Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Dassen over het bericht 'Transparantie is alweer passé, met dank aan het ultrakorte politieke geheugen in Den Haag'
Vragen van het lid Dassen (Volt) aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het bericht «Transparantie is alweer passé, met dank aan het ultrakorte politieke geheugen in Den Haag» (ingezonden 22 december 2025).
Antwoord van Minister Rijkaart (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (ontvangen
17 februari 2026), Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 806.
Vraag 1
Bent u bekend met het Volkskrant-bericht «Transparantie is alweer passé, met dank
aan het ultrakorte politieke geheugen in Den Haag» d.d. 17 december 2025?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Erkent u het belang van het recht van iedere burger op overheidsinformatie en dat
dit een internationaal erkend mensenrecht is? Deelt u de mening dat het van belang
is om het recht op overheidsinformatie niet in te perken?
Antwoord 2
Ja, ik erken het belang van het recht van iedere burger op overheidsinformatie en
het betreft inderdaad een internationaal erkend grondrecht. Het recht op toegang tot
overheidsinformatie is vastgelegd in verdragen waar Nederland partij bij is zoals
in artikel 11 van het EU-Handvest, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR. Dit recht
heeft een sterke wisselwerking met het grondwettelijk verankerde recht op de vrijheid
van meningsuiting (artikel 7 van de Grondwet). Nauw verbonden hiermee is de grondwettelijke
bepaling dat de overheid bij de uitvoering van haar taak openbaarheid betracht (artikel 110
van de Grondwet). In artikel 1.1 van de Woo is dit recht ook verankerd. Dit betekent
niet dat er geen voorwaarden en beperkingen mogen worden opgelegd aan de toegang tot
overheidsinformatie, bijvoorbeeld ten aanzien van de omvang of werklast van een verzoek.
Landen kunnen dan ook verschillend omgaan met het recht op overheidsinformatie. Dit
wordt ook geïllustreerd in het rechtsvergelijkend onderzoek dat mijn ambtsvoorganger
eerder met uw Kamer heeft gedeeld.1
Vraag 3
Kunt u reageren op de kritiek dat voorstellen zoals het begrenzen van de omvang van
Woo-verzoeken, het invoeren van verplichte formulieren of het doorberekenen van kosten
neerkomen op drempelverhoging voor een mensenrecht?
Antwoord 3
Het recht op toegang tot informatie is een belangrijk recht. Tegelijkertijd zijn hier
altijd voorwaarden en beperkingen aan verbonden. Dergelijke beperkingen zijn toegestaan
volgens internationaal recht en zorgen ervoor dat de toegang tot overheidsinformatie
voor iedereen gewaarborgd blijft. Uit het eerder aangehaalde rechtsvergelijkend onderzoek
blijkt ook dat andere landen, die uiteraard ook het recht van burgers op overheidsinformatie
erkennen, beperkingen en voorwaarden opleggen aan het kunnen verkrijgen van overheidsinformatie.
Nadere regels hebben tot doel om het openbaarmakingsproces te verbeteren, te stroomlijnen
of de publicatie van betekenisvolle informatie te versnellen en te vergroten.
Vraag 4
Deelt u de opvatting dat de Woo bijdraagt aan transparantie en daarmee aan het vergroten
van het vertrouwen in de overheid?
Antwoord 4
Ja, deze opvatting deel ik.
Vraag 5
Kunt u toelichten waarom het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
vooruitlopend op de geplande evaluatie van de Woo in 2026 al voorstellen doet die
het recht op overheidsinformatie feitelijk kunnen beperken? Acht u het getuigen van
goed bestuur om conclusies te trekken over de werking van de Woo voordat de wettelijke
evaluatie heeft plaatsgevonden? Zo ja, kunt u dat uitleggen?
Antwoord 5
In het kader van de formatie zijn er door de informateur vragen gesteld aan mijn ministerie.
Zoals door de informateur verzocht, zijn ter beantwoording van die vragen vanuit mijn
ministerie mogelijkheden opgenomen die de uitvoering van de Wet open overheid (Woo)
kunnen verbeteren. De beschreven mogelijkheden zijn geen staand beleid. Verder is
in de beantwoording ook gewezen op de aanstaande evaluatie van de Woo. De door mijn
ministerie gegeven antwoorden zijn input voor de lopende formatie van een nieuw kabinet.
