Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Westerveld over vrijheidsbeperkende maatregelen en hulpmiddelen
Vragen van het lid Westerveld (GroenLinks-PvdA) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over vrijheidsbeperkende maatregelen en hulpmiddelen (ingezonden 28 januari 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Pouw-Verweij (Volksgezondheid, Welzijn en Sport ) (ontvangen
13 februari 2026)
Vraag 1
Bent u ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen bestaan voor kwetsbare
doelgroepen met moeilijk verstaanbaar gedrag, waaronder gedetineerden, ggz-patiënten,
personen met autisme en personen met een verstandelijke beperking, zoals bijvoorbeeld
een veiligheidshelm met een slot om te voorkomen dat de patiënt zelfstandig de helm
kan afzetten?1 Kunt u omstandigheden of situaties noemen waarin het gebruik van deze hulpmiddelen
gerechtvaardigd is?
Antwoord 1
Ja, ik ben ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen, zoals een helm,
bestaan. Ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet het gebruik van helmen
in haar toezicht, zowel helmen met als zonder slot, voornamelijk in de gehandicaptenzorg.
Als deze hulpmiddelen worden gebruikt is dat meestal bij mensen die zelf verwondend
gedrag vertonen of bij mensen met epilepsie. De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland
(VGN) en de Nederlandse Vereniging Artsen Verstandelijk Gehandicapten (NVAVG) geven
desgevraagd aan dat gebruik gemaakt wordt van zogenoemde epilepsiehelmen (valhelmen),
om te voorkomen dat cliënten bijvoorbeeld ernstig letsel oplopen bij (onverwachte)
valpartijen tijdens een epileptische aanval. Ook de Dienst Justitiële Inrichtingen
(DJI) en de Nederlandse GGZ geven aan dat, in uitzonderlijke gevallen, op basis van
de juiste wet- en regelgeving het gebruik van een (val)helm zou kunnen worden toegepast.
In alle gevallen geldt dat de toepassing van een dergelijk hulpmiddel, zoals een helm,
met voldoende waarborgen is omkleed.
Vraag 2
Is het gebruik van dergelijke hulpmiddelen toegestaan? Welke wetten, regelgeving en
richtlijnen gelden voor de inzet van dergelijke hulpmiddelen zoals een veiligheidshelm
met een slot? Kunt u dit per doelgroep uiteenzetten? Welke eisen worden gesteld aan
personeel dat deze hulpmiddelen inzet? Hoe is het toezicht erop geregeld?
Antwoord 2
Ja, het gebruik van hulpmiddelen kan toegestaan zijn, maar alleen conform de daarvoor
geldende wet- en regelgeving. Als niet wordt voldaan aan die wet- en regelgeving is
het gebruik ervan niet toegestaan.
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) zijn zorgaanbieders
verplicht om zorg van goede kwaliteit te bieden. Daaronder wordt mede verstaan het
verlenen van zorg die in ieder geval veilig is. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste
middel worden toegepast onder toepassing van de criteria en procedures van de wet.
De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) regelt de rechten van mensen
die te maken hebben met verplichte zorg vanwege een psychische stoornis. De Wet zorg
en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) regelt de
rechten bij onvrijwillige zorg of onvrijwillige opname van mensen met een verstandelijke
beperking en mensen met een psychogeriatrische aandoening (zoals dementie). Er moet
sprake zijn van ernstig nadeel, bijvoorbeeld een aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk
letsel.
Ook mogen er geen minder ingrijpende alternatieven (proportionaliteit) of vrijwillige
alternatieven zijn waardoor geen of minder dwang kan worden toegepast (subsidiariteit),
en moet de veiligheid geborgd zijn.
Op grond van de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire
beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen is gebruik van een
valhelm (of een schuimhelm) bij een tbs-gestelde of een gedetineerde alleen toegestaan
als dat noodzakelijk is ter afwending van een ernstig gevaar voor de eigen gezondheid
of voor de veiligheid van anderen. Voor de toepassing en voor het middel zelf (de
helm) zijn eisen uitgewerkt in lagere regelgeving.2 In de lagere regelgeving over de toepassing mechanische middelen wordt benoemd dat
dergelijke mechanische middelen alleen kunnen worden toegepast wanneer dit noodzakelijk,
proportioneel en subsidiair is en dat respect voor de menselijke waardigheid niet
uit het oog mag worden verloren. Voorafgaand aan de toepassing van mechanische middelen
dient te worden bezien of kan worden voorkomen dat de verpleegde of gedetineerde wordt
belemmerd in de zelfstandige uitvoering van lichaamsfuncties, zoals eten en drinken.
