Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Klos over het artikel 'Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief'
Vragen van het lid Klos (D66) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over het artikel «Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief» (ingezonden 14 januari 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Klimaat en Groene Groei) (ontvangen 16 februari 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1012
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief»,
waarin wordt gesteld dat de invoering van een invoedingstarief voor elektriciteitsproducenten
kan leiden tot hogere systeemkosten en hogere energierekeningen voor consumenten en
bedrijven?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2 en 3
Wat betekent een invoedingstarief voor bestaande projecten die zijn gerealiseerd zonder
rekening te houden met een dergelijk tarief?
Wat is, op basis van de huidige inzichten, de verwachte impact van een invoedingstarief
op de investeringsbereidheid en de businesscase van nieuwe wind- en zonne-energieprojecten,
en in andere kapitaalintensieve energieprojecten zoals kerncentrales?
Antwoord 2 en 3
Vooropgesteld: er is nog geen formeel besluit van de ACM over de vormgeving, hoogte,
invoerdatum of overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief. Ook zijn de effecten
sterk afhankelijk van eventueel flankerend beleid én de regulatoire en marktgerelateerde
ontwikkelingen in de met Nederland verbonden elektriciteitsmarkten. Daardoor zijn
de effecten van een eventueel invoedingstarief slechts kwalitatief en met een beperkte
mate van zekerheid in te schatten.
De inschatting is dat producenten een invoedingstarief slechts in beperkte mate door
kunnen rekenen in hun verkoopprijzen. Dit komt ten eerste omdat veel producenten werken
met bestaande prijsafspraken en ten tweede omdat Nederlandse producenten in de Noordwest-Europese
elektriciteitsmarkt doorgaans niet prijszettend zijn. Dit zorgt ervoor dat de invoering
van een invoedingstarief een negatieve impact kan hebben op de winstgevendheid van
elektriciteitsproductie in Nederland. Marktpartijen hebben in reactie op een consultatievoorstel
van de ACM deze zomer gewezen op de mogelijke impact op hun business cases en waarschuwen
dat een invoedingstarief kan leiden tot faillissementen en het vroegtijdig uit gebruik
nemen van bestaande productielocaties. De ordegrootte van deze mogelijke negatieve
impact is mede afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode
van een invoedingstarief.
Bij al getenderde, maar nog niet gerealiseerde wind op zee projecten bestaat het risico
dat de ontwikkelaar de businesscase niet meer rond gerekend krijgt en de ontwikkeling
staakt. Dit heeft grote extra kosten tot gevolg omdat TenneT ver van tevoren al investeringen
doet in het net op zee. Deze kosten lopen op naarmate de realisatie van windparken
wordt uitgesteld. Ditzelfde geldt ook voor Nederlandse projecten voor hernieuwbare
energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking
hebben. De subsidieparameters staan immers al vast, terwijl de kosten van de productie
zouden stijgen als gevolg van de instelling van een invoedingstarief. Ook voor de
nog open te stellen subsidietender voor wind op zee in 2026 (TOWOZ) vormt het invoedingstarief
en de onzekerheid daarover een aanzienlijk risico dat de investeringsbereidheid vanuit
marktpartijen zou kunnen beperken. Dat kan resulteren in een lagere slagingskans van
de tender. Hetzelfde geldt voor de slagingskans van toekomstige «Contracts for Difference»-tenders
(CfD's) voor ondersteuning van hernieuwbare energie op land en wind op zee, afhankelijk
van duidelijkheid over het invoedingstarief, de vormgeving en de mogelijkheden voor
de markt om het risico voldoende in te prijzen. Een invoedingstarief kan ten slotte
ook een negatief effect hebben op de business case van en de investeringsbereidheid
in kernenergie.
De mate waarin deze effecten zullen optreden of voorkomen kunnen worden, zijn afhankelijk
van de definitieve keuzes van de ACM over het invoedingstarief, eventueel flankerend
beleid, invoeringstermijn en overgangsperiode, en van ontwikkelingen in elektriciteitsmarkten
waar Nederland mee is verbonden. Een belangrijk deel van deze negatieve effecten zouden
naar verwachting uitblijven wanneer sprake zou zijn van een Europees geharmoniseerde
invoering van een invoedingstarief, of een invoedingstarief waarvan de hoogte beter
aansluit bij die in verbonden elektriciteitsmarkten. Dit zou echter niet problemen
voorkomen die ontstaan bij projecten met een bestaande SDE++ subsidiebeschikking.