Daarom vind ik het niet passend om hier als demissionair Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties inhoudelijk op te reageren.
Vraag 6
Welke concrete stappen heeft u sinds de inwerkingtreding van de Woo gezet om proactieve
openbaarmaking daadwerkelijk de norm te maken, zoals de wet al mogelijk maakt?
Antwoord 6
In het kader van (pro)actieve openbaarmaking staat «betekenisvolle openbaarheid» centraal.
Afgelopen jaar is in opdracht van mijn ministerie een stappenplan met afwegingskader
ontwikkeld dat overheidsorganisaties moet helpen om betekenisvol invulling te geven
aan de inspanningsverplichting tot actieve openbaarmaking uit de Woo (art. 3.1).2 Met het stappenplan en afwegingskader kunnen overheidsorganisaties beter bepalen
welke informatie zij uit eigen beweging openbaar maken en op welke manier. Het streven
is om in aanvulling hierop in het voorjaar van 2026 een beleidslijn te publiceren,
die verder invulling en kaders geeft aan de inspanningsverplichting. Daarnaast stimuleren
we overheidsorganisaties om jaarlijks minimaal 1 maatschappelijk relevant dossier
openbaar te maken.
Een ander belangrijk onderdeel van de Woo betreft de actieve openbaarmaking van verplichte
informatiecategorieën. Vanuit mijn ministerie zijn, in samenwerking met andere bestuursorganen
en de koepels van de medeoverheden, werkdefinities en hulpmiddelen ontwikkeld voor
iedere informatiecategorie uit de Woo.3 Deze producten dragen bij aan meer helderheid en een betere uitvoerbaarheid voor
overheidsorganisaties. Met de inwerkingtreding van de eerste tranche is op 1 november
2024 de eerste fase van de verplichte actieve openbaarmaking van start gegaan. Sinds
dat moment zijn bestuursorganen verplicht vijf informatiecategorieën actief openbaar
te maken. De komende jaren zal de verplichting voor de overige categorieën in werking
treden.
Sinds de inwerkingtreding van de Woo wordt al veel meer informatie actief openbaar
gemaakt4 en geven overheidsorganisaties steeds meer invulling aan de inspanningsverplichting.
Zo maakt het Waterschap Rijn en IJssel al hun meetgegevens over waterhoeveelheden
en waterkwaliteit publiekelijk toegankelijk.5 Ook vanuit mijn eigen ministerie zijn we hiermee proactief aan de slag, zoals met
het dashboard Groningen dat een overzicht biedt van de belangrijkste documenten die
inzicht geven in de totstandkoming van het wetsvoorstel Wet Groningen6 en de website van de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) met een tijdlijn
van de totstandkoming van de NDS en de besluitvormende (interne)documenten die daaraan
ten grondslag liggen.7 Deze goede voorbeelden moeten ook andere bestuursorganen stimuleren en inspireren
om met de inspanningsverplichting aan de slag te gaan.
De verdere invulling van de inspanningsverplichting tot «betekenisvolle openbaarmaking»
en de voorbereiding van de actieve openbaarmaking van de zeventien verplichte informatiecategorieën
moeten op termijn verder bijdragen aan de gewenste normverandering naar (pro)actieve
openbaarmaking.
Vraag 7
Bent u bereid om, naar Scandinavisch voorbeeld, te onderzoeken hoe informatie sneller
en minder politiek (zijnde met meer vertrouwen in de Woo-specialisten en daarmee een
drastisch inkorting van de parafenlijn) kan worden verstrekt, inclusief e-mails en
informele documenten? Zo ja, hoe gaat u daar invulling aan geven? Zo niet, waarom
niet?