Als de cliënt, betrokkene, verpleegde of gedetineerde zich verzet tegen het dragen
van een helm, bijvoorbeeld omdat hij in zijn bewegen wordt beperkt of het niet prettig
vindt, betreft dit het verlenen van gedwongen zorg. Deze zorgvorm kan, afhankelijk
van het geval, worden geduid als een beperking van de bewegingsvrijheid of de vrijheid
om het eigen leven in te richten. De wettelijk verplichte procedures voor gedwongen
zorg op grond van bovengenoemde wetten moeten dan eerst worden doorlopen. In het geval
van de Wvggz moet een zorgmachtiging bij de rechter worden aangevraagd en in het geval
van de Wzd moet het verplichte stappenplan worden gevolgd. Personen die forensische
zorg ontvangen in een Wvggz- of Wzd-accommodatie vallen onder het regime waaronder
zij zijn opgenomen.
Het toezicht op de toepassing van mechanische middelen onder de Beginselenwet verpleging
terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen wordt onder meer uitgeoefend door de Commissie van Toezicht, een
bij wet ingesteld onafhankelijk orgaan dat toezicht houdt op de tenuitvoerlegging
van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen vanwege de afhankelijke positie van
justitiabelen.3 Daarnaast houdt de IGJ toezicht op de kwaliteit van zorg in justitiële inrichtingen
en ziet de Inspectie Justitie en Veiligheid toe op veilige en verantwoorde sanctietoepassing.
In de praktijk trekken deze inspecties regelmatig gezamenlijk op. De IGJ houdt bovendien
toezicht op de naleving van de Wvggz en de Wzd en ziet daarbij ook toe op de veiligheid
van de cliënten en betrokkenen.
Vilans heeft voor de Wzd sinds 2020 programma’s ontwikkeld die bijdragen aan meer
bewustwording en kennisvergroting ten aanzien van gedwongen zorg4. Voor de Wvggz hebben verschillende scholingen en symposia over gedwongen zorg plaatsgevonden
en is de Coalitie Voorkomen Verplichte Zorg actief, ondersteund door Akwa GGZ en de
Nederlandse GGZ.
Bovendien wordt gewerkt aan multidisciplinaire richtlijnen voor de Wvggz en Wzd, waar
ook de patiënten- en cliëntenvertegenwoordiging bij wordt betrokken. Het veld ontplooit
diverse activiteiten die zien op kennisvergroting en voorlichting. Vanzelfsprekend
maakt de Wvggz onderdeel uit van de opleiding tot psychiater, zowel in het verplichte
onderwijs als in diverse cursussen. Daarnaast zijn verschillende scholingen en e-learnings
beschikbaar en worden regelmatig symposia georganiseerd.
Vraag 3
Welke andere hulpmiddelen worden in de praktijk ingezet, in het bijzonder bij de eerder
genoemde doelgroepen? Waar worden deze hulpmiddelen ingezet?
Antwoord 3
De bovengenoemde wetgeving gaat over beslissingen per individu: de inzet van een hulpmiddel
is dan ook per betrokkene of cliënt verschillend en vergt altijd een individuele afweging.
Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden ingezet. De hulpmiddelenwijzer5 kan behulpzaam zijn voor zorgverleners. De hulpmiddelen kunnen zowel in een instelling
als in een ambulante setting worden ingezet.
Vraag 4
Hoe verhouden dergelijke hulpmiddelen zich tot mensenrechtenverdragen en het VN-Verdrag
Handicap?
Antwoord 4
Omdat gedwongen zorg een inbreuk maakt op grondrechten van de betrokkenen en cliënten
zijn de internationale en Europese verdragen op het gebied van mensenrechten van groot
belang.
In het kader van gedwongen zorgverlening zijn de artikelen 5 en 8 van het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
en artikel 17 van het VN-Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)
en het VN-Verdrag Handicap het meest relevant. Zo bevat artikel 5 van het EVRM een
regeling over vrijheidsontneming en heeft eenieder op grond van artikel 8 van het
EVRM en artikel 17 IVBPR het recht op respect voor zijn privéleven. Een beperking
van grondrechten moet gelegitimeerd zijn door een wet in formele zin en voldoen aan
de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De Wvggz, de Wzd, de Beginselenwet
verpleging terbeschikkinggestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen voldoen aan de grondwettelijke en verdragsrechtelijke
eisen.
