Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde agenda van de vergaderingen van de Eurogroep en Ecofinraad van 16 en 17 februari 2026 (Kamerstuk 21501-07-2163)
21 501-07 Raad voor Economische en Financiële Zaken
Nr. 2164 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 16 februari 2026
De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Financiën over twee brieven van 26 januari 2026 (Kamerstukken
21 501-07, nrs. 2158 en 2159) en een brief van 5 februari 2026 (Kamerstuk 21 501-07, nr. 2163). Met laatstgenoemde brief heeft de Minister de geannoteerde agenda van de vergaderingen
van de Eurogroep en Ecofinraad van 16 en 17 februari 2026 aangeboden.
De vragen en opmerkingen zijn op 11 februari 2026 aan de Minister van Financiën voorgelegd.
Bij brief van 16 februari 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Van der Lee
De griffier van de commissie, Weeber
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het de stukken die zijn geagendeerd
voor dit schriftelijke overleg. Zij hebben een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de D66-fractie merken op dat het verslag van de Ecofinraad en Eurogroep
van januari 2026 laat zien hoe nauw economie, geopolitiek en Europese samenwerking
inmiddels met elkaar verweven zijn. Voor de leden van de D66-fractie staat één vraag
centraal: bouwen we aan een Europa dat weerbaar en toekomstgericht is, of laten we
ons telkens verrassen door crises van buitenaf? Hoe zorgen we voor een nog gerichtere
samenwerking om investeringen op gang te brengen en Europa op de toekomst voor te
bereiden?
Het weerbaarder maken van Europa hangt nauw samen met het versterken van de innovatiekracht
en verhogen van productiviteit. Het verdiepen van de interne markt speelt hier een
belangrijke rol bij, in het bijzonder het verdiepen van de spaar- en investeringsunierol.
Dit zorgt voor het verbeteren van de opschaling van jonge, innovatieve bedrijven die
vervolgens mondiaal kunnen concurreren. Voortbouwend op het momentum van het recent
ondertekende EU-Mercosur akkoord en de afronding van de onderhandelingen over een
handelsakkoord met India, steunt Nederland daarnaast een ambitieus EU handelsbeleid.
Dat draagt bij aan een weerbaarder Europa. Ook zijn investeringen in Europees innovatie-
en digitaal technologisch leiderschap van belang, zowel vanuit economisch als vanuit
geopolitiek perspectief.
De steun aan Oekraïne blijft voor de leden van de D66-fractie belangrijk. Hoe realistisch
is het dat de resterende financiering tijdig door andere internationale partners wordt
geleverd? Welke concrete toezeggingen zijn er inmiddels vanuit de G7 en andere IMF-leden?
En wat gebeurt er als die toezeggingen uitblijven?
De Europese Commissie dekt met de Ukraine Support Loan van EUR 90 mld. bij de huidige aannames twee derde van de macro-financiële en militaire
noden van Oekraïne voor de komende twee jaar. Hiermee dekt de EU een nog groter deel
van de noden van Oekraïne dan in voorgaande jaren. Voor de invulling van de overige
één derde blijft aanzienlijke inzet van de rest van de internationale gemeenschap
nodig. In internationale gremia als het Ukraine Donor Platform, de Ukraine Defence
Contact Group en de NAVO vinden hier ook gesprekken over plaats. Ook blijft Nederland
bij partnerlanden benadrukken dat het noodzakelijk is dat zij een eerlijke bijdrage
blijven leveren. Recent heeft Japan USD 6 mld. aan extra steun toegezegd voor 2026,
Noorwegen heeft voor 2026 ruim EUR 7,5 mld. beschikbaar gemaakt en Duitsland en Polen
hebben zo’n EUR 600 mln. gecommitteerd voor militaire steun. Het resterende tekort
dient volgens de Commissie gedekt te worden door andere internationale donoren. Oekraïne
heeft de militaire steun nodig om zich op het slagveld te verdedigen. De begrotingssteun
is essentieel om maatschappelijk en economisch overeind te blijven en de strijd tegen
Russische agressie voort te kunnen zetten.
Mocht blijken dat Oekraïne een ongedekt financieringstekort heeft, dan is het aannemelijk
dat er in dat geval een brede discussie zal plaatsvinden. De discussie zou in dat
geval gaan over de inzet van internationale partners, inclusief de EU, maar bijvoorbeeld
ook over aanvullende inzet van internationale financiële instellingen en de fasering
van het IMF-programma.
Net als bij het lopende IMF-programma wordt ook het nieuwe programma gestart onder
het raamwerk voor financiering in een context van Exceptionally High Uncertainty Policy (EHU). Een programma onder EHU vereist financing assurances van een significante groep IMF leden om de financiële risico’s die het IMF aangaat
af te dekken. Dit betekent dat het IMF-programma voor Oekraïne alleen doorgang kan
vinden als voldoende internationale partners toezeggen Oekraïne financieel te blijven
steunen. Op dit moment lijken voldoende landen bereid de benodigde toezeggingen af
te geven. Volgens het IMF zijn de gesprekken hierover in de afrondende fase.
De leden van de D66-fractie hebben een aantal vragen over de opvolging van de eurozoneaanbevelingen
voor 2026. Deze onderstrepen het belang van economische weerbaarheid, groei en stabiliteit.
De leden van de D66-fractie delen de analyse dat integratie van de Europese kapitaalmarkten
daarbij cruciaal is. Het kabinet zegt ambitieus te willen inzetten op de kapitaalmarktunie.
De leden van de D66-fractie steunen dat, maar zij willen weten welke concrete stappen
Nederland in 2026 gaat zetten om Europees toezicht daadwerkelijk te versterken.
Op 4 december jl. heeft de Europese Commissie het Kapitaalmarktintegratie en Toezichtcentralisatie
Pakket (KTP) gepresenteerd met als doel om de kapitaalmarkten in de EU verder te integreren.
Onderdeel hiervan zijn de voorstellen die de Commissie doet om het toezicht op niet-bancaire
financiële instellingen te versterken en waar nodig te centraliseren. De basis van
de inzet ten aanzien van deze voorstellen is de Kabinetsinzet Kapitaalmarktunie.1 Over de inhoud van de voorstellen en de uitgebreide beoordeling en inzet van het
kabinet ten aanzien van dit voorstel heb ik uw Kamer zoals gebruikelijk per BNC-fiche
geïnformeerd.2
De onderhandelingen over de voorstellen van het Kapitaalmarktintegratie en Toezichtcentralisatie
Pakket (KTP) zijn in januari van 2026 gestart. Het kabinet hecht daarbij veel waarde
aan het maken van voortgang op alle onderdelen van dit pakket ook op het centraliseren
van toezicht.
Op welke punten is Nederland bereid nationale uitzonderingen los te laten ten gunste
van eenduidige Europese regels? En hoe voorkomen we dat de kapitaalmarktunie vooral
grote lidstaten en multinationals bevoordeelt, terwijl innovatieve mkb-bedrijven achterblijven?
De bereidheid van het kabinet om nationale uitzonderingen los te laten ten gunste
van eenduidigere Europese regels is eerder uiteengezet in de kabinetsinzet Kapitaalmarktunie.
Hierin pleit het kabinet onder andere voor uniformere uitvoering van regelgeving,
bijvoorbeeld door omzetting van richtlijnen in verordeningen. Daarnaast is het kabinet
voorstander van Europees toezicht op niet-bancaire financiële instellingen die in
meerdere EU-lidstaten actief zijn. Beide maatregelen zorgen voor verdere harmonisatie
van regelgeving en toezicht op financiële markten in de EU.
De Europese Commissie heeft in het Kapitaalmarktintegratie en Toezichtcentralisatie
Pakket (KTP) voorstellen gedaan om richtlijnbepalingen om te zetten naar een verordening
en het kabinet steunt deze aanpassingen.
Sterker toezicht, meer en divers kapitaalaanbod en eenduidigere regelgeving op de
Europese kapitaalmarkt is voor alle lidstaten en bedrijven van belang. Verder integratie
van de Europese kapitaalmarkten is dus niet alleen van belang voor grote lidstaten
en multinationals, maar is ook essentieel voor kleine lidstaten en innovatieve MKB-bedrijven.
De interne kapitaalmarkt is namelijk gefragmenteerd. Innovatieve MKB-bedrijven in
heel Europa hebben moeite om aan financiering te komen. Hierdoor hebben jonge innovatieve
MKB-bedrijven vaak moeite om door te groeien. Een sterke Europese kapitaalmarkt zorgt
ervoor dat innovatie bedrijven binnen de gehele EU gemakkelijker toegang krijgen tot
financieringsmogelijkheden. Dit zorgt ervoor dat bedrijven makkelijker toegang krijgen
tot financiering, hogere productiviteit, economische groei en brede welvaart. Een
sterke Europese kapitaalmarkt is daarom van belang voor zowel grote bedrijven als
kleine bedrijven en voor zowel grote als kleine lidstaten.
Een ander onderwerp waar de leden van de D66-fractie meer over willen weten is het
Stabiliteits- en Groeipact. Deze leden staan voor een prudente begroting, maar wil
ook noodzakelijke ruimte voor investeringen in de toekomst. Hoe weegt de Minister
binnen de Ecofinraad het spanningsveld tussen strikte uitgavenpaden en noodzakelijke
publieke investeringen, bijvoorbeeld in defensie en de energietransitie? Ziet het
kabinet ruimte om het pact zo toe te passen, dat landen worden beloond voor hervormingen
en duurzame investeringen?
Het uitgangspunt van het – in 2024 herziene – Stabiliteits- en Groepact (SGP) is een
geloofwaardige schuldafbouw op middellange termijn. Nederland hecht hieraan groot
belang met het oog op stabiele en duurzame economische groei. Lidstaten blijven zelf
verantwoordelijk voor de samenstelling van hun begroting en voor het aandeel publieke
investeringen. De begrotingsregels leggen wat dat betreft geen enkele restrictie op.
Daardoor is het voor lidstaten mogelijk om hogere nationale publieke investeringen
te combineren met een stabiele of dalende overheidsschuld. Wel vraagt dit van lidstaten
dat zij hun uitgaven en inkomsten stevig prioriteren. Daarnaast kunnen zij hervormingen
doorvoeren die de uitgavengroei op lange termijn in toom houden (zoals op het gebied
van de zorg en pensioenen). Ook zijn maatregelen mogelijk die de belastingbasis verbreden
of verschuiven naar minder verstorende bronnen.
Het SGP bevat meerdere elementen om investeringen te waarborgen. Ten eerste krijgen
lidstaten tijd voor de benodigde budgettaire aanpassingen, wat leidt tot een realistische
begrotingsopgave waarbij investeringen kunnen worden geborgd. Een houdbare overheidsschuld
en stabiele financieringscondities als gevolg van deze begrotingsinspanning zullen
eraan bijdragen dat lidstaten de nodige publieke investeringen kunnen blijven doen.
Ten tweede kunnen lidstaten in aanmerking komen voor een langere aanpassingsperiode
(van vier naar zeven jaar) onder de voorwaarde dat zij bepaalde investeringen en hervormingen
opnemen in hun plan, die aan aanvullende criteria voor onder andere schuldhoudbaarheid
en economische groei moeten voldoen. Dit geeft lidstaten een prikkel om in de begrotingsplannen
oog te houden voor voldoende investeringen op de middellange termijn, waaronder die
voor de groene transitie.
Tot slot hebben de leden van de D66-fractie een aantal vragen over een toekomstbestendig
Europa, aangaande een onderwerp waar zij eerder aandacht voor vroegen. In Nederland,
maar ook in Europa en in de rest van de wereld maken we steeds meer gebruik van digitale
betalingssystemen. Kan de Minister aangeven welke Nederlandse prioriteiten hij in
deze context de komende periode wil blijven verdedigen?
Het betalingsverkeer is de afgelopen jaren in toenemende mate gedigitaliseerd. Daarnaast
kent het betalingsverkeer ketenafhankelijkheid en reikt het betalingssysteem verder
dan onze landsgrenzen. Ik vind het belangrijk dat het Nederlandse girale en chartale
betalingsverkeer weerbaar is en blijf mij inzetten voor het afbouwen van afhankelijkheden
en het borgen van de weerbaarheid. Dit doe ik onder andere door de beleidscyclus vitaal
uit te voeren (waarbij in kaart wordt gebracht welke ondernemingen vitaal zijn voor
Nederland en wat nodig is ter bescherming van die ondernemingen) en te onderzoeken
of meer instellingen onder de Wet vifo ondergebracht moeten worden. Ook wordt ingezet
op het versterken van de Europese autonomie, onder meer via een Europees betalingssysteem
(Wero) en door tijdens de onderhandelingen over de digitale euro te pleiten voor gelijktijdige
introductie van zowel online als offline functionaliteiten. Daarnaast is het belangrijk
dat iedereen mee kan doen in het betalingsverkeer. Ik blijf mij daarom inzetten voor
een toegankelijk betalingsverkeer. Een voorbeeld hiervan is de Wet chartaal betalingsverkeer,
waarmee de beschikbaarheid, bereikbaarheid en betaalbaarheid van contant geld gewaarborgd
wordt.