Dit wordt nader toegelicht in antwoorden op vraag 4 en 5.
Vraag 4
Welke gevolgen verwacht u dat een invoedingstarief heeft voor het tijdig halen van
de klimaatdoelstellingen voor 2030, in het bijzonder met oog op de uitrol van hernieuwbare
elektriciteitsproductie van eigen bodem?
Antwoord 4
De projecten die bijdragen aan nationale productie van hernieuwbare elektriciteit
zijn onmisbaar voor de klimaatdoelstellingen voor 2030. Voor de ontwikkeling of operatie
van deze projecten is een acceptabele business case nodig, anders komen de projecten
niet tot stand. Als het invoedingstarief niet geabsorbeerd, doorberekend of gecompenseerd
kan worden, zal dit een negatief effect hebben op de business case van deze projecten
en daarmee op de hoeveelheid nationale productie van hernieuwbare elektriciteit. Projecten
die op tijd worden gerealiseerd om bij te dragen aan de klimaatdoelstellingen voor
2030 hebben waarschijnlijk al een subsidiebeschikking ontvangen. Bij deze projecten
is het, zoals in het antwoord op vraag 5 hieronder is toegelicht, niet goed mogelijk
om rekening te houden met de financiële effecten van een invoedingstarief. Voor projecten
voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel
een subsidiebeschikking hebben, bestaat daardoor een wezenlijk risico op non-realisatie.
Er bestaat daarom, afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode,
een risico dat een invoedingstarief de realisatie van klimaatdoelstellingen voor 2030
in de weg staat of moeilijker maakt.
Vraag 5
Ziet u mogelijkheden om de financiële impact van een invoedingstarief voor bestaande
en nieuwe projecten te mitigeren, bijvoorbeeld via de Stimulering Duurzame Energieproductie
en Klimaattransitie (SDE++) of een opvolgende subsidieregeling?
Antwoord 5
Er is op dit moment geen budget of juridische grondslag om eventuele compensatie te
bieden voor de negatieve gevolgen van een invoedingstarief voor bestaande, al getenderde
of vergunde projecten. Voor projecten met een bestaande SDE++ beschikking is het effect
van het invoedingstarief extra nadelig: ten eerste verhoogt deze de kosten voor opwek,
zonder dat de subsidie stijgt. In de subsidieparameters ligt namelijk besloten dat
de subsidie alleen meebeweegt met veranderende elektriciteitsprijzen, niet met veranderende
netkosten. Ten tweede wordt de subsidie voor deze partijen daardoor ook nog gekort,
als gevolg van en voor zover de elektriciteitsprijs stijgt door de invoering van het
invoedingstarief. Dit komt doordat de subsidie berekend wordt op basis van een vastgestelde
kostprijs per kilowattuur, verminderd met de actuele elektriciteitsprijs, en deze
eerste niet meebeweegt met de verhoogde kosten en deze tweede wel met de verhoging
van de elektriciteitsprijs.
Voor toekomstige, nieuwe projecten geldt dat er in de subsidiebedragen eventueel rekening
kan worden gehouden met de hogere kosten, dit betekent wel dat de subsidie-intensiteit
van deze productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit omhooggaat. Dit betekent
dat met de beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd
kan worden. Dit geldt niet alleen voor zon-PV en windenergie, maar bijvoorbeeld ook
voor kernenergie, als daarvoor in de toekomst steun geboden wordt. Bovendien is de
uitvoerbaarheid van het rekening houden met de financiële impact van een invoedingstarief
sterk afhankelijk van de wijze waarop een invoedingstarief wordt vormgegeven. Bepaalde
varianten van een invoedingstarief leiden tot onvoorspelbare en wisselende hoogtes,
waardoor ook het benodigde subsidiebedrag elk jaar zou veranderen. Pas als duidelijk
is hoe het invoedingstarief exact vormgegeven wordt kan onderzocht worden hoe dit
eventueel in subsidies verwerkt kan worden. Voor de TOWOZ en SDE++ ronde van 2026
is dit niet meer mogelijk.