Vraag 5
Worden vrijheidsbeperkende hulpmiddelen ook bij kinderen en jongeren ingezet? Gebeurt
dit in praktijk en zo ja, bij welk type instelling en onder welke voorwaarden?
Antwoord 5
De Wvggz en de Wzd kunnen ook van toepassing zijn bij jeugdigen. Op grond van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) kunnen in uitzonderlijke gevallen, met voldoende
waarborgen omkleed, mechanische middelen zoals een valhelm of schuimhelm worden toegepast
wanneer deze vrijheidsbeperking noodzakelijk is ter afwending van een van de jeugdige
uitgaand ernstig gevaar voor diens gezondheid of de veiligheid van anderen dan de
jeugdige.
In de gesloten jeugdhulp mag op grond van de Jeugdwet de bewegingsvrijheid van jeugdigen
worden beperkt. Echter, alleen de in de Jeugdwet genoemde maatregelen mogen daarbij
worden toegepast. Het gebruik van hulpmiddelen zoals deze specifieke helm is niet
toegestaan.
Vraag 6
Op welke manier worden de rechten van patiënten en cliënten geborgd bij het voornemen
om deze hulpmiddelen te gebruiken of het inzetten van dergelijke hulpmiddelen? Hoe
worden patiëntenrechten in de praktijk gewaarborgd, aangezien het hier gaat over patiënten
en cliënten die al in een afhankelijkheidsrelatie zitten? Hoe worden rechten geborgd
van patiënten die zich niet verbaal kunnen uiten, bijvoorbeeld omdat zij niet kunnen
praten?
Antwoord 6
Gedwongen zorg grijpt diep in op de persoonlijke integriteit van mensen die ermee
te maken krijgen. Besluiten tot inzet hiervan worden niet lichtvaardig genomen. Gezien
de kwetsbare situatie van mensen die hiermee te maken krijgen, zijn controlemechanismen
van groot belang om hier zicht op te houden. De Wvggz en de Wzd zijn erop gericht
om te bewerkstelligen dat gedwongen zorg alleen als uiterste middel wordt ingezet.
De rechtsbescherming in beide wetten is met name vormgegeven door strikte procedures
over de besluitvorming, evaluatie en beëindiging van gedwongen zorg zoals beschreven
bij antwoord 2, de bijstand van een advocaat en een vertrouwenspersoon en door de
mogelijkheid om over de toepassing van gedwongen zorg een klacht in te dienen bij
een onafhankelijke klachtencommissie. Daarnaast ziet de IGJ toe op de naleving van
deze wetten.
Voorafgaand aan het nemen van een beslissing over de toepassing van mechanische middelen
wordt de verpleegde of de gedetineerde in beginsel in de gelegenheid gesteld om in
voor hem begrijpelijke taal te worden gehoord.6 Indien wordt besloten tijdens de separatie mechanische middelen in te zetten, worden
de Commissie van Toezicht en de dienstdoende arts binnen de kliniek of inrichting
daarvan onverwijld in kennis gesteld. Daarnaast kan de justitiabele op grond van de
wet tegen de beslissing in beklag gaan, al dan niet vergezeld van een verzoek tot
schorsing, bij de beklagcommissie. Ook staat beroep open bij de Afdeling rechtspraak
van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming.7
Vraag 7
Deelt u de mening dat personeelstekort geen reden mag zijn om dergelijke vrijheidsbeperkende
hulpmiddelen toe te passen?
Antwoord 7
Ja, personeelstekort mag geen reden zijn om vrijheidsbeperkende maatregelen op te
leggen. Gedwongen zorg kan alleen als uiterst middel en nooit zonder zorgvuldige besluitvormingsprocedure
toegepast worden bij een betrokkene of cliënt. Integendeel, dergelijke maatregelen
vragen soms juist extra capaciteit vanwege de vaak intensievere zorg voor de betreffende
persoon en voortdurende beoordeling of de maatregel al dan niet moet worden voortgezet.
Vraag 8
Bestaan er onderzoeken naar de inzet van dergelijke hulpmiddelen, in het bijzonder
de wenselijkheid en effectiviteit ervan?
Antwoord 8
De inzet van hulpmiddelen in de zorg wordt door zorgverleners conform de geldende
wet- en regelgeving en richtlijn(en) gedaan. Richtlijnen zijn gebaseerd op de stand
der wetenschap en praktijk en worden in multidisciplinair verband gemaakt. Specifieke
onderzoeken naar de inzet van de helm met slot zijn de ministeries van VWS en J&V
niet bekend.