Hoe wordt gewaarborgd dat privacy en offline-gebruik daadwerkelijk gewaarborgd blijven?
Nederland heeft in de onderhandelingen over de digitale euro veel aandacht gevraagd
voor stevige waarborgen omtrent privacy en voor behoud van offline gebruik van de
digitale euro bij eerste uitgifte. Ten aanzien van privacy heeft Nederland zich ervoor
ingezet dat digitale euro transacties een zeer hoog niveau van privacy hebben, zowel
voor online als voor offline betalingen. De digitale euro wordt ontworpen met privacy
als uitgangspunt, bijvoorbeeld door alleen de minimaal noodzakelijke data te verwerken
voor transacties. Daarnaast is in de compromistekst van de Raad vastgelegd dat het
Eurosysteem (de ECB en nationale centrale banken) geen toegang mogen hebben tot gegevens
die herleidbaar zijn naar individuele personen. Voor online digitale betalingen zal,
net als nu het geval is in het betalingsverkeer, de verwerking van individuele persoonsgegevens
worden gedaan door betaaldienstverleners die hiervoor aan strenge eisen moeten voldoen.
De offline digitale euro zal een hoger niveau van privacy bieden dan bestaande digitale
betalingen. Bij offline transacties zullen de betaaldienstverleners van de ontvangende
en betalende partijen niet kunnen traceren wie de andere betrokken partij of persoon
bij de betaling is geweest. Daarmee biedt de offline digitale euro een vergelijkbaar
niveau van privacy als contant geld. Met het oog op het tegengaan van witwassen en
terrorismefinanciering zullen er, vanwege het hogere niveau van privacy, wel transactielimieten
worden bepaald, in lijn met grenzen die nu bestaan voor contante betalingen.
Nederland heeft zich er daarnaast voor ingezet dat de digitale euro vanaf eerste uitgifte
zowel online als offline beschikbaar wordt voor consumenten. Dit staat dan ook in
één van de artikelen van de compromistekst.
En hoe voorkomt het kabinet dat de digitale euro een bureaucratische exercitie wordt,
zonder echte toegevoegde waarde voor burgers en ondernemers?
Nederland heeft in de onderhandelingen voor de digitale euro het belang benadrukt
dat de digitale euro toegevoegde waarde biedt voor burgers en ondernemers, maar ook
makkelijk is in het gebruik. De digitale euro moet toegankelijk zijn voor burgers
en de acceptatieplicht voor winkeliers en bedrijven moet niet nodeloos ingewikkeld
zijn. Het is dan ook de verantwoordelijkheid van het Eurosysteem om een digitale euro
infrastructuur zodanig te bouwen dat bedrijven en betaaldienstverleners hier makkelijk
op kunnen aansluiten. Het is daarom ook goed dat het Eurosysteem onderdelen van de
digitale euro laat bouwen door Europese bedrijven met veel kennis en expertise in
het betalingsverkeer. Daarnaast is het goed dat burgers en bedrijven gratis toegang
moeten krijgen tot (in ieder geval) één digitale euro rekening bij hun betaaldienstverlener,
om de drempel voor gebruik van de digitale euro te verlagen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Eurogroep en Ecofinraad van 16 en 17 februari 2026. De leden hebben hierover nog een aantal vragen en opmerkingen.
Wereldeconomie in een geopolitieke context
De leden van de VVD-fractie constateren dat in de Eurogroep wordt gesproken over mondiale
onevenwichtigheden op de betalingsbalans, waarbij het IMF en de OESO ook kijken naar
de rol van industriebeleid. De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat slim en
doelgericht industriebeleid kan bijdragen aan het versterken van het Europees verdienvermogen
en het verminderen van strategische afhankelijkheden, mits het marktgericht is en
geen nieuwe verstoringen veroorzaakt. Hoe zet het kabinet zich in de Eurogroep in
voor een industriebeleid dat investeringen, innovatie en concurrentiekracht versterkt,
afhankelijkheden verkleint en tegelijkertijd de open Europese economie beschermt?
Het kabinet wil primair inzetten op het bevorderen van de juiste randvoorwaarden voor
een concurrerende economie. Op die manier biedt de EU een aantrekkelijk ondernemingsklimaat
voor toekomstige ondernemers, ruimte voor nieuwe initiatieven, en kunnen bedrijven
zelf kiezen voor de meest rendabele activiteiten. Het verdiepen van de interne markt
en de spaar- en investeringsunie spelen hier een cruciale rol in. Daarnaast heeft
het kabinet in oktober 2025 het nieuwe industriebeleid met focus gepresenteerd.3 Het uitgangspunt van dit industriebeleid is actieve sturing op zes technologieën
en groeimarkten ten behoeve van het Nederlands verdienvermogen en de Europese concurrentiepositie,
zie ook de hieronder genoemde vraag. Op Europees niveau zet het kabinet bijvoorbeeld
in op een Europees Concurrentievermogenfonds met een sterke focus op het opschalen
van (innovatieve) technologieën en sectoren en het verminderen van risicovolle strategische
afhankelijkheden. Het kabinet hecht veel belang aan het aanjagen van private investeringen.
Hoe wordt de samenhang gewaarborgd in het Nederlandse industriebeleid, zoals tussen
de vijf NLD-gebieden vanuit het Ministerie van Defensie, de Nationale Technologiestrategie
en het «industriebeleid met focus» vanuit het Ministerie van Economische Zaken, de
vier «domeinen» uit het rapport-Wennink, en sectoragenda’s als die voor de maritieme
maakindustrie?
Met het industriebeleid richt het kabinet zich op dat deel van de economie dat een
belangrijke bijdrage levert aan (1) het Nederlands verdienvermogen, (2) onze weerbaarheid
en (3) maatschappelijke uitdagingen. Hiertoe heeft het kabinet met de Nationale Technologiestrategie
(NTS) de ontwikkeling van 10 sleuteltechnologieën geprioriteerd. Met de NTS wordt
een goede technologische basis gecreëerd. Om impact te maken moeten deze technologieën
worden toegepast in producten die de weg naar de markt vinden. Met de Kamerbrief Industriebeleid1 met focus zetten we de volgende stap en kiezen we voor zes strategische markten die
goed aansluiten bij de prioritaire sleuteltechnologieën:
1. Halfgeleiders
2. Defensiegerelateerde toepassingen
3. Biotechnologie
4. Digitale diensten (met name AI)
5. Machinebouw
6. Innovatieve chemie.
Hiermee geeft het kabinet een gerichte impuls aan een deel van de economie. Een belangrijk
onderdeel van het industriebeleid is de samenwerking tussen ministeries, bedrijven,
kennisinstellingen, financiers en regio’s.
Daarbij wordt waar mogelijk aangesloten op bestaande beleidsinitiatieven. Er zit er
geen verschil tussen de vijf NLD-gebieden en defensiegerelateerde toepassingen, deze
sluiten naadloos op elkaar aan. Ook het advies van Wennink over het verdienvermogen
en investeringsklimaat sluit goed op de zes markten aan. Er zit sterke samenhang tussen
bovenstaande markten en de domeinen die Wennink identificeert (Digitalisering & AI,
Veiligheid & Weerbaarheid, Energie- & Klimaattechnologie en Life sciences & biotechnologie).
Daarnaast blijft het Ministerie van Economische Zaken aandacht houden voor alle bedrijven,
(andere strategische) sectoren en markten die Nederland heeft. Bijvoorbeeld via lopende
initiatieven zoals de sectoragenda Maritieme Maakindustrie, de Impulsaanpak Winkelgebieden
en programma’s uit het Nationaal Groeifonds. Dit zorgt voor een stevig fundament voor
ondernemerschap en groei en zo kan er worden ingespeeld op de uitdagingen en kansen
van het brede bedrijfsleven.
Hoe is er in de EU gereageerd op het non-paper van Nederland, Estland, Letland, Litouwen,
Finland en Zweden, welke waarschuwt voor een voorrangsregel voor Europese bedrijven
bij openbare aanbestedingen?4
Tot dusverre is er niet officieel op het non-paper gereageerd. Mogelijk komt het ter
sprake tijdens de Europese Raad (19–20 maart), waar de thema’s concurrentievermogen
en geo-economie op de agenda staan.
De leden van de fractie van de VVD-fractie lezen dat Ministers van niet-eurolanden
mogelijk deelnemen aan de geplande discussie. Wordt hierbij ook nadrukkelijk aansluiting
gezocht met niet-EU-landen, zoals het Verenigd Koninkrijk?
De Canadese Minister van Financiën en professor Helene Rey zijn uitgenodigd bij de
Eurogroep bespreking van mondiale onevenwichtigheden. Het uitnodigen van additionele
deelnemers is erop gericht om perspectieven van andere landen en van experts te betrekken
in de discussie en om te kijken wat de raakvlakken zijn, zonder daarbij op een formele
manier naar een gezamenlijke positie toe te werken.
Decharge EU-begroting
De leden van de VVD-fractie constateren dat in de Ecofinraad de Raadsaanbeveling voorligt
om het Europees Parlement te adviseren decharge te verlenen aan de Europese Commissie
over de EU-begroting 2024. De Europese Rekenkamer geeft opnieuw een afkeurend oordeel
over de uitgaven, met een foutenpercentage van 3,6%, ruim boven de materialiteitsgrens
van 2%. Het kabinet is voornemens tegen het positieve dechargeadvies te stemmen, conform
eerdere jaren en samen met gelijkgezinde lidstaten. Wat is de concrete inzet van het
kabinet om deze tegenstem meer gewicht te geven dan een principieel signaal, en hoe
wordt daadwerkelijk druk uitgeoefend om de rechtmatigheid, controle en uitvoering
van EU-uitgaven structureel te verbeteren?
Nederland heeft zich in de Raad krachtig en consistent uitgesproken over het te hoge
foutenpercentage en het belang van volledige opvolging van de aanbevelingen van de
Europese Rekenkamer (ERK). Daarbij is intensief opgetrokken met gelijkgestemde lidstaten.
Hoewel het uiteindelijke dechargeadvies naar verwachting positief wordt vastgesteld
via gekwalificeerde meerderheid, zijn diverse elementen van de Nederlandse inzet –
zoals nadruk op het materieel te hoge foutenpercentage en de noodzaak tot verbetermaatregelen
– in de Raadsaanbeveling opgenomen. Dat laat zien dat een kritische opstelling effect
kan hebben op de inhoud. Nederland zal zich ook in de toekomst actief blijven inzetten
om samen met gelijkgezinde landen de financiële beheersing van de EU-begroting structureel
te verbeteren.
Supplementary Pensions Package
De leden van de VVD-fractie merken op positief te staan tegenover de ambitie van de
Europese Commissie om aanvullend pensioensparen te stimuleren, zowel om het risico
op ouderdomsarmoede te verkleinen als om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën
te versterken. Sterke en goed functionerende kapitaalmarkten zijn daarbij van groot
belang. Tegelijkertijd is pensioenbeleid bij uitstek nationaal en diep verankerd in
de sociale en maatschappelijke context van lidstaten. Europese regelgeving moet daarom
ruimte laten voor nationale keuzes en mag geen afbreuk doen aan goed werkende pensioenstelsels,
zoals het Nederlandse. Hoe borgt het kabinet dat het Supplementary Pensions Package
(SPP) bijdraagt aan meer pensioensparen en kapitaalmarktontwikkeling, zonder in te
grijpen in de nationale inrichting van solide pensioenstelsels?
Het kabinet heeft haar inzet voor dit pakket met uw Kamer gedeeld via het gebruikelijke
BNC-fiche. Daarin staat dat Nederland in algemene zin positief staat tegenover het
doel om schaalgrootte en transparantie voor deelnemers te bevorderen. Tegelijkertijd
zet Nederland in op proportionaliteit en subsidiariteit en het voorkomen van dubbele
of strijdige verplichtingen ten opzichte van goed functionerende nationale systemen.
In dat kader hecht Nederland eraan dat Europese informatieverplichtingen aansluiten
bij bestaande nationale praktijken, zonder deze onnodig te dupliceren of te vervangen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de stukken aangaande de Eurogroep
en Ecofinraad van 16 en 17 februari 2026. Hierover hebben de leden van de PVV-fractie
nog enkele vragen.
Oekraïne
Allereerst zijn de leden van de PVV-fractie verbaasd over het gegeven dat er een akkoord
is bereikt over een nieuwe lening van de EU aan Oekraïne van 90 miljard euro, de zogeheten
«Ukraine Support Loan» en dat Nederland hiermee instemt. Hoe groot is immers de kans
dat we dit geld ooit nog terugzien?
In het akkoord is voorzien dat Oekraïne de lening pas hoeft terug te betalen zodra
Rusland herstelbetalingen verricht na beëindiging van de oorlog. Daarmee is terugbetaling
rechtstreeks gekoppeld aan aansprakelijkheid van Rusland voor het doen van herstelbetalingen.
