Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over uitspraken College van Beroep voor het bedrijfsleven in de beroepszaken betreffende nadeelcompensatie pelsdierhouderijen - uitvoering uitspraken en financiële gevolgen (Kamerstuk 35633-24)
35 633 Wijziging van de Wet verbod pelsdierhouderij in verband met een vervroegde beëindiging van de pelsdierhouderij
Nr. 25
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Ontvangen 18 februari 2026
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur over de brief van 1 december 2025 «Uitspraken College van Beroep voor het
bedrijfsleven in de beroepszaken betreffende nadeelcompensatie pelsdierhouderijen
– uitvoering uitspraken en financiële gevolgen» (Kamerstuk. 35 633, nr. 24).
De vragen zijn op 2 februari 2026 voorgelegd aan de Minister van Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur. Bij brief van 18 februari zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Podt
De griffier van de commissie, Jansma
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief met
betrekking tot de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven beroepszaken
betreffende de nadeelcompensatie voor pelsdierhouderijen. Deze leden wensen in dit
kader enkele specifieke aandachtspunten te benadrukken en vragen hierover nadere toelichting
van het kabinet.
De leden van de VVD-fractie constateren dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven
(CBb) de gekozen beleidsregel als systematiek voor forfaitaire compensatie in stand
laat, maar tegelijkertijd oordeelt dat de toegepaste kortingen wegens normaal maatschappelijk
risico en leegstand onvoldoende waren gemotiveerd. Daarmee zijn de beroepen van de
betrokken ondernemers gegrond verklaard en is het kabinet gehouden om binnen afzienbare
termijn nieuwe besluiten te nemen met een hogere vergoeding. Hoe duidt het kabinet
deze uitspraken in het licht van rechtszekerheid voor ondernemers die door overheidsmaatregelen
versneld hun bedrijfsactiviteiten moesten beëindigen?
Antwoord
Met de Beleidsregel compensatie vervroegde beëindiging pelsdierhouderij zijn pelsdierhouders
gecompenseerd voor het drie jaar niet in gebruik kunnen hebben van de beschikbare
productiecapaciteit. Een deel van de pelsdierhouders is in bezwaar en beroep gegaan
tegen de genomen besluiten (appellanten). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven
(CBb) heeft de beleidsregel als middel om de schade te berekenen en vergoeding vast
te stellen in stand gehouden. Het CBb heeft echter geoordeeld dat de vergoeding op
twee onderdelen onjuist is vastgesteld. Verder heeft het CBb geoordeeld dat de beroepen
gegrond zijn verklaard en dat de besluiten van de appellanten herzien moeten worden.
Ik heb de nieuwe beslissingen op bezwaar van de appellanten, met inachtneming van
de overwegingen van het CBb, binnen de door het CBb gestelde termijn herzien en uitbetaald,
waarbij de hogere vergoeding zoals vastgesteld door het CBb is toegekend. Voor de
pelsdierhouders die primair geen bezwaar en beroep gemaakt hebben (niet-appellanten)
geldt ten algemene dat zij de mogelijkheid hebben om een herzieningsverzoek in te
dienen.
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast aandacht voor de positie van pelsdierhouders
die geen bezwaar of beroep hebben ingesteld. In hoeverre acht het kabinet het wenselijk
en juridisch mogelijk om ook voor deze groep duidelijkheid te bieden, mede met het
oog op gelijke behandeling en het voorkomen van nieuwe procedures?
Antwoord
Zoals hierboven aangegeven geldt voor pelsdierhouders, die primair geen bezwaar of
beroep hebben ingesteld, ten algemene dat zij de mogelijkheid hebben om een herzieningsverzoek
in te dienen. Het kabinet zal een besluit moeten nemen over de vraag of deze ondernemers
worden betrokken bij de afhandeling van de rechterlijke uitspraak. Daar kan ik niet
op vooruit lopen.
De leden van de VVD-fractie constateren ten slotte dat het CBb in een aantal zaken
rond voergeldgevers en voergeldnemers tot afwijkende oordelen komt over de aanspraak
op compensatie en de wijze van schadevaststelling. Hoe zal het kabinet deze complexe
casuïstiek uitwerken en welke gevolgen kan dit hebben voor zowel de uitvoeringspraktijk
als de uiteindelijke financiële impact?
Antwoord
Het oordeel ten aanzien van de zaken rond voergeldgevers en voergeldnemers is tweeledig.
Enerzijds, zoals ik hierboven heb aangegeven, is er door het CBb over geoordeeld en
heb ik hier uitvoering aan gegeven in de nieuwe beslissingen op bezwaar, die allemaal
tijdig afgehandeld zijn. Anderzijds heeft het CBb geoordeeld niet bevoegd te zijn
om te oordelen over de gestelde schade welke geen bestuursrechtelijke grondslag heeft,
zoals de gestelde schade die het gevolg is van een voergeldovereenkomst. Of het niet
toekennen van een vergoeding voor schade aan de voergeldgevers rechtmatig is (mede
in het licht van artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag voor de
Rechten van de Mens), staat uitsluitend ter beoordeling van de burgerlijke rechter.
Op de uitkomst van eventuele juridische procedures kan ik niet vooruitlopen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met teleurstelling kennisgenomen van de brief van
de Minister over de uitspraken van het CBb in de beroepszaken betreffende nadeelcompensatie
pelsdierhouderijen. Het College van Beroep heeft heel duidelijk te verstaan gegeven
dat de 15 procent korting in verband met »normaal maatschappelijk risico» en de 38
euro per fokteef bij bedrijven die al waren geruimd of leegstonden (de »leegstand-korting»)
volledig onterecht waren.
