Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van den Berg over de stijgende kosten en zorgen over de leveringszekerheid door het invoedingstarief
Vragen van het lid Van den Berg (JA21) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over de stijgende kosten en zorgen over de leveringszekerheid door het invoedingstarief (ingezonden 13 januari 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Klimaat en Groene Groei) (ontvangen 16 februari 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1014
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Huishouden dupe extra kosten stroomnet» en met de door
de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aangekondigde voorbereiding van een invoedingstarief
voor grote elektriciteitsproducenten?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2, 3 en4
Erkent u de nadelen van een invoedingstarief die in het artikel genoemd worden?
Klopt het een invoedingstarief de afhankelijkheid van buitenlandse productie kan vergroten?
Klopt het dat nieuwe projecten om elektriciteit op te wekken hierdoor lastiger worden?
Antwoord 2, 3 en 4
Vooropgesteld: er is nog geen formeel besluit van de ACM over de vormgeving, hoogte,
invoerdatum of overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief. Ook zijn de effecten
sterk afhankelijk van eventueel flankerend beleid én de regulatoire en marktgerelateerde
ontwikkelingen in de met Nederland verbonden elektriciteitsmarkten. Daardoor zijn
de effecten van een eventueel invoedingstarief slechts kwalitatief en met een beperkte
mate van zekerheid in te schatten. Niettemin herkent het kabinet de in het artikel
geschetste nadelen als mogelijke gevolgen van de invoering van een invoedingstarief.
De inschatting is dat producenten een invoedingstarief slechts in beperkte mate door
kunnen rekenen in hun verkoopprijzen. Dit komt ten eerste omdat veel producenten werken
met bestaande prijsafspraken en ten tweede omdat Nederlandse producenten in de Noordwest-Europese
elektriciteitsmarkt doorgaans niet prijszettend zijn. Dit zorgt ervoor dat de invoering
van een invoedingstarief een negatieve impact kan hebben op de winstgevendheid van
elektriciteitsproductie in Nederland. Marktpartijen hebben in reactie op een consultatievoorstel
van de ACM deze zomer gewezen op de mogelijke impact op hun business cases en waarschuwen
dat een invoedingstarief kan leiden tot faillissementen en vroegtijdige uitgebruikname
van bestaande productielocaties. Het speelveld voor Nederlandse producenten kan verslechteren
en de import van elektriciteit kan daardoor relatief aantrekkelijk worden. De afhankelijkheid
van buitenlandse productie kan daardoor groter worden. De ordegrootte van deze mogelijke
negatieve gevolgen zijn mede afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en
overgangsperiode van een invoedingstarief.
Bij al getenderde, maar nog niet gerealiseerde wind op zee projecten bestaat het risico
dat de ontwikkelaar de businesscase niet meer rond gerekend krijgt en de ontwikkeling
staakt. Dit heeft grote extra kosten tot gevolg omdat TenneT ver van tevoren al investeringen
doet in het net op zee. Deze kosten lopen op naarmate de realisatie van windparken
wordt uitgesteld. Ditzelfde geldt ook voor Nederlandse projecten voor hernieuwbare
energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking
hebben. De subsidieparameters staan immers al vast, terwijl de kosten van de productie
zouden stijgen als gevolg van de instelling van een invoedingstarief. Ook voor de
nog open te stellen subsidietender voor wind op zee in 2026 (TOWOZ) vormt het invoedingstarief
en de onzekerheid daarover een aanzienlijk risico dat de investeringsbereidheid vanuit
marktpartijen zou kunnen beperken. Dat kan resulteren in een lagere slagingskans van
de tender. Hetzelfde geldt voor de slagingskans van toekomstige «Contracts for Difference»-tenders
(CfD's) voor ondersteuning van hernieuwbare energie op land en wind op zee, afhankelijk
van duidelijkheid over het invoedingstarief, de vormgeving en de mogelijkheden voor
de markt om het risico voldoende in te prijzen. Een invoedingstarief kan ten slotte
ook een negatief effect hebben op de business case van en de investeringsbereidheid
in kernenergie.