Zolang die herstelbetalingen niet zijn gedaan zullen de Russische centrale tegoeden
geïmmobiliseerd blijven. De lening is gegarandeerd via de headroom onder het eigenmiddelenplafond, waardoor het risico collectief en evenredig over
de deelnemende lidstaten wordt verdeeld.
De leden van de PVV-fractie merken op dat 30 miljard van het bedrag van 90 miljard
bestemd is voor begrotingssteun. In hoeverre vindt de Minister het verstandig om 30 miljard
te lenen aan één van de meest corrupte landen ter wereld?
Het kabinet steunt Oekraïne politiek, militair, financieel en moreel onverminderd.
De leningen onder de Ukraine Support Loan bedragen 90 miljard euro. Deze leningen zijn essentieel voor de veiligheid en toekomst
van Oekraïne, en daarmee voor veiligheid van heel Europa en dus Nederland.
Oekraïne heeft in de afgelopen jaren goede voortgang geboekt met het implementeren
van hervormingen en maakt ontegenzeggelijk stappen in het bestrijden van corruptie
en fraude. Desalniettemin zijn verdere stappen nodig. Daarom hecht het kabinet waarde
aan het voorstel om de uitbetalingen van begrotingssteun onder de Ukraine Support
Loan te verbinden aan conditionaliteiten in de vorm van hervormingen onder meer op
het gebied van corruptiebestrijding en rechtsstatelijkheid. Daarnaast is het behoud
van democratische mechanismen, inclusief de rechtsstaat en de eerbiediging van mensenrechten
een randvoorwaarde vanuit de Commissie voor uitbetaling van elke vorm van steun.
Tevens merken de leden van de PVV-fractie op dat er ook een akkoord is bereikt over
een nieuw IMF-programma van 8,1 miljard dollar, waarvoor Nederland garant staat. De
leden van de PVV-fractie willen weten waarom Nederland hiermee in heeft gestemd. Wat
houdt de «financing assurance» in het IMF-programma in en voor welk bedrag staat Nederland
garant?
De financing assurances houden in dat landen toezeggen om Oekraïne financieel te blijven steunen, zodat Oekraïne
in staat is het IMF terug te betalen, en t.a.v. bilaterale leningen om te doen wat
nodig is om de Oekraïense schuldhoudbaarheid te waarborgen. Nederland heeft samen
met andere landen aangegeven bereid te zijn financing assurances af te geven voor dit programma, zoals Nederland ook eerder heeft gedaan voor het
huidige IMF-programma. Dit is in lijn met de kabinetspositie om Oekraïne onverminderd
te blijven steunen. Dit betreft een politiek commitment en heeft geen directe gevolgen
voor de begroting. Beleidsvoorstellen die volgen uit de financing assurances zullen aan uw Kamer worden voorgelegd.
De gesprekken over de schuldhoudbaarheid van Oekraïne vinden plaats in de Group of
Creditors of Ukraine (GCU). In de GCU is afgesproken dat de opschorting van terugbetalingen
op bilaterale leningen wordt verlengd tot eind 2029 (parallel aan de looptijd van
het nieuwe IMF-programma). Nederland heeft in 2022 via het IMF een lening van EUR 200 mln.
verstrekt aan Oekraïne. Tot eind 2029 is Oekraïne een bedrag van EUR 113,7 mln. aan
rente en aflossing verschuldigd. Met het afgeven van de financing assurances heeft
Nederland, onder voorbehoud van parlementaire goedkeuring, toegezegd de betaling van
deze bedragen uit te stellen tot na 2029. Het voorziene schulduitstel wordt in de
voorjaarsnota via een kasschuif op de Financiën begroting verwerkt en aan uw Kamer
voorgelegd. Daarnaast zal de Group of Creditors aan het einde van het IMF-programma
bespreken wat nodig is om de schuldhoudbaarheid van Oekraïne te waarborgen.
In dit verband is relevant dat Oekraïne zich onder het IMF-programma committeert aan
het verhogen van belastinginning, via de National Revenue Strategy, wat eveneens een belangrijke bijdrage levert aan het verbeteren van de schuldhoudbaarheid
van Oekraïne.
Voorts willen de leden van de PVV-fractie weten hoeveel Oekraïne inmiddels heeft ontvangen
aan leningen en giften van de verschillende stakeholders. Graag een compleet overzicht,
uitgesplitst per jaar.
Er zijn veel verschillende stakeholders actief in Oekraïne. De stakeholders leveren
ook verschillende vormen van steun. Zo leveren de EU en het IMF vooral budgettaire
(liquiditeits)steun, terwijl de IFI’s (Wereldbank, EIB en EBRD) vooral herstel- en
wederopbouwsteun leveren, en de VN herstel- en humanitaire steun. Het is niet mogelijk
om de steun per jaar uit te splitsen, omdat de meeste programma’s, faciliteiten en
initiatieven een looptijd hebben van meerdere jaren en de uitbetalingen niet evenredig
over de tijd plaatsvinden. Hieronder vindt u een zo compleet mogelijk overzicht van
de steun van de verschillende stakeholders.
Sinds de start van de oorlog hebben de Europese Commissie en EU-lidstaten gezamenlijk
voor 193,3 miljard euro aan steun geleverd. De totale uitkeringen onder het IMF-programma
bedragen voorlopig 10,6 miljard dollar. De Wereldbank heeft tot op heden 88,2 miljard dollar
aan financiële steun gemobiliseerd, waarvan een significant deel liquiditeitssteun
vormt. G7-landen leveren hun liquiditeitssteun onder diverse initiatieven, zoals de
ERA-leningen via de Wereldbank. Door deze steun is Oekraïne in staat om basisdienstverleningen
zoals pensioenen, onderwijs en gezondheidszorg te bieden, evenals hervormingen door
te voeren gericht op de stabiliteit van de economie. Daarnaast levert de Wereldbank,
net als andere IFI’s, ook herstel- en wederopbouwsteun.
De EBRD heeft ruim 9 miljard euro aan steun toegezegd, dit wordt onder meer ingezet
voor energiezekerheid en kritieke infrastructuur, evenals steun aan de private sector
in Oekraïne. De EIB heeft ruim 4 miljard euro toegezegd, deze steun is vooral gericht
op energiesteun. Daarnaast investeert de EIB ook in transport, energie- en sociale
infrastructuur (scholen, ziekenhuizen en huisvesting).
Kan de Minister tevens een overzicht maken van hoeveel andere EU-lidstaten bilateraal
aan militaire steun en opvang ontheemden besteden als het gaat om de uitgaven aan
Oekraïne (zonder te verwijzen naar het «Kiel Institute»)?
Volgens cijfers van de Europese Commissie hebben de Europese Commissie en EU-lidstaten
69 miljard euro in militaire steun geleverd. Het aandeel van lidstaten in de steun
van de Europese Commissie wordt over het algemeen bepaald aan de hand van de bni-sleutel,
maar deze verschilt ieder jaar. Daarom is het lastig om de totale steun terug te voeren
op individuele lidstaten. Daarnaast hebben verschillende EU-lidstaten bilateraal militaire
steun verstrekt aan Oekraïne. Een actueel overzicht, anders dan via het Kiel Institute,
hiervan is niet beschikbaar omdat lidstaten niet publiekelijk rapporteren over hun
steun.
Hoe vindt de controle (audits) plaats over rechtmatige besteding van al deze uitgaven
aan Oekraïne?
Het merendeel van de steun aan Oekraïne wordt geleverd via multilaterale kanalen en
Internationale Financiële Instellingen (IFI’s), dit zijn kanalen met bewezen effectieve
interne waarborgen tegen o.a. corruptie en fraude.
De controle op de rechtmatige besteding van de EU-steun aan Oekraïne vindt op meerdere
niveaus plaats. De Commissie is primair verantwoordelijk voor het toezicht en beoordeelt
vooraf de voorwaarden voor uitbetaling, waaronder hervormingsstappen, corruptiebestrijding
en rechtsstatelijkheid. Dit zijn voor Nederland belangrijk onderwerpen. Onder de Ukraine
loan kan de macro-financiële steun worden verleend als macro-financiële bijstand,
waarbij de Unie en Oekraïne in een Memorandum of Understanding (MoU) hervormingsvoorwaarden
vastleggen waar Oekraïne voorafgaand aan de uitbetaling aan moet voldoen. Ook kan
de steun worden verstrekt via de bestaande Oekraïne-faciliteit. Bij deze optie is
de uitbetaling van steun voorwaardelijk aan het doorvoeren van hervormingsstappen
uit de bestaande hervormingsagenda voor 2024–2027 uit het Oekraïneplan. Daarnaast
kan de Commissie betalingen (deels) opschorten of inhouden indien niet aan de voorwaarden
wordt voldaan. De Europese Rekenkamer (ERK) voert onafhankelijke audits uit op de
uitgaven en rapporteert hierover aan het Europees Parlement en de Raad.
IFI’s hanteren hoge standaarden en voorwaarden voordat uitkering plaatsvindt, om te
voorkomen dat middelen onrechtmatig worden besteed. Indien Oekraïense partijen niet
aan deze hoge standaarden kunnen voldoen vindt er geen uitkering plaats.
Bni-afdrachten
Verder merken de leden van de PVV-fractie op dat onze BNI-afdracht aan de EU met 125%
is gestegen in 2 jaar tijd, van 3,5 miljard in 2024 naar meer dan 8 miljard euro dit
jaar (bron begroting BUZA 36 800 V, nr. 2 pag. 38). Kan de Minister hiervoor een verklaring geven?
De raming van de Nederlandse afdrachten aan de EU is gebaseerd op het maximale MFK-betalingenplafond
en de maximale inzet van de speciale instrumenten bij het Meerjarig Financieel Kader
(MFK). De stijging van de Nederlandse bni-afdracht is grotendeels te verklaren door
vertraging van betalingen bij de cohesie- en landbouwfondsen in eerder jaren van het
huidige MFK. Het betalingenniveau lag hierdoor fors onder het betalingenplafond. Om
een realistisch beeld te schetsen van de te verwachten Nederlandse EU-afdrachten is
besloten de raming hierop aan te passen. Dit heeft geleid tot een lagere afdracht
van 1,7 miljard euro in 2024. Volgens afspraken in het MFK mag de Europese Commissie
deze betalingen via het enkelvoudige marge-instrument in beperkte mate doorschuiven
naar latere jaren. De verlaging van de raming van de bni-afdracht in 2024 gaat daarom
gepaard met een verhoging van de raming van de bni-afdracht in 2026 en 2027. Hierover
is de Kamer via de eerste suppletoire begroting 2024 van het Ministerie van Buitenlandse
Zaken geïnformeerd.5 Een ander effect dat de toename van de bni-afdracht tussen 2024 en 2026 verklaart
is economische groei en daarmee de relatieve toename van het Nederlandse bni ten opzichte
van het Europese gemiddelde. De Nederlandse economie groeit nominaal harder dan de
EU als geheel en dat zorgt voor een toename van bni-afdracht. Het bni-aandeel van
Nederland groeide van 5,9% in 2024 naar 6,4% in 2026.
Nationale ontsnappingsclausule voor defensiefinanciering voor 4 jaar
Vervolgens merken de leden van de PVV-fractie op dat 17 van de 27 lidstaten gebruik
willen maken van de nationale ontsnappingsclausule (SGP) als het gaat om de defensiefinanciering.
Waarom maakt Nederland hier geen gebruik van?
Nederland heeft geen aanvraag gedaan voor activatie van de nationale ontsnappingsclausule,
met de gedachte dat een structurele toename in defensie-uitgaven structureel moet
worden ingepast binnen de begroting. Hierdoor worden er geen rekeningen doorgeschoven
naar toekomstige generaties. Daarbij schrijft het Nederlandse trendmatig begrotingsbeleid
ook voor dat additionele intensiveringen ingepast dienen te worden binnen de afgesproken
budgettaire kaders. Bij activatie van de nationale ontsnappingsclausule wordt de toename
in defensie-uitgaven (ten opzichte van 2021, met een maximum van 1,5% bbp) uitgezonderd
van het netto uitgavenpad. Nederland zou echter ook na activatie waarschijnlijk niet
voldoen aan het door de Raad aanbevolen uitgavenpad. Bij het besluit geen aanvraag
te doen is relevant dat het kabinet in de raming van het Centraal Planbureau de gehele
kabinetsperiode binnen de Europese referentiewaarden voor het begrotingstekort (3%
bbp) en de schuld (60% bbp) blijft. Zolang dit het geval is kunnen de Europese Commissie
en de Raad geen handhavingsmaatregelen opleggen.
Douane
Voorts willen de leden van de PVV-fractie weten hoe het staat met de lobby om het
Europees Douaneagentschap naar Nederland te halen.