Vraag 6
Hoe beoordeelt u het risico dat kosten die via een invoedingstarief bij producenten
worden neergelegd, uiteindelijk via subsidies weer moeten worden gecompenseerd, waardoor
per saldo geen kostenbesparing maar juist extra systeemkosten ontstaan?
Antwoord 6
Het invoedingstarief zullen producenten moeten betalen per eenheid energie die zij
invoeden in het elektriciteitsnet. Het zorgt daardoor voor een hogere kostprijs van
de productie van elektriciteit. Producenten zullen dit proberen door te berekenen
in de verkoopprijs. Het lijkt waarschijnlijk dat producenten dit slechts gedeeltelijk
kunnen doen. Voor het deel van dit tarief dat niet kan worden doorberekend, resulteert
dit in een hogere onrendabele top van hernieuwbare elektriciteit. Deze onrendabele
top vertaalt zich in een hogere subsidiebehoefte. In het geval van zon-PV en windenergie
op land en op zee zal stimulering vanaf 2027 door middel van CfD's plaatsvinden, die
het verschil tussen de kostprijs en de marktprijs van elektriciteit dekken met financiële
middelen van de overheid. Dat betekent dat er bij invoering van een invoedingstarief
meer middelen nodig zijn om dezelfde hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energieprojecten
te produceren. Het lijkt dus waarschijnlijk dat de hogere kosten voor producenten
deels door de overheid zullen moeten worden gecompenseerd. Dit betekent dat met dezelfde
beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan
worden.
De totale systeemkosten zijn daarnaast ook afhankelijk van andere factoren, die zeer
moeilijk zijn in te schatten. Een invoedingstarief leidt tot een herverdeling van
netkosten tussen afnemers en invoeders, waarbij de afnemers minder netkosten gaan
betalen en de invoeders meer. Een voordeel van een invoedingstarief kan daarnaast
zijn dat deze producenten prikkelt tot efficiënter netgebruik, zoals het vermijden
van invoedingspieken. Dit kan op termijn de noodzaak voor dure netverzwaringen voorkomen.
De verslechterde concurrentiepositie van Nederlandse elektriciteitscentrales kan tegelijkertijd
zorgen voor nieuwe problemen die de netkosten verhogen. Netbeheer Nederland benoemt
dat er bepaalde centrales nodig blijven om netondersteunende diensten te leveren en
voor congestiemanagement. Indien deze centrales dreigen te sluiten als gevolg van
een invoedingstarief kan het nodig zijn dat netbeheerders hogere vergoedingen moet
gaan betalen om deze centrales open te houden. Een gevolg kan ook zijn dat er (hogere)
vergoedingen betaald worden via een capaciteitsmechanisme. Dergelijke effecten zijn
zeer moeilijk in te schatten en het netto-effect op de elektriciteitskosten van afnemers
is daardoor onzeker.
Een kwantitatieve schatting van deze effecten en het uiteindelijke resultaat is pas
te maken wanneer er sprake is van een concreet voorstel van de ACM voor een invoedingstarief.
Vraag 7
Ziet u risico’s dat een invoedingstarief, door het afremmen van investeringen in binnenlandse
productie, ook een negatieve impact kan hebben op de leveringszekerheid van energie
in Nederland?
Antwoord 7
Een invoedingstarief kan, met name wanneer deze sterk afwijkt qua hoogte of vormgeving
van invoedingstarieven in het buitenland, een negatieve invloed hebben op de mogelijkheid
van productiecentrales en batterijen om hun jaarlijkse vaste kosten terug te kunnen
verdienen. Deze partijen zijn naar verwachting echter nodig om bij te dragen aan de
voorzieningszekerheid van elektriciteit. Gegeven het voornemen om met een capaciteitsmechanisme
de leveringszekerheid te borgen, is het echter onwaarschijnlijk dat een invoedingstarief
zal leiden tot een verslechtering van de voorzieningszekerheid. Wel kan een invoedingstarief
de kosten van een capaciteitsmechanisme verhogen.