Er is op dit moment geen budget of juridische grondslag om eventuele compensatie te
bieden voor de negatieve gevolgen van een invoedingstarief voor bestaande, al getenderde
of vergunde projecten. Voor projecten met een bestaande SDE++ beschikking is het effect
van het invoedingstarief extra nadelig: ten eerste verhoogt deze de kosten voor opwek,
zonder dat de subsidie stijgt. In de subsidieparameters ligt namelijk besloten dat
de subsidie alleen meebeweegt met veranderende elektriciteitsprijzen, niet met veranderende
netkosten. Ten tweede wordt de subsidie voor deze partijen daardoor ook nog gekort,
als gevolg van en voor zover de elektriciteitsprijs stijgt door de invoering van het
invoedingstarief. Dit komt doordat de subsidie berekend wordt op basis van een vastgestelde
kostprijs per kilowattuur, verminderd met de actuele elektriciteitsprijs, en deze
eerste niet meebeweegt met de verhoogde kosten en deze tweede wel met de verhoging
van de elektriciteitsprijs.
Voor toekomstige, nieuwe projecten geldt dat er in de subsidiebedragen eventueel rekening
kan worden gehouden met de hogere kosten, dit betekent wel dat de subsidie-intensiteit
van deze productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit omhooggaat. Dit betekent
dat met de beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd
kan worden. Dit geldt niet alleen voor zon-PV en windenergie, maar bijvoorbeeld ook
voor kernenergie, als daarvoor in de toekomst steun geboden wordt. Bovendien is de
uitvoerbaarheid van het rekening houden met de financiële impact van een invoedingstarief
sterk afhankelijk van de wijze waarop een invoedingstarief wordt vormgegeven. Bepaalde
varianten van een invoedingstarief leiden tot onvoorspelbare en wisselende hoogtes,
waardoor ook het benodigde subsidiebedrag elk jaar zou veranderen. Pas als duidelijk
is hoe het invoedingstarief exact vormgegeven wordt kan onderzocht worden hoe dit
eventueel in subsidies verwerkt kan worden. Voor de TOWOZ en SDE++ ronde van 2026
is dit niet meer mogelijk.
De mate waarin deze effecten zullen optreden of voorkomen kunnen worden, zijn afhankelijk
van de definitieve keuzes van de ACM over het invoedingstarief, eventueel flankerend
beleid, invoeringstermijn en ingroeipad, en van ontwikkelingen in elektriciteitsmarkten
waar Nederland mee is verbonden. Een belangrijk deel van deze, negatieve effecten
zouden naar verwachting uitblijven wanneer sprake zou zijn van een Europees geharmoniseerde
invoering van een invoedingstarief, of een invoedingstarief waarvan de hoogte beter
aansluit bij die in verbonden elektriciteitsmarkten.
Vraag 5
Deelt u de conclusies uit de studies van Aurora Energy, SiRM en CE Delft dat de energierekening
voor afnemers waarschijnlijk stijgt?
Antwoord 5
Het netto-effect op de energierekening van afnemers is moeilijk vooraf in te schatten
en hangt in grote mate af van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en ingroeipad van
een eventueel invoedingstarief. Daarnaast zijn er eventuele, flankerende maatregelen
die kunnen worden genomen om de nadelige effecten van een invoedingstarief te beperken.
Daarnaast zal het effect ook verschillen, afhankelijk van het type aansluiting en
het verbruiksprofiel van elke afnemer.
Uit de doorrekeningen van onderzoeksbureau Aurora (in opdracht van Energie Nederland)
en CE Delft (in opdracht van de ACM) blijkt dat het invoedingstarief zich vertaalt
in een hogere elektriciteitsprijs. Dit wordt ook bevestigd door een onafhankelijke
studie van TenneT. De stijging van de (basislast) elektriciteitsprijs is echter lager
dan de hoogte van het invoedingstarief. Zonder aanvullend beleid is de verwachting
op basis van voorgenoemde studies dat hierdoor ca. 20 tot 50% procent van het invoedingstarief
terugkomt in een hogere basislast elektriciteitsprijs. Ook is het de verwachting in
deze studies dat de invoer van elektriciteit gaat toenemen. Het invoedingstarief kan
daardoor het effect hebben dat producenten in Nederland minder investeren in nieuwe
centrales en in het verlengen van de levensduur van bestaande centrales.
De bijdrage van producenten aan de netkosten zorgen ervoor dat de nettarieven voor
afnemers op het elektriciteitsnet in beginsel lager vastgesteld kunnen worden. Op
deze manier is het mogelijk dat afnemers erop vooruitgaan.