Nederland heeft zich eind vorig jaar kandidaat gesteld om de nieuw op te richten Europese
Douane Autoriteit (EUCA) te huisvesten, met vestigingsstad Den Haag.6 Nederland voert op dit moment een actieve campagne om steun te verwerven voor de
Nederlandse kandidaatstelling. Onder leiding van boegbeeld voormalig Staatssecretaris
van Financiën Frans Weekers wordt in verschillende bilaterale gesprekken in de Europese
hoofdsteden de Nederlandse kandidaatstelling, en de meerwaarde daarvan, toegelicht.
In januari 2026 heeft Nederland een locatiebezoek georganiseerd, waarbij de beoogde
locatie is gepresenteerd aan leden van het Europees Parlement, verschillende ambassadeurs
en vertegenwoordigers van douaneautoriteiten.
De besluitvorming over de vestigingsplaats vindt plaats op EU-niveau. Dit zal via
een getrapte stemprocedure tussen de Raad en het Europees Parlement zijn. Het besluit
over de definitieve vestigingslocatie van EUCA wordt naar verwachting eind februari
of begin maart genomen.
Wat zou dit gaan opleveren of gaan kosten?
EUCA krijgt een belangrijke rol in het beschermen van de buitengrenzen van de EU en
is daarmee van strategisch belang. De vestiging van EUCA in Nederland draagt in de
eerste plaats bij aan de versterking van de positie van Nederland als toonaangevend
handels- en douaneland en de positie van Den Haag als internationale stad van vrede
en recht.
Ook economisch heeft een vestiging in Nederland positieve effecten. Directe en (in)directe
werkgelegenheid en investeringen leveren een structurele positieve impact op die wordt
geschat op circa € 47 miljoen per jaar.
Nederland heeft ingestemd met financiële ondersteuning van de Nederlandse kandidaatstelling
voor in totaal circa € 40 miljoen, deels gefinancierd door het Rijk en deels door
de gemeente Den Haag; dit getal is niet vergelijkbaar met de positieve impactcijfers,
want die cijfers zijn per jaar. De kosten bedragen € 16 miljoen; waarvan kosten voor
de acquisitiefase (zoals de kosten voor de voorbereiding van het kandidaatstelling
en campagneactiviteiten) alsook kosten die samenhangen met de uitvoeringsfase, indien
vestiging daadwerkelijk in Nederland plaatsvindt. Daarnaast draagt Nederland in de
periode van 2026 t/m 2050 € 24 miljoen bij aan huurverlaging.
De leden van de PVV-fractie vragen tevens of het klopt dat medio 2026 over elk Chinees
pakketje straks wel 3 euro importheffing (handling fee) betaald moet worden.
Het klopt dat tijdens de Ecofinraad van december jl. is besloten de zogeheten de-minimisvrijstelling
op importheffingen voor zendingen van buiten de EU met een waarde tot en met € 150,–
af te schaffen. Van 1 juli 2026 tot juli 2028 geldt voor al deze zendingen een vaste
heffing van € 3,– per productgroep; daarna wordt het reguliere importtarief per product
van toepassing.
Vanaf 1 november 2026 wordt daarnaast een «EU handling fee» van enkele euro’s per
productgroep ingevoerd op pakketjes uit landen buiten de EU. Dit is wat anders dan
een importheffing. Deze fee dient als vergoeding voor de kosten die gepaard gaan met
de controle en vrijgave van deze zendingen. Beide maatregelen zijn vergelijkbaar qua
vorm en doelgroep. Om eenvoud en efficiëntie te bevorderen, pleit ik er op EU-niveau
voor om ook de EU handling fee al per 1 juli te laten ingaan en gebruik te maken van
dezelfde werkwijze voor inning. Zo ontstaat één duidelijk implementatiemoment, wat
het proces voor bedrijven en consumenten overzichtelijker en beter uitvoerbaar maakt.
Mag Nederland deze heffing houden of moeten we die (deels) afdragen aan Brussel?
Importheffingen zijn een traditioneel eigen middel van de Europese Commissie. De lidstaten
mogen een percentage van de invoerrechten die zij heffen houden om hun eigen apparaatskosten
van de Douane te bekostigen. De afschaffing van de de-minimis vrijstelling leidt tot
meer importheffingen dus meer inkomsten voor zowel de Europese Commissie als Nederland.
Daar staat tegenover dat de lidstaten ook meer kosten maken voor de heffing en inning
van de invoerrechten.
De verdeling van de middelen die opgehaald worden met de EU handling fee is nog onderdeel
van de onderhandeling over het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2028–2034. Omdat in
het MFK 2021–2027 hierover niets is geregeld zullen de middelen van de EU handling
fee tot die tijd volledig aan de lidstaten toekomen.
Bovengenoemd percentage is vastgelegd in het eigenmiddelenbesluit (EMB) en bedraagt
op dit moment 25%. Er is daarnaast sprake van een tweede-orde-effect met betrekking
tot de bni-afdracht. Als de Unie meer invoerrechten ophaalt, betekent dit een verlaging
van de benodigde bni-afdracht van de lidstaten. De uitgaven van de Unie blijven immers
gelijk. De Europese Commissie heeft in het voorstel voor het eigenmiddelenbesluit
aangegeven dat de handling fee kwalificeert als «traditioneel eigen middel» (TEM).
Ook de invoerrechten kwalificeren als TEM. De Europese Commissie heeft voorgesteld
het deel dat de lidstaten zelf mogen houden te verlagen van 25% naar 10%. Nederland
zet in op behoud van deze «perceptiekostenvergoeding» op 25%.
Wat betekent deze maatregel voor onze schatkist?
Het afschaffen van de de-minimis vrijstelling en de invoering van de EU handling fee
betekenen dat Nederland inkomsten zal ontvangen uit de afhandeling van pakketjes van
buiten de EU. De uiteindelijke opbrengsten van deze maatregelen is mede afhankelijk
van het precieze aantal zendingen dat via Nederland de EU binnen zal komen en de uitkomsten
van de MFK 2028–2034 onderhandelingen.
Tegenover de extra opbrengsten staat dat de Douane ook extra zal moeten investeren
in toezicht op en uitvoering van deze maatregelen. Door het wegvallen van de de-minimisgrens
komen grote aantallen extra zendingen onder het fiscale douanetoezicht te vallen,
waardoor er ook fiscale controles uitgevoerd moeten worden. Daarnaast zal met de invoering
van de EU handling fee, als kostenvergoeding voor het toezicht op de nalevering van
Europese wet- en regelgeving, van de Douane verwacht worden dat zij de controle op
product vereisten (zoals productveiligheid) intensiveren. Tevens zal de Douane controleren
op de juiste afdracht van de handling fee door bedrijven.
Digitale euro
De leden van de PVV-fractie vragen naar het standpunt ten aanzien van de digitale
euro van het nieuwe kabinet. Welke precieze voorwaarden stelt het nieuwe kabinet aan
het accepteren van de digitale euro en is hieraan volgens het kabinet voldaan? Graag
ontvangen zij een onderbouwing.
Ik vind het belangrijk dat de digitale euro voldoet aan strenge eisen, zoals een hoog
niveau van privacy, niet-programmeerbaarheid, en een proportionele verdeling van de
kosten tussen winkeliers en betaaldienstverleners. Daarnaast hecht ik eraan dat de
digitale euro van toegevoegde waarde is voor burgers en bedrijven. Die toegevoegde
waarde zie ik vooral in het versterken van de strategische autonomie en weerbaarheid
van het (Europese) betalingsverkeer. Als er een digitale euro komt, wordt deze gebouwd
door de ECB in samenwerking met Europese bedrijven. Daarmee verkleinen we onze afhankelijkheid
van niet-Europese betaaldienstverleners. De offline variant van de digitale euro zal
het daarnaast mogelijk maken om digitale betalingen te doen zonder internetverbinding.
Ook daar zie ik toegevoegde waarde en kan de digitale euro, naast contant geld, een
tijdelijke terugvaloptie zijn bij verstoringen in het bestaande betalingsverkeer.
In het Raadsakkoord van 19 december jl. zijn stevige waarborgen opgenomen voor de
eerder genoemde onderwerpen. Zo staat in het raadsakkoord dat de digitale euro online
en offline beschikbaar zal zijn vanaf de eerste uitgifte en zijn niet-programmeerbaarheid
en een hoog niveau van privacy goed verankerd in de artikelen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
Eurogroep/Ecofin en hebben daarbij enkele vragen.
De leden van de CDA-Fractie ondersteunen de inzet van de commissie om de internationale
rol van de euro te versterken. Zij zien de voordelen zoals grotere monetaire autonomie,
lagere transactie en lagere transactie-, risicomanagement- en financieringskosten,
en een lagere gevoeligheid voor buitenlandse wisselkoersschokken. In deze roerige
internationale tijden gebeurt er veel, zo ook in de valutamarkt. Zo signaleert Het
FD dat de status van de dollar als wereldmunt onder druk staat.7 Door de inzet van de dollar als machtsmiddel proberen landen hun afhankelijkheid
van de dollar af te bouwen. Zo stimuleert China actief om betalingen niet in dollars
maar in de Chineese renminbi af te rekenen. Als het gaat om valuta en goudreserves
blijft de hegemonie van de dollar echter bestaan en blijft de euro sterk achter. Hoe
kijkt de Minister naar deze ontwikkelingen? De leden van de CDA-fractie roepen de
Minister op om de inzet van de commissie op het versterken van internationale rol
van de Euro proactief te blijven ondersteunen.
Het IMF publiceert per kwartaal gegevens over het gebruik van verschillende valuta
binnen het internationale financiële systeem. In het meest recente overzicht is het
aandeel van de euro als reservemunt in afgelopen periode toegenomen van 18,9% eind
2024 tot 20,3% in het derde kwartaal van 2025. Naar verwachting komt deze stijging
voornamelijk voort uit de appreciatie van de munt ten opzichte van de dollar. Het
aandeel van de dollar binnen de reserves is daarentegen iets afgenomen tot ongeveer
57% van het totaal. Daarmee blijft de dollar als reservemunt de dominante munt in
het internationale financiële systeem. Volgens het laatste ECB-rapport over de internationale
rol van de euro geldt dit ook op andere indicatoren voor internationale schuld, deposito’s
en transactiemiddel. Volgens gegevens van het IMF is ook te zien dat de Chinese Renminbi
over de afgelopen jaren ongeveer 2% van de aangehouden reserves uitmaakt. Dit aandeel
lijkt daarbij redelijk constant zonder duidelijke opwaartse trend. Hoewel China het
internationale gebruik van de Renminbi stimuleert, staan obstakels zoals strenge kapitaalcontroles
een groter internationaal gebruik in de weg.
Beleidsonzekerheid in de VS kan internationale investeerders ertoe aanzetten hun reserves
meer te diversifiëren, wat kan bijdragen aan een grotere internationale rol van de
euro. Deze beleidsonzekerheid maakt ook duidelijk dat afhankelijkheid van buitenlandse
valuta gepaard gaat met risico’s. Het kabinet onderschrijft mede hierom het belang
van het vergroten van de internationale rol van de euro. Het kabinet steunt een grotere
internationale rol voor de euro en zet zich ervoor in om, conform de gecommuniceerde
inzet in de geannoteerde agenda voor de Eurogroep en Ecofinraad van 16 en 17 februari
2026, dit te bereiken door het concurrentievermogen te versterken, handelsrelaties
uit te breiden, een stabiel en houdbaar economisch en begrotingsbeleid te voeren en
het belang van onafhankelijke instituties te onderstrepen.
De leden van de CDA-Fractie ondersteunen de kritische opstelling van het Kabinet met
betrekking tot de verantwoording van de EU-Begroting. Wederom geeft de Europese Rekenkamer
(ERK) een afkeurend oordeel over de verantwoording van de uitgaven in de EU-begroting.
Een dergelijk negatief advies is niet incidenteel, maar structureel. Deze leden vragen
of het klopt dat de grootste fouten worden gemaakt in verband met het EU-cohesiebeleid.
Kan de Minister toelichten wat daarvan volgens hem de oorzaken zijn en in welke landen
de hoogste foutenpercentages voorkomen?
Het hoogste foutenpercentage wordt inderdaad vastgesteld bij het cohesiebeleid (pijler
«Cohesie, veerkracht en waarden»), met een foutenpercentage van 5,7% in 2024 (2023:
9,3%). Dit is ruim boven de materialiteitsgrens van 2%. De fouten hangen vooral samen
met niet-subsidiabele kosten en projecten, schendingen van aanbestedings- en staatssteunregels
en ontbrekende bewijsstukken. Er is dus niet direct sprake van fraude. Daarnaast functioneren
nationale auditsystemen soms onvoldoende, waardoor fouten niet tijdig worden opgespoord
of gecorrigeerd. De hoge administratieve druk door de afronding van oude programma’s
en de start van nieuwe MFK-programma’s vergroot het risico. De ERK rapporteert geen
ranglijst per lidstaat.
Daarnaast constateren de leden van de CDA-fractie dat de Europese Commissie een andere
visie heeft met betrekking tot de methode voor het berekenen van het foutenpercentage
dan de ERK en daarmee Nederland. Kan de Minister aangeven waar het verschil in interpretatie
over de foutenpercentages tussen Nederland en o.a. de Europese Commissie vandaan komt?