Antwoord 7
Ja, hier ben ik mee momenteel mee bezig. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid voor
de Woo werk ik voortdurend aan het stimuleren en ondersteunen van bestuursorganen
bij het tijdig en efficiënt uitvoeren van de Woo. Zo wordt op dit moment met een overheidsbrede
werkgroep gewerkt aan een optimaal Woo-proces, waarmee het proces efficiënt, responsief
en uniform wordt ingericht als een proactief dienstverleningsproces. Hierin nemen
we goede voorbeelden uit zowel de binnenlandse als de buitenlandse praktijk mee, zoals
de Scandinavische voorbeelden. Daarbij wil ik wel opmerken dat de reikwijdte van de
Woo breder is dan openbaarheidswetgeving in veel andere landen, waar bijvoorbeeld
interne communicatie niet openbaar wordt gemaakt. Goede voorbeelden die onder andere
worden meegenomen in het optimale Woo-proces zijn de inzet van informatiespecialisten,
het verkorten van de parafenlijn en het centraal stellen van contact met de verzoeker
en diens informatiebehoefte. Bij mijn eigen ministerie wordt sinds vorig jaar ook
gebruik gemaakt van een verkorte parafenroute, wat tot positieve resultaten leidt.
Vraag 8
Waarom worden in beleidsafwegingen rond de Woo vrijwel uitsluitend de kosten betrokken
en niet de maatschappelijke baten van openbaarheid, zoals beter bestuur, minder fouten
en groter vertrouwen?
Antwoord 8
In beleidsafwegingen wordt wel degelijk gekeken naar de maatschappelijke baten van
openbaarheid. Zo is er afgelopen jaar een onderzoek uitgevoerd naar de informatiebehoeften
van de samenleving als het gaat om overheidsinformatie.8 Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek is meer zicht op de behoeften vanuit
de samenleving en kan hier beter op ingespeeld worden met openbaarmaking. Deze uitkomsten
zijn dan ook meegenomen in het overheidsbrede afwegingskader voor de inspanningsverplichting
(zie het antwoord op vraag 6). In de wetsevaluatie, die in 2026 wordt uitgevoerd,
zullen de maatschappelijke baten van openbaarheid uiteraard ook worden meegenomen.
Onlangs hebben de Open State Foundation en Instituut Maatschappelijke Innovatie een
rapport uitgebracht over de baten van transparantie,9 wat ik met veel interesse zal lezen.
Vraag 9
Kunt u aangeven of er binnen andere ministeries onderzoeken zijn gedaan naar het verbeteren
en makkelijker maken van de Woo en wat hier de uitkomsten van zijn geweest?
Antwoord 9
Andere ministeries werken ook continu aan het verbeteren en makkelijker maken van
de uitvoering van de Woo. Van eventuele onderzoeken die zij hiernaar hebben uitgevoerd,
heb ik geen overzicht. De ministeries zijn wel vertegenwoordigd in de eerdergenoemde
werkgroep die werkt aan een optimaal Woo-proces. Via deze weg worden goede voorbeelden
en resultaten van bijvoorbeeld pilots of onderzoeken meegenomen.
Vraag 10
Kunt u aangeven hoe u aankijkt tegen het voorstel om het Adviescollege Openbaarmaking
en Informatiehuishouding (ACOI) te versterken tot een onafhankelijke autoriteit met
bindende bevoegdheden?
Antwoord 10
Het ACOI is ingesteld onder de Woo en zal daarom ook onderdeel uitmaken van de wetsevaluatie.
Daarnaast voert het ACOI op grond van artikel 28 van de Kaderwet adviescolleges ook
een zelfevaluatie uit. In deze twee onderzoeken zullen dus de rol en de taken van
het ACOI aan de orde komen.
Vraag 11
Bent u voornemens om lessen te trekken uit de aanpak van onder andere de gemeente
Amsterdam die de doorlooptijd terugbracht en de proactieve openbaarmaking van de Dienst
Uitvoering Onderwijs (DUO)?
Antwoord 11
Ja deze lessen neem ik mee. Uiteraard sta ik altijd open voor lessen die andere bestuursorganen
trekken uit hun Woo-praktijk. Zoals ook eerder benoemd, betrek ik deze bij de ontwikkeling
van het optimale Woo-proces waarbij uitgebreid wordt gekeken naar de successen van
andere bestuursorganen en hoe deze breder toegepast kunnen worden binnen de overheid.
Ook voor de beleidsmatige invulling van de inspanningsverplichting tot actieve openbaarmaking
worden continu goede voorbeelden opgehaald bij overheidsorganisaties, die vervolgens
anderen kunnen inspireren.
Vraag 12
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Antwoord 12
Ja.
Ondertekenaars
F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.