De verslechterde concurrentiepositie van Nederlandse elektriciteitscentrales kan tegelijkertijd
zorgen voor nieuwe problemen die de netkosten verhogen. Netbeheer Nederland benoemt
dat er bepaalde centrales nodig blijven om netondersteunende diensten te leveren en
voor congestiemanagement. Indien deze centrales dreigen te sluiten als gevolg van
een invoedingstarief kan het nodig zijn dat netbeheerders hogere vergoedingen moet
gaan betalen om deze centrales open te houden. Een gevolg kan ook zijn dat er (hogere)
vergoedingen betaald worden via een capaciteitsmechanisme. Dergelijke effecten zijn
zeer moeilijk in te schatten en het netto-effect op de elektriciteitskosten van afnemers
is daardoor onzeker.
Deze verslechtering van de concurrentiepositie zou beperkt blijven wanneer de invoering
van het invoedingstarief meer gekoppeld zou worden aan Europese ontwikkelingen of
de situatie in onze buurlanden. De ACM heeft aangegeven dat zij rekenschap geeft van
de tariefstructuren en ervaringen in omringende landen.
Vraag 6
Welke gevolgen heeft een invoedingstarief voor de leveringszekerheid van elektriciteit?
Antwoord 6
Een invoedingstarief kan, met name wanneer deze sterk afwijkt qua hoogte of vormgeving
van invoedingstarieven in het buitenland, een negatieve invloed hebben op de mogelijkheid
van productiecentrales en batterijen om hun jaarlijkse vaste kosten terug te kunnen
verdienen. Deze partijen zijn naar verwachting echter nodig om bij te dragen aan de
voorzieningszekerheid van elektriciteit. Gegeven het voornemen om met een capaciteitsmechanisme
de leveringszekerheid te borgen, is het echter onwaarschijnlijk dat een invoedingstarief
zal leiden tot een verslechtering van de voorzieningszekerheid. Wel kan een invoedingstarief
de kosten van een capaciteitsmechanisme verhogen.
Vraag 7
Kunt u uiteenzetten wat de ACM onder het voorgenomen invoedingstarief verstaat, welke
definitie van «grote producenten» wordt gehanteerd en worden er uitzonderingen overwogen?
Antwoord 7
Een invoedingstarief is een tarief dat aangeslotenen moeten betalen om elektriciteit
in te voeden op het net. Voor de infrastructuurgerelateerde kosten van het elektriciteitsnet
geldt een Europees-wettelijk vastgelegd maximumtarief voor invoeders. Voor de systeemkosten
(kosten voor inkoop congestie- en balanceringsdiensten en netverliezen) geldt geen
Europese begrenzing.
De ACM is voornemens om het invoedingstarief op dit moment alleen uit te werken voor
grootverbruikers. Dit zijn gebruikers met een aansluiting met een aansluitcapaciteit
van meer dan 3 keer 80 Ampère, hier vallen onder andere onder wind op zee, kerncentrales,
gascentrales, windparken en zonneparken. Voor kleinverbruikers wordt momenteel een
nieuwe nettariefstructuur uitgewerkt en de ACM wil dit proces niet doorkruisen. Voor
kleinschalige zon op dak, bijvoorbeeld op een woonhuis, gaat het invoedingstarief
dus niet gelden.
De ACM heeft nog geen definitieve keuzes gemaakt over uitzonderingen. Het consultatiedocument
van de ACM bespreekt de mogelijkheid van een uitzondering voor producenten op zee
en voor bi-directionele gebruikers (waaronder batterij-opslag). De ACM heeft hier
nog geen besluit over genomen.
Vraag 8
Op basis van welke wettelijke grondslag en (tarief)codes heeft de ACM volgens u de
bevoegdheid om een invoedingstarief in te voeren, en welke formele rol heeft u de
daarbij (welke interventies zijn wél/niet mogelijk)?
Antwoord 8
De Europese Elektriciteitsrichtlijn schrijft dwingend voor dat de onafhankelijke nationale
regulerende instantie, in Nederland de ACM, exclusief bevoegd moet zijn om de tarieven
of tariefreguleringsmethode en de tariefstructuren van netbeheerders vast te stellen
of goed te keuren. In het Nederlands recht is dit geïmplementeerd in de Energiewet.