Het verschil komt voort uit een andere methodologie en definitie van fouten. De Europese
Commissie rapporteert een zogeheten «risk at payment», waarbij alleen bedragen worden
meegeteld die naar verwachting niet meer kunnen worden gecorrigeerd via terugvordering
of correcties. De Europese Rekenkamer (ERK) hanteert een bredere benadering en beoordeelt
of uitgaven volledig voldoen aan alle toepasselijke wet- en regelgeving, ongeacht
of later nog financiële correcties mogelijk zijn. Daarnaast zit er een verschil in
de opzet van steekproeven en controlemoment. Hierdoor rapporteert de Commissie doorgaans
lagere percentages dan de ERK. Nederland steunt het onafhankelijke oordeel en de 2%-materialiteitsgrens
van de ERK.
De leden van de CDA-Fractie staan, gegeven bovenstaande, achter het besluit van het
kabinet om tegen het positieve dechargeadvies te stemmen. Wel vragen zij de Minister
om de aanbevelingen van de ERK kracht bij te zetten en aan te sturen op concrete verbeteringen.
Welke mogelijkheden ziet hij daartoe?
Het kabinet heeft ingezet op een Raadsaanbeveling die expliciet oproept tot opvolging
van de ERK-aanbevelingen, met duidelijke verbetermaatregelen en tijdslijnen. Nederland
heeft in deze discussie opgetrokken met gelijkgezinde lidstaten om een krachtig signaal
af te geven.
Ook vragen zij de Minister om te reflecteren op dit proces. De Minister lijkt zich
er in zijn brief bij neer te leggen dat er, ondanks de Nederlandse tegenstem, alsnog
een positief decharge advies komt. Om de financiële huishouding van de EU structureel
te verbeteren, roepen deze leden de Minister daarom op in het vervolg nog intensiever
op te trekken met gelijkgestemde landen.
Nederland heeft zich in de Raad krachtig en consistent uitgesproken over het te hoge
foutenpercentage en het belang van volledige opvolging van de aanbevelingen van de
Europese Rekenkamer (ERK). Daarbij is intensief opgetrokken met gelijkgestemde lidstaten.
Hoewel het uiteindelijke dechargeadvies naar verwachting positief wordt vastgesteld
via gekwalificeerde meerderheid, zijn diverse elementen van de Nederlandse inzet –
zoals nadruk op het materieel te hoge foutenpercentage en de noodzaak tot verbetermaatregelen
– in de Raadsaanbeveling opgenomen. Dat laat zien dat een kritische opstelling effect
kan hebben op de inhoud. Nederland zal zich ook in de toekomst actief blijven inzetten
om samen met gelijkgezinde landen de financiële beheersing van de EU-begroting structureel
te verbeteren.
De Leden van de CDA-fractie steunen de inzet van de Commissie m.b.t. financiële steun
voor Oekraïne. Het besluit om de komende twee jaar met 90 miljard aan leningen Oekraïne
te steunen is een grote en moedige stap. Zij kijken uit naar de appreciatie van de
achterliggende wetsvoorstellen vanuit de Commissie. Wel vragen deze leden hoe groot
de Minister het risico acht dat de rentelasten hoger zijn dan de zogenoemde headroom
in de MFK-begroting, in welk geval er mogelijk naar een nieuw instrument moet worden
gekeken. Zij vragen hoe dit er volgens de Minister uit zou kunnen zien.
De Kamer is op vrijdag 6 februari middels een Kamerbrief8 geïnformeerd over de Ukraine Support Loan. Het kabinet acht het risico dat de rentelasten hoger uitvallen dan de beschikbare
ruimte onder het Meerjarig Financieel Kader (MFK) op dit moment als beperkt. De Commissie
raamt de rentelasten voor de Ukraine Support Loan in 2027 op circa 1 miljard euro en verwacht deze binnen de bestaande MFK-plafonds
en beschikbare marges te kunnen dekken. Daarmee is inzet van het nieuwe instrument
volgens de huidige inzichten niet noodzakelijk. Tegelijkertijd zijn de totale rentelasten
onzeker, omdat deze afhankelijk zijn van marktrente, het tijdspad waarin de lening
wordt opgebouwd en de looptijd. Het kabinet volgt deze ontwikkeling daarom nauwgezet.
Nederland is terughoudend ten aanzien van het gebruik van (nieuwe) speciale instrumenten
en benadrukt dat eerst maximaal gebruik moet worden gemaakt van de ruimte binnen het
MFK en de bestaande speciale instrumenten. Een nieuw instrument ziet het kabinet voornamelijk
als uiterste backstop. De rentelasten vanaf 2028 worden betrokken bij de onderhandelingen
over het nieuwe MFK.
Ook merken deze leden op dat de IMF-berekening van de ongedekte financieringsnood
voor Oekraïne ervan uitgaat dat de oorlog nog dit jaar wordt beëindigd. Kan de Minister
een inschatting geven van de financieringsbehoefte van Oekraïne wanneer de oorlog
ook in en na 2027 voortduurt?
Waarschijnlijk besluit de IMF raad van bewind eind februari over het nieuwe IMF-programma.
Dan zal waarschijnlijk ook een nieuwe analyse van de financieringsbehoefte van Oekraïne
volgen. Naar verwachting bevat het nieuwe IMF-programma, net als het voorgaande, een
basis-scenario (waarin eind 2026 een staakt-het-vuren wordt bereikt) en een down-side scenario (waarin een staakt-het-vuren pas op een later moment bereikt). Een inschatting
van de financieringsbehoefte als de oorlog voortduurt kan pas gegeven worden na publicatie
van deze analyse. Ook dan blijven deze inschattingen echter wel met veel onzekerheid
omgeven.
De leden van de CDA-fractie zien dat de herstel- en veerkrachtplannen (HVP) worden
besproken en maken van deze gelegenheid gebruik om de voortgang op de Nederlandse
HVP aan te kaarten. De onderliggende Kamerbrief maakt melding dat de grootste uitdagingen
liggen bij 3 vertraagde wetstrajecten te weten de Wet versterking regie volkshuisvesting
(Wet Regie), Wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar)
en Wet Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen (BAZ). Tijdige Kamerbehandeling
is hierin cruciaal en dit is dan ook de inzet van de CDA-fractie. Toch wordt er in
de Kamerbrief een aanzienlijk risico genoemd dat de HVP-deadline niet gehaald wordt.
In de voorliggende agenda ligt een wijzing voor ten aanzien van het HVP van Litouwen
op basis van artikel 21 van de HVP-verordening. Kan de Minister aangeven of een dergelijke
wijzing voor de Nederlandse situatie meer ademruimte zou kunnen geven?
Lidstaten kunnen onder artikel 21 van de HVF-verordening inderdaad hun herstel- en
veerkrachtplan aanpassen als deze op grond van objectieve omstandigheden deels of
in zijn geheel niet langer te verwezenlijken is. Politieke omstandigheden worden in
dit kader niet aangemerkt als objectieve omstandigheid. Voorbeelden van objectieve
omstandigheden zijn bijvoorbeeld hogere kosten door inflatie, vertragingen in de toeleveringsketen
of als er een beter alternatief om het doel van te maatregel te realiseren voor handen
is. Hierbij mag de aanpassing het ambitieniveau van een plan niet verlagen. Nederland
heeft reeds van de mogelijkheid gebruik gemaakt om het HVP te wijzigen, onder meer
om meer ademruimte te creëren door de bovengenoemde vertraagde wetgevingstrajecten
te verplaatsen naar het laatste betaalverzoek. Gezien de deadline van de HVF, waarbij
de mijlpalen en doelstellingen allemaal uiterlijk eind augustus 2026 afgerond dienen
te zijn, is verder verplaatsen geen optie.
Kan de Minister daarnaast inzicht geven in de financiële consequenties van het niet
behalen van de Nederlandse HVP-doelstellingen?
Indien alle bovengenoemde wetgevingstrajecten niet tijdig doorgang vinden en zodoende
alle bijbehorende mijlpalen niet behaald worden, dan bestaat er voor Nederland een
financieel risico oplopend tot ca. € 2,4 mld. De inzet blijft om deze financiële consequentie
af te wenden door in samenwerking met uw Kamer zorg te dragen voor tijdige behandeling
van voorliggende wetsvoorstellen.
Ten aanzien van defensie-investeringen lezen de leden van de CDA-fractie dat inmiddels
17 lidstaten zich hebben gemeld voor de ontsnappingsclausule voor defensiefinanciering
en dat 19 lidstaten een plan hebben ingediend voor het gebruik van SAFE leningen.
Deze leden vragen wat het volgens de Minister zegt dat zoveel lidstaten gebruik maken
van deze instrumenten, en wat dit voor gevolgen kan hebben voor de nationale begrotingen.
De nationale ontsnappingsclausule (National Escape Clause; NEC) voor defensie-uitgaven binnen de bestaande regels van het Stabiliteits- en
Groeipact (SGP) en het Veiligheidsactie voor Europa-instrument (Security Action for Europe through the reinforcement of European defence industry
instrument; SAFE) kunnen lidstaten tijdelijk en gericht ondersteunen in het verhogen van hun
defensie-uitgaven op korte termijn.
Lidstaten mogen bij activatie van de nationale ontsnappingsclausule voor defensie-uitgaven
gedurende de periode 2025–2028 afwijken van het door de Raad vastgestelde (correctieve)
uitgavenpad wanneer dit het gevolg is van een toename van defensie-uitgaven t.o.v.
2021, tot een maximum van 1,5% bbp. De defensie-uitgaven worden wel meegerekend in
het begrotingstekort en de overheidsschuld en dienen na het aflopen van de nationale
ontsnappingsclausule ingepast te worden in nationale begrotingen. Dit kan mogelijk
leiden tot een grotere begrotingsopgave om aan de vereisten van het SGP te voldoen
na het aflopen van de nationale ontsnappingsclausule. Het feit dat 17 lidstaten een
aanvraag hebben ingediend voor activatie van de NEC, laat zien dat zij op korte termijn
aanvullende bestedingsruimte nodig achten om defensie-investeringen in te passen in
hun begroting. Daarmee is er tijd om andere uitgaven te verlagen of inkomsten te verhogen.
SAFE-leningen worden meegerekend in het begrotingstekort en de overheidsschuld van
de lidstaten die de lening aangaan. Daarmee blijven ze onderdeel van de normen voor,
en monitoring van, schuldhoudbaarheid onder het SGP. Indien lidstaten gebruik maken
van de nationale ontsnappingsclausule onder het SGP, zullen uitgaven gefinancierd
met leningen onder het SAFE-instrument meetellen onder de maximale toename van de
defensie-uitgaven waarvoor de ontsnappingsclausule geldt. Lidstaten die gebruikmaken
van de SAFE-leningen zijn zelf verantwoordelijk voor de terugbetaling daarvan, inclusief
de rentelasten. De rente op SAFE-leningen is voor sommige lidstaten lager dan de rente
die zij zelf betalen op de kapitaalmarkt. Het feit dat 19 lidstaten een aanvraag hebben
ingediend voor een SAFE-lening laat zien dat zij gebruik willen maken van additionele
financiering voor defensie-uitgaven binnen de voorwaarden die SAFE hieraan stelt,
het mogelijke rentevoordeel en dat zij SAFE als middel zien om op korte termijn defensiematerieel
aan te schaffen en gezamenlijke aanbestedingen te bevorderen.
Ook vragen zij of het klopt dat er meer leningen zijn aangevraagd dan dat er geld
beschikbaar is binnen SAFE. Hoe staat de Minister tegenover uitbreiding van SAFE en
welke risico’s ziet de Minister hierin?
Op basis van voorlopige informatie van de Europese Commissie over de bijgestelde allocatie
van SAFE-leningen is er vooralsnog geen indicatie dat er voor een groter bedrag leningen
zijn aangevraagd dan het vastgestelde maximale bedrag van 150 miljard euro. Op dit
moment is er dan ook geen voorstel voor uitbreiding van SAFE.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor
de Eurogroep/Ecofinraad van 16 en 17 februari 2026. Zij hebben een aantal vragen en
opmerkingen.
Decharge EU-begroting
De leden van de fractie van JA21 hebben kennisgenomen van de Raadsaanbeveling inzake
de dechargeverlening aan de Europese Commissie over de EU-begroting 2024 en van het
jaarverslag van de Europese Rekenkamer. Deze leden constateren dat het foutenpercentage
weliswaar is gedaald, maar nog altijd boven de materialiteitsgrens ligt en dat de
Rekenkamer opnieuw een afkeurend oordeel geeft. Deze leden steunen het kabinetsvoornemen
om tegen het dechargeadvies te stemmen. Kan de Minister aangeven met welke gelijkgezinde
lidstaten Nederland hierin optrekt en of hij bereid is deze kritische houding ook
expliciet te verbinden aan de bredere discussie over toekomstige EU-uitgaven, leningen
en begrotingsdiscipline?