Vraag 9
Bestaan er onderzoeken naar de (psychische) gevolgen voor cliënten, gedetineerden
en bewoners van zorginstellingen waar deze hulpmiddelen worden ingezet? Zo ja, kunt
u deze onderzoeken delen met de Kamer? Zo nee, bent u bereid met onmiddellijke ingang
productie en gebruik van deze hulpmiddelen te verbieden, zeker totdat hier duidelijkheid
over is?
Antwoord 9
Dergelijke onderzoeken zijn bij de ministeries van VWS en J&V niet bekend. Er is geen
aanleiding om met onmiddellijke ingang de productie en het gebruik van hulpmiddelen
te verbieden. Er zijn situaties waarin gedrag dat voortkomt uit een psychische stoornis,
verstandelijke handicap of psychogeriatrische aandoening kan leiden tot ernstig nadeel
voor een persoon zelf of anderen. Dan is het nodig om een handelingsperspectief te
hebben. Ernstig nadeel betekent kort gezegd dat er een aanzienlijk risico bestaat
dat iemand zichzelf of anderen schade toebrengt. Gedwongen zorg kan worden overwogen
als iemands gedrag leidt tot ernstig nadeel en als dat gedrag een gevolg is van een
psychiatrische of psychogeriatrische stoornis of een verstandelijke beperking. Die
gedwongen zorg, zoals het gebruik van een helm, kan uitsluitend als uiterste middel
worden verleend als het gebruik ervan noodzakelijk, geschikt en proportioneel is,
en er geen vrijwillige alternatieven zijn en dan zo kort en minst ingrijpend mogelijk.
Vraag 10
Deelt u onze zorgen dat de inzet van zulke middelen als zeer traumatiserend en ingrijpend
worden ervaren door cliënten en gedetineerden? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het
vermeende doel van dergelijke middelen (namelijk het tegengaan van zelfbeschadiging)?
Antwoord 10
Zie het antwoord op vraag 6.
Vraag 11
Welke eisen worden er gesteld aan fabrikanten van dergelijke hulpmiddelen bij het
ontwerp, verkoop en de acquisitie? Is hier actief toezicht op?
Antwoord 11
Indien het om een medisch hulpmiddel gaat, dan moet dit voldoen aan de Medical Device
Regulation (MDR) om op de Europese markt te worden toegelaten. De MDR stelt eisen
aan de veiligheid, prestaties en klinische onderbouwing van medische hulpmiddelen.
Hierin wordt gewerkt met een risico gebaseerd systeem: hoe hoger het risico voor de
patiënt, hoe strenger de eisen. Hulpmiddelen worden ingedeeld in risicoklassen (klasse
I, IIa, IIb en III). Het is aan een fabrikant om te bepalen of zijn product een medisch
hulpmiddel is. Als dat het geval is, worden de hulpmiddelen (uitgezonderd risicoklasse
I) getoetst door een certificerende instantie in Europa: een «notified body». Bij
een positieve beoordeling kan de CE-markering worden aangebracht, waarmee het hulpmiddel
rechtmatig op de Europese markt kan worden gebracht. De IGJ is in Nederland toezichthouder
op deze wet- en regelgeving.
Vraag 12
Wat vindt u ervan dat deze vrijheidsbeperkende hulpmiddelen via een webshop gekocht
kunnen worden? Wat vindt u van teksten die deze producten aanprijzen als «De universele helm kan gebruikt worden voor allerlei doelgroepen: gedetineerden, psychiatrische
patiënten, cliënten met borderline, personen met autisme en ga zo maar door.»? Deelt u de mening dat dergelijk teksten stigmatiserend zijn, het gebruik van deze
hulpmiddelen onterecht normaliseren en geen recht doen aan het aspect van mensenrechten?
Antwoord 12
Zoals aangegeven in vraag 11 mogen medische hulpmiddelen op de markt worden gebracht
als zij voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Gesteld kan worden dat de tekst
op de betreffende website zorgvuldiger kan. Zoals voorgaand in de antwoorden is aangegeven
kan gedwongen zorg en de inzet van hulpmiddelen niet zomaar plaatsvinden, daar gelden
zorgvuldige besluitvormingsprocedures voor om zodoende de rechtspositie van betrokkenen
en cliënten te waarborgen.
Ondertekenaars
N.J.F. Pouw-Verweij, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.