besloten dat (een deel van) de gevraagde informatie niet openbaar
wordt gemaakt.
Vraag 7
Onderschrijft u de uitspraak van het ACOI dat de wet géén ruimte laat om de emissiegegevens
níet openbaar te maken en dat deze gegevens dus niet «in principe», maar onvoorwaardelijk
openbaar moeten worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
Zie antwoord vraag 6.
Vraag 8
Waarom wekt u desondanks de indruk dat een zienswijzeprocedure nog invloed kan hebben
op de verplichting tot openbaarmaking van deze emissiegegevens?
Antwoord 8
Zie antwoord vraag 6.
Vraag 9
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze feitelijk leidt tot een jarenlange vertraging
van de toegang tot emissiegegevens voor journalisten, maatschappelijke organisaties
en burgers? Wat vindt u hiervan?
Antwoord 9
Ik vind een zorgvuldige en juridisch houdbare aanpak belangrijk, ook als dit extra
tijd vergt. In het geval van emissiegegevens van agrarische bedrijven vind ik zorgvuldigheid
des te meer van belang omdat het daar vaak ook
gaat om privéadressen van agrarische ondernemers en hun gezinnen.
Vraag 10
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze leidt tot grootschalige verspilling van
schaarse publieke middelen? Wat vindt u hiervan?
Antwoord 10
Ik ben mij ervan bewust dat het beoordelen van zienswijzen en bezwaren tijd en inzet
vergt. Een zienswijzeprocedure moet naar mijn mening op een zodanige wijze worden
ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Ik verwerp dan
ook het door het ACOI geschetste beeld van verspilling van schaarse publieke middelen,
omdat dit voorbij gaat aan het bieden van een mogelijkheid aan agrarisch ondernemers
om van hun recht gebruik te maken om een zienswijze te geven.
Vraag 11
Hoe rechtvaardigt u dat mogelijk tot 60 miljoen euro, circa 20 procent van het totale
budget van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), wordt besteed aan een
onnodige, vertragende en juridisch ondeugdelijke zienswijzeprocedure?
Antwoord 11
Allereerst wil ik ten zeerste weerspreken dat zienswijzenprocedures onnodig, vertragend
en juridisch ondeugdelijk zijn. Ik ben mij ervan bewust dat uitvoeringsprocedures
publieke middelen vergen. De kosten van de zienswijzeprocedure zijn afhankelijk van
hoeveel Woo-verzoeken naar emissiegegevens ingediend worden en hoeveel zienswijzen
gevraagd worden. Begin 2025 is een eerste kosteninschatting gemaakt. De genoemde 60
miljoen euro waren het maximum scenario met het uitgangspunt dat 90% van de aangeschreven
agrarisch ondernemers een zienswijze in zou dienen. Het is op dit moment niet in te
schatten hoeveel van de aangeschreven agrarisch ondernemers zienswijze zal indienen
en hoeveel omvangrijke Woo-verzoeken nog volgen. Zoals hiervoor benoemd, ben ik van
mening dat een zienswijzeprocedure op een zodanige wijze moet worden ingericht dat
zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Zij kunnen dan zelf de afweging
maken of zij een zienswijze willen indienen. Zo levert deze uitgave een bijdrage aan
het opbouwen van het vertrouwen in de overheid.
Vraag 12
Kunt u concreet aangeven welke taken van de RVO hierdoor onder druk komen te staan
of niet meer kunnen worden uitgevoerd?
Antwoord 12
Zie antwoord vraag 11.
Vraag 13
Heeft u hierover overleg gevoerd met de RVO? Zo ja, wat is hun oordeel over deze gang
van zaken?
Antwoord 13
Uiteraard heb ik hierover ook gesproken met RVO. Tijdens gesprekken hierover is onder
andere gesproken over de gevolgen van de individuele procedure.
Vraag 14
Waarom blijft u doorgaan met het ten onrechte gebruiken van uw bevoegdheid om openbaarmakingsbesluiten
in te trekken, zoals de Raad van State oordeelde op 24 september 2025 in haar uitspraak
over de openbaarmaking van emissiegegevens?3
Antwoord 14
Ik heb naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State besloten om bij Woo-verzoeken
waarbij reeds zienswijzen zijn uitgevraagd via de Staatscourant, niet opnieuw zienswijzen
uit te vragen via de individuele procedure. Ik zal dus enkel bij Woo-verzoeken waarbij
nog geen zienswijzen zijn uitgevraagd kiezen voor individuele benadering.
Vraag 15
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat de zienswijzeprocedure
die heeft plaatsgevonden al in overeenstemming was met artikel 4:8 van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb)?4
Antwoord 15
Zie antwoord vraag 14.
Vraag 16
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat u niet bevoegd was om
de openbaarmakingsbesluiten op bezwaar in te trekken?5
Antwoord 16
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 september 2025 geoordeeld
dat de eerder genomen besluiten op bezwaar om informatie openbaar te maken, niet hadden
mogen worden ingetrokken en dat de gevraagde informatie binnen twee weken openbaar
moet worden gemaakt. Ik heb de gegevens die centraal stonden in die zaak reeds openbaar
gemaakt.
Vraag 17
Deelt u de conclusie van het ACOI dat uw handelwijze ertoe leidt dat de samenleving
uw beleid om de uitstoot van schadelijke stoffen terug te dringen onvoldoende kan
controleren? Zo nee, waarom niet?6
Antwoord 17
Nee, ik deel de mening van het ACOI niet dat de individuele procedure ertoe zou leiden
dat de samenleving het beleid onvoldoende kan controleren. Openbaarheid van overheidsinformatie
is een groot goed. Volgens het Verdrag van Aarhus en de Europese milieu-informatierichtlijn7 is Nederland verplicht om emissiegegevens openbaar te maken. Bij het openbaar maken
van informatie is echter zorgvuldigheid voor alle betrokkenen gewenst, ook de betrokken
ondernemers.
Vraag 18
Bent u bereid om uw besluit te herzien, de aanbevelingen van het ACOI alsnog op te
volgen en per direct in te zetten op actieve openbaarmaking? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 18
Nee, zoals hiervoor aangegeven vind ik dat derde-belanghebbenden proactief en persoonlijk
op de hoogte moeten worden gesteld dat er een Woo-verzoek loopt over openbaarmaking
van hun gegevens en ze de gelegenheid hebben om een zienswijze in te dienen.
Vraag 19
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Antwoord 19
De vragen zijn binnen de gebruikelijke termijn beantwoord.
Ondertekenaars
F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.