Nederland heeft zich in de Raad krachtig en consistent uitgesproken over het te hoge
foutenpercentage en het belang van volledige opvolging van de aanbevelingen van de
Europese Rekenkamer (ERK). Daarbij is intensief opgetrokken met gelijkgestemde lidstaten
en naar verwachting zullen drie andere gelijkgestemde lidstaten tegen het dechargeadvies
stemmen. Nederland zal zich ook in de toekomst actief blijven inzetten om samen met
gelijkgezinde landen de financiële beheersing van de EU-begroting structureel te verbeteren.
Deze leden wijzen daarbij in het bijzonder op de waarschuwing van de Rekenkamer over
de toenemende last van EU-leningsverplichtingen en de gevolgen daarvan voor toekomstige
EU-begrotingen met het oog op de volgende MFK-periode vanaf 2028. Kan de Minister
aangeven hoe het kabinet deze risico’s weegt, en deelt de Minister de opvatting dat
dit vraagt om striktere begrotingsdiscipline en om het inperken van de vrije bestedingsruimte
van de Commissie (de headroom) bij de vormgeving van het nieuwe MFK?
In de huidige MFK-periode is er sprake geweest van hogere rente-uitgaven dan vooraf
verwacht, met name voor de rentebetalingen van het NGEU-instrument, waardoor het noodzakelijk
was om hiervoor bij de herziening van het MFK ruimte vrij te maken. In het voorstel
voor het volgende MFK zijn de rentebetalingen in het kader van NGEU onder de MFK-plafonds
geplaatst. Omdat bij aanvang van het volgend MFK alle middelen in het kader van NGEU
zijn uitgekeerd aan de lidstaten, kan een goede inschatting gemaakt worden van de
rentekosten. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 12 september jl.9 over het volgende MFK is Nederland geen voorstander van de voorgestelde nieuwe leeninstrumenten
en daarom ook niet van de voorgestelde verhoging van de «headroom» met 0,25% bni die
de Commissie hiervoor voorstelt. Daarbij dient wel opgemerkt te worden dat enige ruimte
in de headroom nodig blijft, vanwege het belang dat deze heeft voor de kredietwaardigheid
van de reeds uitstaande garanties en leningen van de Unie. Het kabinet zal zich daarnaast
uiteraard blijven inzetten in de MFK-onderhandelingen voor goede begrotingsdiscipline.
Het is overigens niet zo dat de headroom vrije bestedingsruimte betreft. De headroom
dient als garantie dat de Unie aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen. Er kunnen
geen beleidsuitgaven worden gedaan boven de MFK-plafonds.
Economische en financiële impact van de Russische agressie tegen Oekraïne
De leden van de JA21-fractie merken op dat de leningen alleen worden terugbetaald
indien Rusland herstelbetalingen verricht, een scenario waarvan het hoogst onzeker
is of en wanneer dit zich zal voordoen. Kan de Minister aangeven of het kabinet er
realistisch gezien van uitgaat dat deze leningen ooit volledig worden terugbetaald,
en hoe hiermee rekening wordt gehouden in de ramingen van toekomstige EU-uitgaven
en Nederlandse afdrachten? Deze leden constateren dat voor 2027 de rentekosten worden
geraamd op circa 1 miljard euro, oplopend tot gemiddeld 3 miljard euro per jaar vanaf
2028, met in een ongunstig scenario zelfs hogere bedragen. Kan de Minister toelichten
wat deze scenario’s concreet betekenen voor Nederland, met name indien de headroom
van het MFK ontoereikend blijkt en een aanvullend instrument noodzakelijk zou worden?
Zie ook eerdere beantwoording op vraag van de PVV-fractie. Voor Nederland leidt de
Ukraine Support Loan niet tot directe uitgaven, maar tot een voorwaardelijke garantie via de headroom onder het eigenmiddelenplafond. De budgettaire verwerking van deze garantie vindt
plaats op artikel 4 (internationale financiële betrekkingen) van de begroting van
het Ministerie van Financiën en wordt opgenomen bij de suppletoire begroting. De rentelasten
van de EU-leningen komen ten laste van de EU-begroting. Indien deze lasten niet binnen
het MFK kunnen worden opgevangen, kan dit leiden tot hogere afdrachten van lidstaten.
Voor Nederland bedraagt het maximale geraamde budgettaire risico in 2027 circa 66 miljoen euro.
De rentelasten vanaf 2028 worden betrokken bij de onderhandelingen over het nieuwe
MFK.
De leden van de JA21-fractie merken op dat Tsjechië, Hongarije en Slowakije hebben
bedongen niet bij te dragen aan deze leningconstructie. Kan de Minister toelichten
waarom Nederland hier niet voor heeft gekozen en of het kabinet heeft overwogen een
vergelijkbare uitzondering te bedingen gezien de potentiële budgettaire risico’s?
De veiligheid en toekomst van Oekraïne staan op het spel, en daarmee de gehele veiligheid
van Europa en Nederland. Juist nu is het van belang om Oekraïne te blijven steunen.
Voor een duurzame en rechtvaardige vrede is het noodzakelijk dat Oekraïne vanuit een
positie van kracht kan onderhandelen. Onverminderde en actieve Europese en Nederlandse
steun blijft essentieel: in tijden van oorlog, herstel en wederopbouw. Het kabinet
steunt daarom de Ukraine Support Loan voor Oekraïne en is bereid de budgettaire gevolgen daarvan te dragen. Eerlijke lastendeling
is daarbij altijd onderdeel geweest van de inzet van het kabinet als signaal van eenheid
onder Europese lidstaten en steun voor Oekraïne. Het bedingen van een uitzondering
op de Ukraine Support Loan past niet binnen de onverminderde steun van dit kabinet voor Oekraïne.
Daarnaast vragen deze leden wat de concrete budgettaire gevolgen zijn van deze opt-outs
voor de deelnemende lidstaten. Kan de Minister inzichtelijk maken in hoeverre de rentelasten
en eventuele aflossingsverplichtingen voor de deelnemende landen toenemen als gevolg
van het feit dat een deel van de lidstaten niet meebetaalt?
De opt-outs van enkele lidstaten betekenen dat zij niet deelnemen aan de Ukraine Support Loan en daardoor geen financiële risico’s lopen uit hoofde van deze lening. De rentelasten
en eventuele aflossingsverplichtingen worden volledig gedragen door de deelnemende
lidstaten. Voor deze landen, waaronder Nederland, leidt dit ertoe dat het aandeel
in de lasten iets hoger uitvalt dan het reguliere bni-aandeel binnen de EU. Concreet
stijgt het Nederlandse aandeel van circa 6,4% naar ongeveer 6,6%.
Economisch herstel in Europa: uitvoeringsbesluiten van de Raad onder de Herstel- en
Veerkrachtfaciliteit (HVF)
De leden van de JA21-fractie constateren dat Nederland het risico loopt om circa € 2,4 miljard
aan middelen uit het Herstel- en Veerkrachtplan mis te lopen indien niet tijdig aan
alle voorwaarden wordt voldaan. Hoe schat de Minister de kans in dat Nederland alle
resterende hervormingen tijdig zal afronden?
Het antwoord is samengevoegd met het antwoord op onderstaande vraag.
Kan de Minister per hervorming aangeven waar de grootste knelpunten zitten en hoe
groot het risico is dat (delen van) de middelen verloren gaan?
Zoals in de brief aan de Kamer van 26 januari 2026 is aangegeven liggen bij de afronding
van het HVP de grootste uitdagingen bij drie wetgevingstrajecten die onderdeel zijn
van het HVP. De voortgang van deze drie wetgevingsvoorstellen is vertraagd, waardoor
er een aanzienlijk risico is dat de HVP-deadline niet gehaald gaat worden. Het betreft
de voorstellen voor de Wet Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen (BAZ),
de Wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) en de
Wet versterking regie volkshuisvesting (Wet Regie). Daarnaast is een mijlpaal die
ziet op het ontwerpbesluit procedurele versnellingen elektriciteitsprojecten afhankelijk
van de tijdige publicatie van de Wet Regie. Deze hervormingen dienen op zijn laatst
op 31 augustus 2026 gepubliceerd te zijn in het Staatsblad.
Ten aanzien van de BAZ heeft de Raad van State recent een advies uitgebracht. Op grond
van dit advies wordt het wetsvoorstel nu voorbereid om aan de Tweede Kamer gezonden
te worden. Dit zal zo spoedig mogelijk gebeuren, waarna tijdige parlementaire behandeling
van belang is.
Het HVP bevat een mijlpaal betreffende de publicatie en inwerkingtreding van de wet
Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). In het coalitieakkoord
Aan de slag wordt voorgesteld om van het Vbar-wetsvoorstel te splitsen, rekening houdend met
het tijdspad van Europese verplichtingen, waarbij wordt begonnen met het invoeren
van een rechtsvermoeden van werknemerschap, waarna het overgebleven deel van Vbar
vervalt en wordt vervangen door de Zelfstandigenwet. De invulling van de mijlpaal
dient nog met de Commissie te worden besproken, maar tijdige parlementaire behandeling
blijft ook bij deze benadering thans van groot belang.
De Wet versterking regie volkshuisvesting en aanhangende AMvB vergunningsprocedures
voor elektriciteitsprojecten zijn vertraagd doordat er een novelle nodig was ter reparatie
van niet uitvoerbare of juridisch niet-houdbare amendementen. De wet ligt momenteel
in de Tweede Kamer en kan in principe tijdig worden gepubliceerd bij spoedige parlementaire
behandeling. De wet staat geagendeerd voor het wetgevingsoverleg op 2 maart. Ook bij
dit wetsvoorstel kan verdere vertraging niet worden gepermitteerd in de tijdslijn
van het HVP.
Wat zijn de budgettaire consequenties indien Nederland deze middelen niet ontvangt?
Indien alle bovengenoemde wetgevingstrajecten niet tijdig doorgang vinden en zodoende
alle bijbehorende mijlpalen niet behaald worden, dan bestaat er voor Nederland een
financieel risico oplopend tot ca. € 2,4 mld. De inzet blijft om deze financiële consequentie
af te wenden door in samenwerking met uw Kamer zorg te dragen voor tijdige behandeling
van voorliggende wetsvoorstellen.
Is de Minister voornemens hier in de Voorjaarsnota op realistische wijze rekening
mee te houden?
Zoals aangegeven zet het kabinet zich in om alle voor Nederland gealloceerde middelen
binnen te halen. Een aantal mijlpalen staat echter onder druk. Dit kan er uiteindelijk
toe leiden dat Nederland minder middelen zal ontvangen. Er is echter nog tot eind
augustus 2026 de mogelijkheid om de HVP-mijlpalen af te ronden. Daarna zal de Europese
Commissie een besluit nemen. Het kabinet blijft u regelmatig informeren over de voortgang
van het HVP.
De leden van de JA21-fractie wijzen er voorts op dat Nederland per saldo een nettobetaler
is aan de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit. Kan de Minister aangeven wat er gebeurt
met middelen die niet worden benut?
Voor de financiering van de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF) leent de Europese
Commissie namens de Europese Unie middelen op de kapitaalmarkt. Zij doet dit gedurende
de looptijd van de HVF en naar gelang de financieringsbehoefte. Als een deel van het
HVF-budget uiteindelijk niet wordt benut, hoeft de Europese Commissie voor dit deel
geen middelen te lenen op de kapitaalmarkt.
En is de Minister bereid zich in te zetten voor het uitgangspunt dat niet-benutte
middelen terugvloeien naar netto-betalers?
Als een deel van het HVF-budget uiteindelijk niet wordt benut, hoeft de Europese Commissie
voor dit deel geen middelen te lenen op de kapitaalmarkt. Er is dus geen sprake van
het terugvloeien van middelen naar netto-betalers.
Informatiepunt SAFE
De leden van de JA21-fractie constateren dat negentien lidstaten hebben ingetekend
op SAFE-leningen voor een bedrag van circa € 190 miljard, terwijl het afgesproken
plafond € 150 miljard bedraagt. Deze leden nemen kennis van berichtgeving dat wordt
gesproken over een mogelijke uitbreiding van SAFE of een nieuwe leenronde. Deze leden
zijn tegen een uitbreiding of nieuwe ronde van SAFE en vinden dat moet worden vastgehouden
aan het afgesproken plafond van € 150 miljard. Kan de Minister bevestigen dat Nederland
deze lijn hanteert en zich actief zal verzetten tegen voorstellen om SAFE te verruimen?
Op basis van voorlopige informatie van de Europese Commissie over de bijgestelde allocatie
van SAFE-leningen is er vooralsnog geen indicatie dat er voor een groter bedrag leningen
zijn aangevraagd dan het vastgestelde maximale bedrag van 150 miljard euro. Op dit
moment is er dan ook geen voorstel voor uitbreiding van SAFE.