Vraag 8 en 9
Hoe verhoudt een invoedingstarief zich tot andere maatregelen die netefficiënt gedrag
kunnen bevorderen?
Bent u bekend met de conclusies uit de appreciatie van het Interdepartementaal beleidsonderzoek
(IBO) «Bekostiging van de Elektriciteitsinfrastructuur» (Kamerstuk 29 023, nr. 567), waarin wordt gewezen op aanzienlijke potentiële kostenbesparingen door flexibel
netgebruik, en kunt u toelichten in hoeverre deze alternatieven effectiever of doelmatiger
zijn dan een invoedingstarief?
Antwoord 8 en 9
Ja, het kabinet is bekend met de conclusies uit de appreciatie van het IBO.
De belangrijkste toegevoegde waarde van een invoedingstarief is dat het producenten
prikkelt tot efficiënter netgebruik, waardoor op termijn de kosten van het elektriciteitsnet
kunnen afnemen. Een dergelijke prikkel via de nettarieven is binnen de huidige kaders
niet vorm te geven, omdat voor invoeding nu geen nettarief wordt gerekend. Tegelijkertijd
kunnen vergelijkbare prikkels voor efficiënter netgebruik deels ook via andere instrumenten
worden georganiseerd, zoals flexibele aansluit- en transportvoorwaarden, flexibiliteitscontracten,
en via aanpassingen in de tendervoorwaarden voor wind op zee of de subsidievoorwaarden
van de SDE++. Zo wordt in de SDE++ vereist dat zon-PV slechts op 50% van het piekvermogen
wordt aangesloten, om hoge netkosten ter facilitering van piekbelasting te voorkomen.
Deze instrumenten zijn moeilijk categorisch te vergelijken met een invoedingstarief,
omdat zij op uiteenlopende manieren kunnen worden vormgegeven en vaak verschillende
effecten hebben voor verschillende partijen. Of de alternatieve instrumenten een sterkere
negatieve impact zouden hebben op de business case is afhankelijk van de vormgeving,
hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief.
Vraag 10
In hoeverre wordt bij de afweging rond een invoedingstarief gekeken naar de concurrentiepositie
van Nederland ten opzichte van andere Europese landen? Wordt een vergelijkbaar tarief
elders in Europa ingevoerd, en zo ja, met welke effecten op investeringen en netcongestie?
Antwoord 10
In haar consultatiedocument over het invoedingstarief heeft de ACM aangegeven dat
het mogelijk is om de maximale hoogte van het invoedingstarief te beperken met het
oog op de concurrentiepositie van Nederlandse producenten. De ACM stelt echter ook
dat een verlaagd tarief minder kostenreflectief is en minder goede prikkels geeft
voor efficiënt netgedrag.
Binnen Europa is slechts zeer beperkt sprake van harmonisatie van nettarieven voor
elektriciteit. Hierdoor bestaan tussen lidstaten grote verschillen. In ca. 60% van
lidstaten bestaat geen of verwaarloosbaar invoedingstarief. Het aandeel lidstaten
met een invoedingstarief lijkt over de jaren wel licht te groeien. In de 40% van de
lidstaten met een invoedingstarief is het aandeel van de totale netkosten dat in lidstaten
met een substantieel invoedingstarief wordt toegerekend aan invoeders uiteenlopend,
verschillend voor transmissie en distributie. Ook worden in lidstaten met een invoedingstarief
verschillende soorten kostenposten wel en niet daarin opgenomen. In lidstaten waar
een invoedingstarief bestaat, is vervolgens in veel gevallen sprake van ontheffingen
of verlagingen van het invoedingstarief, bijvoorbeeld voor kleine producenten, voor
bepaalde technieken (zoals offshore wind of batterijen), of vanwege de inzet van een
installatie voor bepaalde systeemdoeleinden. Dit maakt een directe vergelijking met
andere lidstaten niet goed mogelijk.
De nettarievenstructuur binnen veel lidstaten is in beweging. De ACM heeft aangegeven
dat zij rekenschap geeft van de tariefstructuren en ervaringen in omringende landen.
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.