Vrijwel alle pelsdierhouders hebben daarmee veel te weinig geld gekregen bij de gedwongen
uitkoop van hun bedrijven. Deze leden zijn verbaasd dat niet is gekozen om alle pelsdierhouders
te compenseren, maar slechts de appellanten. Volgens deze leden gaat het hier niet
over wie er juridisch gelijk krijgt, maar over wat een betrouwbare overheid betaamt
tegenover burgers die geen keuze hadden. Het feit dat alleen appellanten worden gecompenseerd,
betekent dat de overheid een onrechtmatige besparing behoudt die is gerealiseerd over
de ruggen van burgers die geen andere keuze hadden dan meewerken. Deze leden constateren
dat dit past in een patroon dat ook in andere overheidsdossiers zichtbaar werd: burgers
die vertrouwen op de overheid, blijken achteraf degenen te zijn die het meest tekort
zijn gedaan.
De brieven die de vaste Kamercommissie voor LVVN de afgelopen maanden ontving over
dit onderwerp laten een indringend en consistent beeld zien. Daaruit blijkt dat de
gebrekkige compensatie pelsdierhouders niet alleen financieel, maar ook emotioneel
en sociaal diep heeft geraakt. Ondernemers beschrijven hoe het gedwongen beëindigen
van hun bedrijf hun levenswerk, toekomstperspectief en bestaanszekerheid ontnam. Familiebedrijven
die generaties lang waren opgebouwd, verdwenen. Kinderen die het bedrijf wilden overnemen,
verloren dat perspectief. In meerdere brieven wordt duidelijk hoe de financiële onzekerheid
en de gedwongen beëindiging hebben geleid tot stress, spanningen binnen gezinnen en
langdurige mentale belasting.
De leden van de BBB-fractie zijn geschrokken van deze signalen uit de praktijk die
een beeld tonen van een groep ondernemers met de rug tegen de muur. Ondernemers die
hadden moeten kunnen vertrouwen op een eerlijke overheid, maar die werden geconfronteerd
met een regeling die achteraf door de rechter als financieel ontoereikend is beoordeeld.
Hoewel alle pelsdierhouders formeel de mogelijkheid hadden om de regeling aan te vechten,
blijkt uit de ontvangen brieven dat een formele mogelijkheid in de praktijk niet voor
iedereen een reële mogelijkheid was. De omstandigheden maakten het voor een deel van
de ondernemers onmogelijk om opnieuw een juridische strijd aan te gaan. Uit de brieven
komt naar voren dat eerdere langdurige procedures, financiële uitputting, mentale
belasting en de afhankelijkheid van de overheid in deze fase maakten dat zij erop
vertrouwden dat de gehanteerde regeling juridisch juist en zorgvuldig was. Uit meerdere
brieven komt naar voren dat ondernemers in hun contacten met de overheid de indruk
kregen dat het aangaan van een juridische procedure onverstandig zou zijn en de relatie
met de overheid zou kunnen schaden. Daarnaast speelde voor een deel van de ondernemers
de maatschappelijke context een rol. Zij hadden niets verkeerd gedaan, maar werden
geconfronteerd met maatschappelijke druk en acties tegen hun sector. Dit versterkte
de behoefte om het proces zo snel mogelijk af te sluiten en geen nieuwe conflicten
aan te gaan. Procederen was dus niet voor alle ondernemers een reële optie.
De leden van de BBB-fractie wijzen er daarbij op dat de pelsdierhouders niet kozen
voor vrijwillige uitkoop, maar dat zij uitvoering moesten geven aan een wettelijk
besluit dat hen dwong hun bedrijf te beëindigen. Juridisch gezien hebben alleen de
appellanten recht op herstel van de fout die door de overheid is gemaakt bij de uitkoop
van de pelsdierbedrijven. Moreel gezien ligt dat anders. Moreel gezien is het aan
de overheid om gemaakte fouten te herstellen tegenover alle mensen die buiten hun
eigen toedoen hun bedrijf kwijtraakten en door de overheid tekort zijn gedaan. Ook
tegenover degenen die door omstandigheden, stress, afhankelijkheid en (maatschappelijke)
druk niet de mogelijkheid hadden om de overheid juridisch te bestrijden, maar erop
vertrouwden dat zij eerlijk werden behandeld.
Alle pelsdierhouders hebben moreel gezien recht op de vergoeding die zij destijds
al hadden moeten krijgen. Een overheid die alleen herstelt wanneer burgers procederen,
leert haar burgers dat vertrouwen naïef is en wantrouwen rationeel. Dat kan en mag
niet de les zijn die uit deze affaire wordt getrokken.
Antwoord
Alle nertsenfokkerijen zijn gecompenseerd voor het drie jaar niet in gebruik kunnen
hebben van de beschikbare productiecapaciteit. In totaal hebben ongeveer 150 pelsdierhouders
nadeelcompensatie ontvangen, waarmee in totaal ongeveer € 150 miljoen gemoeid was.
De uitspraken zijn bindend voor appellanten. Zoals ik in de beantwoording op vragen
van de leden van de VVD-fractie heb aangegeven, heb ik daar tijdig gevolg aan gegeven.
Verder verwijs ik naar het antwoord op de vragen van de leden van de VVD-fractie.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A. Podt, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
R.P. Jansma, griffier