Deze leden wijzen er daarbij op dat de Kamer met de aangenomen motie met Kamerstuk
36 800 V, nr. 62 (Hoogeveen/Stoffer) de regering heeft verzocht zich actief te verzetten tegen iedere
stap richting structurele gezamenlijke EU-schulduitgifte. Kan de Minister toelichten
hoe hij deze motie concreet uitvoert in het kader van de discussie over een mogelijke
verruiming of nieuwe ronde van SAFE?
Lidstaten zijn primair zelf verantwoordelijk voor hun begroting. Nederland staat daarom
niet garant voor de nationale schulden van andere landen, waarvan sprake zou zijn
bij Eurobonds. Nederland is daarnaast tegen het structureel financieren van beleidsuitgaven
binnen de EU-begroting door middel van gemeenschappelijke schulduitgifte door de EU.
Dit is ook niet in lijn met het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Nederland heeft eerder wel ingestemd met – door gemeenschappelijke schulduitgifte
gefinancierde – instrumenten die bedoeld waren voor uitzonderlijke en onvoorziene
situaties en werden gegarandeerd uit de headroom. Het ging daarbij in alle gevallen
om leningen, met uitzondering van het subsidiedeel van het herstelinstrument NGEU.
Recente voorbeelden zijn SAFE en leningen aan Oekraïne. Ook bij een eventuele verruiming
of nieuwe ronde van SAFE is er nog steeds sprake van inspelen op een uitzonderlijke
en onvoorziene situatie, en gaat het om gemeenschappelijke schulduitgifte ten behoeve
van leningen, niet beleidsuitgaven (giften).
De leden van de fractie van JA21 hebben daarnaast kennisgenomen van de berichtgeving
van Politico waarin de Franse president Macron een pleidooi houdt vóór eurobonds.
Hoe ziet de Minister de genoemde motie Hoogeveen/Stoffer in het licht van dit voorstel
van president Macron?
President Macron heeft gepleit voor meer gemeenschappelijke uitgifte van schuld door
de EU ten behoeve van strategische investeringen in specifieke sectoren. Zoals hiervoor
opgemerkt is Nederland tegen het structureel financieren van beleidsuitgaven binnen
de EU-begroting door middel van gemeenschappelijke schulduitgifte door de EU. Daarvan
lijkt in het voorstel van president Macron wel sprake.
Kan toegezegd worden dat het kabinet de wens van de Kamer uitvoert en Nederlandse
steun uitsluit voor gezamenlijke EU-leningen voor investeringen in bijvoorbeeld de
duurzame transitie, zoals wordt betoogd door de Franse president?
Uitgaande van wat nu bekend is over het voorstel van president Macron, lijkt dit betrekking
te hebben op gemeenschappelijke schulduitgifte ten behoeve van beleidsuitgaven binnen
de EU-begroting. Dat steunt het kabinet niet.
Uitsluitend indien desondanks toch voorstellen tot uitbreiding of een nieuwe ronde
aan de orde komen, vragen deze leden of de Minister bereid is zich in te zetten voor
strengere voorwaarden.
Nederland heeft zich bij het tot stand komen van SAFE ingezet voor waarborgen gericht
op tijdelijkheid, gerichtheid, schuldhoudbaarheid en financiële stabiliteit. Op dit
moment is er geen voorstel voor uitbreiding van SAFE.
Kan de Minister toezeggen dat Nederland in dat geval zal pleiten voor het uitgangspunt
dat alleen lidstaten die voldoen aan het Stabiliteits- en Groeipact in aanmerking
komen voor SAFE-leningen, en dat lidstaten met een buitensporig begrotingstekort of
een onhoudbare schuldpositie worden uitgesloten?
In lijn met de Nederlandse inzet bevat het SAFE-instrument waarborgen voor schuldhoudbaarheid,
doordat de leningen die lidstaten aangaan worden meegerekend in het tekort en de schuld
van de lidstaten. Daarmee blijven ze onderdeel van de normen voor, en monitoring van,
schuldhoudbaarheid onder het Stabiliteits- en Groeipact. Op dit moment is er geen
voorstel voor uitbreiding van SAFE.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda
van de vergaderingen van de Eurogroep en de Ecofinraad op 16 en 17 februari 2026.
Hier hebben deze leden enkele vragen over.
Eurozone aanbeveling 2026
De Minister geeft aan dat een van de Nederlandse prioriteiten de voortgang van de
kapitaalmarktunie is. Kan de Minister aangeven hoe deze waakt voor het (on)bedoeld
invoeren van Eurobonds in het kader de kapitaalmarktunie?
Het kabinet is voorstander van verdere integratie van sterke, geïntegreerde kapitaalmarkten
zoals uiteengezet in de kabinetsinzet Kapitaalmarktunie. Het Europese concurrentievermogen
staat onder druk en er is sprake van sterk achterblijvende productiviteitsgroei. Verdieping
en integratie van de Europese kapitaalmarktunie is daarom van essentieel belang. Het
kabinet ziet eurobonds als het op structurele basis gemeenschappelijk financieren
van elkaars begrotingstekorten en overheidsschulden. Het kabinet is hiervan geen voorstander
en waakt voor het invoeren hiervan zoals eerder ook uiteengezet in de beantwoording
op Kamervragen VSO Eurogroep-Ecofinraad oktober 2024.
Decharge EU-begroting
Kan de Minister aangeven of de Europese Rekenkamer (ERK) ooit positief heeft geoordeeld
over een EU-begroting? Kan de Minister een tijdlijn verstrekken met de oordelen van
de ERK over de jaren heen?
De Europese Rekenkamer (ERK) heeft nog nooit een goedkeurend oordeel afgegeven over
de wettigheid en regelmatigheid van de EU-uitgaven als geheel. Sinds de invoering
van de huidige controleaanpak in 1994 geeft de ERK jaarlijks een goedkeurend oordeel
over de betrouwbaarheid van de rekeningen en doorgaans ook over de ontvangsten, maar
over de uitgaven wordt structureel een oordeel met beperking of een afkeurend oordeel
afgegeven vanwege een foutenpercentage boven de materialiteitsgrens van 2%.
Hoe vaak is er door een gekwalificeerde meerderheid decharge verleend, ondanks een
negatief oordeel van de ERK?
Sinds de invoering van de huidige controleaanpak heeft de Europese Rekenkamer (ERK)
nooit een volledig goedkeurend oordeel over de EU-uitgaven afgegeven. Desondanks heeft
de Raad in al die jaren – met gekwalificeerde meerderheid – een positief dechargeadvies
aan het Europees Parlement vastgesteld.
Kan de Minister tevens aangeven hoe vaak er door een gekwalificeerde meerderheid van
de Raad geen decharge is verleend voor de EU-begroting?
Het Europees Parlement verleent de daadwerkelijke decharge aan de Europese Commissie
over de uitvoering van de Europese begroting. Het is in de geschiedenis twee maal
voorgekomen dat het Europees Parlement de Commissie geen decharge verleende. Dit was
in 1984 en in 1998. Het ging destijds om meer dan alleen de EU-begroting. In 1998
kende de Commissie Santer diverse corruptieschandelen, fraudegevallen en intern mismanagement,
wat uiteindelijk leidde tot het aftreden van deze Commissie.
Wat zijn de consequenties (juridisch, financieel, anderszins) voor Nederland indien
er geen decharge wordt verleend?
Indien geen decharge wordt verleend, heeft dit geen directe juridische consequenties
voor Nederland: de uitvoering van de EU-begroting en de afdrachten van lidstaten lopen
gewoon door. Financieel verandert er op korte termijn ook niets aan de Nederlandse
bijdrage aan de EU-begroting. Politiek en bestuurlijk is het signaal echter aanzienlijk,
omdat het wijst op onvoldoende vertrouwen in de rechtmatigheid en doelmatigheid van
de EU-uitgaven.
De leden van de Groep Markuszower verzoeken de Minister om een overzicht te verstrekken
van de foutpercentages per land vanaf de eerste EU-begroting tot op heden. Kan de
Minister, in de loop van de tijd, een patroon ontwaren van landen met structureel
hoge foutpercentages?
De Europese Rekenkamer (ERK) rapporteert geen ranglijst per lidstaat en daarom kan
er geen overzicht gegeven worden van de foutenpercentages per land.
De leden van de Groep Markuszower merken op dat de ERK een stijgende trend in de financiële
impact van onregelmatigheden ontwaart aangaande de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit
(HVF). Voorts waarschuwen de auditors dat tegen 2027 de uitstaande EU-leningen meer
dan 900 miljard kunnen bedragen. Kan de Minister aangeven welke risico's hij signaleert
aangaande de stijgende trend en welke mitigerende maatregelen worden genomen om toekomstige
onregelmatigheden tegen te gaan?
De combinatie van hoge uitgaven, complexe voorwaarden en resultaatgerichte financiering
vergroot de kans op fouten en ontoereikende controles. Daarnaast leiden de oplopende
EU-leningen en rentelasten tot budgettaire risico’s voor toekomstige EU-begrotingen
en indirect voor lidstaten. Ter mitigatie zet Nederland in op strengere controle-
en auditmechanismen, een scherpere opvolging van aanbevelingen van de Europese Rekenkamer
en verbeterde transparantie in de verantwoording. Ook wordt gepleit voor vereenvoudiging
van regels en versterking van nationale controlesystemen. Tot slot benadrukt Nederland
het belang van prudent begrotingsbeleid en het beperken van verdere schuldopbouw binnen
de EU.
Kan de Minister een overzicht verstrekken van de toename van de gezamenlijke schuld
in de Europese Unie in de loop van de afgelopen dertig jaar?
In het verslag van het schriftelijk overleg van 19 januari 202610 is een overzicht gegeven van alle gemeenschappelijke schulduitgifte door de EU en
eurozone landen.
Terugkijkend over een langere tijdshorizon was de gezamenlijke uitgifte van schuld
aanvankelijk beperkt tot incidentele hulp aan lidstaten, vanaf 1988 in de vorm van
de «Balance of Payments facility» waarbij lidstaten financiële steun konden krijgen
voor de betalingsbalans. Vanaf 2002 werd dit instrument alleen beschikbaar voor lidstaten
buiten de Eurozone.
Vervolgens is in reactie op de financiële crisis het Europees Financieel Stabiliteitsmechanisme
(EFSM) en de tijdelijke Europese Financiële Stabiliteitsfaciliteit (EFSF) opgericht,
die werd opgevolgd door het permanente Europese Stabiliteitsmechanisme (ESM) voor
eurolanden. Het EFSF en ESM zijn ook vormen van gemeenschappelijke schulden, maar
zijn vormgegeven buiten de EU-verdragen. Daarnaast bestaat al langer de macro-financiële
bijstand (MFB) voor nabuurlanden.
In reactie op de COVID-19 pandemie zijn het SURE-instrument en het herstelinstrument
Next Generation EU (NGEU) opgericht. Sinds 2022 zijn daar het instrument SAFE11; de hervormings- en groeifaciliteiten voor respectievelijk de Westelijke Balkan en
Moldavië; macro-financiële bijstand plus (MFB+) voor Oekraïne; de Oekraïne faciliteit;
en meest recent het politiek overeengekomen leeninstrument voor Oekraïne bijgekomen.
Bij al deze instrumenten gaat het om leningen die de Unie doorleent aan lidstaten
of derde landen, met uitzondering van het subsidiegedeelte van NGEU.
Onderstaande tabel geeft een overzicht van alle instrumenten die met gemeenschappelijke
schulduitgifte worden gefinancierd, op basis van het contingent liabilities report12 van de Europese Commissie per 31-12-2024. Voor SAFE en het recente leeninstrument
voor Oekraïne zijn er nog geen uitstaande leningen. Voor de uitstaande leningen en
betalingen uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit, die het leeuwendeel vormt van
het herstelinstrument NGEU is de meest recente stand te vinden op de website van de
Europese Commissie.13
Tabel: overzicht van instrumenten die met gemeenschappelijke schulduitgifte worden
gefinancierd (op basis van het contingent liabilities report van de Europese Commissie, stand per 31-12-2024)
Instrument
Maximale leencapaciteit (mrd. euro)
Uitstaand (mrd. euro)
EFSM
45
42
EFSF
240
186
ESM
500
83
Betalingsbalansfaciliteit
50
0
SURE
100
98
NGEU leningen
292
155
NGEU subsidiedeel
421
238
MFB+ Oekraïne
18
18
Oekraïne Faciliteit
33
13
MFB*
16
Groeifaciliteit Westelijke Balkan*
4
–
Groeifaciliteit Moldavië*
2
–
SAFE
150
–
Leeninstrument Oekraïne
90
–
Mondiale onevenwichtigheden en mogelijke herlancering in de context van geo-economische
risico’s
De leden van de Groep Markuszower constateren dat het kabinet overschotten en tekorten
ziet als een mogelijke uiting van binnenlandse onevenwichtigheden. Kan de Minister
aangeven hoe hij de lopende rekening van Nederland in dit licht beschouwt, deze kent
immers al decennia een overschot?