De bevoegdheid voor de ACM om de tarieven en tariefreguleringsmethode vast te stellen
is vastgelegd in artikel 3.106, eerste lid, in combinatie met artikel 3.107 van de
Energiewet. Voorts moeten op grond van artikel 3.107, vierde lid van de Energiewet
tariefstructuren worden opgesteld die ingevolge artikel 3.119 in combinatie met de
artikelen 3.120 en 3.121 van de Energiewet die goedkeuring moeten hebben van de ACM
en de ACM kan daarvoor ook zelf voorstellen indienen als zij dat nodig acht. De Minister
heeft hierbij geen rol en kan ook geen instructies geven aan de ACM gelet op de onafhankelijkheid
van de ACM, zoals onder meer volgt uit de artikelen 9 en 10 van de Instellingswet
Autoriteit Consument en Markt.
Vraag 9
Klopt het dat u bij brief van 25 april 2025 (p. 13) waarschuwt dat een invoedingstarief
bij nieuwe projecten leidt tot een hogere onrendabele top en daarmee meer subsidie?
Kunt u de onderliggende berekeningen aan de Kamer sturen?2
Antwoord 9
De kwalitatieve aanname dat een invoedingstarief bij nieuwe projecten resulteert in
een hogere onrendabele top klopt. Het invoedingstarief zullen producenten moeten betalen
per eenheid energie die zij invoeden in het elektriciteitsnet. Het zorgt daardoor
voor een hogere kostprijs van de productie van elektriciteit. Producenten zullen dit
proberen door te berekenen in de verkoopprijs. Het lijkt waarschijnlijk dat producenten
dit slechts gedeeltelijk kunnen doen. Voor het deel dat dit tarief niet kan worden
doorberekend, resulteert dit in een hogere onrendabele top van hernieuwbare elektriciteit.
Deze onrendabele top vertaalt zich in een hogere subsidiebehoefte. In het geval van
zon-PV en windenergie op land en op zee zal stimulering vanaf 2027 door middel van
CfD's plaatsvinden, welke het verschil tussen de kostprijs en de marktprijs van elektriciteit
dekken. Dat betekent dat er bij invoering van een invoedingstarief meer middelen nodig
zijn om dezelfde hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energieprojecten te produceren.
Zonder een concreet voorstel van de ACM voor een invoedingstarief is het niet mogelijk
om de effecten en extra subsidiebehoefte goed uit te rekenen.
Vraag 10
Kunt u uitsluiten dat huishoudens, het midden- en kleinbedrijf en de industrie per
saldo meer gaan betalen door invoering van een invoedingstarief? Zo nee, welke maatregelen
neemt u om dit te voorkomen? En hoe hoog is de stijging?
Antwoord 10
Zoals hierboven aangegeven is geen duidelijkheid over de vormgeving, hoogte, invoerdatum
en overgangsperiode voor het invoedingstarief. De totale systeemkosten zijn daarnaast
ook afhankelijk van andere factoren, die zeer moeilijk zijn in te schatten. Het kabinet
kan op dit moment daarom niet uitsluiten of bevestigen dat aangeslotenen per saldo
meer gaan betalen door de invoering van een invoedingstarief. Noch kan het kabinet
vooruitlopen op eventuele compenserende maatregelen of een betrouwbare inschatting
geven van de hoogte van een eventuele stijging.
Vraag 11
Heeft u er kennis van genomen dat in de aangeleverde informatie wordt gesteld dat
Nederlandse (gas)centrales efficiënter zijn maar door het invoedingstarief «na» Duitse
centrales in de merit order kunnen komen? Herkent u dit mechanisme en wat betekent
dit voor prijsniveau en de systeemkosten?
Antwoord 11
Dit is inderdaad een mogelijk gevolg van de invoering van een invoedingstarief, afhankelijk
van de vormgeving van het tarief en ontwikkelingen in Nederland en Duitsland. De Duitse
en Nederlandse elektriciteitsmarkten zijn goed met elkaar geïntegreerd en een vervanging
van Nederlandse door Duitse producenten in de merit order is mogelijk bij een voldoende
hoog, Nederlands invoedingstarief. Indien Nederland een relatief hoog invoedingstarief
zou invoeren en Duitsland niet, ontstaat er een ongelijk(er) speelveld tussen Nederlandse
en Duitse elektriciteitsproducenten.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 5 is het uiteindelijke effect op het prijsniveau
en de systeemkosten zeer moeilijk in te schatten en afhankelijk van eventueel flankerend
beleid en ontwikkelingen in het buitenland.