Nederland heeft structureel een lopende rekening overschot van rond de 10%. Het IMF
beoordeelt het Nederlandse overschot in het External Sector Report14 als substantially stronger than fundamentals. Daar liggen inderdaad deels binnenlandse kenmerken aan ten grondslag, zoals relatief
hoge besparingen van het bedrijfsleven, een vergrijzende bevolking en een relatief
omvangrijk pensioenstelsel. Een studie van DNB uit 201915 laat zien dat het Nederlandse overschot op de lopende rekening, ofwel het spaaroverschot,
voornamelijk wordt gedreven door besparingen van niet-financiële bedrijven. Zowel
de in Nederland gevestigde (veelal beursgenoteerde) multinationals als het midden-
en kleinbedrijf sparen in internationaal perspectief veel. Verder is de Nederlandse
economie relatief concurrerend binnen de eurozone, terwijl de wisselkoers de competitiviteit
van de eurozone als geheel weerspiegelt. Dat bevordert onze export mogelijk.
Implementatie van het Europees begrotingsraamwerk: defensiefinanciering
De leden van de Groep Markuszower constateren dat de Commissie op 19 maart 2025 heeft
voorgesteld om de nationale ontsnappingsclausule binnen de Europese begrotingsregels
tijdelijk en gericht te activeren, met als doel om nationale defensie-uitgaven op
korte termijn te verhogen. Zeventien landen hebben een aanvraag ingediend voor activatie
van de nationale ontsnappingsclausule, voor zestien landen is het reeds goedgekeurd.
Kan de Minister aangeven welke overwegingen er voor Nederland zijn om al dan niet
een aanvraag voor activatie in te dienen, wat zijn de voordelen dan wel nadelen?
Nederland heeft geen aanvraag gedaan voor activatie van de nationale ontsnappingsclausule,
met de gedachte dat een structurele toename in defensie-uitgaven structureel moet
worden ingepast binnen de begroting. Hierdoor worden er geen rekeningen doorgeschoven
naar toekomstige generaties. Daarbij schrijft het Nederlandse trendmatig begrotingsbeleid
ook voor dat additionele intensiveringen ingepast dienen te worden binnen de afgesproken
budgettaire kaders. Bij activatie van de nationale ontsnappingsclausule wordt de toename
in defensie-uitgaven (ten opzichte van 2021, met een maximum van 1,5% bbp) uitgezonderd
van het netto uitgavenpad. Nederland zou echter ook na activatie waarschijnlijk niet
voldoen aan het door de Raad aanbevolen uitgavenpad. Bij het besluit geen aanvraag
te doen is relevant dat het kabinet in de raming van het Centraal Planbureau de gehele
kabinetsperiode binnen de Europese referentiewaarden voor het begrotingstekort (3%
bbp) en de schuld (60% bbp) blijft. Zolang dit het geval is kunnen de Europese Commissie
en de Raad geen handhavingsmaatregelen opleggen.
Herstel- en Veerkrachtplan (HVP)
De leden van de Groep Markuszower merken op dat op 31 augustus 2026 uiterlijk hervormingen
doorgevoerd moeten worden in het kader van het HVP. De Minister voorziet aangaande
drie wetgevingstrajecten een aanzienlijk risico op het missen van de deadline. Kan
de Minister een per wetsvoorstel een concrete inschatting van de potentiële derving,
indien Nederland de deadline niet haalt?
Met deze drie genoemde wetgevingstrajecten zijn 5 mijlpalen gemoeid. De Europese Commissie
bepaalt de korting volgens een vastgestelde methodologie. Naar verwachting kan de
korting voor NL oplopen tot 600 mln. EUR per mijlpaal of doelstelling voor al van
deze genoemde hervormingen, gezien hun relevantie voor de landspecifieke aanbevelingen.
Met de voorlopige goedkeuring van het derde betaalverzoek heeft Nederland van de € 5,4 mld.
aan HVF-middelen nog € 2,4 mld. te behalen. Er bestaat dus voor Nederland een financieel
risico van ca. € 2,4 mld. indien alle bovengenoemde wetgevingstrajecten in zijn geheel
niet voor 31 augustus worden behaald of vervangen door een minstens zo ambitieus alternatief.
Kan de Minister aangeven wat er gebeurt met niet uitbetaalde middelen?
Voor de financiering van de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF) leent de Europese
Commissie namens de Europese Unie middelen op de kapitaalmarkt. Zij doet dit gedurende
de looptijd van de HVF en naar gelang de financieringsbehoefte. Als een deel van het
HVF-budget uiteindelijk niet wordt benut, hoeft de Europese Commissie voor dit deel
geen middelen te lenen op de kapitaalmarkt.
Economische en financiële impact van de Russische agressie tegen Oekraïne
De leden van de Groep Markuszower vernemen graag welke «financing assurences» door
Nederland zijn afgegeven. Zijn er reeds concrete financiële toezeggingen gedaan?
Zie eerdere beantwoording van de vraag van de PVV-fractie over financing assurances.
Kan de Minister aangeven in hoeverre Nederland tot op heden Oekraïne (indirect) financieel
heeft gesteund (inclusief lopende toezeggingen en de Ukraine Support Loan (USL)?
Sinds het begin van de militaire invasie van Rusland op 22 februari 2022 heeft Nederland
circa 14,2 miljard euro aan militaire steun en circa 3,5 miljard euro aan uitgaven
voor niet-militaire steun toegezegd aan Oekraïne. Nederland heeft in het verleden
Oekraïne gesteund met directe leveringen uit eigen militaire voorraad, waaronder het
beschikbaar stellen van pantserhouwitsers (PzH 2000) en jachtvliegtuigen (F-16). Daarnaast
verstrekt Nederland garanties en leningen. Zo heeft Nederland ingestemd met de Europese
Ukraine Support Loan voor militaire steun en begrotingssteun van 90 miljard euro aan Oekraïne.
Oekraïne hoeft de lening pas terug te betalen wanneer Rusland de agressieoorlog beëindigt
en Rusland herstelbetalingen aan Oekraïne voldoet. Kan de minsister nader toelichten
wat de financiële consequenties zijn indien Rusland nimmer overgaat tot herstelbetalingen?
Indien Rusland geen herstelbetalingen verricht, blijft de terugbetalingsverplichting
richting de EU in stand en zal de EU zelf moeten voorzien in rente- en aflossingsverplichtingen.
Dat kan leiden tot hogere druk op de EU-begroting en hogere rentelasten. De financiële
risico’s worden in laatste instantie gedragen door de EU-begroting en daarmee dus
indirect door de lidstaten.
Nieuwe eigen middelen
Kan de Minister onderbouwd aangeven waarom het volledig afwijzen van alle nieuwe middelen
potentieel zou leiden tot een hogere totale (netto) afdracht voor Nederland?
De reden waarom het afwijzen van alle nieuwe eigen middelen kan leiden tot een hogere
netto-afdracht ligt besloten in de werking van het eigenmiddelenbesluit. Daarin is
vastgelegd dat de bni-afdracht het sluitstuk is van de afdrachten. Dat betekent dat
de bni-afdracht automatisch meebeweegt met de andere afdrachten om ervoor te zorgen
dat de EU-begroting altijd in evenwicht is. Indien er een nieuw eigen middel wordt
toegevoegd, daalt daardoor automatisch de benodigde bni-afdracht van alle lidstaten
samen, met hetzelfde bedrag als het nieuwe eigen middel op EU-niveau in totaal oplevert.
De berekening van het netto-effect van een nieuwe eigen middel voor Nederland hangt
daarmee af van de vraag of het Nederlandse aandeel in het nieuwe eigen middel hoger
of lager is dan het Nederlandse aandeel in de bni-afdracht.
Voor het gehele pakket aan nieuwe eigen middelen zoals door de Commissie is gepresenteerd,
geldt dat de toename van afdrachten voor de nieuwe eigen middelen meer dan volledig
wordt gecompenseerd door een daling van de bni-afdracht. Daardoor is er per saldo
een positief effect op de totale afdracht van 861 mln euro gemiddeld per jaar (in
2028–2034) als het hele pakket wordt aangenomen, doordat de bni-afdracht sterker daalt.
Hierover is de Kamer nader geïnformeerd in de beantwoording van het schriftelijk overleg
MFK/EMB van 10 november jl. en het verslag Eurogroep/Ecofinraad van december 2025.16
Update Eurotoetreding Bulgarije
Kan de Minister aan de leden van de Groep Markuszower aangeven welke financiële risico's,
op de korte en de lange termijn, kleven aan de toetreding van Bulgarije tot de muntunie?
Om de financiële risico’s van toetreding tot de eurozone te beheersen, gelden voor
landen de zogeheten formele convergentiecriteria: prijsstabiliteit, houdbare overheidsfinanciën,
een stabiele wisselkoers en renteconvergentie. De Europese Commissie en de Europese
Centrale Bank hebben in hun convergentierapporten van juni 2025 beoordeeld of Bulgarije
aan deze criteria voldeed, en geconcludeerd dat dat op dat moment het geval was. De
Kamer is hierover geïnformeerd in de nazending van de geannoteerde agenda in juni
202517.
Naast het feit dat Bulgarije voldeed aan de convergentiecriteria, heeft het land bij
toetreding tot het Europees Wisselkoersmechanisme (ERM-II) ook toezeggingen gedaan
voor verdere hervormingen (de zogeheten post-entry toezeggingen). Deze hervormingen
zijn onder meer gericht op het tegengaan van corruptie, het versterken van het anti-witwasraamwerk,
het verbeteren van het toezicht op financiële instellingen en de verzelfstandiging
van staatsbedrijven. Deze hervormingen zijn essentieel voor de financiële stabiliteit
op de lange termijn. De Europese Commissie heeft geoordeeld dat Bulgarije aanzienlijke
stappen heeft gezet bij de uitvoering van deze hervormingen.
Digitale Euro
De leden van de Groep Markuszower vernemen dat er in december 2025 een akkoord is
bereikt over het pakket voor de gemeenschappelijke munt. Het is nu aan het Europees
Parlement (EP) om hierover een positie in te nemen, wanneer dit gebeurt is nog onduidelijk,
maar de rapporteur wenst het traject in mei af te ronden.
Kan de Minister een tijdlijn verstrekken met belangrijke ijkpunten c.q. mijlpalen
inzake de invoering van de digitale euro?
Zoals de leden van de Groep Markuszower opmerken, is het Europees Parlement momenteel
nog bezig met de behandeling van het wetsvoorstel over de digitale euro. De rapporteur
van het Europees Parlement streeft ernaar om in mei van dit jaar een standpunt in
te nemen, maar dit is nog onzeker. Aansluitend zullen de triloogonderhandelingen tussen
het parlement en de Raad onder begeleiding van de Europese Commissie plaatsvinden.
De duur van deze onderhandelingen is eveneens moeilijk te voorspellen. Het is de verwachting
dat deze trilogen op zijn vroegst eind 2026 worden afgerond, in het geval dat het
parlement tot een positie komt in mei.
De ECB heeft de voorbereidingsfase van het digitale euro project intussen verlengd
met twee jaar. De ECB heeft dit op 30 oktober jl. aangekondigd, nadat de eerdere voorbereidingsfase,
die in november 2023 door het Eurosysteem werd gestart, is afgerond. Een definitief
besluit over de invoering van de digitale euro kan door de ECB pas genomen worden
nadat er een politiek akkoord is bereikt en het wettelijke kader is vastgesteld. Volgens
de planning van de ECB kan vanaf medio 2027 een pilot met de digitale euro van start
gaan. In dat scenario zou het Eurosysteem tegen 2029 gereed moeten zijn voor een mogelijke
eerste uitgifte. Het uiteindelijke tijdspad is echter afhankelijk van het verdere
verloop van de onderhandelingen binnen het Europees Parlement en de triloogfase.
Op welk moment worden er onomkeerbare besluiten genomen en hoe anticipeert de Minister
hierop?
De leden van de Groep Markuszower vragen daarnaast naar belangrijke beslismomenten
in deze tijdlijn. Op 19 december jl. is een Raadsakkoord bereikt, waarmee Nederland
heeft ingestemd omdat de compromistekst voldoet aan de belangrijkste waarborgen waar
Nederland aandacht voor heeft. Dit was een belangrijk beslismoment. Uw Kamer is hierover
per brief geïnformeerd, naast de maandelijkse informatievoorziening over de digitale
euro in de verslagen naar aanleiding van de Eurogroep en Ecofinraad.18 Het volgende grote moment van besluitvorming is in de triloogonderhandelingen. Aan
het einde van deze onderhandelingen moeten het Europees Parlement en de Europese Raad
beiden instemmen met het triloogakkoord. Ik blijf de ontwikkelingen op dit onderwerp
nauwlettend volgen en zal uw Kamer hier maandelijks over blijven informeren. Daarnaast
zal ik mij in de triloogfase, net als tijdens de Raadsonderhandelingen, inzetten voor
strenge waarborgen op het gebied van privacy, niet-programmeerbaarheid en een evenwichtige
verdeling van de kosten.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
A.H.M. Weeber, griffier