Vraag 12
Klopt het dat Duitsland, de grootste handelspartner van Nederland, geen vergelijkbaar
invoedingstarief kent? Hoe is dit geregeld in de overige landen waarmee Nederland
via interconnecties op het elektriciteitsnet is aangesloten (België, het Verenigd
Koninkrijk, Noorwegen en Denemarken)? En welke inzet pleegt u om te voorkomen dat
Nederland zich uit de markt prijst of eenzijdig nadeel creëert?
Antwoord 12
Elk land heeft een eigen stelsel voor de nettarieven, in de EU-lidstaten gebaseerd
op gezamenlijke Europese principes zoals «de gebruiker betaalt». De vormgeving en
hoogte van de nettarieven is divers, niet altijd direct vergelijkbaar en bovendien
in beweging. Op basis van een relatief recente studie van de Europese toezichthouder
ACER naar de nettarieven in Europa en een onderzoek van Sia Partners, uitgevoerd in
opdracht van de Belgische transmissiesysteembeheerder Elia uit 2023 is niettemin enige
informatie beschikbaar over het invoedingstarief in de met Nederland verbonden lidstaten
en derde landen.3
Sia heeft het «gewogen gemiddelde invoedingstarief» in kaart gebracht. Dit omvat uitsluitend
gereguleerde nettariefcomponenten voor invoeding van elektriciteit.
Land
Gewogen gemiddeld invoedingstarief 2022 (€/MWh)
Nederland
0,02
Duitsland
0,00
België
0,62
Verenigd Koninkrijk
18,99
Noorwegen
2,50
Denemarken
0,55
Bij deze cijfers wordt het volgende opgemerkt:
• De peildatum voor deze cijfers is 2022. Het is dus mogelijk dat de hoogte van de invoedtarieven
in deze landen ondertussen is gewijzigd. Dit zou om nader onderzoek vragen. Bekend
is niettemin dat in België een invoedingstarief van € 1,05/MWh is vastgesteld voor
de periode 2024–2027. In Duitsland bestaat (nog) geen invoedingstarief.
• De internationale verschillen in invoedtarieven zijn onder andere het resultaat van
sterk uiteenlopende nationale tariefstructuren en beleidskeuzes. In het Verenigd Koninkrijk
bijvoorbeeld zijn andere kostenposten onderdeel van de nettarieven en wordt – bijvoorbeeld
– ook een deel van de balanceringskosten via de nettarieven bij producenten belegd.
In België is sprake van uiteenlopende nettariefstructuren bij verschillende, regionale
netbeheerders, als gevolg van uiteenlopende regulering van Wallonië, Vlaanderen en
Brussel.
• In veel lidstaten is ook sprake van ontheffing of verbijzondering van het invoedingstarief
voor bepaalde (typen) producenten. Dit maakt één-op-één vergelijkingen ingewikkeld.
Zoals uitgewerkt in de antwoorden op vraag 8 heeft het kabinet geen formele rol bij
het vormgeven van de tariefregulering. In gesprek met de ACM heeft het kabinet de
nadelige gevolgen die een invoedingstarief kan hebben op de energiemarkt benadrukt
en haar verzocht daar zo veel mogelijk rekening mee te houden.
Vraag 13
Als u erkent dat de maatschappelijke en budgettaire gevolgen groot kunnen zijn, bent
u dan bereid het wettelijk kader zo aan te passen dat dit type tariefwijziging niet
kan worden doorgezet?
Antwoord 13
Zoals blijkt uit het antwoord op vragen 8 en 12 staat het nationale wettelijk kader
dit niet toe. Het Europese wettelijk kader biedt daar ook geen ruimte voor. De Europese
Elektriciteitsrichtlijn schrijft dwingend voor dat de onafhankelijke nationale regulerende
instantie, in Nederland de ACM, exclusief bevoegd moet zijn om de tarieven of tariefreguleringsmethode
en de tariefstructuren van netbeheerders vast te stellen of goed te keuren. Daarbij
mag de onafhankelijke nationale regulerende instantie geen instructies verlangen of
ontvangen van regeringen of andere publieke of private partijen, waaronder ook de
nationale wetgever. Dat heeft het Europese Hof van Justitie in een aantal uitspraken
in 2020 en 2021 nog eens bevestigd.
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.